Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:3409
2026-03-17
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/15/370134 / HA RK 25-149
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beschikking. Vraag of verzoekschrift is ingediend voordat de bodemzaak op de rol is ingeschreven. Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek te laat is ingediend.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.601 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: C/15/370134 / HA RK 25-149
Beschikking van 17 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BLANKENDAAL COLDSTORES B.V.,
te Tuitjenhorn, gemeente Schagen,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Blankendaal,
advocaat: mr. W.J.T. Ursem,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
THERMOTRAFFIC B.V.,
te Rotterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Thermotraffic,
advocaten: mrs. P.J.S. de Jong-van den Bogaard en A. De Wijs.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 11;
- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 3;
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. De Wijs heeft daarbij het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Blankendaal exploiteert koel- en vrieshuizen in Nederland, zogeheten ‘coldstores’. Een coldstore is een speciaal gebouwde opslagruimte of magazijn waarin producten bij lage temperaturen worden bewaard om ze vers en bruikbaar te houden.
2.2.
Thermotraffic is werkzaam binnen de koel- en vrieshuizenbranche. Thermotraffic biedt diensten aan die zien op onder meer de opslag van bevroren, gekoelde of niet-gekoelde producten.
2.3.
Begin 2025 viel de koelinstallatie van de coldstore van Blankendaal in Ridderkerk uit. Daarin hield Blankendaal verpakte voedingsmiddelen voor derden.
2.4.
Blankendaal heeft daarop contact opgenomen met Thermotraffic om te bespreken of Thermotraffic de goederen tijdelijk kon bewaren voor Blankendaal. Tussen partijen is vervolgens een mondelinge overeenkomst van bewaarneming tot stand gekomen.
2.5.
Op 28 april 2025 heeft Thermotraffic een eerste offerte aan Blankendaal gestuurd voor een bedrag van € 203.779,- voor de verrichte diensten. Partijen zijn vervolgens in discussie geraakt over welk bedrag Blankendaal dient te betalen voor de door Thermotraffic verrichte diensten.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Blankendaal heeft de rechtbank verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Aan het verzoek heeft Blankendaal samengevat het volgende ten grondslag gelegd. Thermotraffic is een bodemprocedure gestart tegen Blankendaal, ter zake nakoming van de overeenkomst tussen partijen en de afspraken omtrent de bewaarneming. Thermotraffic vordert daarin een bedrag van € 227.955,23. Omdat op Blankendaal mogelijk de bewijslast komt te rusten om aan te tonen dat Thermotraffic en Blankendaal een ‘rock bottom’ prijs hebben afgesproken, wenst Blankendaal een voorlopig getuigenverhoor te doen plaatsvinden. Met de uitkomst daarvan wenst Blankendaal haar rechtspositie (nader) te bepalen en vooral ook vooraf opheldering te verkrijgen.
3.2.
Blankendaal wenst in dit kader in ieder geval de volgende vier personen als getuigen te laten horen:
De heer [getuige 1] , werkzaam bij Thermotraffic;
De heer [getuige 2] , werkzaam bij Thermotraffic;
De heer [getuige 3] , werkzaam bij Blankendaal;
De heer [getuige 4] , werkzaam bij Blankendaal.
3.3.
Thermotraffic verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe kort gezegd het volgende aan. Op het moment dat Blankendaal haar verzoek bij de rechtbank heeft ingediend, was de bodemzaak al aanhangig gemaakt door Thermotraffic. Daarom heeft Blankendaal haar verzoek te laat ingediend. Verder heeft Blankendaal onvoldoende belang bij haar verzoek en is haar verzoek in strijd met de goede procesorde.
4De beoordeling
Juridisch kader
4.1.
Met ingang van 1 januari 2025 is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aangepast als gevolg van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 Rv de rechter verzoeken een of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, waaronder een voorlopig getuigenverhoor. De vereisten waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen staan in artikel 197 Rv.
4.2.
