Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:12395
2026-06-16
Bestuursrecht; Belastingrecht
HAA 24/7655
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Overdrachtsbelasting. Onroerendezaakrechtspersoon. Maatstaf van heffing in geval van economisch eigendom? Samenloopvrijstelling.
Citeert (8)
- ECLI:NL:HR:1978:AX2820 Hoge Raad 04-10-1978
- ECLI:NL:HR:2017:3083 Hoge Raad 08-12-2017
- ECLI:NL:HR:2009:BG5866 Hoge Raad 13-11-2009
- ECLI:NL:HR:2011:BQ7580 Hoge Raad 10-06-2011
- ECLI:NL:HR:2007:BB8428 Hoge Raad 23-11-2007
- ECLI:NL:HR:2023:1526 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (30.578 tekens)
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7655
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. drs. B.L. Adams),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [gemeente 1] , verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.530.000 (de naheffingsaanslag). Tevens is belastingrente in rekening gebracht van € 207 (de beschikking belastingrente).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 11 oktober 2024, de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026 te Haarlem. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer HAA 24/7641.
Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en diens kantoorgenoten [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Ook is [naam 4] (bestuurder van [bedrijf 1] B.V.) verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 5] , mr. dr. [naam 6] , mr. [naam 7] en mr. [naam 8] .
Overwegingen
Feiten
1. Op 12 september 2016 hebben [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ) en [bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] ) een samenwerkingsovereenkomst gesloten. In de samenwerkingsovereenkomst staat:
“ [bedrijf 2] en [bedrijf 3] hebben naar elkaar uitgesproken dat zij gezamenlijk een bouwproject willen ontwerpen, ontwikkelen en realiseren op de (…) omschreven percelen, met het doel om dat na de realisatie te verkopen. Ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst is het voornemen om op de Percelen een datacenter (de eerste keuze) of logistiek vastgoed (de tweede keuze) te ontwikkelen en realiseren; (…)
2 Doel van de Samenwerkingsovereenkomst
2.1
Partijen zullen voor gezamenlijke rekening en risico samenwerken bij het ontwikkelen, realiseren en verkopen van het Project.
(…)
6 Overdracht Percelen
In het kader van het Project verplichten [naam 1] en [naam 2] zich de Percelen als bouwterrein (in de zin van artikel 11 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968 en in civiel juridische zin) zowel juridisch als economisch volledig over te zullen dragen aan [bedrijf 2] . [bedrijf 2] zal deze Percelen geleverd krijgen in het kader van de Samenwerking op grond van deze Samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf 3] . [Naam 1] en [naam 2] zijn slechts partij bij deze Samenwerkingsovereenkomst in het kader van deze overdrachtsverplichting.
(…)
9 Kosten / financiering / winst
9.1
De totale kosten van het Project zullen gelijkelijk (derhalve 50/50) tussen Partijen worden gedeeld, behoudens voor zover Partijen anders overeenkomen. (…).
(…)
9.5
De opbrengst uit het Project zal, nadat alle kosten en schulden zijn (af)betaald, eveneens gelijkelijk (derhalve 50/50) tussen Partijen worden gedeeld (…).
(…).”
2. In de akte ‘koop en levering registergoed’ van 12 september 2016 staat dat [bedrijf 2] het volgende verkrijgt:
het voortdurend recht van erfpacht van een perceel bouwgrond, eigendom van de gemeente [gemeente 1] , gelegen aan de [adres 1] te [gemeente 1] , kadastraal bekend gemeente [gemeente 2] , sectie K nummer [# 1] , ter grootte van 91 à 25 ca (perceel A); en
het voortdurend recht van erfpacht van een perceel bouwgrond, eigendom van de gemeente [gemeente 1] , plaatselijk bekend als [adres 2] (ongenummerd), kadastraal bekend gemeente [gemeente 2] , sectie K, nummer [# 2] , ter grootte van 1 à 10 ca (perceel B).
3. Op 16 september 2016 heeft [bedrijf 2] de juridische eigendom van een perceel grond verkregen, gelegen aan de [adres 3] te [gemeente 1] , kadastraal bekend gemeente [gemeente 2] , sectie K, nummer [# 1] , groot 12.248 m² (perceel C ).
4. Op 12 februari 2021 heeft [bedrijf 1] B.V. 50% van de aandelen in [bedrijf 3] verkregen.
5. Op 4 maart 2021 heeft belanghebbende 100% van de aandelen in [bedrijf 3] verkregen.
6. Belanghebbende heeft een verzoek om vooroverleg ingediend. Belanghebbende verzoekt verweerder om bevestiging van haar standpunt dat artikel 15, eerste lid, letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV) (de samenloopvrijstelling) van toepassing is op de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] .
7. Belanghebbende heeft in een brief gedagtekend 15 juli 2021 het volgende aan verweerder geschreven:
“Alle belangrijke stappen in het kader van de samenwerking en het opzetten/ontwikkeling van het project vaak op initiatief van [bedrijf 3] genomen (die daarvoor [bedrijf 1] BV heeft ingeschakeld, waaronder:
Het onderzoeken van de mogelijkheden met de Percelen, het zoeken en benaderen van partijen die de ontwikkeling van een datacenter voor elkaar kunnen krijgen en dit kunnen verwezenlijken bij de gemeente [gemeente 1] ;
Het zoeken naar experts die de gehele deal met een datacenter kunnen begeleiden;
Het zoeken naar kopers (de uiteindelijke koper is ook via [bedrijf 3] aangedragen).”
