Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:12540

2026-09-17 Bestuursrecht HAA 26/3893
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
HAA 26/3893
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Weigering briefadres. Betrokkene heeft woonadres.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.881 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummers: HAA 26/3893 en 26/4051


uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen






[eiseres]
, uit [plaats] , eiseres



en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar
(gemachtigden: mr. B. Schellingerhout en B. Wardernaar)


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht geweigerd heeft eiseres een briefadres te verstrekken. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een briefadres op het adres van de gemeente Alkmaar.

3. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 augustus 2026 afgewezen.

4. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

5. Met het bestreden besluit van 17 augustus 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

6. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.


6.1.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.



6.2.
Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.



6.3.
De voorzieningenrechter heeft verzoeken van eiseres om een ordemaatregel afgewezen op 19 en 27 augustus 2026.



6.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college. Eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.



6.5.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen.



6.6.
De door eiseres na de zitting ingebrachte stukken geven de voorzieningenrechter geen aanleiding het onderzoek te heropenen.




Beoordeling door de voorzieningenrechter



Het bestreden besluit



7. Het bestreden besluit berust – heel kort samengevat – op het standpunt dat voor eiseres geen briefadres kan worden opgenomen in de basisregistratie personen (brp), omdat zij een woonadres heeft.



Standpunt eiseres



8. Eiseres voert (samengevat) aan dat zij door de weigering haar een briefadres te verstrekken in financiële problemen raakt, haar zorgverzekering zal kwijtraken, en dat haar gezondheid als gevolg van de stressvolle situatie verslechtert. Eiseres heeft erop gewezen dat de hoofdbewoner van het adres waar zij verblijft absoluut geen toestemming wil geven haar op dat adres in te schrijven. Eiseres voert aan dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen vanwege de bijzondere omstandigheden waarin zij verkeert. Verder voert eiseres aan dat zij schade lijdt door het handelen van het college en daarom verzoekt om het college te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding.



Oordeel voorzieningenrechter





Opmerkingen vooraf



9. Eiseres heeft een veelheid aan kwesties in vele mailberichten voorgelegd aan de voorzieningenrechter, in de kennelijke veronderstelling dat de voorzieningenrechter bevoegd zou zijn over die verschillende kwesties te oordelen. Dat is niet het geval. Zoals de voorzieningenrechter in de ordemaatregel van 27 augustus 2026 al heeft overwogen ligt in deze procedure uitsluitend de vraag voor of het college terecht geweigerd heeft een briefadres aan eiseres toe te kennen. Deze uitspraak gaat dan ook alleen daarover.



Wanneer kan volgens de wet een briefadres worden verstrekt?



10. Op grond van artikel 2.23 van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) kan een briefadres in beginsel alleen in de brp worden geregistreerd als een woonadres ontbreekt. De Wet brp kent een paar uitzonderingen op dit uitgangspunt (wonen in een instelling bijvoorbeeld). De voorzieningenrechter stelt vast dat die uitzonderingen in het geval van eiseres niet aan de orde zijn.

11. Het doel van de Wet brp is dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. Op grond van artikel 2.23 van de Wet brp geldt pas bij het ontbreken van een woonadres, een briefadres als adres. Het gelijktijdig hebben van een woonadres en briefadres is daarom niet mogelijk.



De wet toegepast op de situatie van eiseres



12. Omdat eiseres een woonadres heeft, moet zij dat adres in de brp laten inschrijven als woonadres. Dat de hoofdbewoner van de woning daar geen toestemming voor geeft, doet niet af aan die wettelijke verplichting. De inschrijving in de brp op een woonadres is daarvan niet afhankelijk. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet brp volgt namelijk dat het woonadres in feitelijke zin wordt opgevat. Het uitgangspunt van de Wet brp is om de feitelijke situatie vast te leggen.



Beroep op de hardheidsclausule



13. Eiseres heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule in de Regeling briefadres van de gemeente Alkmaar. Ter zitting heeft het college toegelicht dat er geen aanleiding bestaat de hardheidsclausule in het geval van eiseres toe te passen.

14. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Nog daargelaten of de systematiek van de Wet brp ruimte laat voor de hardheidsclausule, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden dat het college haar op grond van de hardheidsclausule alsnog met het gewenste briefadres had moeten inschrijven. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de omstandigheid dat eiseres is komen te verblijven op een adres waar zij zich door de opstelling van de hoofdbewoner niet durft te laten inschrijven, ongelukkig is, maar dat dit niet een zo bijzondere omstandigheid is dat daarom kan worden afgeweken van de wet.

15. De omstandigheid dat het niet met een adres ingeschreven staan in de brp grote gevolgen heeft, die ook financiële consequenties hebben, leidt niet tot doorbreking van het wettelijk vereiste dat inschrijving plaats moet vinden op het woonadres. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat eiseres niet gekozen heeft voor de situatie waarin zij nu leeft, is ook dat geen reden om in strijd met de wet een briefadres te (laten) opnemen. De door eiseres naar voren gebrachte medische en financiële omstandigheden, hoe zorgelijk deze ook zijn, vormen dus geen grond af te wijken van de wet. De voorzieningenrechter merkt hierbij ten overvloede nog op dat, hoewel eiseres dat lijkt te veronderstellen, een briefadres op zichzelf geen oplossing is voor al haar (financiële) problemen. Zo moet in het kader van de Participatiewet de feitelijke woonsituatie kunnen worden vastgesteld om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep niet slaagt.

17. Nu van een onrechtmatig besluit geen sprake is, is voor een schadevergoeding geen plaats.

18. De voorzieningenrechter merkt tot slot op dat het gezien de complexe situatie waarin eiseres is komen te verkeren goed zou zijn als zij (rechts)hulp zou inroepen.



Conclusie en gevolgen


19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering van het college om eiseres een briefadres te verstrekken in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.




Beslissing


De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.













griffier


voorzieningenrechter













Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.


Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


ECLI:NL:RVS:2026:2064, ECLI:NL:RVS:2022:152


Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 6, blz. 67-69)


ECLI:NL:RVS:2021:770


ECLI:NL:RVS:2022:3603