Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:12114

2026-06-10 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/15/373649
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-06-10
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/15/373649
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze zaak gaat over de vraag hoe de tussen partijen gesloten overeenkomst van 3 oktober 2025 moet worden uitgelegd. Partijen verschillen van mening over de vraag of het daarin opgenomen bedrag van € 105.000 exclusief btw een vast overeengekomen eindbedrag betreft of dat daarop nog eerder door gedaagde betaalde bedragen in mindering strekken.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.263 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland


Civiel recht



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer: C/15/373649 / HA ZA 26-40




Vonnis van 10 juni 2026




in de zaak van




VOTRANS MATERIEEL BEHEER B.V.,
te Soest,
eisende partij,
hierna te noemen: Votrans,
advocaat: mr. C.J. van Veen,



tegen





[gedaagde] B.V.,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. W.Ph. Steenhuisen.





De zaak in het kort




Deze zaak gaat over de vraag hoe de tussen partijen gesloten overeenkomst van 3 oktober 2025 moet worden uitgelegd. Partijen verschillen van mening over de vraag of het daarin opgenomen bedrag van € 105.000 exclusief btw een vast overeengekomen eindbedrag betreft of dat daarop nog eerder door [gedaagde] betaalde bedragen in mindering strekken.



De rechtbank oordeelt dat partijen een vast eindbedrag zijn overeengekomen. De vordering van Votrans wordt toegewezen.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 maart 2026;
- de mondelinge behandeling van 20 april 2026, waarbij beide advocaten spreekaantekeningen hebben overgelegd en voorgedragen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten


2.1.
Votrans is een onderneming die zich bezighoudt met machinetransport, bedrijfsverhuizingen, (de)montage, kraanverhuur, heftruckverhuur en op- en overslag.



2.2.

[gedaagde] is een onderneming die zich bezighoudt met de carrosseriebouw en levert, monteert en onderhoudt autolaad- en marinekranen.



2.3.
Op 21 maart 2022 hebben Votrans en [gedaagde] een overeenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] een autolaadkraan aan Votrans zou verkopen en monteren. [gedaagde] zou de autolaadkraan monteren op een door Votrans nieuw aan te schaffen vrachtauto.



2.4.
Op 5 juli 2024 is tijdens de montagewerkzaamheden schade ontstaan aan de vrachtauto. In het schaderapport dat is opgesteld door de verzekeraar van [gedaagde] staat dat de schade is veroorzaakt door een fout van de monteur van [gedaagde].



2.5.
Tijdens de herstelwerkzaamheden aan de vrachtauto heeft Votrans een vervangende vrachtauto gehuurd. De kosten daarvan heeft Votrans door middel van facturen bij [gedaagde] in rekening gebracht. [gedaagde] heeft in dat verband in de periode van 20 augustus 2024 tot en met 15 januari 2025 in totaal een bedrag van € 50.812,81 exclusief btw aan Votrans voldaan.



2.6.
In 2025 heeft Votrans [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de ontstane (gevolg)schade; onder meer de waardevermindering van de vrachtauto, de verminderde verdiencapaciteit als gevolg van een beperking van de capaciteit van de autolaadkraan en de kosten voor de huur van een vervangende vrachtauto. Na de aansprakelijkstelling zijn partijen via [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) in overleg getreden over een minnelijke regeling. [betrokkene] is een schade-expert bij [bedrijf] en is ingeschakeld door de verzekeraar van [gedaagde].



