Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:3126

2026-03-11 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht C/15/374314 / HA ZA 26-79
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-03-11
Publicatiedatum
2026-03-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/15/374314 / HA ZA 26-79
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Incident. Provisionele vordering (art 223 Rv) afgewezen. Conservatoire beslagen worden niet opgeheven. Voorshands is niet aannemelijk gemaakt dat de vordering, gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid, summierlijk ondeugdelijk is. Beslagen zijn niet onnodig. Belangenafweging.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.871 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland


Civiel recht



Zittingsplaats Alkmaar



Zaaknummer: C/15/374314 / HA ZA 26-79




Vonnis in incident van 11 maart 2026 (bij vervroeging)




in de zaak van





[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. T.E. Heslinga,



tegen





1 [gedaagde sub 1] ,hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,

2. [MB],hierna te noemen: MB,3. [gedaagde sub 3], hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,4. M2M BEHEER B.V.,hierna te noemen: M2M,
alle te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie in de hoofdzaak,
eisende partijen in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagden] .,
advocaat: mr. L. Bijl.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 januari 2026 met producties 1-28
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende een incidentele vordering tevens houdende een eis in reconventie met producties 1-21
- de akte houdende aanvullende productie (productie 22) van [gedaagde sub 1] en [gedaagden] .
- de conclusie van antwoord in het incident.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.





2De feiten voor zover van belang in het incident


2.1.

[eiser] heeft in augustus 2021 een bouwkavel gekocht aan de [adres] te [woonplaats] . Zijn wens was om op de kavel een woning met guesthouse en beachhouse (hierna: de woning) te bouwen. Daarvoor heeft hij op 1 juli 2022 een overeenkomst van aanneming gesloten met aannemingsbedrijf Aan de Oever Holding B.V. (hierna: ADO).


2.2.
MB en M2M zijn de bestuurders van ADO. [gedaagde sub 1] is enig bestuurder en aandeelhouder van MB. [gedaagde sub 3] is enig bestuurder en aandeelhouder van M2M.


2.3.
ADO is in december 2022 met het werk gestart. Er ontstonden op een gegeven moment discussies tussen [eiser] en ADO over het budget, de (totale) kosten, de planning en (de betaling van) facturen. In 2024 is een en ander geëscaleerd. Nadat facturen van ADO niet langer werden betaald door [eiser] , heeft ADO de werkzaamheden opgeschort. Daarna is de overeenkomst van aanneming beëindigd.



2.4.
ADO is in mei 2025 bij deze rechtbank een gerechtelijke bodemprocedure gestart tegen [eiser] (zaaknummer: C/15/366366 / HA ZA 25-355). ADO vordert in die procedure onder meer betaling van openstaande facturen. [eiser] heeft daartegen verweer gevoerd en een tegenvordering ingediend vanwege onder andere ten onrechte gefactureerde uren, ten onrechte in rekening gebrachte algemene kosten en het maken van herstel- en afbouwkosten. ADO heeft de tegenvordering betwist. Er zal in die zaak een mondelinge behandeling worden gepland. De rechtbank zal in die zaak ook nog beslissen op de opgeworpen incidentele vorderingen.



2.5.
Ter verzekering van zijn verhaal heeft [eiser] op 17 december 2025 een verzoek gedaan tot het leggen van conservatoire beslagen ten laste van ADO, [gedaagde sub 1] , MB, [gedaagde sub 3] en M2M.



2.6.
Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [eiser] op 19 december 2025 conservatoire beslagen laten leggen op de volgende activa en/of onder de volgende derden, voor zover hier van belang:[gedaagde sub 1]- de gemeenschappelijke woning- repeterend derdenbeslag onder de Rabobank
- repeterend derdenbeslag onder de ABN AMRO bank- personenauto’s




[gedaagde sub 3]

- zijn woning- repeterend derdenbeslag onder de Rabobank

- repeterend derdenbeslag onder de ABN AMRO bank- personenauto’s



MB en M2M


- repeterend derdenbeslag onder de Rabobank
- repeterend derdenbeslag onder de ABN AMRO bank- derdenbeslag onder A.M.M.M. B.V. - aandelen in het kapitaal van A.M.M.M. B.V.- personenauto’s.