8. In een brief van 14 oktober 2021 heeft verweerder het volgende aan belanghebbende geschreven:
“Op 23 september 2021 heb ik de nadere onderbouwing van u en [gemachtigde] ontvangen. (…). Ik begrijp dat [bedrijf 3] in het kader van de samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf 2] handelingen heeft (laten) verricht(en) gericht op het wijzigen van de bestemmingsvergunning van de percelen bouwterreinen waarvan [bedrijf 3] een economisch belang heeft en handelingen heeft (laten) verricht(en) gericht op de verkoop van de percelen bouwterrein (lees; het gezamenlijk met [bedrijf 2] ondernomen vastgoedproject (…) waarvan [bedrijf 3] een economisch eigendom heeft). Tevens begrijp ik dat [bedrijf 3] in het verleden afspraken heeft gemaakt met haar voormalig aandeelhouders (…) omtrent dienstverlening in het kader van het vastgoedproject, ter zake waarvan [bedrijf 3] gemaakte kosten heeft doorbelast aan vorengenoemde (voormalige) aandeelhouders (…).”
9. Belanghebbende heeft aangifte overdrachtsbelasting gedaan wegens de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] . In de aangifte heeft belanghebbende een beroep gedaan op de samenloopvrijstelling.
10. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek om vooroverleg en geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de samenloopvrijstelling. Vervolgens heeft verweerder de naheffingsaanslag en beschikking belastingrente opgelegd.
11. Tot de gedingstukken behoort een kolommenbalans over het jaar 2021 van [bedrijf 3] . Daarop staat als activum ‘waardering samenwerkingsovereenkomst’ ten bedrage van € 3.668.638 en een totaal van de activa ten bedrage van € 3.687.474.
Geschil
12. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
13. Belanghebbende neemt het standpunt in dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd want er is geen overdrachtsbelasting verschuldigd over de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] . Primair omdat de samenloopvrijstelling van toepassing is, subsidiair omdat er geen belastbaar feit is aangezien [bedrijf 3] geen onroerendezaakrechtspersoon is en meer subsidiair omdat de maatstaf van heffing over de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] nihil is. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag en om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase.
14. Verweerder neemt het standpunt in dat de naheffingsaanslag correct is vastgesteld. Er is overdrachtsbelasting verschuldigd door belanghebbende over de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] . Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Ook concludeert verweerder dat de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden.
Beoordeling van het geschil
Vooraf
15. De rechtbank zal de gronden van het beroep van belanghebbende in een volgorde behandelen die de rechtbank het meest doelmatig voorkomt voor de beoordeling van het geschil.
Belastbaar feit
16. Belanghebbende neemt het standpunt in dat zij geen overdrachtsbelasting is verschuldigd omdat de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] geen belastbaar feit is. [bedrijf 3] is volgens belanghebbende geen onroerendezaakrechtspersoon in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BRV, omdat [bedrijf 3] niet aan de doeleis voldoet. [bedrijf 3] heeft volgens belanghebbende feitelijk geen handelingen verricht binnen de referentieperiode (4 maart 2021 en het daaraan voorafgaande jaar) die geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van de percelen A, B en C (tezamen: de percelen).
17. Het betoog van belanghebbende slaagt niet. [bedrijf 3] kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als een onroerendezaakrechtspersoon. Uit de samenwerkingsovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , de brief van belanghebbende gedagtekend 15 juli 2021, de brief van verweerder gedagtekend 14 oktober 2021 en de kolommenbalans van [bedrijf 3] (waaruit volgt dat nagenoeg het gehele vermogen van [bedrijf 3] is toe te rekenen aan de waardering van de samenwerkingsovereenkomst) leidt de rechtbank ‒ in samenhang bezien ‒ af dat [bedrijf 3] gedurende de referentieperiode hoofdzakelijk handelingen heeft verricht gericht op het onderzoeken, ontwerpen, ontwikkelen en realiseren van een datacenter op de percelen met als doel het project na de realisatie te verkopen. De uiteindelijke koper van het project is ook door [bedrijf 3] aangedragen. Daarmee wordt voldaan aan de doeleis. Dat belanghebbende de economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen heeft doet daar niet aan af. De economische eigendom telt immers, gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wet BRV, mee voor de toepassing van de in het eerste lid genoemde onroerende zaken en dus ook voor de toets aan de doeleis. Niet in geschil tussen partijen is dat [bedrijf 3] aan de overige voorwaarden van artikel 4 van de Wet BRV voldoet om als onroerendezaakrechtspersoon te worden aangemerkt.
Maatstaf van heffing
18. Belanghebbende betoogt dat geen overdrachtsbelasting is verschuldigd omdat op basis van een grammaticale interpretatie van artikel 10 van de Wet BRV een voorwerp ontbreekt voor de maatstaf van heffing. Op grond van die bepaling wordt de waarde van de aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon gelijkgesteld aan de waarde van de goederen, als bedoeld in artikel 2 van de Wet BRV, welke door die aandelen middellijk of onmiddellijk worden vertegenwoordigd. De economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen van [bedrijf 3] is volgens belanghebbende geen ‘goed’ als bedoeld in artikel 2 van de Wet BRV, welke door [bedrijf 3] middellijk of onmiddellijk wordt vertegenwoordigd. Daarom moeten de waarden van de percelen volgens belanghebbende buiten beschouwing blijven. Belanghebbende concludeert dat de maatstaf van heffing daarom nihil moet zijn.
19. In de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer en enkele andere belastingwetten in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken (Kamerstukken II 1994-1995, 24 172, nr. 3) staat:
“2. REPARATIEWETGEVING
(…)
2.7.
