Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:13199
2026-09-08
Strafrecht
15/105011-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
MK Jeugdstraf. De rechtbank veroordeelt de verdachte voor diefstal met geweld in vereniging tot jeugddetentie en een deels voorwaardelijke werkstraf. De rechtbank beslist tot het niet opleggen van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer. De rechtbank doet ook uitspraak in de zaak van de medeverdachte: ECLI:NL:RBNHO:2026:13198
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2026:73 Hoge Raad 20-01-2026
- ECLI:NL:HR:2026:147 Hoge Raad 03-02-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.826 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/105011-26
Uitspraakdatum: 8 september 2026
Tegenspraak
Vonnis (P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting met gesloten deuren van 25 augustus 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] ;
wat de verdachte en zijn advocaat, mr. G.M. Terlingen, advocaat te Wognum, naar voren hebben gebracht;
het advies van [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad);
het advies van [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna te noemen: de jeugdreclassering);
wat de moeder van de verdachte over hem naar voren heeft gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Primair
hij op of omstreeks 17 maart 2026 te Hoorn, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg te weten [openbare weg] een winterjas (een imitatie Moncler) en/of een horloge (imitatie Rolex) en/of een telefoon (Apple iPhone 12) met bijbehorende oplader, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- meermalen, althans eenmaal die [benadeelde partij] tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen en/of- meermalen, althans eenmaal die [benadeelde partij] tegen/op het hoofd te schoppen (met geschoeide voeten) en/of te slaan;
Subsidiair
hij op of omstreeks 17 maart 2026 te Hoorn, althans in Nederland, op de openbare weg, te weten [openbare weg] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen- een of meer personen, te weten [benadeelde partij] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het meermalen, althans eenmaal slaan en/of schoppen tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] en/of- het meermalen, althans eenmaal tegen/op het hoofd schoppen (met geschoeide voet) en/of te slaan.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit. Daartoe is – samengevat – naar voren gebracht dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de verdachte (voorwaardelijke) opzet had op de diefstal en nauw en bewust heeft samengewerkt bij het wegnemen van de goederen. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de verdediging geen verweer gevoerd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Anders dan de verdediging heeft bepleit, blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende uit het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting dat hij niet alleen geweld heeft gebruikt tegen aangever [benadeelde partij] (hierna te noemen: [benadeelde partij] ), maar net als de twee medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna te noemen: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna te noemen: [medeverdachte 2] ) ook een wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan de diefstal van de jas, het horloge, de telefoon en de oplader van [benadeelde partij] . Hiervoor is in het bijzonder het volgende redengevend.
Uit de verklaring van de verdachte op de zitting blijkt dat hij op 17 maart 2026 met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan het fietsen was op het moment dat hij [benadeelde partij] en de getuige [getuige] (hierna te noemen: [getuige] ) tegenkwam. Vanwege een eerder conflict tussen [benadeelde partij] en het broertje van een vriend van [medeverdachte 1] , wilde de verdachte wraak nemen en [benadeelde partij] een lesje leren.
De daaropvolgende confrontatie tussen de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [benadeelde partij] is in zijn geheel vastgelegd op camerabeelden, die zich – samen met de beschrijving hiervan door verbalisanten – in het dossier bevinden. Hieruit blijkt dat de verdachte en [medeverdachte 1] samen op een fatbike rijden en [benadeelde partij] en [getuige] (die ook samen op een fatbike rijden), klemrijden. De verdachte, die op dat moment achterop bij [medeverdachte 1] zit, stapt af, werkt [benadeelde partij] naar de grond en begint vervolgens als eerste met het schoppen van [benadeelde partij] . Nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hun fatbikes op de standaard hebben gezet, voegen zij zich bij de verdachte. Daarbij is te zien dat zij alle drie om [benadeelde partij] heen staan en hem schoppen en slaan, terwijl [medeverdachte 2] het horloge van de pols van [benadeelde partij] wegneemt. Ook als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bezig zijn met het uittrekken van de jas van [benadeelde partij] , blijft het geweld doorgaan: [medeverdachte 1] slaat [benadeelde partij] meerdere keren, terwijl de verdachte [benadeelde partij] schopt. Uit de verklaringen van [getuige] blijkt dat [medeverdachte 2] daarbij zegt: “Trek die jas uit en geef me je telefoon en je horloge.” Uit de beelden blijkt verder dat [getuige] al vrij snel wegfietst op de fatbike en de verdachte even later ook in dezelfde richting loopt. Uit de verklaring van [getuige] blijkt dat hij naar het huis van [benadeelde partij] fietst om zijn ouders te halen, maar dat de verdachte achter hem aankomt en hem opdraagt om niks te zeggen, anders zouden ze hem ook slaan. Uit de beelden blijkt verder dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ondertussen doorgaan met het uittrekken van de jas van [benadeelde partij] en het toepassen van geweld op hem, terwijl [benadeelde partij] hulpeloos met zijn handen voor zijn hoofd op de grond ligt. [medeverdachte 2] pakt vervolgens de jas van [benadeelde partij] en neemt de jas onder zijn arm. Daarna fietsen de verdachten samen weg met de weggenomen goederen.
