Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:13068

2026-09-01 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht HAA 25/1781
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-09-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
HAA 25/1781
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft de oplegging van een boete op grond van de Participatiewet vanwege het niet melden van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verlaagt de boete omdat niet van opzet kan worden uitgegaan.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.512 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 25/2383


uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Velthorst),


en


het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland, WerkSaam
(gemachtigde: W. Mentink).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de boete van € 23.570,74 die aan eiseres op grond van de Participatiewet (PW) is opgelegd. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de opgelegde boete te hoog is. De rechtbank stelt de boete vast op € 1.825,01. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.




Procesverloop

2. Bij besluit van 18 november 2024 heeft WerkSaam eiseres een boete opgelegd van € 39.482,92.

3. Met het (bestreden) besluit van 31 maart 2025 op het bezwaar van eiseres heeft WerkSaam de boete verlaagd naar € 23.570,74.


3.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



3.2.
WerkSaam heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van WerkSaam deelgenomen.




Wat vooraf ging

4. Eiseres ontving sinds 24 december 2018 bijstand naar de norm van een alleenstaande (ouder).

5. Op basis van de uitkomsten van een rechtmatigheidsonderzoek door de toezichthouder / sociaal rechercheur heeft WerkSaam geconcludeerd dat eiseres vanaf 8 april 2022 een gezamenlijke huishouding voert met [naam 1] . WerkSaam heeft daarbij geconstateerd dat eiseres deze gezamenlijke huishouding niet heeft gemeld.

6. Bij besluit van 6 november 2024 heeft WerkSaam de uitkering van eiseres op grond van de PW ingetrokken over de periode van 8 april 2022 tot en met 14 oktober 2024 en de teveel betaalde uitkering over 8 april 2022 tot en met 31 augustus 2024, zijnde een bedrag van € 39.482,92 van eiseres teruggevorderd.

7. Met het besluit op bezwaar van 12 februari 2025 heeft WerkSaam het bedrag dat wordt teruggevorderd bepaald op € 29.221,86 (bruto). Het bedrag is gematigd omdat eiseres erin geslaagd was te onderbouwen dat er recht op aanvullende (gezins)bijstand zou hebben bestaan indien zij de gezamenlijke huishouding wel tijdig zou hebben gemeld.

8. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is daags voor de zitting door eiseres ingetrokken.



Bestreden besluit


9. WerkSaam heeft eiseres vanwege de schending van de inlichtingenplicht een boete opgelegd van 100% van het benadelingsbedrag. WerkSaam heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat sprake is van opzet. WerkSaam heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres gedurende een aanzienlijke periode de gezamenlijke huishouding heeft verzwegen. De arbeidscoach heeft volgens WerkSaam meerdere malen specifiek gevraagd naar de woon- en leefsituatie van eiseres, maar zij heeft aangegeven dat er geen sprake zou zijn van samenwoning, dat [naam 1] zou varen en in Amsterdam zou wonen. Verder heeft [naam 1] zich op 8 april 2022 in Bovenkarspel ingeschreven, maar hij heeft daar nooit verbleven. Dit is volgens getuige [naam 2] (hoofdbewoner van de woning in Bovenkarspel) bewust gedaan aangezien eiseres haar uitkering zou kwijtraken als [naam 1] bij eiseres zou worden ingeschreven.




Beroep eiseres


10. Eiseres voert aan dat ten onrechte wordt uitgegaan van opzet. Verder stelt eiseres dat er onvoldoende acht is geslagen op haar financiële positie.




Oordeel rechtbank

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft WerkSaam zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres vanaf 8 april 2022 de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [naam 1] . Gelet op de blokkering van de uitkering met ingang van 31 augustus 2024, betreft de benadelingsperiode 8 april 2022 tot en met 31 augustus 2024. Gelet hierop is WerkSaam in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de PW een boete op te leggen van ten hoogste het vastgestelde benadelingsbedrag.

12. Het bestuursorgaan stemt de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, waarbij zo nodig rekening kan worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

13. De rechtbank dient zonder terughoudendheid te toetsen of de opgelegde boete aan deze eisen voldoet en dus leidt tot een evenredige sanctie.

14. Een beboetbare gedraging leidt bij normale verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd bij opzet of grove schuld. Onder opzet wordt in dit verband verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van de bijstandverlenende instantie om aan te tonen dat de betrokkene met opzet of grove schuld heeft gehandeld.

15. Van deze uitgangspunten moet worden afgeweken, indien de omstandigheden van het geval, waaronder de draagkracht van de betrokkene, dit nodig maken.

16. Voor de berekening van de op te leggen boete dient daarbij tot uitgangspunt genomen te worden dat deze bij opzet zodanig wordt verlaagd dat de betrokkene bij een fictieve draagkracht gelijk aan de voor beslag vatbare ruimte berekend op basis van de beslagvrije voet de hem opgelegde boete binnen 24 maanden kan voldoen, hij deze boete bij grove schuld binnen 18 maanden kan voldoen, bij normale verwijtbaarheid binnen 12 maanden en bij verminderde verwijtbaarheid binnen 6 maanden.