Overdracht economische eigendom
(...) Het is om deze beide redenen, dus zowel het belang voor de bestrijding van de constructies in de btw-sfeer alsook het belang van de overdrachtsbelasting en ook de vennootschapsbelasting, dat dit wetsvoorstel bepalingen bevat die het mogelijk maken de economische eigendomsoverdracht op efficiënte wijze te onderwerpen aan de overdrachtsbelasting. (…). Overigens merk ik op dat bij de gekozen methode om de economische eigendomsverkrijging onder de heffing te brengen - de uitbreiding van het verkrijgingsbegrip - de huidige vrijstellingen en faciliteiten bij de juridische verkrijging ook gelden bij de economische. (…)
Artikel III (Wet op belastingen van rechtsverkeer)
Onderdeel A
In het tweede lid van artikel 2 wordt het verkrijgingsbegrip voor de overdrachtsbelasting uitgebreid met de verkrijging van de zogeheten economische eigendom. (…) Voor de heffingsgrondslag houdt de verkrijging van een gedeelte van de economische eigendom het volgende in. Indien een gedeelte wordt verkregen in de vorm van een percentage is de heffingsgrondslag een percentage van de waarde van de volle eigendom, dan wel de hogere tegenprestatie. Indien op andere wijze een gedeelte wordt verkregen, wordt ervan uitgegaan dat de volle economische eigendom wordt verkregen. Door het verkrijgingsbegrip uit te breiden wordt bewerkstelligd dat het nieuwe belastbare feit ook betrekking heeft op de overige bepalingen van de overdrachtsbelasting. Dit is onder andere van belang met betrekking tot de verkrijging van de economische eigendom van de aandelen in de onroerend-goedlichamen van artikel 4, die dan eveneens belast is. Het betekent tevens dat de faciliteiten in de overdrachtsbelasting ook van toepassing zijn op de economische eigendom. Zo zullen de vrijstellingen van artikel 15, eerste lid, van toepassing zijn.
Onderdeel C
In artikel 4 is onder meer de verkrijging van aandelen in onroerend goedlichamen gelijkgesteld met de verkrijging van onroerende zaken indien die aandelen een aanmerkelijk belang vormen. Door de uitbreiding van artikel 2 met de verkrijging van de economische eigendom is ook de verkrijging van de economische eigendom van de in artikel 4 bedoelde rechten en aandelen onder de reikwijdte van de overdrachtsbelasting gebracht. Een lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal wordt als een onroerend-goedlichaam aangemerkt indien zijn bezittingen voor meer dan 70% onroerend zijn. Tot nu toe werden alleen onroerende zaken in juridische eigendom meegeteld bij de beoordeling of de bezittingen
hoofdzakelijk bestaan uit onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen. De wijziging strekt ertoe om ook onroerende zaken in economische eigendom mee te tellen voor de kwalificatie als een onroerend-goedlichaam. Hetzelfde geldt ten aanzien van certificaatrechten en dergelijke. Voor artikel 4, eerste lid, onderdeel b, is een uitdrukkelijke
tekstaanpassing overbodig, omdat uit artikel 2, tweede lid, in samenhang met de tekst en ratio van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, voldoende duidelijk blijkt dat deze bepaling ook van toepassing is indien de vereniging of coöperatie het gebouw of een gedeelte daarvan in economische eigendom heeft.”
20. De rechtbank is van oordeel dat uit de parlementaire behandeling van de Wet BRV (de wetshistorie) kan worden afgeleid dat de waarde van de door de onroerendezaakrechtspersoon onmiddellijk of middellijk gehouden juridische of economische eigendom van de onroerende zaken en rechten tot de grondslag voor de belastingheffing moeten worden gerekend. De wetgever heeft daarbij opgemerkt dat ook bij de economische eigendomsverkrijging de vrijstellingen en faciliteiten gelden zoals bij de juridische eigendomsverkrijging. Uit de wetshistorie volgt dat de wetgever heeft gewild en bedoeld de economische eigendomsverkrijging binnen de heffingssfeer te brengen teneinde constructies te bestrijden. Anders dan belanghebbende betoogt, ontbreekt daarom geen voorwerp voor de maatstaf van heffing. Een andersluidend oordeel zou tot het ongerijmde gevolg leiden dat doel en strekking en het systeem van de Wet BRV, zoals die volgen uit de hierboven geciteerde parlementaire behandeling van de reparatiewetgeving in de Wet BRV, worden ondergraven. Voor de bepaling van de heffingsmaatstaf is de waarde van de aandelen in [bedrijf 3] daarom gelijk aan de waarde van de door [bedrijf 3] gehouden economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen. Deze (wetshistorische, wetssystematische en teleologische) interpretatie van artikel 10 van de Wet BRV moet prevaleren boven de door belanghebbende voorgestane grammaticale interpretatie daarvan (vgl. HR 4 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX2820, HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3083 en HR 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5866). Niet in geschil tussen partijen is dat de maatstaf van heffing alsdan juist is vastgesteld bij het opleggen van de naheffingsaanslag.
Samenloopvrijstelling
21. Belanghebbende betoogt dat geen overdrachtsbelasting is verschuldigd omdat de samenloopvrijstelling (artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BRV) van toepassing is op de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] , omdat bij een rechtstreekse verkrijging van de percelen de verkrijging zou hebben plaatsgevonden krachtens een btw-belaste levering overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) dan wel krachtens een btw-belaste dienst overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel b, slotalinea, van de Wet OB 1968.
22. Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580, (het Doorkijkarrest) leidt belanghebbende af dat bij die toets moet worden uitgegaan van de hypothetische levering van de onroerende zaak zelf. Volgens belanghebbende is dan voldaan aan de vereisten voor toepassing van de samenloopvrijstelling. Ook indien moet worden uitgegaan van de hypothetische overdracht van de economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen, leidt dat volgens belanghebbende tot toepassing van de samenloopvrijstelling omdat ook dan sprake is van een overdracht van de economische eigendom die van rechtswege belast zou zijn geweest met btw. Belanghebbende verwijst naar het Safe-arrest van het Hof van Justitie EU van 8 februari 1990 (ECLI:EU: C :1990:61, C -320/88) en naar de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst ter onderbouwing van haar standpunt.