De gedragingen van de verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet alleen gericht op de mishandeling van [benadeelde partij] , maar ook op de diefstal van zijn goederen, en duiden op een gezamenlijke uitvoering, waarbij tussen de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Deze samenwerking blijkt uit de gezamenlijke confrontatie met [benadeelde partij] , het samen toepassen van geweld, het doorgaan met het geweld op het moment dat [medeverdachte 2] het horloge van [benadeelde partij] van zijn pols wegneemt en hem de opdracht geeft om zijn jas uit trekken en zijn telefoon en horloge af te staan. Daar komt bij dat de verdachte halverwege achter [getuige] aangaat om te beletten dat hij hulp inschakelt. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij, hoewel hij er wel de hele tijd bij was, niets heeft meegekregen van het wegnemen van de goederen. De rechtbank vindt deze verklaring, gelet op de hiervoor vastgestelde feiten ongeloofwaardig.
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 17 maart 2026 te Hoorn, tezamen en in vereniging met anderen, op de openbare weg te weten [openbare weg] , een winterjas (een imitatie Moncler) en een horloge (imitatie Rolex) en een telefoon (Apple iPhone 12) met bijbehorende oplader, die aan [benadeelde partij] toebehoorden,heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen voornoemde [benadeelde partij] ,gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- meermalen die [benadeelde partij] tegen het lichaam te slaan en te schoppen en- meermalen die [benadeelde partij] tegen/op het hoofd te schoppen (met geschoeide voeten) en te slaan.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6Motivering van de sanctie
6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot 3 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat aan de verdachte wordt opgelegd een werkstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd, onder de algemene voorwaarde en de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de Raad in het voorlichtingsrapport en op de zitting aangevuld. De passende duur van de proeftijd voor de voorwaarden is 2 jaar, met uitzondering van het contactverbod met de medeverdachten en aangever, waarvoor een duur van 1 jaar passend is.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht voor de strafmodaliteit aansluiting te zoeken bij het advies van de Raad en conform het advies te volstaan met het opleggen van een deels voorwaardelijke werkstraf, onder de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheid waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
6.3.1.
Aard en ernst van het feit
Op 17 maart 2026 heeft de verdachte zich, samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , op de openbare weg schuldig gemaakt aan de diefstal met geweld van [benadeelde partij] . [benadeelde partij] is klemgereden en door de verdachte op de grond geduwd. Terwijl hij weerloos op de grond lag, is door de verdachte en zijn medeverdachten fors geweld op hem uitgeoefend, kennelijk vanwege een filmpje waarbij [benadeelde partij] een ander zou hebben vernederd. De verdachte en de medeverdachten hebben zich niet alleen bemoeid in een conflict waar zij part noch deel in hadden, maar zijn daarbij alle grenzen te buiten gegaan. [benadeelde partij] , die al snel op de grond lag, had geen schijn van kans tegen de drie verdachten. Dit soort feiten leiden niet alleen tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers hiervan, maar ook bij de samenleving in het algemeen. Uit de aangifte en het aanvullend verhoor van [benadeelde partij] bij de politie blijkt dat hij door het schoppen en slaan door de verdachten een kneuzing in zijn rechterhand, een hersenschudding, schaafwonden en blauwe plekken heeft opgelopen. Op 4 april 2026, een paar weken na de aanvaring met de verdachten, had [benadeelde partij] nog steeds last van veel hoofdpijn. Dat de verdachte hieraan een bijdrage heeft geleverd, rekent de rechtbank hem aan.
