Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:3217

2026-02-24 Bestuursrecht; Belastingrecht HAA 24/5490
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-02-24
Publicatiedatum
2026-03-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
HAA 24/5490
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | Viditax (FutD) 2026060107 | NLF 2026/1065 met annotatie van mr. dr. C. Bruijsten | V-N Vandaag 2026/1109 | FutD 2026-0968 | Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/684 | V-N 2026/29.8 met annotatie van Redactie

Inhoudsindicatie

vennootschapsbelasting; fiscale eenheid; kwijtschelding zakelijke vordering; foutenleer; opgeofferd bedrag; liquidatieverlies; ontbinding en vereffening; algemene beginselen van behoorlijk bestuur; afwaardering vordering; onzakelijke lening; belastingrente

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.769 tekens)
Rechtbank noord-holland


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 24/5490


uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen


[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: ir. G.F. Woerlee),


en


de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.




Procesverloop


Verweerder heeft aan eiseres voor het boekjaar 2019 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd (hierna: de aanslag), berekend naar een belastbaar bedrag van € 499.392. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 22.822.



Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.



Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2025 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , [naam 2] Msc en mr. [naam 3] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van het dossier en om – zo gewenst – professionele rechtshulpverlening in te schakelen.



Partijen hebben nadere stukken ingediend.



De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door drs. [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , [naam 2] Msc en mr. [naam 3] .



De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 20 januari 2026 en partijen in de gelegenheid gesteld aanvullende informatie aan te leveren over de in rekening gebrachte belastingrente, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026
(ECLI:NL:HR:2026:59). Verweerder heeft schriftelijk gereageerd. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en doet zij uitspraak zonder nadere zitting.

Overwegingen





Feiten


De [groep]


1. Eiseres is vanaf haar oprichting op 31 mei 2011 als moedermaatschappij gevoegd in een fiscale eenheid voor de Vpb met haar dochtermaatschappijen [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) (hierna tezamen: de [groep] ).

2. De [groep] houdt zich bezig met het ontwikkelen en financieren van innovatieve technieken.




[bedrijf 3] B.V.


3. De [groep] houdt 47,06% van de aandelen in [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ).

4. Door de [groep] zijn leningen verstrekt aan [bedrijf 3] (naar de vorderingen wordt hierna tezamen verwezen als: de [bedrijf 3] -vordering).

5. In het jaar 2016 heeft de [groep] de [bedrijf 3] -vordering kwijtgescholden (hierna: de kwijtschelding). De kwijtschelding betrof een bedrag van € 601.019,33.

6. Een afwaardering van de [bedrijf 3] -vordering als gevolg van de kwijtschelding is in de aangifte Vpb voor het boekjaar 2016 niet ten laste van het resultaat gebracht.




[bedrijf 4] Inc.


7. De [groep] houdt 100% van de aandelen in de in de Verenigde Staten van Amerika opgerichte en gevestigde entiteit [bedrijf 4] Inc. (hierna: [bedrijf 4] ).

8. Door de [groep] is een lening verstrekt aan [bedrijf 4] (hierna: de [groep] -vordering).

9. Eind 2016 betrof de openstaande [groep] -vordering een bedrag van € 287.060.

10. Tot de gedingstukken behoren de volgende documenten: Form [# 1] (Corporate Dissolution or Liquidation), State of [staat 1] Certificate of Dissolution (section 275), Form [# 2] (U.S. Corporation Income Tax Declaration for an IRS e-file Return with Electronic Filing Personal Identification Number), Form [# 3] (State of [staat 2] Corporate Income Tax Declaration For Electronic Filing) en State of [staat 1] Annual Franchise Tax Report (2016).



Vpb 2019


11. Op 6 juli 2021 heeft eiseres de aangifte Vpb voor het boekjaar 2019 ingediend, resulterend in een negatief belastbaar bedrag van -/- € 275.114. In de aangifte heeft eiseres (onder meer) een bedrag van € 601.019 aangegeven als ‘andere kosten’ onder de post overige bedrijfskosten en een bedrag van € 287.060 aangegeven als (negatieve) waardeverandering van de [groep] -vordering.