23. De rechtbank stelt voorop dat het beroep op de samenloopvrijstelling slaagt, voor zover hier relevant als de verkrijging krachtens een btw-belaste levering plaatsvindt als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet OB 1968 of krachtens een btw-belaste dienst als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, slotalinea, van de Wet OB 1968. Dat aan de overige vereisten voor toepassing van de samenloopvrijstelling is voldaan is niet in geschil.
24. In het Doorkijkarrest is geoordeeld:
“3.4.2 (…) Laatstvermelde bepalingen bewerkstelligen, zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.5 van het hiervoor in 3.2 vermelde arrest heeft overwogen, dat de verkrijging van aandelen in, kort gezegd, onroerendezaaklichamen wordt belast als werden de betrokken onroerende zaken zelf verkregen. Deze wetsfictie heeft geen verdere strekking dan te voorkomen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan. Met deze wetsfictie is niet beoogd de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam onder de heffing van overdrachtsbelasting te brengen voor zover de verkrijging van een onroerende zaak van dat lichaam zelf buiten de heffing van overdrachtsbelasting zou blijven vanwege de vrijstellingsbepaling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet BRV dat de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam wordt belast als werden de betrokken onroerende zaken zelf rechtstreeks verkregen.”
25. De rechtbank maakt uit voornoemde overweging niet meer op dan dat bij de beoordeling of de samenloopvrijstelling van toepassing is, door de onroerendezaakrechtspersoon ( [bedrijf 3] dus) heen moet worden gekeken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om daarbij uit te gaan van een hypothetische vermogenspositie van [bedrijf 3] waarbij wordt uitgegaan van overdracht van de onroerende zaak zelf, terwijl [bedrijf 3] in feite enkel de economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen houdt. Daarom moet worden uitgegaan van de daadwerkelijke vermogenspositie van [bedrijf 3] en dus van de economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen.
26. Dit betekent dat de rechtbank moet toetsen of de overdracht van de economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen kwalificeert als levering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet OB 1968 dan wel als dienst als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, slotalinea, van de Wet OB 1968. Het is aan belanghebbende aannemelijk te maken dat hier sprake van is.
27. Uit het Safe-arrest volgt dat de overdracht of overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken ‒ zonder dat daarbij de juridische eigendom overgaat – een levering is voor de omzetbelasting. Van het ‘als eigenaar over een goed beschikken’ is volgens het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BB8428, r.o. 3.3.2 en 3.3.3) niet voldoende dat het (volledige) economische belang bij het goed is overgedragen. Daarvan kan op basis van dit arrest wel sprake zijn als de juridische eigenaar een onherroepelijke volmacht heeft gegeven tot vervreemding of bezwaring van het goed of wanneer de juridische eigenaar zich jegens de economische eigenaar ertoe heeft verplicht op verzoek mee te werken aan overdracht van het goed aan een derde.
28. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat [bedrijf 3] als eigenaar over (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen kon beschikken. Immers, er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat [bedrijf 3] van de juridische eigenaar van de percelen een onherroepelijke volmacht had gekregen tot vervreemding of bezwaring van die percelen aan belanghebbende dan wel dat [bedrijf 3] de juridische eigenaar kon verplichten om op verzoek mee te werken aan de levering van die percelen aan belanghebbende. In de samenwerkingsovereenkomst ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het standpunt dat [bedrijf 3] de macht of bevoegdheid had om de rechtstoestand van de betrokken percelen te wijzigen en daarmee een levering te kunnen verrichten overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet OB 1968. Dat, zoals belanghebbende stelt, opbrengsten en kosten op grond van de samenwerkingsovereenkomst gelijkelijk gedeeld moeten worden en dat belanghebbende in de stuur- en projectgroep zou hebben gezeten en inspraak zou hebben gehad, is daartoe onvoldoende.
29. Van een dienst in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, slotalinea, van de Wet OB 1968 is op basis van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU sprake als de verhuurder of onderverhuurder aan een huurder tegen vergoeding en voor een overeengekomen tijdsduur het recht verleent (een gedeelte van) een onroerende zaak exclusief te gebruiken als ware hij eigenaar ervan was en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (vgl. HvJ EU 2 juli 2020, C -215/19, ECLI:EU: C :2020:518, r.o. 40, HvJ EU 4 oktober 2001, C -326/99, ECLI:EU: C :2001:506, r.o. 55 e.v.). Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd waarom daarvan in dit geval sprake zou zijn. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit standpunt.
30. Dit betekent dat de samenloopvrijstelling niet van toepassing is op de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] door belanghebbende.
Belastingrente
31. Belanghebbende heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Conclusie
32. Gelet op al wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
33. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. Op grond van vaste jurisprudentie wordt voor de toets of de redelijke termijn is overschreden niet enkel de bezwaarfase in acht genomen, maar beoordeelt de rechtbank eerst de duur van de bezwaarfase en de beroepsfase tezamen. Daarvoor wordt een periode van twee jaar behoudens bijzondere omstandigheden als redelijk beschouwd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding geldt een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Van bijzondere omstandigheden die verlenging of verkorting van die termijn rechtvaardigen is de rechtbank niet gebleken.
34. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 14 juni 2022 en de rechtbank doet op 16 juni 2026 uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met, naar boven afgerond, twee jaar en één maand. Aangezien op 11 oktober 2024 uitspraak op bezwaar is gedaan, is deze termijnoverschrijding voor één jaar en tien maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor drie maanden toerekenbaar aan de beroepsfase.
35. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 2.200. De rechtbank zal de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 300.
Proceskosten
36. In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep wordt toegekend, vindt de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van het geding. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan een punt wordt toegekend met een waarde per punt van € 934, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526). De te vergoeden proceskosten bedragen € 233,50 (0,25 maal € 934). De vergoeding van dit bedrag zal deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt (HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2).
