Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:13208

2026-08-28 Bestuursrecht; Omgevingsrecht HAA 25/4503
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-09-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
HAA 25/4503
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het beroep is gegrond. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd en dat het college de uitritvergunning van eiser in redelijkheid niet kon intrekken.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.652 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 25/4503


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Haarlem, eiser,


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem
(gemachtigde: mr. M. Vrij).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om de uitritvergunning van eiser voor de [adres] in Haarlem in te trekken. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd en dat het college de uitritvergunning van eiser in redelijkheid niet kon intrekken. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vraag. Heeft het college het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd? Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.




Procesverloop


2. Met het besluit van 31 juli 2024 heeft het college de uitritvergunning ingetrokken naar aanleiding van een herinrichtingsbesluit. Eiser heeft tegen dit intrekkingsbesluit bezwaar gemaakt. Met de beslissing van 20 november 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. De rechtbank heeft dit besluit op bezwaar met haar uitspraak van 3 september 2025 vernietigd en het college opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 24 september 2025 (het in deze zaak bestreden besluit) is het college bij het besluit om de uitritvergunning in te trekken gebleven.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft daarna een nader stuk ingediend.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door [naam 1] , en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 2] .




Het bestreden besluit en vaststaande feiten


3. Eiser woont aan de [adres] en heeft in 1974 een uitritvergunning gekregen. Eiser heeft een tegelzetbedrijf dat hij exploiteert vanuit zijn tuin en garage.



3.1.
In 2023 heeft het college een voorlopig ontwerp voor een herinrichting van de [straat] bekendgemaakt met het voornemen om de voor adressen aan de [straat] verleende uitritvergunningen in te trekken. Daarbij zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven. Op 30 mei 2024 heeft de gemeenteraad het definitieve ontwerp voor de herinrichting vastgesteld.



3.2.
Het college heeft de uitritvergunning per 1 september 2025 ingetrokken op grond van artikel 1:6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Haarlem (hierna: de APV), omdat dit noodzakelijk is vanwege de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist. Uit artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de APV volgt dat een uitritvergunning kan worden geweigerd ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg of indien een uitrit zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplek. Het college heeft de uitritvergunning ingetrokken, omdat de uitritten een risico vormen vanwege het slechte zicht op de fietsstraat bij het verlaten van de uitrit, en omdat de uitritten ten koste gaan van de openbare parkeergelegenheid, terwijl sprake is van een hoge parkeerdruk. Gelet hierop gaat het college over tot een herinrichting waarbij de veiligheid van fietsers en het creëren van openbare parkeerplekken geprioriteerd worden boven de uitritten.



Beoordeling door de rechtbank: heeft het college het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd?



4. Artikel 1:6, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV luidt: ‘De vergunning, de of ontheffing of het verlof kan worden ingetrokken of gewijzigd:

(…)


indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;’



Artikel 2:12, tweede lid, aanhef, onder a en onder b, van de APV luidt: ‘In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:




ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;




indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;’






4.1.
Eiser voert aan dat het college het bestreden besluit niet heeft gebaseerd op nieuwe feiten of argumenten, maar slechts valt in herhaling. Eiser stelt dat het opheffen van de uitritten niet bijdraagt aan het verhogen van de veiligheid. Voor zover het college in dit verband verwijst naar een deskundigenrapport, kan eiser zich niet verenigen met de conclusies van dat rapport. Eiser stelt ook dat hij niet in staat is om een tegenrapport te laten opmaken. Eiser wijst in dit verband op de ongelijkheid tussen zijn mogelijkheden en de mogelijkheden van het college. Over de inhoud van het rapport stelt eiser dat ook scooters, brommers, fatbikes, scootmobielen, bestelbussen en invalidenwagens gebruik zullen maken van de fietsstraat. Deze voertuigen hebben een hoge snelheid en daarom zou deze situatie niet veiliger zijn dan de huidige situatie. Ook de beoogde keerlus op de fietsstraat maakt de nieuwe situatie onveilig. Wat betreft de hoge parkeerdruk, zal de nieuwe situatie niet of nauwelijks winst opleveren. Verder miskent het college dat eiser zijn uitrit nodig heeft voor de toegang tot zijn bedrijfsruimte, een legaal bouwwerk. Juist de situatie die zonder uitrit ontstaat, waarbij eiser steigerdelen door de voortuin naar de bedrijfsauto aan de fietsstraat zou moeten vervoeren, is gevaarlijk. Tot slot voert eiser aan dat voor zijn garage een vergunning is verleend. Als het college deze vergunning niet meer kan vinden, zou eiser het voordeel van de twijfel moeten krijgen. Dat is ook gebeurd bij andere bewoners van de [straat] toen het college de uitritvergunningen niet in zijn eigen administratie kon terugvinden. Eiser was de enige bewoner die zijn uitritvergunning wel kon overleggen.