Het doel van een voorlopig getuigenverhoor is gelegen in het snel verkrijgen van opheldering van omstreden of onbekende feiten en het voorkomen dat bewijs verloren gaat. De verzoekende partij kan hiermee bewijs verkrijgen van feiten en omstandigheden die zij in een eventueel te voeren procedure dient te bewijzen.
4.3.
Met de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht heeft de wetgever de mogelijkheid om tijdens de hoofdprocedure voorlopige bewijsverrichtingen te verzoeken uitgesloten, met als doel te bevorderen dat eventuele nadere verzoeken om informatie of bewijs, te verkrijgen in een lopende procedure, gezamenlijk met de inhoudelijke behandeling worden beoordeeld. Daarmee wordt voorkomen dat verschillende, elkaar doorkruisende procedures over nagenoeg hetzelfde feitencomplex ontstaan. Dat betekent dat een voorlopige bewijsverrichting enkel kan worden verzocht voorafgaande aan een procedure en dus niet meer tijdens een al lopende procedure. In die fase zijn partijen aangewezen op verzoeken aan de behandelend rechter om bewijs te mogen leveren. Deze beperking hangt samen met de gedachte dat partijen alle voor de procedure relevante informatie zo veel mogelijk voorafgaand aan de procedure verzamelen en meteen bij aanvang van de procedure aan de rechter voorleggen.
4.4.
Artikel 196 lid 1 Rv - bepaalt voor zover van belang - dan ook: “Voordat een zaak aanhangig is, of als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen.”.
Inhoudelijk
4.5.
De vraag die partijen in dit geding verdeeld houdt is of het verzoekschrift is ingediend voordat de bodemzaak op de rol is ingeschreven.
4.6.
Thermotraffic heeft zich op het standpunt gesteld dat de bodemzaak op de rol is ingeschreven voordat het verzoekschrift (tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor) door Blankendaal is ingediend. Volgens Thermotraffic is de dagvaarding in de bodemzaak op 24 september 2025 aan Blankendaal betekend en is de betekende dagvaarding door een koerier op 30 september 2025 om 14:43 uur afgeleverd bij de rechtbank. Op dat moment is de bodemzaak op de rol ingeschreven volgens Thermotraffic. Dit terwijl het verzoekschrift op 30 september 2025 pas om 15:48 uur via Zivver is ingediend bij de rechtbank. Het verzoekschrift is daarom te laat ingediend, aldus Thermotraffic.
4.7.
Blankendaal stelt daar tegenover dat de bodemzaak pas aanhangig is op de datum waartegen Thermotraffic Blankendaal heeft gedagvaard, namelijk 8 oktober 2025. Om die reden is het verzoekschrift volgens Blankendaal op 30 september 2025 een week voor het inschrijven van de bodemzaak op de rol - en dus tijdig - ingediend.
4.8.
Blijkens de tekst van de Memorie van Toelichting bij de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is een verzoekschrift op tijd ingediend op het moment dat: “Als een procedure aanhangig is gemaakt, maar nog niet inhoudelijk wordt behandeld doordat de zaak nog niet bij de griffie is ingediend ter inschrijving op de rol, blijft de mogelijkheid bestaan om de rechter te verzoeken om een voorlopige bewijsverrichting te bevelen.”.
Op grond van deze uitleg dient naar het oordeel van de rechtbank het moment van aflevering van de dagvaarding op 30 september 2025 om 14:43 uur bij (de griffie van) de rechtbank te worden gezien als “bij de griffie ingediend ter inschrijving”. Partijen zijn het erover eens dat het verzoekschrift op 30 september 2025 om 15:48 uur via Zivver is gestuurd naar de rechtbank. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het verzoekschrift pas is ingediend nadat de dagvaarding bij de griffie is ingediend ter inschrijving op de rol. De rechtbank kan het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor op grond van het voorgaande niet bevelen.
4.9.
Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank Blankendaal niet-ontvankelijk in haar verzoek. De overige standpunten en verweren hoeven daarom niet besproken te worden.
Proceskosten
4.10.
Blankendaal is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Thermotraffic worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.209,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart Blankendaal niet-ontvankelijk in haar verzoek,
5.2.
veroordeelt Blankendaal in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Blankendaal niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Blankendaal tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Deze beschikking is gegeven door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
AFS/BdM
Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p 43.