6.3.2.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 juli 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank houdt ook rekening met het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Raad van 16 juli 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad. Uit het rapport blijkt dat de verdachte een prille positieve ontwikkeling laat zien: hij gaat naar school, er is een stijgende lijn zichtbaar in het aanleren van nieuwe vaardigheden en hij lijkt de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag te nemen. De kans op herhaling wordt – mede door het strakke kader van de schorsing – momenteel als laag ingeschat. Desondanks ziet de Raad risico’s, met name in het feit dat het voor de verdachte een uitdaging blijft om zich te onttrekken aan negatief gedrag. Van belang is daarom dat het jeugdreclasseringstoezicht wordt voortgezet. De Raad adviseert gelet op het voorgaande tot oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf, onder de algemene voorwaarde en de bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan het behouden van dagbesteding, meewerkt aan de begeleiding van El Caminar, geen contact heeft met de aangever en de medeverdachten en zich meldt bij de jeugdreclassering.
Op de zitting heeft de Raad het advies gehandhaafd. Verder heeft de Raad benadrukt dat de positieve ontwikkelingen van de verdachte nog pril zijn en de duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis ook kort is. Gelet op deze omstandigheden, in het licht van het verleden en de veelvuldigheid registraties van de verdachte, ziet de Raad meerwaarde in een proeftijd van 2 jaar voor de voorwaarden, met uitzondering van toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering en het contactverbod met de medeverdachten en de aangever, waarvoor een proeftijd van 1 jaar wordt geadviseerd.
De jeugdreclassering heeft zich op de zitting achter het advies van de Raad geschaard.
6.3.3.
Op te leggen straf
Bij ernstige strafbare feiten als het medeplegen van diefstal met geweld, waarbij bovendien sprake is van fors geweld tegen het hoofd, geldt in zijn algemeenheid dat onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het feit onvoorwaardelijke jeugddetentie ook in dit geval rechtvaardigen. De rechtbank vindt het echter niet in het belang van de verdachte om hem terug te sturen naar de jeugdgevangenis en beperkt de op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie daarom tot de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarom aan de verdachte 3 dagen jeugddetentie opleggen en bepalen dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht,
bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Hiernaast acht de rechtbank een werkstraf op zijn plaats. De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur daarvan de strafeis van de officier van justitie als uitgangspunt genomen. Daarbij heeft de rechtbank de jeugdige leeftijd van de verdachte in enigszins strafmatigende zin meegewogen. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte moet worden opgelegd een werkstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk. De rechtbank zal bepalen dat het onvoorwaardelijk deel van de werkstraf binnen een termijn van 9 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.
De rechtbank zal verder aan het voorwaardelijk op te leggen deel van de werkstraf een proeftijd verbinden van 2 jaar, mede zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Gelet op het strafblad ziet de rechtbank geen aanleiding om aan bepaalde voorwaarden, zoals is geadviseerd door de Raad, een kortere proeftijd te koppelen.
Naast de algemene voorwaarde zal de rechtbank aan de proeftijd bijzondere voorwaarden verbinden. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de verdachte meewerkt aan het houden van dagbesteding en meewerkt aan de begeleiding van El Caminar. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte een meldplicht bij de jeugdreclassering en een contactverbod met de aangever en de medeverdachten op te leggen. De verplichtingen en het verbod zullen als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen werkstraf worden verbonden.
6.4.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot bewaring van de verdachte opheffen.
7Schadevergoedingsmaatregel
7.1.
Wettelijk kader
Uit artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht volgt de bevoegdheid van de rechter tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Als de rechter alleen een schadevergoedingsmaatregel toewijst en niet de vordering van de benadeelde partij (bijvoorbeeld omdat de benadeelde partij zich niet in het strafproces heeft gevoegd), moet uit de beslissing tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel volgen waarom de verdachte tegenover het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door een strafbaar feit is toegebracht. Daarbij is het van belang dat het slachtoffer feiten en omstandigheden moet stellen waaruit deze schade kan worden afgeleid.