2.7.
Op 8 september 2025 heeft [betrokkene] de volgende schadeopstelling aan Votrans verzonden:


“Herstel schade chassis [gedaagde]











- Herstel van de vrachtwagen door derden




€




48.664,33









- Onderdelen




€




707,54









- Opnieuw uitlijnen en inregelen luchtvering Harbers




€




1.250,00









- Uren voor transport, inclusief kilometers




€




4.819,83









Subtotaal herstel schade










€ 55.441,70









Bedrijfsschade Votrans












- Verminderde inruilwaarde door late levering




€




17.500,00









- Inhuur vrachtwagen met autolaadkraan (okt-dec)




€




37.916,64









- Doorlopende kosten verzekering en wegenbelasting




€




1.715,61









- Af: aftrek besparingen variabele kosten eigen truck




€




-35.332,00









- Waardevermindering door verminderde hijscapaciteit




€




35.000,00









- Omzetderving door prijsverschil uurtarief 125/145 tm




€




45.000,00









Subtotaal bedrijfsschade










€ 101.800,25




















Totale begroting van de schade, exclusief btw










€ 157.241,95”








2.8.
In een brief van 9 september 2025 heeft de advocaat van Votrans aan [betrokkene] geschreven dat verschillende posten in de schadeopstelling sterk afwijken van de werkelijk geleden (en nog te lijden) schade aan de zijde van Votrans. Daarbij heeft hij erop gewezen dat volgens Votrans de begrote omzetderving van € 45.000 te laag is en dat ten onrechte een bedrag van € 35.332 wegens vermeende besparingen op de bedrijfsschade in mindering is gebracht. In de brief heeft de advocaat namens Votrans het volgende voorstel gedaan:


“Kort en goed: Cliënte liet weten onder geen beding een afslag op de calculatie van de bedrijfsschade te zullen aanvaarden nu daarmee de suggestie is gewekt dat de kwestie haar – op wat voor wijze dan ook – voordeel opleverde.




Eerder deed Cliënte een schot voor de boeg en liet zij weten dat zij kon leven met een beperkt conservatief gecalculeerd schadebedrag van EUR 150.000,- (werkelijke schade ligt hoger). Het voorstel dat u namens [gedaagde] deed is in dit licht ontoereikend. Cliënte geeft aan nog altijd de wens te hebben om de kwestie minnelijk af te doen. Mede in dat licht is cliënte bereid akkoord te gaan met een door [gedaagde] aan haar te betalen bedrag van EUR 137.131,25 ex. BTW indien dit uiterlijk 19 september aan haar is voldaan.”




2.9.
In een e-mail van 12 september 2025 heeft Votrans aan [betrokkene] het volgende geschreven:


“Zoals hedenmiddag afgesproken met de heer [betrokkene].




De vergoeding is € 105.000 excl. Btw daar mee is deze schade afgehandeld.


De garantie blijft gehandhaafd.





Betaling met een week lijkt mij afdoende. Verder zou de heer [betrokkene] nog wat dingen op papier zetten.”




2.10.
Op 3 oktober 2025 hebben partijen ter afwikkeling van de schade een overeenkomst gesloten. De afspraken tussen partijen zijn vastgelegd in een brief die door [betrokkene] is opgesteld. In die brief is eerst de schadeopstelling van 8 september 2025 opgenomen. Daarna heeft [betrokkene] vermeld dat [gedaagde], ondanks de contractuele uitsluiting van aansprakelijkheid voor bedrijfsschade in haar algemene voorwaarden, bereid was “Votrans tegemoet te komen door de hierboven becijferde bedrijfsschade ten bedrage van € 101.800,25 aan Votrans uit te keren”. Verder heeft [betrokkene] vermeld dat Votrans daarmee vooralsnog niet akkoord kon gaan en dat partijen uiteindelijk overeenstemming hebben bereikt over een bedrag van € 105.000 exclusief btw. In de brief is tot slot opgenomen dat partijen op basis van het voorgaande het volgende overeenkomen:


“Ondergetekenden verklaren:





Votrans voor de geclaimde schade volledig schadeloos gesteld te zijn na ontvangst van een bedrag van € 105.000,00 exclusief btw;




de betaling door [gedaagde] [plaats] zal plaatsvinden binnen 5 werkdagen nadat [gedaagde] [plaats] de schadepenningen van haar verzekeraar ontvangen heeft, edoch uiterlijk 31 december 2025;




na ontvangst van het hiervoor genoemde bedrag aan [gedaagde] [plaats] en haar verzekeraar finale kwijting te verlenen inzake onderhavige kwestie;




alle rechten en plichten uit hoofde van de oorspronkelijke koopovereenkomst van 21 maart 2022 gehandhaafd blijven;




met betrekking tot de geclaimde schade geen beroep op andere verzekeringen te hebben gedaan of te zullen doen;




kennis te hebben genomen van het feit dat deze overeenkomst geen erkenning van aansprakelijkheid inhoudt aan de zijde van [gedaagde] [plaats] en haar aansprakelijkheidsverzekeraar.”