37. Nu belanghebbende na 31 mei 2024 heeft verzocht om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zal het betaalde griffierecht niet worden vergoed (zie HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2.200;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het vergoeden van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 300;
- veroordeelt verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van belanghebbende, ieder tot een bedrag van € 116,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.B. Woe, voorzitter, mr. M.E. Kiers en mr. C . Huisman, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c . een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7655
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. drs. B.L. Adams),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [gemeente 1] , verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.530.000 (de naheffingsaanslag). Tevens is belastingrente in rekening gebracht van € 207 (de beschikking belastingrente).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 11 oktober 2024, de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026 te Haarlem. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer HAA 24/7641.
Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en diens kantoorgenoten [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Ook is [naam 4] (bestuurder van [bedrijf 1] B.V.) verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 5] , mr. dr. [naam 6] , mr. [naam 7] en mr. [naam 8] .
Overwegingen
Feiten
1. Op 12 september 2016 hebben [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ) en [bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] ) een samenwerkingsovereenkomst gesloten. In de samenwerkingsovereenkomst staat:
“ [bedrijf 2] en [bedrijf 3] hebben naar elkaar uitgesproken dat zij gezamenlijk een bouwproject willen ontwerpen, ontwikkelen en realiseren op de (…) omschreven percelen, met het doel om dat na de realisatie te verkopen. Ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst is het voornemen om op de Percelen een datacenter (de eerste keuze) of logistiek vastgoed (de tweede keuze) te ontwikkelen en realiseren; (…)
2 Doel van de Samenwerkingsovereenkomst
2.1
Partijen zullen voor gezamenlijke rekening en risico samenwerken bij het ontwikkelen, realiseren en verkopen van het Project.
(…)
6 Overdracht Percelen
In het kader van het Project verplichten [naam 1] en [naam 2] zich de Percelen als bouwterrein (in de zin van artikel 11 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968 en in civiel juridische zin) zowel juridisch als economisch volledig over te zullen dragen aan [bedrijf 2] . [bedrijf 2] zal deze Percelen geleverd krijgen in het kader van de Samenwerking op grond van deze Samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf 3] . [Naam 1] en [naam 2] zijn slechts partij bij deze Samenwerkingsovereenkomst in het kader van deze overdrachtsverplichting.
(…)
9 Kosten / financiering / winst
9.1
De totale kosten van het Project zullen gelijkelijk (derhalve 50/50) tussen Partijen worden gedeeld, behoudens voor zover Partijen anders overeenkomen. (…).
(…)
9.5
De opbrengst uit het Project zal, nadat alle kosten en schulden zijn (af)betaald, eveneens gelijkelijk (derhalve 50/50) tussen Partijen worden gedeeld (…).
(…).”
2. In de akte ‘koop en levering registergoed’ van 12 september 2016 staat dat [bedrijf 2] het volgende verkrijgt:
het voortdurend recht van erfpacht van een perceel bouwgrond, eigendom van de gemeente [gemeente 1] , gelegen aan de [adres 1] te [gemeente 1] , kadastraal bekend gemeente [gemeente 2] , sectie K nummer [# 1] , ter grootte van 91 à 25 ca (perceel A); en
het voortdurend recht van erfpacht van een perceel bouwgrond, eigendom van de gemeente [gemeente 1] , plaatselijk bekend als [adres 2] (ongenummerd), kadastraal bekend gemeente [gemeente 2] , sectie K, nummer [# 2] , ter grootte van 1 à 10 ca (perceel B).
3. Op 16 september 2016 heeft [bedrijf 2] de juridische eigendom van een perceel grond verkregen, gelegen aan de [adres 3] te [gemeente 1] , kadastraal bekend gemeente [gemeente 2] , sectie K, nummer [# 1] , groot 12.248 m² (perceel C ).
4. Op 12 februari 2021 heeft [bedrijf 1] B.V. 50% van de aandelen in [bedrijf 3] verkregen.
5. Op 4 maart 2021 heeft belanghebbende 100% van de aandelen in [bedrijf 3] verkregen.
6. Belanghebbende heeft een verzoek om vooroverleg ingediend. Belanghebbende verzoekt verweerder om bevestiging van haar standpunt dat artikel 15, eerste lid, letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV) (de samenloopvrijstelling) van toepassing is op de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] .
7. Belanghebbende heeft in een brief gedagtekend 15 juli 2021 het volgende aan verweerder geschreven:
“Alle belangrijke stappen in het kader van de samenwerking en het opzetten/ontwikkeling van het project vaak op initiatief van [bedrijf 3] genomen (die daarvoor [bedrijf 1] BV heeft ingeschakeld, waaronder:
Het onderzoeken van de mogelijkheden met de Percelen, het zoeken en benaderen van partijen die de ontwikkeling van een datacenter voor elkaar kunnen krijgen en dit kunnen verwezenlijken bij de gemeente [gemeente 1] ;
Het zoeken naar experts die de gehele deal met een datacenter kunnen begeleiden;
Het zoeken naar kopers (de uiteindelijke koper is ook via [bedrijf 3] aangedragen).”
8. In een brief van 14 oktober 2021 heeft verweerder het volgende aan belanghebbende geschreven:
“Op 23 september 2021 heb ik de nadere onderbouwing van u en [gemachtigde] ontvangen. (…). Ik begrijp dat [bedrijf 3] in het kader van de samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf 2] handelingen heeft (laten) verricht(en) gericht op het wijzigen van de bestemmingsvergunning van de percelen bouwterreinen waarvan [bedrijf 3] een economisch belang heeft en handelingen heeft (laten) verricht(en) gericht op de verkoop van de percelen bouwterrein (lees; het gezamenlijk met [bedrijf 2] ondernomen vastgoedproject (…) waarvan [bedrijf 3] een economisch eigendom heeft). Tevens begrijp ik dat [bedrijf 3] in het verleden afspraken heeft gemaakt met haar voormalig aandeelhouders (…) omtrent dienstverlening in het kader van het vastgoedproject, ter zake waarvan [bedrijf 3] gemaakte kosten heeft doorbelast aan vorengenoemde (voormalige) aandeelhouders (…).”
