Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:3858

2026-03-10 Bestuursrecht; Belastingrecht HAA 25/2100
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-03-10
Publicatiedatum
2026-04-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
HAA 25/2100
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2026/1224 | V-N 2026/29.34.43

Inhoudsindicatie

Wet hersteloperatie toeslagen. Eiser is een schuld aangegaan bij zijn vader. Hierbij is wel voldaan aan de eis van opeisbaarheid, maar niet aan de eis van de notariële akte/ rechterlijke uitspraak. Ook de hardheidsclausule vindt geen toepassing nu geen sprake is van schrijnende omstandigheden. Beroep ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.788 tekens)
Rechtbank noord-holland


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 25/2100


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen


[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J. van den Beldt),


en


Ministerie van Financien Programma DG Herstel, verweerder.




Procesverloop


Sociale Banken Nederland (SBN) heeft namens verweerder aan eiser een definitieve beschikking voor het afbetalen van private schulden opgelegd.



Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 11 maart 2025 het bezwaar afgewezen.



Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.



Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.



Eiser heeft nadere stukken ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026 te Haarlem.



Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] via een telefonische verbinding.





Overwegingen



Feiten


1. Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire.

2. Bij beschikking van 28 oktober 2024 heeft Sociale Banken Nederland (SBN) aangegeven dat de schuld van eiser aan [naam 2] , aangegaan in 2012, van in totaal

€ 63.443 (de schuld) niet wordt overgenomen. Als reden hiervoor is code 5 genoemd die in de beschikking als volgt is gedefinieerd:
“Deze schuld is een onderhandse lening en/of een privé-schuld, zoals een persoonlijke lening zonder notariële akte en/of gerechtelijk vonnis. We betalen deze schuld niet af.”




Geschil 3. In geschil is of op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) de schuld moet worden overgenomen.

4. Eiser betoogt dat de schuld aantoonbaar is ontstaan als direct gevolg van zijn financiële nood die zijn oorsprong vindt in de toeslagenaffaire. Bovendien is de schuld onderbouwd met bankoverschrijvingen, verklaringen van hemzelf en zijn vader (de schuldeiser) en opgenomen in eisers boekhouding en belastingaangiften. Daarnaast stelt hij dat de hardheidsclausule van toepassing is. Verweerders enkele stelling dat hiervan geen sprake is omdat sprake is van een gentleman’s agreement is ontoereikend om te stellen dat de hardheidsclausule niet van toepassing is. Daarnaast betoogt eiser dat zijn schuldeiser ingevolge artikel 7:129e van het Burgerlijk wetboek (BW) dagelijks de schuld kan opeisen.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de beslissing op bezwaar en het overnemen van de schuld door verweerder.

5. Verweerder stelt dat het weliswaar de bedoeling is dat gedupeerde ouders zoveel mogelijk een nieuwe start maken, maar alleen schulden die voldoen aan de wettelijke voorwaarden dienen te worden overgenomen. De schuld voldoet volgens verweerder niet aan deze voorwaarden omdat de schuld vóór 1 juni 2021 niet opeisbaar was en omdat de schuld niet is vastgesteld in een notariële akte, dan wel in een rechterlijke uitspraak.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.



Beoordeling van het geschil


Wettelijk kader


6. Hoofdstuk 4 van de Wht regelt onder welke voorwaarden gedupeerden van de Toeslagenaffaire in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden.

7. In artikel 4.3, gelezen in samenhang met artikel 4.1 van de Wht is bepaald onder welke voorwaarden een al afgeloste schuld voor compensatie in aanmerking komt. Uit deze bepalingen volgt dat voldaan moet zijn aan de volgende voorwaarden:
a. de schuld is ontstaan na 31 december 2005;
b. de schuld was vóór 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. de schuld en kosten zijn voldaan na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht.

8. Verder volgt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht dat schulden die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf van de schuldeiser verrichte rechtshandeling (de zogenoemde ‘informele schulden’), alleen worden overgenomen als de schuld is vastgelegd in een notariële akte, die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak.

9. De in artikel 9.1, eerste lid, van de Wht opgenomen hardheidsclausule maakt het mogelijk om van de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht af te wijken, indien en voor zover toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.



Opeisbaarheid van de schuld


10. De rechtbank stelt vast dat het in deze zaak gaat om een informele schuld die eiser is aangegaan bij zijn vader. Hierbij dient eveneens vastgesteld te worden of de schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021. Een schuld is opeisbaar op het moment dat de schuldeiser nakoming van zijn vordering kan verlangen. Wanneer dit is hangt af van wat de partijen in de overeenkomst hebben afgesproken over wanneer de schuld moet zijn betaald. Indien hier niets over is afgesproken, is de schuld terstond opeisbaar (artikel 6:38 van het BW). Indien wel een betalingstermijn is overeengekomen, is de schuld pas opeisbaar nadat de betalingstermijn is verstreken (artikel 6:39 van het BW).