2.11.
In een e-mail van 5 november 2025 heeft [gedaagde] aan Votrans laten weten dat [gedaagde] in die week de betaling van haar verzekeraar zal ontvangen en dat vervolgens “overeenkomstig de afspraak” de betaling aan Votrans zal plaatsvinden.



2.12.
Op 9 november 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 5.000 aan Votrans voldaan. Tussen partijen is vervolgens een discussie ontstaan over de vraag of [gedaagde] de bedragen die zij eerder in 2024 en begin 2025 aan Votrans heeft voldaan, in mindering mag brengen op het overeengekomen bedrag van € 105.000.



2.13.
Op 10 december 2025 heeft [gedaagde] het niet betwiste gedeelte van de vordering (een bedrag van € 61.826,07) aan Votrans voldaan, zodat partijen minder griffierecht verschuldigd zouden zijn in deze procedure.



2.14.
Op 23 december 2025 heeft Votrans ten laste van [gedaagde] conservatoir derdenbeslag gelegd onder een drietal banken.



2.15.
Op 9 februari 2026 heeft [gedaagde] een bankgarantie verstrekt aan Votrans, waarna de gelegde conservatoire beslagen zijn opgeheven.






3Het geschil


3.1.
Votrans vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,



[gedaagde] veroordeelt om aan Votrans te betalen € 38.173,93, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025;



[gedaagde] veroordeelt om aan Votrans te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.156,74;



[gedaagde] veroordeelt om aan Votrans te betalen de beslagkosten van € 2.784,22, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2025;



[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.





3.2.
Votrans legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Votrans en [gedaagde] hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst zou [gedaagde] € 105.000 aan Votrans betalen, maar [gedaagde] heeft een bedrag van € 38.173,93 onbetaald gelaten en verkeert in verzuim. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft Votrans recht op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De kosten van het gelegde beslag komen op grond van artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ook voor rekening van [gedaagde].



3.3.
De conclusie van [gedaagde] strekt primair tot afwijzing van de vorderingen van Votrans. Subsidiair verzoekt [gedaagde] om de vorderingen slechts toe te wijzen tot een bedrag van € 4.861,12 exclusief btw. Een en ander met veroordeling van Votrans in de proceskosten. [gedaagde] voert – samengevat – het volgende aan. Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van 3 oktober 2025 heeft [gedaagde] diverse bedragen aan Votrans voldaan. Deze bedragen corresponderen met enkele schadeposten die zijn opgenomen in de schadeopstelling van [betrokkene] van 8 september 2025. [gedaagde] is niet gehouden deze bedragen nogmaals te voldoen en is daarom niets meer aan Votrans verschuldigd. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat het door Votrans gelegde beslag vexatoir is, omdat het verlof daartoe op onterechte gronden is verkregen.



3.4.
De rechtbank gaat hierna, voor zover nodig, nader in op de stellingen van partijen.






4De beoordeling



Uitleg overeenkomst




4.1.
De rechtbank moet beoordelen hoe de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden uitgelegd. Bij de uitleg van de overeenkomst komt het naast de bewoordingen ook aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex)).



4.2.
Votrans stelt dat het overeengekomen bedrag van € 105.000 moet worden beschouwd als een vast eindbedrag. Volgens [gedaagde] mogen op het overeengekomen bedrag van € 105.000 bedragen in mindering worden gebracht die [gedaagde] vóór het sluiten van de overeenkomst aan Votrans heeft voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank mocht Votrans de overeenkomst redelijkerwijs zo begrijpen dat partijen een vast eindbedrag van € 105.000 zijn overeengekomen, zonder dat daarop nog eerdere betalingen in mindering zouden worden gebracht. De rechtbank legt dit hierna uit.