9. Belanghebbende heeft aangifte overdrachtsbelasting gedaan wegens de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] . In de aangifte heeft belanghebbende een beroep gedaan op de samenloopvrijstelling.
10. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek om vooroverleg en geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de samenloopvrijstelling. Vervolgens heeft verweerder de naheffingsaanslag en beschikking belastingrente opgelegd.
11. Tot de gedingstukken behoort een kolommenbalans over het jaar 2021 van [bedrijf 3] . Daarop staat als activum ‘waardering samenwerkingsovereenkomst’ ten bedrage van € 3.668.638 en een totaal van de activa ten bedrage van € 3.687.474.
Geschil
12. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
13. Belanghebbende neemt het standpunt in dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd want er is geen overdrachtsbelasting verschuldigd over de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] . Primair omdat de samenloopvrijstelling van toepassing is, subsidiair omdat er geen belastbaar feit is aangezien [bedrijf 3] geen onroerendezaakrechtspersoon is en meer subsidiair omdat de maatstaf van heffing over de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] nihil is. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag en om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase.
14. Verweerder neemt het standpunt in dat de naheffingsaanslag correct is vastgesteld. Er is overdrachtsbelasting verschuldigd door belanghebbende over de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] . Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Ook concludeert verweerder dat de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden.
Beoordeling van het geschil
Vooraf
15. De rechtbank zal de gronden van het beroep van belanghebbende in een volgorde behandelen die de rechtbank het meest doelmatig voorkomt voor de beoordeling van het geschil.
Belastbaar feit
16. Belanghebbende neemt het standpunt in dat zij geen overdrachtsbelasting is verschuldigd omdat de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] geen belastbaar feit is. [bedrijf 3] is volgens belanghebbende geen onroerendezaakrechtspersoon in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BRV, omdat [bedrijf 3] niet aan de doeleis voldoet. [bedrijf 3] heeft volgens belanghebbende feitelijk geen handelingen verricht binnen de referentieperiode (4 maart 2021 en het daaraan voorafgaande jaar) die geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van de percelen A, B en C (tezamen: de percelen).
17. Het betoog van belanghebbende slaagt niet. [bedrijf 3] kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als een onroerendezaakrechtspersoon. Uit de samenwerkingsovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , de brief van belanghebbende gedagtekend 15 juli 2021, de brief van verweerder gedagtekend 14 oktober 2021 en de kolommenbalans van [bedrijf 3] (waaruit volgt dat nagenoeg het gehele vermogen van [bedrijf 3] is toe te rekenen aan de waardering van de samenwerkingsovereenkomst) leidt de rechtbank ‒ in samenhang bezien ‒ af dat [bedrijf 3] gedurende de referentieperiode hoofdzakelijk handelingen heeft verricht gericht op het onderzoeken, ontwerpen, ontwikkelen en realiseren van een datacenter op de percelen met als doel het project na de realisatie te verkopen. De uiteindelijke koper van het project is ook door [bedrijf 3] aangedragen. Daarmee wordt voldaan aan de doeleis. Dat belanghebbende de economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen heeft doet daar niet aan af. De economische eigendom telt immers, gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wet BRV, mee voor de toepassing van de in het eerste lid genoemde onroerende zaken en dus ook voor de toets aan de doeleis. Niet in geschil tussen partijen is dat [bedrijf 3] aan de overige voorwaarden van artikel 4 van de Wet BRV voldoet om als onroerendezaakrechtspersoon te worden aangemerkt.
Maatstaf van heffing
18. Belanghebbende betoogt dat geen overdrachtsbelasting is verschuldigd omdat op basis van een grammaticale interpretatie van artikel 10 van de Wet BRV een voorwerp ontbreekt voor de maatstaf van heffing. Op grond van die bepaling wordt de waarde van de aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon gelijkgesteld aan de waarde van de goederen, als bedoeld in artikel 2 van de Wet BRV, welke door die aandelen middellijk of onmiddellijk worden vertegenwoordigd. De economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen van [bedrijf 3] is volgens belanghebbende geen ‘goed’ als bedoeld in artikel 2 van de Wet BRV, welke door [bedrijf 3] middellijk of onmiddellijk wordt vertegenwoordigd. Daarom moeten de waarden van de percelen volgens belanghebbende buiten beschouwing blijven. Belanghebbende concludeert dat de maatstaf van heffing daarom nihil moet zijn.
19. In de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer en enkele andere belastingwetten in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken (Kamerstukken II 1994-1995, 24 172, nr. 3) staat:
“2. REPARATIEWETGEVING
(…)
2.7.
