Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:12060

2026-09-03 Strafrecht 15/294902-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
15/294902-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een contactverbod als bijzondere voorwaarde. De verdachte heeft zich gedurende ongeveer 10 jaar in verschillende fases schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige en seksuele handelingen met zijn (minderjarige) stiefdochter. De ontuchtige en seksuele handelingen bestonden uit het zoenen op de mond, het betasten van en slaan op haar (blote) vagina, borsten en billen en het laten vast houden van verdachtes penis. De vordering van de benadeelde partij voor immateriële en materiële schade wordt deels toegewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (34.712 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer


Parketnummer: 15/294902-25
Uitspraakdatum: 3 september 2026
Tegenspraak



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2026 in de zaak tegen:





[verdachte]
,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,
per 22 augustus 2026 ingeschreven op het adres: [adres] .



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. A.M.H.G. Peters en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E. Stam, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.





1Tenlastelegging
De verdachte wordt er – kort en zakelijk weergegeven – van verdacht dat hij in de periode van 1 juni 2015 tot en met 25 oktober 2024 in Nederland en in Spanje meerdere keren ontuchtige en seksuele handelingen heeft gepleegd met zijn minderjarige stiefkind, [slachtoffer] .


De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.





2VoorvragenBeroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsvrouw heeft betwist dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, voor zover die feiten zich hebben afgespeeld in Spanje, omdat de verdachte en het slachtoffer niet de Nederlandse nationaliteit hebben en het niet gaat om zware internationale misdrijven.


De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende. Op grond van artikel 7 lid 2 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is de Nederlandse strafwet van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan misdrijven zoals de onderhavige. Volgens het derde lid van dit artikel wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland een vaste woon-of verblijfplaats heeft. Artikel 86b Sr bepaalt dat onder het hebben van een vaste woon-of verblijfplaats in Nederland zoals bedoeld in artikel 7 lid 3 Sr wordt verstaan: het rechtmatig verblijven in Nederland gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar of langer. Daarbij is bepalend het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan. De rechtbank stelt op basis van de SKDB-gegevens van de verdachte en zijn eigen verklaring vast dat hij een onafgebroken periode van tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven.



De rechtbank overweegt verder dat naar geldend recht gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden op grond van artikel 2 Sr in Nederland kunnen worden vervolgd, als deze gedragingen deel uitmaken van een strafbaar feit dat zowel in Nederland als in het buitenland is gepleegd (vgl. bijvoorbeeld HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6328). De rechtsmacht geldt in dit geval voor het gehele feitencomplex, omdat er ten aanzien van de ten laste gelegde feiten die zich in het buitenland zouden hebben voorgedaan, sprake is van dezelfde verdachte, hetzelfde slachtoffer en dezelfde soort strafbare gedragingen.



De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier ook overigens ontvankelijk is, dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.





3Beoordeling van het bewijs

3.1.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.




3.2.


Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft de ten laste gelegde feiten ontkend. De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Volgens de raadsvrouw is de verklaring van de aangeefster niet betrouwbaar en bevat het dossier bovendien onvoldoende steunbewijs voor haar verklaring.




3.3

Oordeel van de rechtbank


3.3.1


Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen.




3.3.2


Bewijsmotivering


Beoordeling bewijs in zedenzaken

In zedenzaken zijn vaak slechts twee personen betrokken geweest bij de ten laste gelegde ontuchtige of seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In de kern gaat het vaak om het woord van de aangever tegen dat van de verdachte. Ook in deze zaak staat de belastende verklaring van aangeefster [slachtoffer] (hierna: ook [slachtoffer] ) tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte.



Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring wordt onder meer gelet op de consistentie, gedetailleerdheid en volledigheid van de verklaring. Daarnaast kan worden getoetst aan gegevens uit objectieve bronnen en kan meewegen of de inhoud van de verklaring, gelet op de vastgestelde omstandigheden, plausibel is. Ook kan bij de beoordeling worden betrokken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op de (betrouwbaarheid van de) verklaring.