4.2.
Het college heeft de intrekking in de eerste plaats gebaseerd op een afweging van de belangen van eiser en het algemene belang bij verkeersveiligheid en het creëren van voldoende parkeerplaatsen. Aan die belangenafweging liggen een rapport van adviesbureau Witteveen+Bos van 11 april 2024 en het raadsbesluit van 30 mei 2024 ten grondslag. Volgens dat rapport is de verkeersveiligheid op de [straat] in het geding. Er ligt een fietspad tussen de woningen en de parkeerstrook in, zodat bewoners zich onveilig voelen bij het oversteken. Ook is in de huidige situatie sprake van een disbalans tussen de hoeveelheid voertuigen in de straat en het aantal parkeervakken, zodat geparkeerd wordt op de rijbaan, in de berm en op eigen terrein. Dikwijls worden bestaande uitritten gehinderd door auto’s die op de rijbaan geparkeerd staan. Er blijft weinig ruimte over voor het in- en uitrijden waardoor het zicht op fietsers slecht is. In het nieuwe ontwerp komt er een fietsstraat op de plaats van de rijbaan en zal er ook een parkeerstrook gerealiseerd worden met genoeg parkeervakken. Het college stelt verder dat ook de specifieke belangen van bewoners zijn meegenomen. Uit deze afweging is voortgekomen dat twee uitritten in stand moeten blijven, omdat die noodzakelijk zijn voor de toegang tot een vergunde garage. Wat betreft het bedrijf van eiser, stelt het college dat het transport zonder uitrit met bijvoorbeeld een steekwagentje zal moeten gebeuren. Eiser zal daarvan hinder ondervinden, maar het belang van eiser is volgens het college ondergeschikt aan het algemene belang bij een veilige weginrichting en het maken van voldoende parkeerplaatsen. Daarbij zal eiser nog steeds dicht bij zijn woning kunnen parkeren. Het college stelt zich verder op het standpunt dat eiser geen tegenonderzoek hoeft in te brengen. Eiser hoeft alleen redelijke aanknopingspunten aan te dragen voor twijfel aan de inhoud van de door het college gebruikte gegevens. Dit heeft eiser niet gedaan. Eiser stelt dat zich ook voertuigen over de fietsstraat zullen verplaatsen met een hogere snelheid dan fietsen. Ook de keerlus zou onveilig zijn. Eiser onderbouwt echter niet waarom dit onveilig is. Tijdens de gehele procedure zijn er meerdere inspraakavonden geweest en is er de mogelijkheid geweest om te reageren op het definitieve plan. De aangedragen bezwaren zijn steeds meegewogen in de besluitvorming.



4.3.
De rechtbank stelt voorop dat zij met haar uitspraak van 3 september 2025 de beslissing op bezwaar van 20 november 2024 heeft vernietigd. De rechtbank heeft toen geoordeeld dat de noodzaak van de intrekking niet deugdelijk was gemotiveerd en dat het besluit niet zorgvuldig was voorbereid. De rechtbank heeft het college de opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld en dus staat de uitspraak in rechte vast. Het is dan de vraag of het college de opdracht van de rechtbank heeft uitgevoerd en de geconstateerde gebreken heeft gerepareerd.



