Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:12115
2026-06-10
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/4102/11829419
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. De voormalige echtelijke woning is verkocht en eiser vordert vergoeding van de helft van de makelaarskosten die hij daarvoor heeft betaald. Daarnaast vordert eiser een bedrag op grond van onrechtmatige daad, omdat gedaagde volgens eiser niet (tijdig) heeft meegewerkt aan de verkoop van de woning.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.751 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11829419 \ CV EXPL 25-5157
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.J. Meijer,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D. Kotterman.
De zaak in het kort
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. De voormalige echtelijke woning is verkocht en [eiser] vordert vergoeding van de helft van de makelaarskosten die hij daarvoor heeft betaald. Daarnaast vordert [eiser] een bedrag op grond van onrechtmatige daad, omdat [gedaagde] volgens [eiser] niet (tijdig) heeft meegewerkt aan de verkoop van de woning.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de helft van de makelaarskosten aan [eiser] moet vergoeden. De kantonrechter wijst de vordering op grond van onrechtmatige daad af.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4;
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- producties 4 en 5 van [eiser] ;
- de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarbij door mr. Meijer spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier voor het overige aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is in 2013 ontbonden. Bij de ontbinding van het huwelijk hebben partijen afgesproken dat de (voormalig echtelijke) woning aan de [adres] in [plaats] voorlopig onverdeeld zou blijven. [gedaagde] is toen in de woning blijven wonen.
2.2.
In een andere procedure tussen partijen heeft deze rechtbank bij vonnis van 1 februari 2023 – voor zover relevant – bepaald dat de woning aan [gedaagde] zou worden toegedeeld. In het geval [gedaagde] er niet in zou slagen om de woning binnen drie maanden na het vonnis notarieel aan zich te laten toedelen, is zij veroordeeld alle medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop van de woning tegen een vraagprijs die door de makelaar bindend zou worden vastgesteld, tenzij partijen hier gezamenlijk van wensten af te wijken, op verbeurte van een dwangsom van € 100 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke zou blijven met een maximum van € 15.000. De rechtbank heeft in het vonnis bepaald dat medewerking in ieder geval inhoudt: “het gezamenlijk met [eiser] aanwijzen van, en opdracht geven aan een verkopend makelaar”.
2.3.
In een bericht van 21 maart 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat zij de verkoop van de woning geheel aan hem zou overlaten. [eiser] heeft vervolgens een makelaar de opdracht gegeven de woning te verkopen.
2.4.
Op 11 mei 2023 heeft een deurwaarder het vonnis van 1 februari 2023 aan [gedaagde] betekend en de daarin opgenomen dwangsommen aangezegd.
2.5.
In een e-mail van 13 mei 2023 heeft [gedaagde] aan de deurwaarder geschreven dat zij zich aan de afspraken heeft gehouden en de betekening van het vonnis daarom onterecht was. Ook heeft [gedaagde] naar het eerder bericht verwezen van 21 maart 2023 waarin zij [eiser] heeft laten weten dat zij de verkoop van de woning aan hem overlaat.
2.6.
In een brief van 30 mei 2023 heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van [gedaagde] geschreven dat [gedaagde] € 1.000 aan dwangsommen heeft verbeurd. De advocaat van [eiser] heeft geschreven dat [gedaagde] tien dagen aan dwangsommen heeft verbeurd, omdat zij op 22 mei 2023 heeft gereageerd op een verzoek van 11 mei 2023 om de makelaar te berichten dat zij akkoord gaat met de vraagprijs voor de woning.
2.7.
In een brief van 29 april 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd binnen vijftien dagen de helft van de makelaarskosten, de verbeurde dwangsommen en de kosten van het exploot van 11 mei 2023 te betalen (in totaal een bedrag € 6.120,93).
2.8.
De woning is inmiddels verkocht en op 7 november 2024 geleverd aan een derde. [eiser] heeft de makelaarskosten van € 9.960,45 betaald.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 4.980,32 wegens haar aandeel in de makelaarskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 1.140,60 wegens de door haar verbeurde dwangsommen en de explootkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 824,01, inclusief btw;
[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Partijen zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. [eiser] heeft ten behoeve van de verkoop van de voormalig echtelijke woning de makelaarskosten van € 9.960,45 betaald. Op grond van artikel 3:166 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 3:172 BW jo. artikel 6:10 BW moet [gedaagde] de helft van de makelaarskosten aan [eiser] betalen. Naast vergoeding van de makelaarskosten vordert [eiser] een bedrag op grond van onrechtmatige daad. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW, omdat zij heeft nagelaten haar medewerking (tijdig) te verlenen aan de verkoop van de woning. Zij is daarom aansprakelijk voor de daaruit ontstane schade. Die schade bestaat uit de verbeurde dwangsommen en de kosten van het exploot.
