Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:12507

2026-08-19 Bestuursrecht; Omgevingsrecht HAA 26/3098
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
HAA 26/3098
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af omdat verzoeker geen spoedeisend belang heeft. Het verzoek ziet op de schorsing van het besluit waarbij de begunstigingstermijn is geschorst hangende de bezwaarfase. In dit geval ziet de last onder dwangsom op overtredingen ten aanzien van de afstand tussen de uitbouw aan de voorkant van de recreatiewoning van derde-partij en de perceelgrenzen aan de voor- en zijkant. Deze overtredingen hebben voor verzoeker geen bijzondere betekenis omdat zijn woning gelegen is aan de achterkant van de recreatiewoning van derde-partij. Verder ziet de last op een overschrijding van de maximale toegestane bouwhoogte met ongeveer 20 cm. Verzoeker heeft niet concreet gemaakt dat de overschrijding dusdanig ingrijpende gevolgen voor hem heeft dat de uitkomst van het bezwaar tegen de verlenging van de begunstigingstermijn niet kan worden afgewacht. Voor zover verzoeker heeft gesteld overlast te hebben en aantasting van zijn eigendom en woongenot te ondervinden door andere aspecten van de recreatiewoning van derde-partij, is dit niet gerelateerd aan de overtredingen waartegen de last is gericht. Deze gevolgen worden daarom niet verholpen met het beperken van de begunstigingstermijn

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.765 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Alkmaar



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 26/3098


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2026 in de zaak tussen



[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker,


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen
(gemachtigden: S. Smit en mr. J. Schouten).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam derde partij] , uit [plaats 2]
(gemachtigde: mr. M.L. Santokhi).


Inleiding


Op 11 februari 2026 en naar aanleiding van een verzoek van verzoeker heeft het college een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van een aantal overtredingen op het tegen het perceel van verzoeker gelegen perceel van derde-partij. De last houdt in dat derde-partij een dwangsom van € 28.000,- verbeurt als hij deze overtredingen niet binnen vier maanden beëindigt, te weten uiterlijk 11 juni 2026.



Derde-partij heeft tegen deze beslissing op 23 maart 2026 bezwaar gemaakt en het college verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen. Verder heeft derde-partij een vergunningaanvraag ingediend met als doel om (een deel van) de overtredingen te legaliseren. Het college heeft op 29 mei 2026 de begunstigingstermijn verlengd tot drie maanden na de beslissing op het bezwaar van derde-partij.



Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing om de begunstigingstermijn te verlengen en de voorzieningenrechter gevraagd om de verlenging bij wijze van een voorlopige voorziening te schorsen.



Het college heeft met een verweerschrift op het verzoek gereageerd. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.



De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van het college, derde-partij en de gemachtigde van derde-partij.



Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter direct mondeling uitspraak gedaan.


Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.




Gronden van de beslissing

1. De voorzieningenrechter wijst er ten eerste op dat het onderhavige verzoek ziet op het opschorten van het besluit waarmee het college de begunstigingstermijn (die anders op 11 juni 2026 zou zijn verlopen) heeft verlengd. Dat betekent dat de aan derde-partij verleende omgevingsvergunning die één of twee dagen voor de zitting is gepubliceerd, geen deel uitmaakt van deze procedure. Verzoeker heeft te kennen gegeven dat hij bezwaar wil maken tegen deze vergunning. Daarbij heeft hij verzocht om de reikwijdte van zijn verzoek om een voorlopige voorziening uit te breiden, omdat hij wil dat de vergunning wordt geschorst. De omgevingsvergunning is echter een afzonderlijk besluit waarbij andere vraagstukken spelen dan bij de verlenging van de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom. Het verzoek om schorsing van de vergunning is daarom een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening, waarvoor de wettelijke formaliteiten, zoals betaling van griffierecht, gevolgd moeten worden. Bovendien moeten partijen en de voorzieningenrechter in verband met de goede procesorde voldoende tijd krijgen om zich voor te kunnen bereiden op de behandeling van een procedure over de vergunning. Het verzoek met betrekking tot de vergunning zal dan ook als een nieuwe zaak in behandeling worden genomen, waarover verzoeker nader bericht zal ontvangen.

2. De verlening van de omgevingsvergunning maakt nog niet dat er geen aanleiding meer bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Met de omgevingsvergunning staat immers nog niet vast dat geen sprake meer is van een overtreding, aangezien slechts een deel van de overtredingen hiermee gelegaliseerd is.

3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker geen spoedeisend belang op grond waarvan de verlenging van de begunstigingstermijn moet worden geschorst. Het college heeft op het verzoek van derde-partij beslist volgens zijn vaste beleid zoals opgenomen in de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie van de gemeente Schagen. Volgens dit beleid kan de begunstigingstermijn op verzoek van de overtreder worden verlengd tot de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure of nog langer, tenzij sprake is van zwaarwegende belangen die zich daartegen verzetten. Zodanig beleid is volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet onredelijk. In dit geval ziet de last onder dwangsom op overtredingen ten aanzien van de afstand tussen de uitbouw aan de voorkant van de recreatiewoning van derde-partij en de perceelgrenzen aan de voor- en zijkant. Deze overtredingen hebben voor verzoeker geen bijzondere betekenis omdat zijn woning gelegen is aan de achterkant van de recreatiewoning van derde-partij. Verder ziet de last op een overschrijding van de maximale toegestane bouwhoogte met ongeveer 20 cm. Verzoeker heeft niet concreet gemaakt dat de overschrijding dusdanig ingrijpende gevolgen voor hem heeft dat de uitkomst van het bezwaar tegen de verlenging van de begunstigingstermijn niet kan worden afgewacht. Voor zover verzoeker heeft gesteld overlast te hebben en aantasting van zijn eigendom en woongenot te ondervinden door andere aspecten van de recreatiewoning van derde-partij, is dit niet gerelateerd aan de overtredingen waartegen de last is gericht. Deze gevolgen worden daarom niet verholpen met het beperken van de begunstigingstermijn.

4. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst, loopt de begunstigingstermijn onveranderd door tot drie maanden na de beslissing op het bezwaar van derde-partij. Om dezelfde reden bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.

5. Partijen zijn bij de mondelinge uitspraak erop gewezen dat daartegen geen hoger beroep of verzet openstaat.




Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026 door mr. drs. J. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie rechtsoverweging 7.1 van de uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1313.