Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:3745

2026-04-08 Civiel recht; Personen- en familierecht C/15/376549 / JU RK 26-548
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-04-08
Publicatiedatum
2026-04-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/15/376549 / JU RK 26-548
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging uithuisplaatsing.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.968 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar



Zaaknummer: C/15/376549 / JU RK 26-548
Datum uitspraak: 8 april 2026




Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Alkmaar,



over





[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,



de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de GI.,
gevestigd te Alkmaar.






1Het verloop van de procedure


De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 7 april 2026.






2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .



2.2.

[de minderjarige] verblijft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .








3Het verzoek


De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.






4De beoordeling


4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.



4.2.

[de minderjarige] en haar moeder hadden veel ruzies met elkaar wat voor veel onveiligheid zorgde. [de minderjarige] kan daarom niet thuis wonen. Om deze reden is [de minderjarige] op 2 februari 2026 op vrijwillige basis uit huis geplaatst naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . De Raad vindt dit een geschikte verblijfplaats voor haar.



4.3.

[de minderjarige] wil graag bij [een voormalige vriendin van moeder] wonen, een voormalige vriendin van moeder. De moeder heeft hier ernstige bezwaren tegen. De Raad heeft een informele netwerkscreening naar de thuissituatie bij [een voormalige vriendin van moeder] gedaan. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat dit geen veilige omgeving is voor [de minderjarige] . [de minderjarige] is verteld dat zij niet bij [een voormalige vriendin van moeder] mag verblijven en dat de Raad dit geen geschikte verblijfplaats voor haar vindt. [de minderjarige] is sinds haar plaatsing bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] al diverse keren weggelopen naar [een voormalige vriendin van moeder] . Op 3 april 2026 is [de minderjarige] opnieuw weggelopen naar [een voormalige vriendin van moeder] en ze is tot nu toe niet teruggekeerd naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Aan [een voormalige vriendin van moeder] is verzocht om ervoor te zorgen dat [de minderjarige] terugkeert naar de groep en om [de minderjarige] niet binnen te laten of te houden. [een voormalige vriendin van moeder] heeft aangegeven dat zij zal kijken wat zij kan doen. Op 7 april 2026 is [de minderjarige] niet naar school gegaan, maar bij [een voormalige vriendin van moeder] gebleven. [de minderjarige] verblijft daar nog steeds.



4.4.

Tot nu toe kwam [de minderjarige] steeds na (maximaal) een nacht verblijf bij [een voormalige vriendin van moeder]
terug naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Op dit moment wordt gezien dat [de minderjarige] al vier nachten bij [een voormalige vriendin van moeder] verblijft, waarbij het onduidelijk is of en wanneer zij terugkeert naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Het is van belang dat er gesprekken worden gevoerd tussen [de minderjarige] , moeder en [een voormalige vriendin van moeder] om te bespreken hoe het weglopen voorkomen kan worden. Er moet per direct een plan worden opgesteld met afspraken, waarbij het van belang is dat iemand monitort of deze worden nagekomen. Gezien de verstoorde relatie tussen [de minderjarige] en haar moeder, lukt het moeder op dit moment niet deze regie te kunnen nemen.




4.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



4.6.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.



4.7.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.



4.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



4.9.
De Raad, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.






5De beslissing


De kinderrechter:



5.1.
stelt [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 8 april 2026 tot 8 juli 2026;



5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 8 april 2026 tot 6 mei 2026;


5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;



5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;



5.5.

roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van
mr. W.C. Oosterbroek op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan de Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar;



5.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;


5.7.
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.









Deze beschikking is gegeven door mr. E.G. van Roest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:257 BW.


Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).