3.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert – samengevat – het volgende aan. De makelaarskosten zijn geen gemeenschapsschuld en dienen voor rekening van [eiser] te blijven. [eiser] heeft zonder instemming van [gedaagde] de opdracht aan de makelaar verstrekt. Op grond van artikel 3:166 lid 1 BW jo. artikel 3:170 lid 1 BW was de instemming van [gedaagde] wel vereist. Verder betwist [gedaagde] dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] . Zij heeft tijdig voldaan aan de verplichtingen uit het eerdere vonnis van 1 februari 2023.
3.4.
De kantonrechter gaat hierna, voor zover nodig, nader in op de stellingen van partijen.
4De beoordeling
[gedaagde] moet bijdragen in de makelaarskosten
4.1.
Naar het oordeel van de kantonrechter moet [gedaagde] de helft van de
makelaarskosten aan [eiser] vergoeden. De kantonrechter legt dit hierna uit.
4.2.
Vast staat dat de woning behoorde tot de ontbonden huwelijksgemeenschap en dat
partijen hebben afgesproken de woning voorlopig onverdeeld te laten. Vast staat verder dat in het vonnis van 1 februari 2023 is bepaald dat [gedaagde] haar medewerking moest verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop van de woning. Daarbij heeft de rechtbank onder meer bepaald dat medewerking in ieder geval inhoudt dat partijen gezamenlijk een verkopend makelaar zouden aanwijzen en opdracht zouden geven aan een verkopend makelaar.
4.3.
De makelaarskosten zijn gemaakt in verband met de verkoop van de woning en
hebben daarmee betrekking op een gemeenschappelijk goed. Op grond van artikel 3:172 BW moeten partijen dus ieder voor de helft bijdragen in de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de woning zijn verricht, tenzij partijen een andere afspraak hebben gemaakt.
4.4.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij niet gehouden is bij te dragen in de
makelaarskosten, omdat [eiser] zonder haar instemming de opdracht aan de makelaar heeft verstrekt. De kantonrechter volgt haar daarin niet. In een bericht van 21 maart 2023 heeft [gedaagde] [eiser] laten weten dat zij de verkoop van de woning aan hem overlaat. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat [eiser] van haar een makelaar mocht inschakelen, maar dat zij ervan uitging dat [eiser] haar zou betrekken bij de omvang van de opdracht en de kosten daarvan. Dat [eiser] [gedaagde] daar vervolgens niet bij heeft betrokken, betekent niet dat de makelaarskosten daarom volledig voor zijn rekening moeten blijven. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat de woning uiteindelijk via de door [eiser] ingeschakelde makelaar is verkocht en dat uit het dossier niet is gebleken dat [gedaagde] daar bezwaar tegen heeft gemaakt.
4.5.
Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij in verband met de verkoop van de
woning zelf ook een makelaar heeft benaderd en kosten heeft gemaakt. [gedaagde] heeft aangevoerd dat sprake was van twee afzonderlijke trajecten en dat een verdeling van de makelaarskosten in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn. Ook dit standpunt volgt de kantonrechter niet. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar standpunt twee taxatierapporten overgelegd die zijn opgesteld op 12 januari 2022 en 9 november 2022. In die periode stond nog niet vast dat de woning zou worden verkocht, maar onderzocht [gedaagde] juist of zij de woning zelf kon kopen. De taxatierapporten zijn in dat verband opgesteld en daaruit blijkt dan ook niet dat [gedaagde] zelfstandig een makelaar heeft ingeschakeld ten behoeve van de verkoop van de woning of een eigen verkooptraject is opgestart. Dit kan dan ook niet maken dat [gedaagde] niet is gehouden bij te dragen in de makelaarskosten. Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter deze toewijst.
[gedaagde] heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]
4.6.
Naast vergoeding van de makelaarskosten vordert [eiser] een bedrag van € 1.140,60
op grond van onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. De kantonrechter wijst deze vordering af en licht dit hierna toe.
4.7.
Volgens [eiser] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld door niet (tijdig) mee te
werken aan de verkoop van de woning. Daardoor heeft [eiser] het vonnis van 1 februari 2023 aan [gedaagde] moeten (laten) betekenen en zouden dwangsommen zijn verbeurd.