4.3.
Tussen partijen staat vast dat zij ter afwikkeling van de schade van Votrans op 3 oktober 2025 een overeenkomst hebben gesloten. Volgens [gedaagde] hebben partijen bij het sluiten van de overeenkomst aangesloten bij de eerdere schadeopstelling van [betrokkene] van 8 september 2025. Aangezien verschillende posten uit die schadeopstelling al vóór het sluiten van de overeenkomst waren voldaan, moeten die bedragen volgens [gedaagde] nog op het overeengekomen bedrag van € 105.000 in mindering worden gebracht. De rechtbank volgt de door [gedaagde] bepleite uitleg van de overeenkomst niet. Weliswaar is de schadeopstelling opgenomen in de brief waarin de overeenkomst is vastgelegd, maar daaruit volgt niet dat partijen de concrete schadeposten in de schadeopstelling één op één tot uitgangspunt hebben genomen bij de totstandkoming van het uiteindelijk overeengekomen bedrag. De wijze waarop de brief is opgebouwd, wijst erop dat de schadeopstelling deel uitmaakte van het onderhandelingsproces en niet zonder meer het uitgangspunt was voor het overeengekomen bedrag. Na de schadeopstelling wordt immers vermeld dat Votrans zich niet met het daarop gebaseerde voorstel kon verenigen, waarna wordt beschreven dat partijen uiteindelijk overeenstemming hebben bereikt over een ander bedrag.



4.4.
Daarbij acht de rechtbank van belang dat Votrans diverse posten uit de schadeopstelling uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen. In de brief van 9 september 2025 heeft de advocaat van Votrans geschreven dat verschillende schadeposten te laag waren begroot. Zo heeft de advocaat van Votrans onder meer geschreven dat het bedrag van € 45.000 wegens omzetderving “bezijden de werkelijkheid (en voor Cliënte onaanvaardbaar laag)” was en dat Votrans “onder geen beding” een vermindering van de bedrijfsschade met een bedrag van € 35.332 (wegens vermeende besparingen) wilde aanvaarden. Ook volgt uit de brief dat Votrans eerder een schikkingsvoorstel had gedaan van € 150.000 en dat Votrans dit zelf al een “beperkt conservatief gecalculeerd schadebedrag” had genoemd, omdat de werkelijke schade veel hoger zou liggen.



4.5.
Verder acht de rechtbank van belang dat Votrans in de brief van 9 september 2025 een nieuw schikkingsvoorstel heeft gedaan van € 137.131,25 exclusief btw en partijen uiteindelijk drie dagen later, op 12 september 2025, overeenstemming hebben bereikt over een lager bedrag van € 105.000 exclusief btw. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het niet aannemelijk dat Votrans akkoord is gegaan met een regeling waarbij ook nog eerdere betalingen op het overeengekomen schikkingsbedrag in mindering zouden worden gebracht.



4.6.

[gedaagde] heeft in dat verband aangevoerd dat het overeengekomen bedrag lager is uitgevallen, omdat aansprakelijkheid voor bedrijfsschade op grond van haar algemene voorwaarden was uitgesloten. Volgens [gedaagde] was zij niet gehouden de omzetderving van Votrans te vergoeden, maar heeft zij zich coulant opgesteld door alsnog een bedrag van € 45.000 in de schadeopstelling op te nemen. Dat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [gedaagde] en de daarin opgenomen beperking van aansprakelijkheid een rol heeft gespeeld in het onderhandelingsproces, verklaart nog niet waarom Votrans had moeten begrijpen dat eerder betaalde bedragen nog op het overeengekomen bedrag in mindering zouden strekken.