7.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat [benadeelde partij] , of zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) namens hem, zich niet in het stafproces heeft/hebben gevoegd als benadeelde partij. In het dossier bevindt zich wel een e-mail van de moeder van [benadeelde partij] van 25 augustus 2026. Dit bericht houdt onder meer het volgende in:
[…]
Schadeformulier is erbij ingeschoten.
Matteriele schade:
iPhone €200
Jas €150
Horloge €50
De immateriële schade is nog niet bekend i.v.m. wachtlijst psycholoog.
[…]
Naar het oordeel van de rechtbank zijn door [benadeelde partij] en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat [benadeelde partij] schade heeft geleden en, zo ja, uit welk bedrag de schade bestaat. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank ook de omstandigheid dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of, en zo ja welke, weggenomen goederen zijn teruggegeven aan [benadeelde partij] . Daarover heeft de officier van justitie op de zitting ook geen duidelijkheid kunnen geven. De rechtbank ziet – anders dan is gevraagd door de officier van justitie – dan ook geen aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Van toepassing zijn de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312 van het Wetboek van Strafrecht.
9Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot 40 (veertig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.
Bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van deze werkstraf binnen een termijn van 9 (negen)
maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
zich meldt bij de jeugdreclassering van De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd aan [adres] , op de door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijden, indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht om hun regiefunctie uit te voeren;
meewerkt aan het behouden van dagbesteding, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
meewerkt aan de begeleiding van El Caminar (of een soortgelijke organisatie), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer, [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] , en de medeverdachten, [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , en [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , zolang de jeugdreclassering dit in overleg met het Openbaar Ministerie noodzakelijk acht.
Van het contactverbod met het slachtoffer kan worden afgeweken na goedkeuring van de officier van justitie ten behoeve van een eventueel mediationtraject tussen de verdachte en het slachtoffer.
Geeft opdracht aan De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd in Heerhugowaard, een gecertificeerde instelling die de jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van de hierboven genoemde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de verdachte is gehouden om:
5. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden;
6. medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zo lang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Heft op het geschorste bevel tot bewaring van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. van Beek, voorzitter,
mr. S. Ok en mr. R.M. Verberne, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge,
en uitgesproken op de openbare zitting van 8 september 2026.
Mr. Verberne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:73; HR 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:147.
Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/105011-26
Uitspraakdatum: 8 september 2026
Tegenspraak
Vonnis (P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting met gesloten deuren van 25 augustus 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] ;
wat de verdachte en zijn advocaat, mr. G.M. Terlingen, advocaat te Wognum, naar voren hebben gebracht;
het advies van [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad);
het advies van [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna te noemen: de jeugdreclassering);
wat de moeder van de verdachte over hem naar voren heeft gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Primair
hij op of omstreeks 17 maart 2026 te Hoorn, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg te weten [openbare weg] een winterjas (een imitatie Moncler) en/of een horloge (imitatie Rolex) en/of een telefoon (Apple iPhone 12) met bijbehorende oplader, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- meermalen, althans eenmaal die [benadeelde partij] tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen en/of- meermalen, althans eenmaal die [benadeelde partij] tegen/op het hoofd te schoppen (met geschoeide voeten) en/of te slaan;
Subsidiair
hij op of omstreeks 17 maart 2026 te Hoorn, althans in Nederland, op de openbare weg, te weten [openbare weg] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen- een of meer personen, te weten [benadeelde partij] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het meermalen, althans eenmaal slaan en/of schoppen tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] en/of- het meermalen, althans eenmaal tegen/op het hoofd schoppen (met geschoeide voet) en/of te slaan.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit. Daartoe is – samengevat – naar voren gebracht dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de verdachte (voorwaardelijke) opzet had op de diefstal en nauw en bewust heeft samengewerkt bij het wegnemen van de goederen. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de verdediging geen verweer gevoerd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Anders dan de verdediging heeft bepleit, blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende uit het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting dat hij niet alleen geweld heeft gebruikt tegen aangever [benadeelde partij] (hierna te noemen: [benadeelde partij] ), maar net als de twee medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna te noemen: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna te noemen: [medeverdachte 2] ) ook een wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan de diefstal van de jas, het horloge, de telefoon en de oplader van [benadeelde partij] . Hiervoor is in het bijzonder het volgende redengevend.