2.7.
Vervolgens is [eiser] een bodemprocedure gestart tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagden] .



2.8.
ADO heeft inmiddels ter verzekering van haar verhaal conservatoire beslagen onder [eiser] laten leggen.





3Het geschil in de hoofdzaak


3.1.

In de hoofdzaak vordert [eiser] - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . jegens [eiser] wanprestatie hebben gepleegd en/of toerekenbaar tekort zijn geschoten en/of onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld, waardoor zij hoofdelijk aan [eiser] alle in dat kader geleden en te lijden schade dienen te vergoeden;
II. [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] in het kader van onverschuldigde betaling en/of in het kader van schadevergoeding van de navolgende bedragen:A. de onverschuldigd betaalde uren ten bedrage van in totaal € 273.515,41;B. de algemene kosten van € 115.068,99;C. de onverschuldigd betaalde tegels van € 75.700,63;D. de onverschuldigd betaalde kosten aan het pand van ADO van € 169,74;E. de opslag van 7% over de credits van € 33.767,86;F. de rekening van materiaal/materieel dat door ADO is meegenomen maar door [eiser] is betaald van € 35.648,79;
G. de dubbele kosten voor de trappen van € 5.343,87;H. de herstelkosten: € 581,10 (zwembad), € 20.277,18 (aluminium), € 86.919,76 (kelder), € 4.763,77 (rietdekker), € 44.622,68 (kozijnen), € 15.771,75 (trappen) en € 9.165,15 (herstellingen);
III. alle posten genoemd onder II te vermeerderen met de wettelijke rente;
IV. [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . hoofdelijk veroordeelt tot betaling van alle kosten voor de afbouw van de woning begroot op € 532.104,87;
V. [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . hoofdelijk veroordeelt in de (na)kosten van de procedure alsmede de al gemaakte en nog te maken beslag- en betekeningskosten.




3.2.

[eiser] baseert zijn vorderingen op bestuurdersaansprakelijkheid. Hij legt, samengevat, het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [eiser] heeft een vordering op ADO ter hoogte van € 1.253.421,55. Hij heeft niet alleen teveel en dubbel betaald aan ADO, maar dient daarnaast nog zijn woning af te bouwen met alle kosten van dien, inclusief herstelkosten voor de door ADO veroorzaakte gebreken. ADO en haar (indirect) bestuurders [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . zijn hoofdelijk verantwoordelijk voor de financiële puinhoop met betrekking tot de bouw van de woning. Zij hebben na het aankondigen van de vordering van [eiser] op ADO er bewust voor gekozen om een herstructurering van hun concern uit te voeren, waarbij een geheel nieuwe structuur naast ADO is opgestart. Die nieuw toegevoegde tak bestaat per 24 juli 2025 uit de holding A.M.M.M. B.V. met MB en M2M als bestuurders. Onder de holding hangen de aannemersbedrijven Aan de Oever B.V. en Aan de Oever dienstverlening B.V. Van daaruit wordt gewerkt en ADO wordt feitelijk losgekoppeld van de groep. De onder ADO hangende werkmaatschappij Aan de Oever Bouw B.V. is op 19 september 2025 ook ontbonden. ADO wordt aldus niet meer gebruikt in de dagelijkse bedrijfsvoering en alle (winstgevende) activiteiten worden in de andere vennootschappen uitgevoerd. Daarmee wordt ADO uitgehold en worden schuldeisers van ADO, waaronder [eiser] , ernstig benadeeld. ADO zal namelijk niet meer aan haar verplichtingen kunnen voldoen en geen verhaal meer bieden voor de als gevolg van deze handelwijze optredende schade. Hierin valt [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . een persoonlijk ernstig verwijt te maken. Zij hebben niet aangetoond wat de gerechtvaardigde redenen voor de herstructurering zijn geweest, waardoor de enige reden kan zijn de frustratie van enig verhaal door [eiser] . Dit (paulianeus) handelen kwalificeert als onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor de daaruit voortvloeiende schadeposten zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . hoofdelijk aansprakelijk, aldus [eiser] .



3.3.