4.8.
[gedaagde] betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens [gedaagde] heeft zij
tijdig voldaan aan de verplichtingen op grond van het vonnis en was betekening van het vonnis daarom niet nodig geweest. Ook betwist [gedaagde] dat dwangsommen zijn verbeurd. Voor zover er wel dwangsommen verbeurd zouden zijn, beroept [gedaagde] zich op verjaring.
4.9.
De kantonrechter stelt voorop dat op [eiser] de stelplicht en bewijslast rust van feiten
en omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde] niet (tijdig) heeft meegewerkt aan de verkoop van de woning. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij haar medewerking heeft verleend en dat zij de makelaar daarover tijdig heeft bericht. In dat kader heeft zij verwezen naar een bericht van de makelaar waaruit volgt dat zij haar medewerking verleende. [eiser] heeft in het licht van deze gemotiveerde betwisting onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat [gedaagde] haar verplichtingen op grond van het vonnis niet is nagekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarom niet vast komen te staan dat [gedaagde] niet tijdig heeft meegewerkt aan de verkoop van de woning en heeft zij dus niet onrechtmatig gehandeld.
4.10.
[eiser] heeft bovendien onvoldoende toegelicht welke schade hij als gevolg van
het (gestelde) handelen van [gedaagde] heeft geleden. In dit verband heeft [eiser] alleen gewezen op de dwangsommen die volgens hem zijn verbeurd en de kosten van betekening van het vonnis van 1 februari 2023. [eiser] heeft onvoldoende toegelicht waarom de door hem gevorderde bedragen als schade in de zin van artikel 6:162 BW moeten worden aangemerkt. Dat volgens [eiser] dwangsommen zijn verbeurd, is daarvoor onvoldoende. Een eventuele aanspraak op betaling van verbeurde dwangsommen vindt haar grondslag in het vonnis van 1 februari 2023 waarbij de dwangsommen zijn opgelegd en niet in artikel 6:162 BW. Met betrekking tot de gevorderde explootkosten geldt dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] haar verplichtingen uit het vonnis niet is nagekomen, zodat een grondslag ontbreekt voor vergoeding van de explootkosten.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.11.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal – mede gelet
op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal – worden afgewezen. [eiser] heeft niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding verzoekt, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
Proceskosten
4.12.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden
gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.980,32, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.I. Zijsling en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11829419 \ CV EXPL 25-5157
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.J. Meijer,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D. Kotterman.
De zaak in het kort
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. De voormalige echtelijke woning is verkocht en [eiser] vordert vergoeding van de helft van de makelaarskosten die hij daarvoor heeft betaald. Daarnaast vordert [eiser] een bedrag op grond van onrechtmatige daad, omdat [gedaagde] volgens [eiser] niet (tijdig) heeft meegewerkt aan de verkoop van de woning.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de helft van de makelaarskosten aan [eiser] moet vergoeden. De kantonrechter wijst de vordering op grond van onrechtmatige daad af.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4;
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- producties 4 en 5 van [eiser] ;
- de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarbij door mr. Meijer spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier voor het overige aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is in 2013 ontbonden. Bij de ontbinding van het huwelijk hebben partijen afgesproken dat de (voormalig echtelijke) woning aan de [adres] in [plaats] voorlopig onverdeeld zou blijven. [gedaagde] is toen in de woning blijven wonen.
2.2.
In een andere procedure tussen partijen heeft deze rechtbank bij vonnis van 1 februari 2023 – voor zover relevant – bepaald dat de woning aan [gedaagde] zou worden toegedeeld. In het geval [gedaagde] er niet in zou slagen om de woning binnen drie maanden na het vonnis notarieel aan zich te laten toedelen, is zij veroordeeld alle medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop van de woning tegen een vraagprijs die door de makelaar bindend zou worden vastgesteld, tenzij partijen hier gezamenlijk van wensten af te wijken, op verbeurte van een dwangsom van € 100 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke zou blijven met een maximum van € 15.000. De rechtbank heeft in het vonnis bepaald dat medewerking in ieder geval inhoudt: “het gezamenlijk met [eiser] aanwijzen van, en opdracht geven aan een verkopend makelaar”.
2.3.
In een bericht van 21 maart 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat zij de verkoop van de woning geheel aan hem zou overlaten. [eiser] heeft vervolgens een makelaar de opdracht gegeven de woning te verkopen.