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: C/15/370134 / HA RK 25-149
Beschikking van 17 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BLANKENDAAL COLDSTORES B.V.,
te Tuitjenhorn, gemeente Schagen,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Blankendaal,
advocaat: mr. W.J.T. Ursem,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
THERMOTRAFFIC B.V.,
te Rotterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Thermotraffic,
advocaten: mrs. P.J.S. de Jong-van den Bogaard en A. De Wijs.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 11;
- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 3;
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. De Wijs heeft daarbij het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Blankendaal exploiteert koel- en vrieshuizen in Nederland, zogeheten ‘coldstores’. Een coldstore is een speciaal gebouwde opslagruimte of magazijn waarin producten bij lage temperaturen worden bewaard om ze vers en bruikbaar te houden.
2.2.
Thermotraffic is werkzaam binnen de koel- en vrieshuizenbranche. Thermotraffic biedt diensten aan die zien op onder meer de opslag van bevroren, gekoelde of niet-gekoelde producten.
2.3.
Begin 2025 viel de koelinstallatie van de coldstore van Blankendaal in Ridderkerk uit. Daarin hield Blankendaal verpakte voedingsmiddelen voor derden.
2.4.
Blankendaal heeft daarop contact opgenomen met Thermotraffic om te bespreken of Thermotraffic de goederen tijdelijk kon bewaren voor Blankendaal. Tussen partijen is vervolgens een mondelinge overeenkomst van bewaarneming tot stand gekomen.
2.5.
Op 28 april 2025 heeft Thermotraffic een eerste offerte aan Blankendaal gestuurd voor een bedrag van € 203.779,- voor de verrichte diensten. Partijen zijn vervolgens in discussie geraakt over welk bedrag Blankendaal dient te betalen voor de door Thermotraffic verrichte diensten.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Blankendaal heeft de rechtbank verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Aan het verzoek heeft Blankendaal samengevat het volgende ten grondslag gelegd. Thermotraffic is een bodemprocedure gestart tegen Blankendaal, ter zake nakoming van de overeenkomst tussen partijen en de afspraken omtrent de bewaarneming. Thermotraffic vordert daarin een bedrag van € 227.955,23. Omdat op Blankendaal mogelijk de bewijslast komt te rusten om aan te tonen dat Thermotraffic en Blankendaal een ‘rock bottom’ prijs hebben afgesproken, wenst Blankendaal een voorlopig getuigenverhoor te doen plaatsvinden. Met de uitkomst daarvan wenst Blankendaal haar rechtspositie (nader) te bepalen en vooral ook vooraf opheldering te verkrijgen.
3.2.
Blankendaal wenst in dit kader in ieder geval de volgende vier personen als getuigen te laten horen:
De heer [getuige 1] , werkzaam bij Thermotraffic;
De heer [getuige 2] , werkzaam bij Thermotraffic;
De heer [getuige 3] , werkzaam bij Blankendaal;
De heer [getuige 4] , werkzaam bij Blankendaal.
3.3.
Thermotraffic verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe kort gezegd het volgende aan. Op het moment dat Blankendaal haar verzoek bij de rechtbank heeft ingediend, was de bodemzaak al aanhangig gemaakt door Thermotraffic. Daarom heeft Blankendaal haar verzoek te laat ingediend. Verder heeft Blankendaal onvoldoende belang bij haar verzoek en is haar verzoek in strijd met de goede procesorde.
4De beoordeling
Juridisch kader
4.1.
Met ingang van 1 januari 2025 is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aangepast als gevolg van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 Rv de rechter verzoeken een of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, waaronder een voorlopig getuigenverhoor. De vereisten waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen staan in artikel 197 Rv.
4.2.
Het doel van een voorlopig getuigenverhoor is gelegen in het snel verkrijgen van opheldering van omstreden of onbekende feiten en het voorkomen dat bewijs verloren gaat. De verzoekende partij kan hiermee bewijs verkrijgen van feiten en omstandigheden die zij in een eventueel te voeren procedure dient te bewijzen.