12. Verweerder heeft met dagtekening 14 oktober 2023 de aanslag opgelegd en is hierbij afgeweken van de door eiseres ingediende aangifte. De ‘andere kosten’ voor een bedrag van € 601.019 en de (negatieve) waardeverandering van € 287.060 zijn door verweerder gecorrigeerd.



De beroepsfase


13. Op 30 oktober 2025 heeft de voormalig gemachtigde van eiseres naar de rechtbank het volgende verzoek gestuurd:

‘Namens onze cliënt, [eiseres] , verzoeken wij u vriendelijk om de geplande zitting in bovengenoemde zaak, vastgesteld op 13 november 2025 om 10.00 uur, te verplaatsen naar een latere datum.
De reden voor dit verzoek is dat wij momenteel nog in overleg zijn met de Belastingdienst over een mogelijke buitengerechtelijke oplossing van het geschil. Dit overleg verloopt constructief en kan mogelijk leiden tot een schikking, waarmee een zitting wellicht overbodig wordt. In het belang van een efficiënte procesgang en ter voorkoming van onnodige belasting van de rechterlijke macht, verzoek wij u daarom om uitstel van de zitting.
Wij stellen voor om de zitting met enkele weken te verplaatsen, zodat het overleg met de Belastingdienst kan worden afgerond. (…)’




Geschil


14. In geschil is of de aanslag tot de juiste hoogte is vastgesteld. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vragen of:


op grond van de foutenleer een afwaardering van de (in 2016 kwijtgescholden) [bedrijf 3] -vordering ten bedrage van € 601.019 in aanmerking kan worden genomen;


het opgeofferde bedrag voor de aandelen in [bedrijf 3] kan worden opgehoogd met een bedrag gelijk aan het bedrag van de kwijtschelding;


ten aanzien van de (behandeling door verweerder van de) [bedrijf 3] -vordering sprake is van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur;


ten aanzien van de aandelen in [bedrijf 4] (op grond van de foutenleer) een liquidatieverlies tot een bedrag van € 287.060 in aanmerking genomen kan worden;


en afwaardering van de [groep] -vordering in aanmerking genomen kan worden.



15. Tevens is in geschil of de belastingrente terecht en naar het juiste bedrag in rekening is gebracht.



Beoordeling van het geschil


Verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting


16. Op 30 oktober 2025 heeft (de voormalig gemachtigde van) eiseres verzocht om uitstel van het onderzoek ter zitting, onder meer aanvoerend dat partijen in onderling overleg zijn (zie onder 13). Hierop heeft de griffier van de rechtbank telefonisch contact gehad met verweerder. Tijdens het telefonisch onderhoud heeft verweerder aangegeven niet bekend te zijn met het door (de voormalig gemachtigde van) eiseres aangegeven onderling overleg. Daarop heeft de rechtbank op 3 november 2025 eiseres een bericht gestuurd waarbij het uitstelverzoek wordt afgewezen.

17. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting terecht afgewezen, daar een gewichtige reden ontbreekt. Verweerder heeft voorafgaand en op de zitting van 13 november 2025 onweersproken gesteld dat tot op het moment van de zitting van 13 november 2025 geen sprake is geweest van een situatie waarin partijen in onderling overleg zijn. Op de zitting heeft verweerder nader toegelicht dat hij in de zomer van 2025 is benaderd door de voormalig gemachtigde (van eiseres) om in onderling overleg te treden. Tijdens een afspraak die zomer hebben partijen gekeken naar de mogelijkheden, waarna de voormalig gemachtigde de opdracht had gekregen nadere stukken aan te leveren. Ondanks een herinnering, heeft de voormalig gemachtigde geen stukken aangeleverd en is het verweerder niet gelukt de voormalig gemachtigde te spreken. Het onderling overleg is hiermee reeds in de zomer van 2025 tot een einde gekomen.



De [bedrijf 3] -vordering – afwaardering op grond van de foutenleer?