[gedaagde sub 1] en [gedaagden] . betwisten dat zij onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] . Zij voeren daartoe, samengevat, het volgende aan.
De oprichting van A.M.M.M. B.V. houdt verband met de herstructurering van de Wijkom-groep. Wijkom houdt zich bezig met de uitleen van arbeidskrachten en [gedaagde sub 1] was enig (indirect) aandeelhouder en bestuurder van deze onderneming. Om de verhouding tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] gelijk te trekken en [gedaagde sub 3] toe te laten treden tot Wijkom is A.M.M.M. B.V. als holding opgericht en is zij enig aandeelhouder en bestuurder geworden van Wijkom Bouw & Infra B.V., Aan de Oever B.V. en Aan de Oever dienstverlening B.V. Deze herstructurering, die vanaf begin 2025 al werd voorbereid, staat los van ADO. Er is geen enkel verband tussen de gestelde vordering van [eiser] op ADO en de herstructurering. Dit blijkt uit de chronologie van de gebeurtenissen. Evenmin heeft de herstructurering gevolgen gehad voor de bedrijfsvoering van ADO. ADO heeft haar bedrijfsactiviteiten voortgezet, zodat van benadeling van schuldeisers geen sprake is. Aan de Oever dienstverlening B.V. heeft per 1 januari 2026 de bedrijfsactiviteiten van Wijkom voortgezet en in Aan de Oever B.V. vinden niet of nauwelijks bedrijfsactiviteiten plaats. Aan de Oever Bouw B.V. is ontbonden, omdat zij blijkens de jaarstukken 2021-2024 nimmer bedrijfsactiviteiten heeft verricht. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . hebben zij als (indirect) bestuurders van ADO dan ook niet onzorgvuldig gehandeld en kan hen geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt.





4Het geschil in het incident


4.1.

In het incident vorderen [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:1. [eiser] op straffe van een dwangsom veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het vonnis de ten laste van [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . gelegde conservatoire beslagen geheel of gedeeltelijk op te heffen;
2. [eiser] veroordeelt om aan [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . de proceskosten te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente.




4.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagden] . stellen dat de conservatoire beslagen als een donderslag bij heldere hemel kwamen en moeten worden opgeheven. Daartoe brengen zij, samengevat, het volgende naar voren.


4.2.1.
Pas op 30 juli 2025 heeft [eiser] in de bodemprocedure C/15/366366 / HA ZA 25-355 concreet gesteld dat hij een vordering op ADO heeft. In die procedure heeft ADO de gestelde vordering gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank die vordering hoogstwaarschijnlijk geheel of gedeeltelijk zal afwijzen en de vordering van ADO zal toewijzen. Er is verder geen enkel verband tussen de gestelde vordering van [eiser] op ADO en de herstructurering van Wijkom. Gelet op wat hierover in de hoofdzaak als verweer is aangevoerd zijn de door [eiser] ingeroepen rechten summierlijk ondeugdelijk. De stelling dat ADO bij een eventuele toewijzing van zijn vordering niet tot betaling zal overgaan en/of verhaal zal worden gefrustreerd is prematuur en heeft [eiser] op geen enkele wijze onderbouwd. Evenmin heeft hij onderbouwd dat hij schade heeft geleden of zal lijden. De conservatoire beslagen zijn daarom onnodig en dienen bovendien als vexatoir te worden beschouwd. [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . worden door deze beslagen onevenredig zwaar in hun belangen getroffen. Zij zijn niet meer in staat om hun betalingsverplichtingen na te komen, nu op alle bankrekeningen (repeterend) conservatoir beslag is gelegd. Daarnaast hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] geen inkomen meer om in het levensonderhoud van hun gezin te voorzien.




4.3.

[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . in de (na)kosten van dit incident. Volgens [eiser] is geen sprake van evidente ondeugdelijkheid van zijn vordering noch van misbruik van recht, terwijl het verhaalsrisico onverminderd reëel en actueel is. [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . bieden op geen enkele wijze (andere) zekerheid, zodat het beslag gehandhaafd moet blijven.