Uit de verklaring van de verdachte op de zitting blijkt dat hij op 17 maart 2026 met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan het fietsen was op het moment dat hij [benadeelde partij] en de getuige [getuige] (hierna te noemen: [getuige] ) tegenkwam. Vanwege een eerder conflict tussen [benadeelde partij] en het broertje van een vriend van [medeverdachte 1] , wilde de verdachte wraak nemen en [benadeelde partij] een lesje leren.
De daaropvolgende confrontatie tussen de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [benadeelde partij] is in zijn geheel vastgelegd op camerabeelden, die zich – samen met de beschrijving hiervan door verbalisanten – in het dossier bevinden. Hieruit blijkt dat de verdachte en [medeverdachte 1] samen op een fatbike rijden en [benadeelde partij] en [getuige] (die ook samen op een fatbike rijden), klemrijden. De verdachte, die op dat moment achterop bij [medeverdachte 1] zit, stapt af, werkt [benadeelde partij] naar de grond en begint vervolgens als eerste met het schoppen van [benadeelde partij] . Nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hun fatbikes op de standaard hebben gezet, voegen zij zich bij de verdachte. Daarbij is te zien dat zij alle drie om [benadeelde partij] heen staan en hem schoppen en slaan, terwijl [medeverdachte 2] het horloge van de pols van [benadeelde partij] wegneemt. Ook als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bezig zijn met het uittrekken van de jas van [benadeelde partij] , blijft het geweld doorgaan: [medeverdachte 1] slaat [benadeelde partij] meerdere keren, terwijl de verdachte [benadeelde partij] schopt. Uit de verklaringen van [getuige] blijkt dat [medeverdachte 2] daarbij zegt: “Trek die jas uit en geef me je telefoon en je horloge.” Uit de beelden blijkt verder dat [getuige] al vrij snel wegfietst op de fatbike en de verdachte even later ook in dezelfde richting loopt. Uit de verklaring van [getuige] blijkt dat hij naar het huis van [benadeelde partij] fietst om zijn ouders te halen, maar dat de verdachte achter hem aankomt en hem opdraagt om niks te zeggen, anders zouden ze hem ook slaan. Uit de beelden blijkt verder dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ondertussen doorgaan met het uittrekken van de jas van [benadeelde partij] en het toepassen van geweld op hem, terwijl [benadeelde partij] hulpeloos met zijn handen voor zijn hoofd op de grond ligt. [medeverdachte 2] pakt vervolgens de jas van [benadeelde partij] en neemt de jas onder zijn arm. Daarna fietsen de verdachten samen weg met de weggenomen goederen.
De gedragingen van de verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet alleen gericht op de mishandeling van [benadeelde partij] , maar ook op de diefstal van zijn goederen, en duiden op een gezamenlijke uitvoering, waarbij tussen de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Deze samenwerking blijkt uit de gezamenlijke confrontatie met [benadeelde partij] , het samen toepassen van geweld, het doorgaan met het geweld op het moment dat [medeverdachte 2] het horloge van [benadeelde partij] van zijn pols wegneemt en hem de opdracht geeft om zijn jas uit trekken en zijn telefoon en horloge af te staan. Daar komt bij dat de verdachte halverwege achter [getuige] aangaat om te beletten dat hij hulp inschakelt. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij, hoewel hij er wel de hele tijd bij was, niets heeft meegekregen van het wegnemen van de goederen. De rechtbank vindt deze verklaring, gelet op de hiervoor vastgestelde feiten ongeloofwaardig.