4.7.
Vast staat verder dat in de overeenkomst niets is opgenomen over eerdere bedragen die door [gedaagde] aan Votrans zijn voldaan en dat die bedragen nog in mindering zouden strekken op het overeengekomen schadebedrag van € 105.000. Dat de eerdere betalingen betrekking hadden op schadeposten die zijn opgenomen in de schadeopstelling, brengt nog niet mee dat partijen zijn overeengekomen dat die bedragen op het bedrag van € 105.000 in mindering mogen worden gebracht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat deze betalingen al in de periode van augustus 2024 tot en met januari 2025 hebben plaatsgevonden, terwijl partijen daarna nog langere tijd (via [betrokkene]) hebben onderhandeld over een definitieve regeling ter afwikkeling van de schade. Votrans heeft bovendien ter zitting verklaard dat in het onderhandelingsproces met [betrokkene] niet is gesproken over eerder betaalde bedragen die nog op het overeengekomen bedrag in mindering zouden worden gebracht. [gedaagde] heeft die stelling onvoldoende gemotiveerd weersproken.



4.8.
Indien het de bedoeling van [gedaagde] was geweest dat eerder betaalde bedragen alsnog op het overeengekomen bedrag in mindering zouden worden gebracht, had het op haar weg gelegen om daarover expliciete afspraken te maken en deze duidelijk vast te (laten) leggen in de overeenkomst. Dat is niet gebeurd.


4.9.
Onder deze omstandigheden mocht Votrans de overeenkomst redelijkerwijs zo begrijpen dat partijen een vast eindbedrag van € 105.000 exclusief btw zijn overeengekomen, zonder dat daarop nog eerdere betalingen in mindering zouden worden gebracht.



Verzuim en wettelijke rente





4.10.

[gedaagde] verkeert in verzuim en is wettelijke rente verschuldigd. In de overeenkomst is opgenomen dat betaling zal plaatsvinden binnen vijf werkdagen nadat [gedaagde] de uitkering van haar verzekeraar heeft ontvangen. Op 5 november 2025 heeft [gedaagde] aan Votrans laten weten dat de betaling “net voor of net na het weekend” zou plaatsvinden. [gedaagde] heeft vervolgens op 9 november 2025 € 5.000 aan Votrans voldaan, waarna Votrans op 11 november 2025 om betaling van het resterend bedrag heeft verzocht. Aan dit verzoek heeft [gedaagde] niet voldaan. [gedaagde] verkeert daarom sinds 11 november 2025 in verzuim en is over het resterend bedrag wettelijke rente verschuldigd.



Buitengerechtelijke incassokosten





4.11.
Votrans vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Votrans heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Votrans heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.156,74 worden toegewezen.



Beslagkosten





4.12.
Votrans vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Dat [gedaagde] een solvabele onderneming is en de vordering betwist, maakt niet dat sprake is van een vexatoir beslag. Daarbij weegt mee dat de vordering waarvoor beslag is gelegd in deze procedure wordt toegewezen. De beslagkosten worden vastgesteld op € 835,22 voor kosten deurwaardersexploten, € 714,00 voor griffierecht en € 1.290,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 1.290,00), totaal € 2.839,22.



Proceskosten





4.13.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Votrans worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


128,65







- griffierecht


€


2.369,00







- salaris advocaat


€


2.580,00


(2 punten × € 1.290,00)




- nakosten


€


p189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


5.266,65











4.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De rechtbank



5.1.
veroordeelt [gedaagde] B.V. om aan Votrans Materieel Beheer B.V. te betalen een bedrag van € 38.173,93, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 11 november 2025, tot de dag van volledige betaling,



5.2.
veroordeelt [gedaagde] B.V. om aan Votrans Materieel Beheer B.V. te betalen een bedrag van € 1.156,74 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 11 november 2025, tot de dag van volledige betaling,



5.3.
veroordeelt [gedaagde] B.V. in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.839,22,



5.4.
veroordeelt [gedaagde] B.V. in de proceskosten van € 5.266,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] B.V. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.5.
veroordeelt [gedaagde] B.V. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. D.I. Zijsling en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.