Overdracht economische eigendom
(...) Het is om deze beide redenen, dus zowel het belang voor de bestrijding van de constructies in de btw-sfeer alsook het belang van de overdrachtsbelasting en ook de vennootschapsbelasting, dat dit wetsvoorstel bepalingen bevat die het mogelijk maken de economische eigendomsoverdracht op efficiënte wijze te onderwerpen aan de overdrachtsbelasting. (…). Overigens merk ik op dat bij de gekozen methode om de economische eigendomsverkrijging onder de heffing te brengen - de uitbreiding van het verkrijgingsbegrip - de huidige vrijstellingen en faciliteiten bij de juridische verkrijging ook gelden bij de economische. (…)
Artikel III (Wet op belastingen van rechtsverkeer)
Onderdeel A
In het tweede lid van artikel 2 wordt het verkrijgingsbegrip voor de overdrachtsbelasting uitgebreid met de verkrijging van de zogeheten economische eigendom. (…) Voor de heffingsgrondslag houdt de verkrijging van een gedeelte van de economische eigendom het volgende in. Indien een gedeelte wordt verkregen in de vorm van een percentage is de heffingsgrondslag een percentage van de waarde van de volle eigendom, dan wel de hogere tegenprestatie. Indien op andere wijze een gedeelte wordt verkregen, wordt ervan uitgegaan dat de volle economische eigendom wordt verkregen. Door het verkrijgingsbegrip uit te breiden wordt bewerkstelligd dat het nieuwe belastbare feit ook betrekking heeft op de overige bepalingen van de overdrachtsbelasting. Dit is onder andere van belang met betrekking tot de verkrijging van de economische eigendom van de aandelen in de onroerend-goedlichamen van artikel 4, die dan eveneens belast is. Het betekent tevens dat de faciliteiten in de overdrachtsbelasting ook van toepassing zijn op de economische eigendom. Zo zullen de vrijstellingen van artikel 15, eerste lid, van toepassing zijn.
Onderdeel C
In artikel 4 is onder meer de verkrijging van aandelen in onroerend goedlichamen gelijkgesteld met de verkrijging van onroerende zaken indien die aandelen een aanmerkelijk belang vormen. Door de uitbreiding van artikel 2 met de verkrijging van de economische eigendom is ook de verkrijging van de economische eigendom van de in artikel 4 bedoelde rechten en aandelen onder de reikwijdte van de overdrachtsbelasting gebracht. Een lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal wordt als een onroerend-goedlichaam aangemerkt indien zijn bezittingen voor meer dan 70% onroerend zijn. Tot nu toe werden alleen onroerende zaken in juridische eigendom meegeteld bij de beoordeling of de bezittingen
hoofdzakelijk bestaan uit onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen. De wijziging strekt ertoe om ook onroerende zaken in economische eigendom mee te tellen voor de kwalificatie als een onroerend-goedlichaam. Hetzelfde geldt ten aanzien van certificaatrechten en dergelijke. Voor artikel 4, eerste lid, onderdeel b, is een uitdrukkelijke
tekstaanpassing overbodig, omdat uit artikel 2, tweede lid, in samenhang met de tekst en ratio van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, voldoende duidelijk blijkt dat deze bepaling ook van toepassing is indien de vereniging of coöperatie het gebouw of een gedeelte daarvan in economische eigendom heeft.”
20. De rechtbank is van oordeel dat uit de parlementaire behandeling van de Wet BRV (de wetshistorie) kan worden afgeleid dat de waarde van de door de onroerendezaakrechtspersoon onmiddellijk of middellijk gehouden juridische of economische eigendom van de onroerende zaken en rechten tot de grondslag voor de belastingheffing moeten worden gerekend. De wetgever heeft daarbij opgemerkt dat ook bij de economische eigendomsverkrijging de vrijstellingen en faciliteiten gelden zoals bij de juridische eigendomsverkrijging. Uit de wetshistorie volgt dat de wetgever heeft gewild en bedoeld de economische eigendomsverkrijging binnen de heffingssfeer te brengen teneinde constructies te bestrijden. Anders dan belanghebbende betoogt, ontbreekt daarom geen voorwerp voor de maatstaf van heffing. Een andersluidend oordeel zou tot het ongerijmde gevolg leiden dat doel en strekking en het systeem van de Wet BRV, zoals die volgen uit de hierboven geciteerde parlementaire behandeling van de reparatiewetgeving in de Wet BRV, worden ondergraven. Voor de bepaling van de heffingsmaatstaf is de waarde van de aandelen in [bedrijf 3] daarom gelijk aan de waarde van de door [bedrijf 3] gehouden economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen. Deze (wetshistorische, wetssystematische en teleologische) interpretatie van artikel 10 van de Wet BRV moet prevaleren boven de door belanghebbende voorgestane grammaticale interpretatie daarvan (vgl. HR 4 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX2820, HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3083 en HR 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5866). Niet in geschil tussen partijen is dat de maatstaf van heffing alsdan juist is vastgesteld bij het opleggen van de naheffingsaanslag.
Samenloopvrijstelling
21. Belanghebbende betoogt dat geen overdrachtsbelasting is verschuldigd omdat de samenloopvrijstelling (artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BRV) van toepassing is op de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] , omdat bij een rechtstreekse verkrijging van de percelen de verkrijging zou hebben plaatsgevonden krachtens een btw-belaste levering overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) dan wel krachtens een btw-belaste dienst overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel b, slotalinea, van de Wet OB 1968.
22. Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580, (het Doorkijkarrest) leidt belanghebbende af dat bij die toets moet worden uitgegaan van de hypothetische levering van de onroerende zaak zelf. Volgens belanghebbende is dan voldaan aan de vereisten voor toepassing van de samenloopvrijstelling. Ook indien moet worden uitgegaan van de hypothetische overdracht van de economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen, leidt dat volgens belanghebbende tot toepassing van de samenloopvrijstelling omdat ook dan sprake is van een overdracht van de economische eigendom die van rechtswege belast zou zijn geweest met btw. Belanghebbende verwijst naar het Safe-arrest van het Hof van Justitie EU van 8 februari 1990 (ECLI:EU: C :1990:61, C -320/88) en naar de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst ter onderbouwing van haar standpunt.
23. De rechtbank stelt voorop dat het beroep op de samenloopvrijstelling slaagt, voor zover hier relevant als de verkrijging krachtens een btw-belaste levering plaatsvindt als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet OB 1968 of krachtens een btw-belaste dienst als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, slotalinea, van de Wet OB 1968. Dat aan de overige vereisten voor toepassing van de samenloopvrijstelling is voldaan is niet in geschil.