2.4.
Op 11 mei 2023 heeft een deurwaarder het vonnis van 1 februari 2023 aan [gedaagde] betekend en de daarin opgenomen dwangsommen aangezegd.
2.5.
In een e-mail van 13 mei 2023 heeft [gedaagde] aan de deurwaarder geschreven dat zij zich aan de afspraken heeft gehouden en de betekening van het vonnis daarom onterecht was. Ook heeft [gedaagde] naar het eerder bericht verwezen van 21 maart 2023 waarin zij [eiser] heeft laten weten dat zij de verkoop van de woning aan hem overlaat.
2.6.
In een brief van 30 mei 2023 heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van [gedaagde] geschreven dat [gedaagde] € 1.000 aan dwangsommen heeft verbeurd. De advocaat van [eiser] heeft geschreven dat [gedaagde] tien dagen aan dwangsommen heeft verbeurd, omdat zij op 22 mei 2023 heeft gereageerd op een verzoek van 11 mei 2023 om de makelaar te berichten dat zij akkoord gaat met de vraagprijs voor de woning.
2.7.
In een brief van 29 april 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd binnen vijftien dagen de helft van de makelaarskosten, de verbeurde dwangsommen en de kosten van het exploot van 11 mei 2023 te betalen (in totaal een bedrag € 6.120,93).
2.8.
De woning is inmiddels verkocht en op 7 november 2024 geleverd aan een derde. [eiser] heeft de makelaarskosten van € 9.960,45 betaald.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 4.980,32 wegens haar aandeel in de makelaarskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 1.140,60 wegens de door haar verbeurde dwangsommen en de explootkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 824,01, inclusief btw;
[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Partijen zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. [eiser] heeft ten behoeve van de verkoop van de voormalig echtelijke woning de makelaarskosten van € 9.960,45 betaald. Op grond van artikel 3:166 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 3:172 BW jo. artikel 6:10 BW moet [gedaagde] de helft van de makelaarskosten aan [eiser] betalen. Naast vergoeding van de makelaarskosten vordert [eiser] een bedrag op grond van onrechtmatige daad. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW, omdat zij heeft nagelaten haar medewerking (tijdig) te verlenen aan de verkoop van de woning. Zij is daarom aansprakelijk voor de daaruit ontstane schade. Die schade bestaat uit de verbeurde dwangsommen en de kosten van het exploot.
3.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert – samengevat – het volgende aan. De makelaarskosten zijn geen gemeenschapsschuld en dienen voor rekening van [eiser] te blijven. [eiser] heeft zonder instemming van [gedaagde] de opdracht aan de makelaar verstrekt. Op grond van artikel 3:166 lid 1 BW jo. artikel 3:170 lid 1 BW was de instemming van [gedaagde] wel vereist. Verder betwist [gedaagde] dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] . Zij heeft tijdig voldaan aan de verplichtingen uit het eerdere vonnis van 1 februari 2023.
3.4.
De kantonrechter gaat hierna, voor zover nodig, nader in op de stellingen van partijen.
4De beoordeling
[gedaagde] moet bijdragen in de makelaarskosten
4.1.
Naar het oordeel van de kantonrechter moet [gedaagde] de helft van de
makelaarskosten aan [eiser] vergoeden. De kantonrechter legt dit hierna uit.
4.2.
Vast staat dat de woning behoorde tot de ontbonden huwelijksgemeenschap en dat
partijen hebben afgesproken de woning voorlopig onverdeeld te laten. Vast staat verder dat in het vonnis van 1 februari 2023 is bepaald dat [gedaagde] haar medewerking moest verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop van de woning. Daarbij heeft de rechtbank onder meer bepaald dat medewerking in ieder geval inhoudt dat partijen gezamenlijk een verkopend makelaar zouden aanwijzen en opdracht zouden geven aan een verkopend makelaar.
4.3.
De makelaarskosten zijn gemaakt in verband met de verkoop van de woning en
hebben daarmee betrekking op een gemeenschappelijk goed. Op grond van artikel 3:172 BW moeten partijen dus ieder voor de helft bijdragen in de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de woning zijn verricht, tenzij partijen een andere afspraak hebben gemaakt.