4.3.1.
Daarbij voert [eiser] aan dat de noodzakelijkheid van de herstructurering nog steeds niet is aangetoond. Het moment waarop de herstructurering plaatsvond en de redenen waarom zijn dubieus. Toen op 17 januari 2025 één van de eisende partijen in het incident voor het eerst bij de accountant voor de herstructurering zat, was namelijk al bekend dat er een enorm geschil speelde tussen ADO en [eiser] . In die periode was sprake van een precaire situatie in de kelder van de woning en zijn de nodige gebreken bij ADO gemeld en verzoeken gedaan om de schade te herstellen, bij gebreke waarvan de kosten van een derde op ADO zouden worden verhaald. Door de herstructurering valt ADO nu buiten de nieuwe tak en is Oever Bouw B.V. opgericht met exact hetzelfde doel als ADO, namelijk een aannemersbedrijf in burgerlijke en utiliteitsbouw. Deze vennootschap is bedoeld voor de werkzaamheden die ADO verricht, omdat onaannemelijk is dat de aannemerij in twee afzonderlijke BV’s zal worden geëxploiteerd. Daarmee staat vast dat ADO zal opdrogen en geen verhaal meer zal bieden. In dat kader zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . als bestuurders aansprakelijk (gesteld). Het feit dat zij een en ander betwisten, maakt de vordering nog niet ondeugdelijk.



4.3.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagden] . worden door het beslag niet onevenredig zwaar in hun belangen getroffen. Er valt privé niets onder het beslag, met uitzondering van de woningen en de personenauto’s. Het repeterende karakter is inmiddels achterhaald gezien het tijdsverloop en er kan gewoonweg gebruik worden gemaakt van de bankrekeningen. Er ligt bovendien geen beslag op enig inkomen. Met de nieuwe BV’s hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hun inkomensstroom veilig gesteld, zodat hun stelling dat zij niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien ongeloofwaardig is, aldus [eiser] .





5De beoordeling in het incident


5.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagden] . baseren hun vordering op artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Artikel 223 Rv biedt partijen de mogelijkheid om in een aanhangige procedure (de hoofdprocedure) te vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van de hoofdprocedure (ook wel aangeduid als een provisionele vordering). Aan het vereiste dat de provisionele vordering moet samenhangen met de hoofdprocedure is in dit geval voldaan.



5.2.
Vervolgens is de vraag of de conservatoire beslagen moeten worden opgeheven. In artikel 705 lid 2 Rv staat dat opheffing onder meer wordt uitgesproken als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.



5.3.
Het conservatoir beslag is een wettelijke voorziening die ertoe dient de beslaglegger in de gelegenheid te stellen verhaal voor een – vooralsnog niet vaststaande – vordering veilig te stellen, terwijl bij een afwijzing van de vordering in de hoofdzaak de beslaglegger aangesproken kan worden voor de door het beslag ontstane schade. Beoordeeld moet worden of het in het licht van alle feiten en omstandigheden van dit geval en in het kader van artikel 705 Rv gerechtvaardigd is dat de beslagen gedurende de hoofdzaak in stand blijven. De beoordeling moet gebeuren aan de hand van wat door partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd en kan niet zonder een afweging van de wederzijdse belangen, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.



5.4.
De verzochte opheffing van de beslagen is sterk verweven met de beoordeling van de gegrondheid van de vordering van [eiser] in de hoofdzaak. [eiser] verwijt [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . daarin, kort gezegd, bewust een herstructurering van hun concern te hebben uitgevoerd om de aannemingsactiviteiten van ADO onder andere vennootschappen te brengen en daarmee ADO uit te hollen, met benadeling van [eiser] tot gevolg. De op bestuurdersaansprakelijkheid gebaseerde vordering hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . in de hoofdzaak inhoudelijk betwist. De rechtbank kan de juistheid van de stellingen van partijen in dit incident slechts met terughoudendheid beoordelen. Het ligt op de weg van [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . om het feitelijke bestaan van de door hen aangedragen opheffingsgronden aannemelijk te maken.



5.5.
De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van de conservatoire beslagen af. Het feit dat het beslag niet is aangekondigd, is op zich geen reden om het beslag op te heffen. Voor het beslag is een voorafgaande aansprakelijkstelling ook niet vereist.



5.6.