18. De rechtbank merkt voorafgaand op dat tussen partijen niet in geschil is dat de afwaardering van de [bedrijf 3] -vordering als gevolg van de kwijtschelding in het jaar 2016 (voor een totaalbedrag van € 601.019,33) in het boekjaar 2016 ten laste van het fiscale resultaat gebracht had kunnen worden. Dit is echter niet gebeurd.

19. Nu de afwaardering van de [bedrijf 3] -vordering niet in het boekjaar 2016 ten laste van het resultaat is gebracht, stelt eiseres zich op het standpunt dat de afwaardering als gevolg van de kwijtschelding alsnog in het boekjaar 2019 ten laste van het resultaat kan worden gebracht met toepassing van de foutenleer. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de foutenleer in het onderhavige geval niet van toepassing is.

20. Eiseres heeft haar standpunt allereerst onderbouwd met de stelling dat de [bedrijf 3] -vordering na het jaar 2016 (ondanks de kwijtschelding in dat jaar) op de balans opgenomen is geweest als ware de [bedrijf 3] -vordering niet kwijtgescholden. Verweerder heeft dit met een verwijzing naar de ingediende aangiften van eiseres betwist. De rechtbank constateert dat uit de ingediende aangiften voor de boekjaren 2017 en 2018 volgt dat de [bedrijf 3] -vordering niet meer opgenomen is geweest op de balans van eiseres. In het vervolg zal de rechtbank dan ook uitgaan van de situatie dat de [bedrijf 3] -vordering vanaf het boekjaar 2017 niet meer opgenomen is geweest op de balans van eiseres.

21. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van het standpunt van eiseres het volgende geldt. De foutenleer strekt ertoe te voorkomen dat ingeval het eindvermogen van het voorafgaande jaar niet naar de voorschriften van de wet en overeenkomstig goed koopmansgebruik is vastgesteld, een deel van de bedrijfswinst onbelast blijft, hetzij dubbel wordt belast (vgl. onder meer HR 22 oktober 1953, nr. 11064, B. 9293, HR 13 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BB5878 en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:850).

22. Weliswaar is in het jaar 2016 een onjuistheid begaan, maar van een fout die doorwerkt in de balanswaardering (een zogenoemde foutenleerfout) is door het ontbreken van een balanspost per jaareinde 2016 (zie hetgeen hierover overwogen onder 20) geen sprake (vgl. HR 13 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BB5878, r.o. 3.3.2). Voor toepassing van de foutenleer in een jaar na 2016 bestaat derhalve geen grond. Dit betekent dat het beroep van eiseres op de foutenleer niet slaagt.



De [bedrijf 3] -vordering – ophoging opgeofferde bedrag aandelen [bedrijf 3] ?


23. Het standpunt van eiseres dat – bij het niet van toepassing zijn van de foutenleer – het opgeofferde bedrag voor de deelneming [bedrijf 3] moet worden opgehoogd met het bedrag van de kwijtschelding, slaagt niet. Het standpunt slaagt reeds niet omdat partijen (op de zitting) hebben bevestigd dat de [bedrijf 3] -vordering zakelijk is en de kwijtschelding is ingegeven op zakelijke gronden. Ook uit de gedingstukken valt niet anders op te maken.




De [bedrijf 3] -vordering – schending enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur?


24. Volgens eiseres zijn algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, omdat verweerder verschillende en tegenstrijdige standpunten heeft ingenomen. Zo verwijst eiseres onder meer naar een brief van verweerder van 17 september 2020 betreffende een ingediende aangifte Vpb voor boekjaar 2018.

25. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, op wie de last rust feiten en/of omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat verweerder enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, daarin niet is geslaagd. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, scheppen bij de rechtbank het beeld dat eiseres in de jaren na 2016 verschillende standpunten heeft ingenomen op grond waarvan een afwaardering van de [bedrijf 3] -vordering als gevolg van de kwijtschelding alsnog in aanmerking genomen zou kunnen worden. Zo heeft verweerder voor een eerder boekjaar (2018) in het hiervoor genoemde schrijven van 17 september 2020 afwijzend gereageerd op een door eiseres in de aangifte Vpb voor dat jaar opgenomen standpunt dat het aandelenbelang in [bedrijf 3] kan worden afgewaardeerd ten laste van de winst. Een dergelijke – van het onderhavige jaar afwijkende – standpuntbepaling van verweerder betekent niet dat sprake is van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het staat verweerder vrij een standpunt in te nemen op basis van de dan aanwezige feiten en omstandigheden. Ook in zoverre faalt het beroep.