4.3.
Met de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht heeft de wetgever de mogelijkheid om tijdens de hoofdprocedure voorlopige bewijsverrichtingen te verzoeken uitgesloten, met als doel te bevorderen dat eventuele nadere verzoeken om informatie of bewijs, te verkrijgen in een lopende procedure, gezamenlijk met de inhoudelijke behandeling worden beoordeeld. Daarmee wordt voorkomen dat verschillende, elkaar doorkruisende procedures over nagenoeg hetzelfde feitencomplex ontstaan. Dat betekent dat een voorlopige bewijsverrichting enkel kan worden verzocht voorafgaande aan een procedure en dus niet meer tijdens een al lopende procedure. In die fase zijn partijen aangewezen op verzoeken aan de behandelend rechter om bewijs te mogen leveren. Deze beperking hangt samen met de gedachte dat partijen alle voor de procedure relevante informatie zo veel mogelijk voorafgaand aan de procedure verzamelen en meteen bij aanvang van de procedure aan de rechter voorleggen.
4.4.
Artikel 196 lid 1 Rv - bepaalt voor zover van belang - dan ook: “Voordat een zaak aanhangig is, of als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen.”.
Inhoudelijk
4.5.
De vraag die partijen in dit geding verdeeld houdt is of het verzoekschrift is ingediend voordat de bodemzaak op de rol is ingeschreven.
4.6.
Thermotraffic heeft zich op het standpunt gesteld dat de bodemzaak op de rol is ingeschreven voordat het verzoekschrift (tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor) door Blankendaal is ingediend. Volgens Thermotraffic is de dagvaarding in de bodemzaak op 24 september 2025 aan Blankendaal betekend en is de betekende dagvaarding door een koerier op 30 september 2025 om 14:43 uur afgeleverd bij de rechtbank. Op dat moment is de bodemzaak op de rol ingeschreven volgens Thermotraffic. Dit terwijl het verzoekschrift op 30 september 2025 pas om 15:48 uur via Zivver is ingediend bij de rechtbank. Het verzoekschrift is daarom te laat ingediend, aldus Thermotraffic.
4.7.
Blankendaal stelt daar tegenover dat de bodemzaak pas aanhangig is op de datum waartegen Thermotraffic Blankendaal heeft gedagvaard, namelijk 8 oktober 2025. Om die reden is het verzoekschrift volgens Blankendaal op 30 september 2025 een week voor het inschrijven van de bodemzaak op de rol - en dus tijdig - ingediend.
4.8.
Blijkens de tekst van de Memorie van Toelichting bij de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is een verzoekschrift op tijd ingediend op het moment dat: “Als een procedure aanhangig is gemaakt, maar nog niet inhoudelijk wordt behandeld doordat de zaak nog niet bij de griffie is ingediend ter inschrijving op de rol, blijft de mogelijkheid bestaan om de rechter te verzoeken om een voorlopige bewijsverrichting te bevelen.”.
Op grond van deze uitleg dient naar het oordeel van de rechtbank het moment van aflevering van de dagvaarding op 30 september 2025 om 14:43 uur bij (de griffie van) de rechtbank te worden gezien als “bij de griffie ingediend ter inschrijving”. Partijen zijn het erover eens dat het verzoekschrift op 30 september 2025 om 15:48 uur via Zivver is gestuurd naar de rechtbank. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het verzoekschrift pas is ingediend nadat de dagvaarding bij de griffie is ingediend ter inschrijving op de rol. De rechtbank kan het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor op grond van het voorgaande niet bevelen.
4.9.
Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank Blankendaal niet-ontvankelijk in haar verzoek. De overige standpunten en verweren hoeven daarom niet besproken te worden.
Proceskosten
4.10.
Blankendaal is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Thermotraffic worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.209,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart Blankendaal niet-ontvankelijk in haar verzoek,
5.2.
veroordeelt Blankendaal in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Blankendaal niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Blankendaal tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Deze beschikking is gegeven door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
AFS/BdM
Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p 43.