[gedaagde sub 1] en [gedaagden] . hebben voorshands niet aannemelijk gemaakt dat de vordering van [eiser] summierlijk ondeugdelijk is. [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . hebben weliswaar een toelichting op de (achtergrond van de) herstructurering gegeven, maar op grond daarvan kan nog niet met voldoende mate van zekerheid worden aangenomen dat hun standpunt dat de herstructurering geen gevolgen heeft gehad voor de bedrijfsvoering van ADO juist is. [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . hebben niet concreet uitgelegd en met stukken onderbouwd dat ADO haar bedrijfsactiviteiten heeft voortgezet. Het feit dat binnen hetzelfde concern onder een nieuwe tak een aannemingsbedrijf is opgericht met hetzelfde doel als ADO vraagt daar wel om, mede gelet op het tijdstip van die oprichting. Ook de redenen waarom tot herstructurering is overgegaan vragen om een nadere toelichting. Verder ontbreken op dit moment (financiële) gegevens waaruit kan worden afgeleid dat de vrees van [eiser] over de uitholling van ADO en over benadeling ongegrond is. Er moet in de hoofdzaak daarom nader onderzoek, mede op basis van de mondelinge behandeling, plaatsvinden ter beantwoording van de vraag naar de bestuurdersaansprakelijkheid. In dit incident kan daarop niet worden vooruitgelopen.



5.7.
Over de feiten bestaat dus nog teveel onduidelijkheid om te kunnen concluderen dat de beslagen onnodig zijn. Wat [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . hebben aangevoerd rechtvaardigt verder niet de conclusie dat de beslagen vexatoir zijn. [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . hebben niet gesteld dat zij bereid zijn om op andere wijze (dan het beslag) voldoende zekerheid te stellen voor de gestelde vordering van [eiser] .



5.8.

[gedaagde sub 1] en [gedaagden] . hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat een belangenafweging in hun voordeel moet uitvallen. Zij hebben weliswaar gesteld dat zij door de beslagen onevenredig zwaar in hun belangen worden getroffen, maar deze – door [eiser] betwiste – stellingen hebben zij niet concreet toegelicht en met (financiële) documenten onderbouwd. Aldus is niet komen vast te staan dat zij privé en in het economisch leven in ernstige mate door de beslagen worden belemmerd. Ook voor het overige hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat zij het oordeel in de hoofdzaak niet kunnen afwachten. Onder die omstandigheden dient het belang van [eiser] om hangende de bodemprocedure een waarborg te behouden voor de door hem gestelde vordering zwaarder te wegen dan het belang van [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . bij opheffing van de gelegde beslagen.



5.9.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . dat zij als (indirect) bestuurders van ADO worden getroffen door het conservatoire beslag op het saldo van de zogenoemde g-rekening van ADO bij de ABN AMRO bank. Dit beslag is gelegd ten laste van ADO als rekeninghouder en niet ten laste van [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . De provisionele vordering heeft hierop geen betrekking.



5.10.
Dat sprake is van een verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen is verder niet gebleken. De slotsom is dan ook dat de ten laste van [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . gelegde conservatoire beslagen vooralsnog in stand blijven.



5.11.
Nu de incidentele vordering van [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . wordt afgewezen, zal de daarmee samenhangende vordering om [eiser] een dwangsom op te leggen, ook worden afgewezen.



5.12.

[gedaagde sub 1] en [gedaagden] . worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) in incident. Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] en [gedaagden] . dan ook hoofdelijk in de proceskosten in incident veroordelen.



De proceskosten van [eiser] in het incident worden begroot op:

- salaris advocaat € 653,00 (1 punt x tarief II)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 842,00


De proceskostenveroordeling wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.






6De beoordeling in de hoofdzaak


6.1.
De rechtbank zal bepalen dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 april 2026 voor conclusie van antwoord in reconventie.





7De beslissing


De rechtbank




in het incident




7.1.
wijst de vorderingen af,



7.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , MB, [gedaagde sub 3] en M2M hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] , MB, [gedaagde sub 3] en M2M niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



7.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,



in de hoofdzaak





7.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 22 april 2026 voor conclusie van antwoord in reconventie.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.



ST/JG