Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:12866

2026-08-20 Bestuursrecht; Omgevingsrecht HAA 25/3115
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-20
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
HAA 25/3115
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

OMGEVINGSWET. OMGEVINGSPLAN. LAST ONDER DWANGSOM. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college handhavend mocht optreden tegen de dam met duiker en beschoeiing. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.966 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Alkmaar



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 25/3115


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. J.J. de Boer),


en


het college van burgemeester en wethouders van gemeente Medemblik
(gemachtigde: mr. K. van der Wal en K. Tichtti).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die is opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning aanleggen van een dam met duiker en beschoeiing. Eiser is het hier niet mee eens. Eiser stelt dat er bijzondere omstandigheden zijn, waardoor het college van handhavend optreden moet afzien. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de opgelegde last onder dwangsom.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college handhavend mocht optreden tegen de dam met duiker en beschoeiing. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 5 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de last onder dwangsom gebleven. Het college heeft de beschrijving van de last onder dwangsom tevens aangevuld.



2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.




2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn dochter, en de gemachtigde van het college.





Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 4 december 2024 heeft het college kenbaar gemaakt voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen. Eiser heeft hiertegen een zienswijze ingediend.



3.1.
Bij besluit van 8 januari 2025 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, omdat uit onderzoek is gebleken dat eiser op het perceel [adres] (het perceel) zonder omgevingsvergunning een dam met duiker en beschoeiing heeft gebouwd. Dit is in strijd met het omgevingsplan gemeente Medemblik. Eiser dient binnen twaalf weken na datum van verzending de strijdigheden met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet (Ow), artikel 22.26 van het omgevingsplan en artikel 5.6 van de Ow op te heffen. Hij kan dit doen door de dam met duiker op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Voldoet eiser niet aan de last, dan verbeurt hij een dwangsom van € 10.000,- ineens. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.



3.2.
Met het bestreden besluit van 5 juni 2025 heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten, maar wel de beschrijving daarvan aangevuld. Voor de heroverweging op grond van het bezwaar, verwijst het college naar het advies van de bezwarencommissie dat is overgenomen. Dit advies luidt – samengevat – als volgt. Het bouwwerk is in strijd met artikel 22.26 van het omgevingsplan en valt niet onder artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) of de uitzondering van artikel 22.27 van het omgevingsplan. De dam met duiker is daarnaast in strijd met artikel 27.2.2. aanhef en onder b van het bestemmingsplan Dorpskernen IV, omdat er geen sprake is van een doorvaarthoogte. Het bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan. Ook is er een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit nodig. Dit volgt uit artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Ow gelezen in samenhang met artikel 2.26 van het Bbl. Ook het maken van de uitweg naar de weg is in strijd met de Ow, het omgevingsplan en de Verordening fysieke leefomgeving. Ook daarvoor is een omgevingsvergunning nodig. Er is geen concreet zicht op legalisatie. Volgens het college wordt een onevenredige afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld gedaan, omdat de Welstandscommissie een negatief advies heeft gegeven. Dit advies is overgenomen. De binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van artikel 27.4 van het omgevingsplan gaat daarom niet op. Er is geen tegenadvies ingediend. Ook heeft het college gekeken of het mogelijk is om een tweede uitweg te realiseren. Hiertoe zag het college, gelet op de Nadere regels uitwegen Medemblik 2021 (Nadere regels) geen mogelijkheid. Er is geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De commissie kan dit volgen. Eiser is daarnaast terecht aangeschreven als overtreder. Hij is eigenaar van het perceel en heeft het in zijn macht om de overtreding te beëindigen en beëindigd te laten. In het kader van de formulering van de last adviseert de commissie om deze aan te passen. Volgens de commissie is er immers ook een strijdigheid met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow, gelezen in samenhang met artikel 22.8 van de Ow, artikel 7.4 van de Verordening en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Ow. Tot slot merkt de commissie op dat in de brief van het Hoogheemraadschap is vermeld dat eiser misschien ook nog een vergunning en/of toestemming nodig kan hebben van de gemeente of een andere overheidsinstantie. Het principeverzoek van eiser van 4 april 2024 is afgewezen en de aanvraag om een omgevingsvergunning van 21 februari 2024 heeft eiser ingetrokken. Niet is gebleken dat handhaving onevenredig zou zijn, waardoor van handhaving afgezien zou moeten worden. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden.