24. In het Doorkijkarrest is geoordeeld:
“3.4.2 (…) Laatstvermelde bepalingen bewerkstelligen, zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.5 van het hiervoor in 3.2 vermelde arrest heeft overwogen, dat de verkrijging van aandelen in, kort gezegd, onroerendezaaklichamen wordt belast als werden de betrokken onroerende zaken zelf verkregen. Deze wetsfictie heeft geen verdere strekking dan te voorkomen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan. Met deze wetsfictie is niet beoogd de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam onder de heffing van overdrachtsbelasting te brengen voor zover de verkrijging van een onroerende zaak van dat lichaam zelf buiten de heffing van overdrachtsbelasting zou blijven vanwege de vrijstellingsbepaling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet BRV dat de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam wordt belast als werden de betrokken onroerende zaken zelf rechtstreeks verkregen.”
25. De rechtbank maakt uit voornoemde overweging niet meer op dan dat bij de beoordeling of de samenloopvrijstelling van toepassing is, door de onroerendezaakrechtspersoon ( [bedrijf 3] dus) heen moet worden gekeken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om daarbij uit te gaan van een hypothetische vermogenspositie van [bedrijf 3] waarbij wordt uitgegaan van overdracht van de onroerende zaak zelf, terwijl [bedrijf 3] in feite enkel de economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen houdt. Daarom moet worden uitgegaan van de daadwerkelijke vermogenspositie van [bedrijf 3] en dus van de economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen.
26. Dit betekent dat de rechtbank moet toetsen of de overdracht van de economische eigendom van (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen kwalificeert als levering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet OB 1968 dan wel als dienst als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, slotalinea, van de Wet OB 1968. Het is aan belanghebbende aannemelijk te maken dat hier sprake van is.
27. Uit het Safe-arrest volgt dat de overdracht of overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken ‒ zonder dat daarbij de juridische eigendom overgaat – een levering is voor de omzetbelasting. Van het ‘als eigenaar over een goed beschikken’ is volgens het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BB8428, r.o. 3.3.2 en 3.3.3) niet voldoende dat het (volledige) economische belang bij het goed is overgedragen. Daarvan kan op basis van dit arrest wel sprake zijn als de juridische eigenaar een onherroepelijke volmacht heeft gegeven tot vervreemding of bezwaring van het goed of wanneer de juridische eigenaar zich jegens de economische eigenaar ertoe heeft verplicht op verzoek mee te werken aan overdracht van het goed aan een derde.
28. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat [bedrijf 3] als eigenaar over (het voortdurend recht van erfpacht op) de percelen kon beschikken. Immers, er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat [bedrijf 3] van de juridische eigenaar van de percelen een onherroepelijke volmacht had gekregen tot vervreemding of bezwaring van die percelen aan belanghebbende dan wel dat [bedrijf 3] de juridische eigenaar kon verplichten om op verzoek mee te werken aan de levering van die percelen aan belanghebbende. In de samenwerkingsovereenkomst ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het standpunt dat [bedrijf 3] de macht of bevoegdheid had om de rechtstoestand van de betrokken percelen te wijzigen en daarmee een levering te kunnen verrichten overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet OB 1968. Dat, zoals belanghebbende stelt, opbrengsten en kosten op grond van de samenwerkingsovereenkomst gelijkelijk gedeeld moeten worden en dat belanghebbende in de stuur- en projectgroep zou hebben gezeten en inspraak zou hebben gehad, is daartoe onvoldoende.
29. Van een dienst in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, slotalinea, van de Wet OB 1968 is op basis van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU sprake als de verhuurder of onderverhuurder aan een huurder tegen vergoeding en voor een overeengekomen tijdsduur het recht verleent (een gedeelte van) een onroerende zaak exclusief te gebruiken als ware hij eigenaar ervan was en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (vgl. HvJ EU 2 juli 2020, C -215/19, ECLI:EU: C :2020:518, r.o. 40, HvJ EU 4 oktober 2001, C -326/99, ECLI:EU: C :2001:506, r.o. 55 e.v.). Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd waarom daarvan in dit geval sprake zou zijn. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit standpunt.
30. Dit betekent dat de samenloopvrijstelling niet van toepassing is op de verkrijging van de aandelen in [bedrijf 3] door belanghebbende.
Belastingrente
31. Belanghebbende heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Conclusie
32. Gelet op al wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
33. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. Op grond van vaste jurisprudentie wordt voor de toets of de redelijke termijn is overschreden niet enkel de bezwaarfase in acht genomen, maar beoordeelt de rechtbank eerst de duur van de bezwaarfase en de beroepsfase tezamen. Daarvoor wordt een periode van twee jaar behoudens bijzondere omstandigheden als redelijk beschouwd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding geldt een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Van bijzondere omstandigheden die verlenging of verkorting van die termijn rechtvaardigen is de rechtbank niet gebleken.
34. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 14 juni 2022 en de rechtbank doet op 16 juni 2026 uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met, naar boven afgerond, twee jaar en één maand. Aangezien op 11 oktober 2024 uitspraak op bezwaar is gedaan, is deze termijnoverschrijding voor één jaar en tien maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor drie maanden toerekenbaar aan de beroepsfase.
35. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 2.200. De rechtbank zal de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 300.
Proceskosten
36. In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep wordt toegekend, vindt de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van het geding. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan een punt wordt toegekend met een waarde per punt van € 934, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526). De te vergoeden proceskosten bedragen € 233,50 (0,25 maal € 934). De vergoeding van dit bedrag zal deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt (HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2).
37. Nu belanghebbende na 31 mei 2024 heeft verzocht om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zal het betaalde griffierecht niet worden vergoed (zie HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2.200;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het vergoeden van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 300;
- veroordeelt verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van belanghebbende, ieder tot een bedrag van € 116,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.B. Woe, voorzitter, mr. M.E. Kiers en mr. C . Huisman, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c . een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).