[bedrijf 4] – liquidatieverlies (op grond van de foutenleer)?


26. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat [bedrijf 4] in 2017 is ontbonden en in 2019 is vereffend als gevolg waarvan een liquidatieverlies (ter hoogte van de afwaardering van de [groep] -vordering) in het onderhavige jaar in aanmerking genomen kan worden. Mocht dit standpunt niet slagen, dan stelt eiseres zich subsidiair op het standpunt dat [bedrijf 4] reeds in 2017 is (ontbonden en) vereffend en dat door toepassing van de foutenleer het liquidatieverlies (ter hoogte van de afwaardering van de [groep] -vordering) alsnog in het onderhavige jaar in aanmerking kan worden genomen.

27. Dat [bedrijf 4] in 2017 is ontbonden, wordt niet door verweerder betwist. Verweerder betwist echter wel, bij gebrek aan (onder meer) onderbouwende stukken, dat in het jaar 2019 (of het jaar 2017) de vereffening van [bedrijf 4] is voltooid.

28. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vereffening van [bedrijf 4] in 2017 of in 2019 is voltooid (in de zin van artikel 13d, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969; tekst 2019). Eiseres heeft weliswaar stukken overgelegd waaruit valt af te leiden dat de ontbinding van [bedrijf 4] in 2017 heeft plaatsgevonden (zie opgenomen onder 10). Zij heeft echter, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat de vereffening ook in enig jaar is voltooid. De enkele stelling van eiseres is daartoe onvoldoende.

29. Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vereffening van [bedrijf 4] in 2017 of 2019 is voltooid, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat voor het in aanmerking kunnen nemen van een liquidatieverlies de vereffening van een entiteit moet zijn voltooid. Het standpunt van eiseres slaagt dus niet.

30. Gezien hetgeen hiervoor overwogen behoeft het beroep van eiseres op de foutenleer geen behandeling meer.




[bedrijf 4] – afwaardering [groep] -vordering?


31. Voor zover eiseres zich op het standpunt heeft gesteld dat de [groep] -vordering kan worden afgewaardeerd ten laste van het resultaat, slaagt dit standpunt reeds niet omdat tussen partijen vaststaat dat de [groep] -vordering een onzakelijke lening betreft. In de stukken van het geding is bovendien geen enkel aanknopingspunt te vinden waaruit volgt dat niet sprake is van een onzakelijke lening.



Belastingrente


32. De rechtbank heeft het betoog van eiseres in de (tweede) pleitnota opgevat als een beroep op het evenredigheidsbeginsel.

33. Het beroep slaagt voor zover het is gericht tegen het door verweerder gehanteerde belastingrentepercentage van 8%. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, dient het beroep gegrond te worden verklaard en zal de belastingrente worden berekend naar een percentage van 4%. Hiervan uitgaande bedraagt de aan eiseres in rekening te brengen belastingrente € 14.234 ((90/360 x 0,01% x € 112.847) + (1.135/360 x 4% x € 112.847)) in plaats van € 22.822.



Slotsom


34. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De aanslag zal in stand blijven. De beschikking belastingrente zal verlaagd worden naar een bedrag van € 14.234.



Proceskosten


35. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep.

36. Eiseres heeft in de bezwaarfase niet verzocht om een vergoeding voor de gemaakte kosten. Er dient derhalve voor de bezwaarfase geen kostenvergoeding toegekend te worden.

37. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

38. Ook dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 371 te vergoeden.


Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de beschikking belastingrente;


vermindert de beschikking inzake belastingrente tot een bedrag van € 14.234;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934, en


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden.





Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, voorzitter, en mr. J. Snitker en mr. C.M.J.C. Snoek-Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. I. Kroesemeijer, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.









griffier voorzitter




Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.





Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).



U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).