11. De rechtbank stelt vast dat tussen eiser en de schuldeiser niet is afgesproken wanneer de schuld opeisbaar is. Dit vindt steun in hetgeen eiser ter zitting heeft verklaard, namelijk dat de schuld ieder moment door de schuldeiser kan worden opgeëist. Hiermee is de schuld ingevolge artikel 6:38 van het BW terstond opeisbaar vanaf het moment van aangaan van de schuld. Bovendien is de schuld reeds aangegaan in 2012, dus ver voor 1 juni 2021. De rechtbank oordeelt dan ook dat is voldaan aan het criterium dat de schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021.

12. Verweerder heeft ter zitting nog aangevoerd dat geen sprake is van gemiste betalingstermijnen waardoor de schuld niet opeisbaar is geworden. Ter onderbouwing hiervan heeft hij gewezen op de uitspraak van Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5175. De rechtbank volgt verweerder niet nu deze uitspraak van de Afdeling toepassing mist op de onderhavige zaak. Anders dan in de onderhavige zaak was in de uitspraak waar verweerder naar verwijst een afspraak gemaakt tussen appellant en de schuldeiser dat de schuld pas terugbetaald hoefde te worden als hij daartoe in staat was. Hiermee was in deze zaak sprake van voorwaardelijke opeisbaarheid, terwijl in de schuld in de onderhavige zaak van een dergelijke voorwaarde geen sprake is.



De eis van de notariële akte


13. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een zogenoemde informele schuld en dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. De schuld is niet vastgelegd in een notariële akte en blijkt niet uit een rechterlijke uitspraak.

14. Het voorgaande laat onverlet dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, r.o. 26).

15. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich een dergelijke uitzonderingssituatie hier niet voor. De schuld volgt uitsluitend uit eisers aangiften inkomstenbelasting en eisers boekhouding. Van authentieke documenten waarin de schuld is opgenomen is niet gebleken. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het standpunt van eiser dat hij de aangiften te goeder trouw heeft ingediend en dat de schuld te goeder trouw in de boekhouding is verwerkt, kan daaraan niet dezelfde bewijskracht worden ontleend als aan een notariële akte of een rechterlijke uitspraak. De schuld blijkt in onderhavige zaak immers uit door eiser zelf ingediende aangiften die dienovereenkomstig zijn verwerkt in eisers boekhouding en niet uit authentieke documenten. Dat de inspecteur kennelijk de aangiften heeft gevolgd maakt dit niet anders. Blijkens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. (vgl. HR 11 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1005 en HR 9 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9068). Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat het niet in aanmerking nemen van de aangiften en de boekhouding van eiser niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.



Nadere toepassing van de hardheidsclausule


16. Ook verder ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen op grond van artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

17. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, overwogen dat de hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien, is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.

18. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij weliswaar financieel in een betere positie verkeerd dan in het verleden, maar dat hij nog steeds structureel te maken heeft met financiële nood en andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij heeft hij gesteld dat hij geen buffer heeft, geen ruimte om de schuld aan zijn vader af te lossen en de laatste maanden structureel € 2.000 rood staat. Daarnaast heeft hij tweedehands meubels, een oude tweedehands auto, en een verouderde keuken die gebreken vertoond. Hij heeft geen geld om deze zaken te vervangen. Verder is er achterstallig onderhoud aangaande zijn huis, onder andere schilderwerk, waarvoor hij ook geen geld heeft. Ook heeft zijn zoon diabetes type 1 en kan hij niet goed bijdragen aan het levensonderhoud van deze studerende zoon.

19. De rechtbank begrijpt dat eiser net rond kan komen, dat hij niets overhoudt en bovendien rood staat de afgelopen maanden. Dit heeft hij onderbouwd met bankafschriften betreffende het jaar 2025. De rechtbank oordeelt dat hieruit weliswaar blijkt dat de uitgaven de inkomsten in de laatste maanden van het jaar 2025 hebben overtroffen, maar niet dat sprake is van structurele financiële nood. Eiser heeft ter zitting weliswaar overige omstandigheden aangevoerd, maar deze niet concreet onderbouwd. Zo heeft eiser niet gestaafd in welke staat zijn keuken, zijn auto en zijn meubels zijn. Ook is (de urgentie van) het achterstallige onderhoud ten behoeve van zijn huis en de geschatte kosten hiervan niet onderbouwd. Hieruit volgt dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank de hardheidsclausule terecht niet heeft toegepast.



Motiveringsbeginsel


20. Voor zover eiser een beroep doet op het motiveringsbeginsel omdat verweerder zijn stelling dat de hardheidsclausule niet van toepassing is slechts heeft onderbouwd door te stellen dat slechts sprake is van een gentlemen’s agreement, volgt de rechtbank deze niet. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt voldoende waarop verweerder zijn beslissing heeft gebaseerd. Verder gaat verweerder uitgebreid in op eisers argumenten in bezwaar. Van strijd met het motiveringsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.



Slotsom


21. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.



Proceskosten


22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.







Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Richters, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.









griffier rechter






Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:








Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.