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 17 maart 2026 te Hoorn, tezamen en in vereniging met anderen, op de openbare weg te weten [openbare weg] , een winterjas (een imitatie Moncler) en een horloge (imitatie Rolex) en een telefoon (Apple iPhone 12) met bijbehorende oplader, die aan [benadeelde partij] toebehoorden,heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen voornoemde [benadeelde partij] ,gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- meermalen die [benadeelde partij] tegen het lichaam te slaan en te schoppen en- meermalen die [benadeelde partij] tegen/op het hoofd te schoppen (met geschoeide voeten) en te slaan.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6Motivering van de sanctie
6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot 3 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat aan de verdachte wordt opgelegd een werkstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd, onder de algemene voorwaarde en de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de Raad in het voorlichtingsrapport en op de zitting aangevuld. De passende duur van de proeftijd voor de voorwaarden is 2 jaar, met uitzondering van het contactverbod met de medeverdachten en aangever, waarvoor een duur van 1 jaar passend is.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht voor de strafmodaliteit aansluiting te zoeken bij het advies van de Raad en conform het advies te volstaan met het opleggen van een deels voorwaardelijke werkstraf, onder de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheid waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
6.3.1.
Aard en ernst van het feit
Op 17 maart 2026 heeft de verdachte zich, samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , op de openbare weg schuldig gemaakt aan de diefstal met geweld van [benadeelde partij] . [benadeelde partij] is klemgereden en door de verdachte op de grond geduwd. Terwijl hij weerloos op de grond lag, is door de verdachte en zijn medeverdachten fors geweld op hem uitgeoefend, kennelijk vanwege een filmpje waarbij [benadeelde partij] een ander zou hebben vernederd. De verdachte en de medeverdachten hebben zich niet alleen bemoeid in een conflict waar zij part noch deel in hadden, maar zijn daarbij alle grenzen te buiten gegaan. [benadeelde partij] , die al snel op de grond lag, had geen schijn van kans tegen de drie verdachten. Dit soort feiten leiden niet alleen tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers hiervan, maar ook bij de samenleving in het algemeen. Uit de aangifte en het aanvullend verhoor van [benadeelde partij] bij de politie blijkt dat hij door het schoppen en slaan door de verdachten een kneuzing in zijn rechterhand, een hersenschudding, schaafwonden en blauwe plekken heeft opgelopen. Op 4 april 2026, een paar weken na de aanvaring met de verdachten, had [benadeelde partij] nog steeds last van veel hoofdpijn. Dat de verdachte hieraan een bijdrage heeft geleverd, rekent de rechtbank hem aan.
6.3.2.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 juli 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank houdt ook rekening met het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Raad van 16 juli 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad. Uit het rapport blijkt dat de verdachte een prille positieve ontwikkeling laat zien: hij gaat naar school, er is een stijgende lijn zichtbaar in het aanleren van nieuwe vaardigheden en hij lijkt de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag te nemen. De kans op herhaling wordt – mede door het strakke kader van de schorsing – momenteel als laag ingeschat. Desondanks ziet de Raad risico’s, met name in het feit dat het voor de verdachte een uitdaging blijft om zich te onttrekken aan negatief gedrag. Van belang is daarom dat het jeugdreclasseringstoezicht wordt voortgezet. De Raad adviseert gelet op het voorgaande tot oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf, onder de algemene voorwaarde en de bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan het behouden van dagbesteding, meewerkt aan de begeleiding van El Caminar, geen contact heeft met de aangever en de medeverdachten en zich meldt bij de jeugdreclassering.
Op de zitting heeft de Raad het advies gehandhaafd. Verder heeft de Raad benadrukt dat de positieve ontwikkelingen van de verdachte nog pril zijn en de duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis ook kort is. Gelet op deze omstandigheden, in het licht van het verleden en de veelvuldigheid registraties van de verdachte, ziet de Raad meerwaarde in een proeftijd van 2 jaar voor de voorwaarden, met uitzondering van toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering en het contactverbod met de medeverdachten en de aangever, waarvoor een proeftijd van 1 jaar wordt geadviseerd.
De jeugdreclassering heeft zich op de zitting achter het advies van de Raad geschaard.
6.3.3.