4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college heeft nagelaten om de uitspraak van de rechtbank van 3 september 2025 op te volgen in het bestreden besluit. Reeds daarom is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De onderbouwing van het college bestaat uit de algemene noodzaak van de herinrichting, zoals beschreven in het raadsbesluit van 30 mei 2024 en het achterliggende rapport van Witteveen+Bos, en uit de stelling dat alleen de bewoners van twee adressen met een vergunde garage een prevalerend specifiek belang hebben bij het behouden van hun uitweg en dat eiser dit belang niet heeft, omdat zijn garage niet is vergund. Verder stelt het college dat eiser enige hinder zal ondervinden in de uitoefening van zijn bedrijf, maar dat dit belang niet opweegt tegen het algemene belang bij de herinrichting. Deze motivering komt overeen met de motivering van de beslissing op bezwaar van 20 november 2024 en daarvan staat in rechte vast dat deze de intrekking niet kan dragen. Volgens de uitspraak van 3 september 2025 moest het college onderzoeken of en hoe gebruik wordt gemaakt van de hiervoor bedoelde vergunde garages. In het bestreden besluit is hierover slechts vermeld dat de garages gebruikt kunnen worden voor het stallen van een auto. Ter zitting heeft het college verklaard dat de ene garage vol stond met opgeslagen spullen en dat de andere garage nagenoeg leeg was. Deze vaststellingen verklaren naar het oordeel van de rechtbank niet de andere behandeling van eiser, die als enige bewoner van de [straat] een uitritvergunning kan overleggen, welke verleend moet zijn zodat hij zijn perceel op kan rijden, waar hij zijn bedrijf exploiteert. Daarbij is van belang dat de rechtbank in de uitspraak van 3 september 2025 heeft overwogen dat bij de intrekking van een verleende vergunning een zwaardere belangenafweging dan gebruikelijk moet worden gemaakt. Het college heeft tevens nagelaten om de verkeersveiligheid in geval van drie uitwegen te onderzoeken, hetgeen de rechtbank in de uitspraak van 3 september 2025 van belang heeft geacht om de noodzaak van de intrekking van de vergunning van eiser te kunnen beoordelen. Het is de vraag of het motiveringsgebrek met de aanvullende motivering op zitting is gerepareerd.



4.5.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit ook met de aanvulling ter zitting niet deugdelijk is gemotiveerd. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat een derde uitrit geen wezenlijk verschil zal maken voor de verkeersveiligheid ten opzichte van twee uitritten. Het college stelde echter dat er geen verschil is tussen eiser en de andere negen bewoners van wie de uitritvergunning is ingetrokken. Het zou daarom niet te rechtvaardigen zijn, als eisers uitrit in stand mag blijven. De rechtbank kan dit standpunt van het college niet volgen. Eiser is de enige bewoner die in beroep is gegaan tegen het besluit om zijn uitritvergunning in te trekken. Dit maakt op zichzelf al dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen eiser en de andere negen bewoners. Daarnaast is eiser de enige bewoner die een vergunning voor zijn uitrit kan overleggen. Ook dit is naar het oordeel van de rechtbank een relevant verschil met de andere negen bewoners.



4.6.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het college het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep slaagt.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Nu het college tot twee keer toe een niet deugdelijk gemotiveerd besluit op bezwaar heeft genomen en ook ter zitting de motivering niet voldoende aan heeft kunnen vullen, gaat de rechtbank ervan uit dat de intrekking van de uitritvergunning niet deugdelijk valt te motiveren. De rechtbank concludeert daarom dat de uitritvergunning van eiser redelijkerwijs niet ingetrokken had kunnen worden. Met het oog op de finale geschilbeslechting neemt de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en herroept de intrekking van de uitritvergunning. Dit betekent dat eiser weer over een geldige uitritvergunning beschikt.



5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 september 2025;
- herroept het besluit van 31 juli 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M. Duijkersloot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:RBNHO:2025:10244.


Onder verwijzing naar onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2225.