Wanneer de verklaring betrouwbaar wordt geacht, moet de rechtbank bepalen of voldoende steunbewijs voor die verklaring in het dossier aanwezig is. Op grond van artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de rechtbank het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan namelijk niet uitsluitend baseren op de verklaring van één getuige of aangever. Voor een bewezenverklaring moet dus naast de belastende verklaring van het vermeende slachtoffer sprake zijn van steunbewijs. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaring van de aangever voldoende bewijs opleveren. Het is dus niet vereist dat de ten laste gelegde seksuele handelingen als zodanig steun vindt in ander bewijs. Het kan voldoende zijn dat de verklaring van de aangever op specifieke punten wordt bevestigd door de inhoud van ander bewijsmateriaal. Dit bewijsmateriaal moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van de aangever.



Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde maatstaven, zal de rechtbank eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] toetsen. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in ander bewijs.




Betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer]

heeft op drie momenten gedurende het onderzoek verklaard dat zij door haar stiefvader, de verdachte, seksueel is misbruikt. Op 26 oktober 2024 heeft de tante van [slachtoffer] , [naam] , bij de politie melding gemaakt van seksueel misbruik van [slachtoffer] door de verdachte. Diezelfde dag heeft [slachtoffer] tegenover de politie over het seksueel misbruik verteld. Op 5 november 2024 heeft een zogeheten informatief zedengesprek plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en twee verbalisanten. Op 18 december 2024 heeft [slachtoffer] tegen de verdachte aangifte gedaan van seksueel misbruik.




[slachtoffer] heeft in haar aangifte uitgebreid verklaard, waarbij zij op hoofdlijnen en op belangrijke onderdelen eenduidig en specifiek heeft verklaard over het verloop van het misbruik en de omstandigheden waaronder de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij over een periode van in totaal ongeveer tien jaar, in verschillende periodes, door de verdachte is misbruikt. Er waren ook periodes waarin er volgens [slachtoffer] geen seksueel misbruik plaatsvond. Het aanranden bestond uit het aanraken door de verdachte van haar billen, borsten en vagina en hij zoende haar regelmatig op haar mond. Dit gebeurde bijvoorbeeld wanneer haar moeder niet thuis was en zij en de verdachte een film keken op de bank. [slachtoffer] heeft over een specifieke gebeurtenis verklaard dat de verdachte achter haar lag op de bank, zijn hand nat maakte en zijn hand in haar broek stopte en met zijn hand begon te bewegen. Hij draaide met zijn vinger bij haar clitoris (“dat bolletje boven bij de vagina”). [slachtoffer] verklaart dat hij op “dat bolletje” ging draaien met zijn vinger en dat hij haar vroeg of zij het lekker vond maar dat zij niks terug zei. [slachtoffer] heeft ook verklaard dat zij de penis van de verdachte heeft vastgehouden en daarmee heeft gespeeld. [slachtoffer] verklaart dat zij pas later erachter kwam dat dit soort handelingen niet normaal waren.



Toen [slachtoffer] en haar familie naar Nederland waren verhuisd hebben zij eerst bij familie ingewoond, waar geen misbruik heeft plaatsgevonden, maar later, nadat zij verhuisd waren (naar [plaats] ), is het misbruik doorgegaan. In Nederland bestond het misbruik uit het aanraken van haar kont en vagina over haar kleding en het op de mond kussen door de verdachte.



Naar het oordeel van de rechtbank heeft [slachtoffer] consistent en voldoende gedetailleerd verklaard over de ontuchtige en seksuele handelingen die de verdachte bij haar zou hebben uitgevoerd en over de omstandigheden waaronder deze handelingen plaatsvonden. [slachtoffer] benoemt concrete gebeurtenissen waarbij details worden vermeld met betrekking tot waar en hoe de ontuchtige en seksuele handelingen plaatsvonden.



Aan de betrouwbaarheid van [slachtoffer] ’s verklaring draagt naar het oordeel van de rechtbank bij dat zij op vragen van de verbalisanten ook duidelijk aangeeft wanneer iets niet is gebeurd, wanneer ze iets niet weet en in welke periodes het misbruik niet heeft plaatsgevonden. Zo verklaart [slachtoffer] dat zij soms stop zei omdat het een raar gevoel bij haar gaf en dat de verdachte dan soms ook stopte. [slachtoffer] heeft verder verklaard dat het misbruik begon toen zij in Spanje woonden maar dat het misbruik ophield toen haar stiefbroer bij hen in huis kwam wonen. [slachtoffer] verklaart verder dat zij niet is misbruikt toen zij bij haar oom in Nederland woonde en dat het misbruik weer begon toen zij en het gezin naar [plaats] waren verhuisd.