17. Naar het oordeel van de rechtbank is WerkSaam er niet in geslaagd aan te tonen dat eiseres met opzet heeft gehandeld. De omstandigheid dat het gaat om een verzwegen gezamenlijke huishouding legt wel gewicht in de schaal, maar is in dit geval op zichzelf onvoldoende om opzet aan te nemen. Dat eiseres meerdere malen (bewust) onjuist zou hebben verklaard over haar woon- en leefsituatie tegenover haar arbeidscoach is niet concreet onderbouwd. Uit het verslag van de toezichthouder blijkt niet wat de coach precies heeft verklaard. De coach zou niet op de hoogte zijn van een samenwoning maar niet duidelijk is wat eiseres op welk moment heeft gezegd over haar woonsituatie. WerkSaam wijst verder op een verklaring van getuige [naam 2] , maar aan wat deze getuige denkt te weten over de motieven van eiseres – zonder verdere onderbouwing, die ontbreekt – hecht de rechtbank niet het gewicht dat WerkSaam daaraan gehecht wenst te zien. Daarbij is van belang dat het niet de verklaring van eiseres zelf betreft.

18. De verklaring die eiseres op 18 september 2024 tegenover de sociaal rechercheur en de handhavingsspecialist heeft afgelegd, biedt naar het oordeel van de rechtbank evenmin voldoende grondslag om van opzet uit te gaan. Eiseres verklaart dat de inschrijving van [naam 1] op het adres in Bovenkarspel bewust is gedaan, omdat als [naam 1] bij haar ingeschreven zou worden en het fout zou gaan met de relatie zij alles weer kwijt zou raken. Deze verklaring is onvoldoende bepaald om aan te nemen dat er sprake was bij eiseres van opzet op het behouden van de uitkering terwijl zij wist dat zij daarop gezien de woonsituatie geen recht had, zeker indien de rest van het gesprek in ogenschouw wordt genomen. Zo verklaart eiseres verder dat het wel de bedoeling was dat [naam 1] in Bovenkarspel zou gaan wonen, maar dat het anders is gelopen, omdat zij erg ziek werd. Aan het eind van het gesprek verklaart eiseres voorts dat zij in de veronderstelling was dat zij alles goed had gedaan en dat zij niet bewust heeft verzwegen dat [naam 1] bij haar woont.

19. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van eiseres wel als grove schuld worden aangemerkt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de verklaring van eiseres wel naar voren komt dat de feitelijke samenwoning met [naam 1] sinds 8 april 2022 bewust niet officieel is gemaakt en zij er aldus bewust voor heeft gekozen (nog) geen (actieve) melding te maken van de gewijzigde woonsituatie, wat een ernstige mate van nalatigheid oplevert. In het kader van grove schuld is de verklaring van eiseres daarvoor, anders dan hiervoor onder rechtsoverweging 18 in het kader van opzet is overwogen, wel voldoende bepaald. Eiseres had zich moeten realiseren dat het niet melden daarvan zou leiden tot het (deels) onterecht ontvangen van bijstand.

20. Dat betekent dat de boete in beginsel 75% van het benadelingsbedrag bedraagt, zijnde € 17.687,05. De boete kan echter, gelet op artikel 18a, eerste lid van de PW, niet meer bedragen dan de maximale geldboete die de strafrechter op grond van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zou hebben kunnen opleggen. Dit betekent dat wat betreft de hoogte van de maximumboete, aangesloten moet worden bij het maximumboetebedrag van de derde categorie bedoeld in van artikel 23, vierde lid, van het WvSr zoals dat op 8 april 2022 gold, te weten € 9.000,00.

21. Een bestuursorgaan moet, indien het een bestuurlijke boete oplegt en daarbij rekening houdt met de draagkracht van de overtreder, acht slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Wordt de beslissing van een bestuursorgaan over de hoogte van de boete aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan dient deze zijn oordeel daarover te vormen met inachtneming van de op dat moment aannemelijk geworden omstandigheden, waaronder de financiële omstandigheden, waarbij het dan in de eerste plaats op de weg van de betrokkene ligt daarover inzicht te geven.

22. Eiseres heeft aangevoerd dat er geen rekening is gehouden met haar financiële positie, maar heeft verder geen specifiek inzicht gegeven in de financiële omstandigheden van haar (gezin) op dit moment. Gelet op de verklaring van eiseres in haar zienswijze naar aanleiding van het boetevoornemen, dat zij geen inkomen heeft, acht de rechtbank het in dit geval desalniettemin aangewezen uit te gaan van de fictieve draagkracht omdat WerkSaam op zitting verklaard heeft met de verklaring van eiseres geen rekening te hebben gehouden in de beoordeling en ook geen nadere gegevens heeft opgevraagd of betrokken in de berekening. De rechtbank zal daarom gezien deze gang van zaken conform de verklaring van eiseres in deze specifieke situatie uitgaan van een inkomen op het voor haar geldende bijstandsniveau van samenwonenden. Voor de berekening van de op te leggen boete geldt dan als uitgangspunt dat deze zodanig wordt verlaagd dat de betrokkene, ingeval van grove schuld, bij een fictieve draagkracht van 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, de opgelegde boete over een in tijd begrensde periode van maximaal achttien maanden kan voldoen. De voor eiseres geldende bijstandsnorm bedraagt met ingang van 1 juli 2026 € 2.027,79. De hoogte van de boete bedraagt in dat geval (18 x 5% van € 2.027,79) € 1.825,01. Voor een verdere matiging van de boete ziet de rechtbank geen aanleiding.



Conclusie en gevolgen


23. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en de rechtbank (ingevolge artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht, Awb) de boete zelf zal vaststellen op € 1.825,01.



23.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet WerkSaam het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. WerkSaam moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,00 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 31 maart 2025;
- stelt de boete vast op € 1.825,01;
- bepaalt dat WerkSaam het griffierecht van € 53,00 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt WerkSaam tot betaling van € 934,00 aan proceskosten aan eiseres.



Deze uitspraak is gedaan door mr. I.S. Burggraaff, voorzitter, en mr. A.R. ten Berge en mr. H.H. Riemeijer, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.










griffier


voorzitter
is verhinderd te tekenen















Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4120.