Op te leggen straf
Bij ernstige strafbare feiten als het medeplegen van diefstal met geweld, waarbij bovendien sprake is van fors geweld tegen het hoofd, geldt in zijn algemeenheid dat onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het feit onvoorwaardelijke jeugddetentie ook in dit geval rechtvaardigen. De rechtbank vindt het echter niet in het belang van de verdachte om hem terug te sturen naar de jeugdgevangenis en beperkt de op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie daarom tot de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarom aan de verdachte 3 dagen jeugddetentie opleggen en bepalen dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht,
bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Hiernaast acht de rechtbank een werkstraf op zijn plaats. De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur daarvan de strafeis van de officier van justitie als uitgangspunt genomen. Daarbij heeft de rechtbank de jeugdige leeftijd van de verdachte in enigszins strafmatigende zin meegewogen. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte moet worden opgelegd een werkstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk. De rechtbank zal bepalen dat het onvoorwaardelijk deel van de werkstraf binnen een termijn van 9 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.
De rechtbank zal verder aan het voorwaardelijk op te leggen deel van de werkstraf een proeftijd verbinden van 2 jaar, mede zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Gelet op het strafblad ziet de rechtbank geen aanleiding om aan bepaalde voorwaarden, zoals is geadviseerd door de Raad, een kortere proeftijd te koppelen.
Naast de algemene voorwaarde zal de rechtbank aan de proeftijd bijzondere voorwaarden verbinden. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de verdachte meewerkt aan het houden van dagbesteding en meewerkt aan de begeleiding van El Caminar. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte een meldplicht bij de jeugdreclassering en een contactverbod met de aangever en de medeverdachten op te leggen. De verplichtingen en het verbod zullen als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen werkstraf worden verbonden.
6.4.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot bewaring van de verdachte opheffen.
7Schadevergoedingsmaatregel
7.1.
Wettelijk kader
Uit artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht volgt de bevoegdheid van de rechter tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Als de rechter alleen een schadevergoedingsmaatregel toewijst en niet de vordering van de benadeelde partij (bijvoorbeeld omdat de benadeelde partij zich niet in het strafproces heeft gevoegd), moet uit de beslissing tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel volgen waarom de verdachte tegenover het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door een strafbaar feit is toegebracht. Daarbij is het van belang dat het slachtoffer feiten en omstandigheden moet stellen waaruit deze schade kan worden afgeleid.
7.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat [benadeelde partij] , of zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) namens hem, zich niet in het stafproces heeft/hebben gevoegd als benadeelde partij. In het dossier bevindt zich wel een e-mail van de moeder van [benadeelde partij] van 25 augustus 2026. Dit bericht houdt onder meer het volgende in:
[…]
Schadeformulier is erbij ingeschoten.
Matteriele schade:
iPhone €200
Jas €150
Horloge €50
De immateriële schade is nog niet bekend i.v.m. wachtlijst psycholoog.
[…]
Naar het oordeel van de rechtbank zijn door [benadeelde partij] en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat [benadeelde partij] schade heeft geleden en, zo ja, uit welk bedrag de schade bestaat. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank ook de omstandigheid dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of, en zo ja welke, weggenomen goederen zijn teruggegeven aan [benadeelde partij] . Daarover heeft de officier van justitie op de zitting ook geen duidelijkheid kunnen geven. De rechtbank ziet – anders dan is gevraagd door de officier van justitie – dan ook geen aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Van toepassing zijn de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312 van het Wetboek van Strafrecht.
9Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot 40 (veertig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.
Bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van deze werkstraf binnen een termijn van 9 (negen)
maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
zich meldt bij de jeugdreclassering van De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd aan [adres] , op de door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijden, indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht om hun regiefunctie uit te voeren;
meewerkt aan het behouden van dagbesteding, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
meewerkt aan de begeleiding van El Caminar (of een soortgelijke organisatie), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer, [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] , en de medeverdachten, [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , en [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , zolang de jeugdreclassering dit in overleg met het Openbaar Ministerie noodzakelijk acht.
Van het contactverbod met het slachtoffer kan worden afgeweken na goedkeuring van de officier van justitie ten behoeve van een eventueel mediationtraject tussen de verdachte en het slachtoffer.
Geeft opdracht aan De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd in Heerhugowaard, een gecertificeerde instelling die de jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van de hierboven genoemde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de verdachte is gehouden om:
5. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden;
6. medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zo lang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Heft op het geschorste bevel tot bewaring van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. van Beek, voorzitter,
mr. S. Ok en mr. R.M. Verberne, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge,
en uitgesproken op de openbare zitting van 8 september 2026.
Mr. Verberne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:73; HR 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:147.