4.4.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij niet gehouden is bij te dragen in de
makelaarskosten, omdat [eiser] zonder haar instemming de opdracht aan de makelaar heeft verstrekt. De kantonrechter volgt haar daarin niet. In een bericht van 21 maart 2023 heeft [gedaagde] [eiser] laten weten dat zij de verkoop van de woning aan hem overlaat. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat [eiser] van haar een makelaar mocht inschakelen, maar dat zij ervan uitging dat [eiser] haar zou betrekken bij de omvang van de opdracht en de kosten daarvan. Dat [eiser] [gedaagde] daar vervolgens niet bij heeft betrokken, betekent niet dat de makelaarskosten daarom volledig voor zijn rekening moeten blijven. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat de woning uiteindelijk via de door [eiser] ingeschakelde makelaar is verkocht en dat uit het dossier niet is gebleken dat [gedaagde] daar bezwaar tegen heeft gemaakt.
4.5.
Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij in verband met de verkoop van de
woning zelf ook een makelaar heeft benaderd en kosten heeft gemaakt. [gedaagde] heeft aangevoerd dat sprake was van twee afzonderlijke trajecten en dat een verdeling van de makelaarskosten in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn. Ook dit standpunt volgt de kantonrechter niet. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar standpunt twee taxatierapporten overgelegd die zijn opgesteld op 12 januari 2022 en 9 november 2022. In die periode stond nog niet vast dat de woning zou worden verkocht, maar onderzocht [gedaagde] juist of zij de woning zelf kon kopen. De taxatierapporten zijn in dat verband opgesteld en daaruit blijkt dan ook niet dat [gedaagde] zelfstandig een makelaar heeft ingeschakeld ten behoeve van de verkoop van de woning of een eigen verkooptraject is opgestart. Dit kan dan ook niet maken dat [gedaagde] niet is gehouden bij te dragen in de makelaarskosten. Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter deze toewijst.
[gedaagde] heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]
4.6.
Naast vergoeding van de makelaarskosten vordert [eiser] een bedrag van € 1.140,60
op grond van onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. De kantonrechter wijst deze vordering af en licht dit hierna toe.
4.7.
Volgens [eiser] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld door niet (tijdig) mee te
werken aan de verkoop van de woning. Daardoor heeft [eiser] het vonnis van 1 februari 2023 aan [gedaagde] moeten (laten) betekenen en zouden dwangsommen zijn verbeurd.
4.8.
[gedaagde] betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens [gedaagde] heeft zij
tijdig voldaan aan de verplichtingen op grond van het vonnis en was betekening van het vonnis daarom niet nodig geweest. Ook betwist [gedaagde] dat dwangsommen zijn verbeurd. Voor zover er wel dwangsommen verbeurd zouden zijn, beroept [gedaagde] zich op verjaring.
4.9.
De kantonrechter stelt voorop dat op [eiser] de stelplicht en bewijslast rust van feiten
en omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde] niet (tijdig) heeft meegewerkt aan de verkoop van de woning. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij haar medewerking heeft verleend en dat zij de makelaar daarover tijdig heeft bericht. In dat kader heeft zij verwezen naar een bericht van de makelaar waaruit volgt dat zij haar medewerking verleende. [eiser] heeft in het licht van deze gemotiveerde betwisting onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat [gedaagde] haar verplichtingen op grond van het vonnis niet is nagekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarom niet vast komen te staan dat [gedaagde] niet tijdig heeft meegewerkt aan de verkoop van de woning en heeft zij dus niet onrechtmatig gehandeld.
4.10.
[eiser] heeft bovendien onvoldoende toegelicht welke schade hij als gevolg van
het (gestelde) handelen van [gedaagde] heeft geleden. In dit verband heeft [eiser] alleen gewezen op de dwangsommen die volgens hem zijn verbeurd en de kosten van betekening van het vonnis van 1 februari 2023. [eiser] heeft onvoldoende toegelicht waarom de door hem gevorderde bedragen als schade in de zin van artikel 6:162 BW moeten worden aangemerkt. Dat volgens [eiser] dwangsommen zijn verbeurd, is daarvoor onvoldoende. Een eventuele aanspraak op betaling van verbeurde dwangsommen vindt haar grondslag in het vonnis van 1 februari 2023 waarbij de dwangsommen zijn opgelegd en niet in artikel 6:162 BW. Met betrekking tot de gevorderde explootkosten geldt dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] haar verplichtingen uit het vonnis niet is nagekomen, zodat een grondslag ontbreekt voor vergoeding van de explootkosten.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.11.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal – mede gelet
op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal – worden afgewezen. [eiser] heeft niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding verzoekt, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
Proceskosten
4.12.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden
gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.980,32, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.I. Zijsling en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.