Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:12595

2026-09-22 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht HAA 26/4127
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-09-22
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
HAA 26/4127
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Ziektewetuitkering. Niet verzekerd. Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.641 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 26/4127


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker


en




de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. W.M.G. van Nieuwburg).



Samenvatting


1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Ziektewet (Zw). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.



1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop


2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een Zw-uitkering. Het Uwv heeft deze aanvraag met het besluit van 7 augustus 2026 afgewezen, omdat verzoeker niet verzekerd is voor de Zw, omdat hij niet als werknemer werkzaam was. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



2.1.
Het Uwv heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het Uwv.



2.3.
De door verzoeker na de zitting ingebrachte stukken vormen geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Deze stukken zijn dan ook niet betrokken in de beoordeling.




Beoordeling door de voorzieningenrechter



Feiten



3. Verzoeker is vanaf 16 januari 2026 werkzaam geweest bij de [werkgever] , als [functie] . Hij heeft daartoe in zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger van [bedrijf] ) een overeenkomst van opdracht gesloten. Op 12 mei 2026 heeft hij zich ziek gemeld.

4. Omdat verzoeker volgens het Uwv niet in een (fictieve) dienstbetrekking werkzaam was, is hij niet verzekerd voor de Zw. Om die reden is zijn aanvraag afgewezen.



Verzoekschrift / bezwaarschrift



5. Verzoeker voert aan dat hij sinds 12 mei 2026 geen inkomsten meer heeft, dat hij familieleningen heeft afgesloten, maar dat deze zijn uitgeput. De schulden lopen op. Hierdoor is volgens verzoeker sprake van spoedeisendheid.

6. Verzoeker voert verder – samengevat en voor zover relevant voor de beoordeling van het verzoek – aan dat hij wel in een (fictieve) dienstbetrekking werkzaam was. Hij wijst er daarbij op dat hij onder gezag van de [werkgever] werkte. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verzoeker mailverkeer met de leidinggevende ingediend. Verzoeker verwijst verder onder andere naar het Deliveroo-arrest ter onderbouwing van zijn stelling dat het gaat om een schijnconstructie. Verzoeker heeft op 30 augustus 2026 nog een nadere onderbouwing en stukken in geding gebracht. Daarin benadrukt hij nogmaals dat hij zijn werkzaamheden onder gezag verrichtte.



Standpunt Uwv



7. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het in beginsel mag uitgaan van de Polisadministratie. Daarin is geen registratie van werkzaamheden bij [bedrijf] opgenomen. Verder wijzen de afspraken die op papier zijn gezet tussen [bedrijf] en verzoeker(s bedrijf) juist sterk op het ontbreken van een dienstbetrekking. Dat verzoeker nu stelt dat er in afwijking van hetgeen is vastgelegd toch sprake is van een dienstbetrekking maakt dat er een hoge bewijslast voor hem bestaat. In de overeenkomst is ook expliciet overeengekomen dat verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen is uitgesloten, ook op basis van de bepalingen over fictieve dienstbetrekking. Om verzekeringsplicht op grond van een fictieve dienstbetrekking te voorkomen is overeengekomen dat verzoeker de werkzaamheden gaat uitoefenen via een eigen bedrijf. Het Uwv heeft er verder op gewezen dat verzoeker bij [bedrijf] doorbetaling van loon claimt. In zo’n situatie kan er op grond van het bepaalde in artikel 47a van de Zw geen voorschot worden verstrekt.




Oordeel voorzieningenrechter





Spoedeisend belang



8. Verzoeker heeft voldoende onderbouwd dat sprake is van spoedeisend belang door te wijzen op de reeds ontstane schulden.



Inhoudelijk



9. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker op basis van een overeenkomst van opdracht is gestart met zijn werkzaamheden bij de [werkgever] . Hij stelt echter dat de wijze waarop feitelijk uitvoering werd gegeven aan de overeenkomst daarmee niet overeenkwam en dat in feite sprake was van een (fictieve) arbeidsovereenkomst. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn standpunt voornamelijk gewezen op de volgens hem aanwezige gezagsverhouding.

10. In het Deliveroo-arrest is ten aanzien van wanneer een arbeidsverhouding als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt het volgende overwogen:


“Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.”


11. Voor een diepgaande inhoudelijke beoordeling van alle omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst leent zich een voorlopigevoorzieningenprocedure niet. Desalniettemin kan de voorzieningenrechter wel een inschatting maken van de kans van slagen van het bezwaar.

12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker er vooralsnog niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake was van een (fictieve) arbeidsovereenkomst. Op grond van het Deliveroo-arrest zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Veel omstandigheden wijzen in het geval van verzoeker juist op opdrachtnemerschap, zoals de hoogte van het door verzoeker gehanteerde tarief (dat duidelijk hoger was dan het loon dat bij dezelfde functie in loondienst geldt), het factureren en de wijze waarop de opdracht tot stand is gekomen. Het feit dat verzoeker gehouden was zich aan bepaalde instructies (van de [werkgever] ) diende te houden maakt nog niet dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Ook bij een overeenkomst van opdracht kunnen immers – afhankelijk van de inhoud van de opdracht / de werkzaamheden – instructies nodig zijn om de opdracht naar behoren uit te kunnen voeren.

13. De voorzieningenrechter acht de kans van slagen van het bezwaar daarom niet aanzienlijk.

14. Daarbij komt nog dat verzoeker [bedrijf] heeft gesommeerd om hem loon (door) te betalen. Hierdoor bestaat onzekerheid over het recht op loondoorbetaling. Artikel 47a van de Zw staat dan in de weg aan het verlenen van voorschotten, zo lang geen zekerheid bestaat over het recht op loondoorbetaling. Verzoeker heeft ook nog gewezen op artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als grondslag om voorschotten te verstrekken, maar daar staat 47a van Zw ook aan in de weg. In artikel 4:95 van de Awb staat namelijk: “tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald”. En dat is met artikel 47a van de Zw gebeurd.

15. De voorzieningenrechter merkt tot slot nog op dat de omstandigheid dat verzoeker ervan uitgaat dat hij geen recht heeft op bijstand (om niet) vanwege de overwaarde van zijn huis en dat het aanvragen van bijstand tijdrovend zal zijn, niet maakt dat anders geoordeeld zou moeten worden. Van belang daarbij is dat in het kader van de Participatiewet (in tegenstelling tot de Zw) wel een voorschot dan wel leenbijstand kan worden verstrekt ter overbrugging van de periode tot duidelijkheid is over de eventuele rechten op nabetaling van loon of Zw.



Conclusie en gevolgen


16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het besluit tot afwijzing van een uitkering op grond van de Zw vooralsnog in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.













griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:HR:2023:443