3.3.
Als gevolg van het advies van de commissie heeft het college de last onder dwangsom aangevuld. Het college gelast eiser:



de strijdigheden met artikel 5.1, eerste lid aanhef en onder a van de Ow, artikel 22.26 van het omgevingsplan en artikel 5.6 van de Ow;


de strijdigheden met artikel 5.1, tweede lid aanhef en onder a, van de Ow, artikel 2.26 van het Bbl;


de strijdigheden met artikel 5.1, eerste lid aanhef en onder a, van de Ow, gelezen in samenhang met artikel 22.8 van de Ow, en artikel 7.4, eerste lid onder a van de Verordening


binnen zes weken na de datum van verzending van het besluit op bezwaar op te heffen. Eiser kan dit doen door de dam met duiker en beschoeiing te verwijderen en verwijderd te houden. Voldoet eiser niet of niet geheel aan de last verbeurt hij een dwangsom van € 10.000,- ineens.



Had het college van handhavend optreden moeten afzien?


4. Eiser betoogt dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, wegens bijzondere omstandigheden. Deze omstandigheden zien op zijn medische situatie en de tijdelijkheid. Eiser heeft progressieve spinale musculaire atrofie (PSMA). Volgens behandelende artsen komen in de eindfase met zekerheid levensbedreigende situaties, waaronder acute verstikkingsverschijnselen, wellicht eindigend in verstikking. Door de extra uitrit is zeker dat de mantelzorgwoning altijd bereikbaar is. Uit de Nadere regels volgt dat een tweede uitrit aangelegd kan worden op basis van medische of logistieke gronden. De medische noodzaak is aangetoond. Het gaat om een tijdelijke situatie. Eiser stelt in dat kader dat juist mensen met een tijdelijke mantelzorgwoning belang hebben bij levensreddende medische spoedzorg en een woning die altijd toegankelijk is.



4.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.



4.2.
Vast staat dat voor het plaatsen van de dam met duiker een omgevingsvergunning vereist is en dat eiser hierover niet beschikt. Dat betekent dat het college in beginsel bevoegd is om handhavend op te treden, omdat sprake is van een overtreding. Vast staat dat eiser ten tijde van de bestreden besluitvorming geen ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning had ingediend. Er bestond daarom in zoverre ook geen concreet zicht op legalisatie. Daar voegt de rechtbank het volgend aan toe. Het college heeft op 2 oktober 2024 advies gevraagd aan de Welstandscommissie. Deze commissie heeft vervolgens negatief geadviseerd. Voor zover eiser van mening is dat het college het welstandsadvies onjuist heeft uitgelegd, laat de rechtbank dit in het kader van deze handhavingsprocedure verder buiten bespreking. Het welstandsadvies is immers gevraagd in het kader van een zogeheten principeverzoek van eiser en dus niet hangende een formele aanvraag om een omgevingsvergunning. Tegen de uitkomst van een principeverzoek kan geen bezwaar worden gemaakt. Daarvoor had eiser een formele aanvraag moeten indienen. Dat heeft hij niet gedaan.



4.3.
In het onderhavige geval gaat het om een dam met duiker en beschoeiing, waarbij de bovenkant van die dam met duiker fungeert als in- en uitrit. Volgens eiser is de in- en uitrit nodig, omdat de mantelzorgwoning dan altijd toegankelijk is tijdens (spoedeisende) medische gevallen. Op zitting heeft eiser toegelicht dat de tweede uitweg nodig is, omdat zijn bestaande inrit regelmatig wordt geblokkeerd vanwege het laden en lossen bij de buren aan de overkant van de straat. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de medische situatie van eiser, is niet aannemelijk gemaakt dat een tweede uitweg daarvoor ook daadwerkelijk noodzakelijk is. Eiser heeft op zitting een foto overgelegd waarop te zien is dat een vrachtwagen op de openbare weg staat bij de woning van de overburen. Daaruit valt echter niet op te maken dat de toegang tot de woning van eiser via de uitweg onmogelijk wordt gemaakt. Deze verkeersproblematiek kan op een andere manier worden opgelost. Dit betoog treft dan ook geen doel.



4.4.
Voor zover eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan slaagt dit niet, omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen gelijke gevallen zijn. Voor de door eiser in dit verband genoemde adressen zijn immers wel omgevingsvergunningen verleend. Dat is voor de dam met duiker en beschoeiing van eiser niet het geval.



4.5.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank daarom van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college handhavend mocht optreden tegen de dam met duiker en beschoeiing. Eiser krijgt geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow, artikel 22.8 van de Ow en artikel 7.4, eerste lid, onder a van de Verordening.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.


Zie de uitspraken van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 en 1 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5796.