De rechtbank constateert met de raadsvrouw dat uit de verklaringen van [slachtoffer] niet precies blijkt hoe vaak de verweten seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en op welke momenten in de ten laste gelegde periode. Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter goed voorstelbaar en doet dit geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] op wezenlijke onderdelen.



De overige onderdelen van de verklaring van [slachtoffer] waarop de raadsvrouw bij pleidooi is ingegaan, en die inconsistenties zouden bevatten, zijn naar het oordeel van de rechtbank van ondergeschikt belang. De rechtbank gaat aan die overige gestelde verschillen voorbij, omdat deze gezien de zeer beperkte betekenis en relevantie geen aanleiding geven om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van [slachtoffer] ’s verklaring. Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank in het dossier ook geen aanleiding om aan te nemen dat [slachtoffer] vanwege een bepaald motief of onder druk van haar moeder, in strijd met de waarheid en voor de verdachte zeer belastend heeft verklaard.



Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar. De rechtbank zal haar verklaring daarom als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.




Steunbewijs

Het voorgaande brengt de rechtbank bij de vraag of de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.


De videobeelden van [slachtoffer] en de verdachte

De verklaring van [slachtoffer] wordt in de eerste plaats ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen waarin een video van [slachtoffer] en de verdachte wordt beschreven. Uit deze beschrijving blijkt dat de verdachte met ontbloot bovenlichaam voorovergebogen staat bij [slachtoffer] . De verdachte strijkt met zijn linker wijsvinger twee keer van rechts naar links over de borst van [slachtoffer] . Vervolgens geeft de verdachte met vlakke hand een klap op de vagina van [slachtoffer] . Op de bijgevoegde foto’s zie je de hand van de verdachte op de vagina van [slachtoffer] liggen. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij degene is op de betreffende video en dat hij [slachtoffer] heeft geslagen zoals te zien is op de video.




De getuigenverklaring van [getuige]

De verklaring van [slachtoffer] wordt ook ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige] (hierna: [getuige] ), het zusje van [slachtoffer] . [getuige] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] bij haar kont aanraakte en daarin kneep terwijl [slachtoffer] naar boven ging met de trap. Ook heeft [getuige] verklaard dat zij zag dat de verdachte [slachtoffer] bij haar borst aanraakte en zijn hand op haar borst legde.




Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, voldoende ondersteuning voor de verklaring van [slachtoffer] om de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te achten.




Ontuchtig karakter feit 1

Voor zover de verdachte heeft willen betogen dat de onder feit 1 verweten gedragingen geen ontuchtig karakter hadden omdat deze handelingen binnen het gezin normaal waren, wordt dit standpunt niet gevolgd.



Artikel 245 Sr strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Bij ontuchtige handelingen in juridische zin moet het gaan om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.



Gelet op de aard van de hieronder bewezenverklaarde handelingen, en mede gelet op het grote leeftijdsverschil tussen de verdachte en [slachtoffer] , is naar het oordeel van de rechtbank evident dat deze in strijd zijn met de algemeen aanvaarde sociaal-ethische norm en daarom een ontuchtig karakter hebben.





3.4.


Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:




Feit 1

hij in de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 juni 2024 in Nederland en Spanje, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , door



zijn vingers op de vagina en schaamlippen en clitoris van die [slachtoffer] te brengen en/of vervolgens heen en weer te bewegen en


zijn (ontblote) penis vast te laten houden door die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] met zijn (ontblote) penis te laten spelen en


op de vagina van die [slachtoffer] (over de kleding heen) te slaan en de vagina van die [slachtoffer] (over de kleding heen) aan te raken en/of te strelen en


de borsten van die [slachtoffer] (over de kleding heen) aan te raken en


zijn hand(en) op de billen van die [slachtoffer] (over de kleding heen) te leggen en er in te knijpen en


die [slachtoffer] te zoenen op de mond;





Feit 2
hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 25 oktober 2024 in Nederland, met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , seksuele handelingen heeft verricht, te weten



op de vagina van die [slachtoffer] (over de kleding heen) te slaan en de vagina van die [slachtoffer] (over de kleding heen) aan te raken en/of te strelen en


de borsten van die [slachtoffer] (over de kleding heen) aan te raken en


zijn hand(en) op de billen van die [slachtoffer] (over de kleding heen) te leggen en er in te knijpen en


die [slachtoffer] te zoenen op de mond,


terwijl dit feit werd begaan jegens een kind dat werd verzorgd of opgevoed als behorend tot het gezin van verdachte.


Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.






4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:


Feit 1: ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd.



Feit 2: aanranding in de leeftijdscategorie van zestien tot achttien jaren, begaan jegens een kind dat wordt verzorgd of opgevoed als behorend tot het gezin van diegene, meermalen gepleegd.



Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.





5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.




6Motivering van de sanctie

6.1


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De officier van justitie heeft gevorderd om aan het voorwaardelijke strafdeel een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor [plaats] te verbinden.




6.2


Standpunt van de verdediging

Gelet op de verzochte vrijspraak heeft de raadsvrouw geen strafmaatverweer gevoerd.




6.3


Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.




Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende ongeveer tien jaar in verschillende fases schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige en seksuele handelingen met zijn stiefdochter [slachtoffer] . Zij was in die periode minderjarig en aan zijn zorg toevertrouwd. De ontuchtige en seksuele handelingen bestonden uit het zoenen op de mond, het betasten van en slaan op haar (blote) vagina, borsten en billen en het laten vast houden van verdachtes penis. De verdachte heeft met deze gedragingen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] , die vanwege haar leeftijd en relatie tot de verdachte in een zeer afhankelijke en kwetsbare positie verkeerde. De verdachte is in zeer ernstige mate tekortgeschoten in zijn rol als stiefvader en heeft het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem had moeten kunnen stellen ernstig beschadigd. Het misbruik heeft plaatsgevonden in de woning van [slachtoffer] , een plek waar zij zich veilig had moeten voelen en beschermd had moeten kunnen opgroeien.



Seksueel misbruik verstoort een gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft. Dit kan leiden tot langdurige en ernstige schade voor de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Namens [slachtoffer] is tijdens de zitting toegelicht welke gevolgen het handelen van de verdachte voor [slachtoffer] heeft gehad en tot op heden heeft. De rechtbank neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat hij geen enkele rekening heeft gehouden met het welzijn van [slachtoffer] en voorrang heeft gegeven aan de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Ten slotte weegt de rechtbank ten nadele van de verdachte mee dat hij door zijn ontkennende houding geen blijk heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te (willen) zien.




De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 9 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 14 augustus 2026. De reclassering kan het risico op recidive niet inschatten en adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een contactverbod als bijzondere voorwaarde.




De op te leggen straf

Gezien de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in (min of meer) vergelijkbare zaken worden opgelegd.



Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. De rechtbank zal vijf maanden van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaar en zal daaraan een contactverbod met [slachtoffer] verbinden.



De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, als aanvullende bijzondere voorwaarde een locatieverbod voor [plaats] op te leggen. Niet is gebleken dat de verdachte zich op enig moment rondom de woning van de vriend van [slachtoffer] (in [plaats] ) heeft begeven. Daar komt bij dat de verdachte in [plaats] werkt.






7Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] , heeft mr. L. Jense, advocaat te Alkmaar, een vordering tot schadevergoeding van € 10.000,00 aan immateriële schade en € 50,70 aan materiële schade ingediend, welke schade [slachtoffer] als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht het gevorderde bedrag geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.




Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering tot vergoeding van immateriële schade te matigen en aan te sluiten bij de bedragen zoals genoemd in de Rotterdamse Schaal. Ten aanzien van het materiële deel van de vordering heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank




Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in de eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op deze laatste grondslag. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens onderbouwen. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.



Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.



Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de toelichting op de vordering van de benadeelde partij, de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend, en rekening houdend met de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal (hoofdstuk 15.3, onder aanranding, categorie meest ernstig), acht de rechtbank een bedrag van € 6.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade billijk.



In zoverre zal de vordering voor het immateriële deel dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige deel van de vordering tot vergoeding van immateriële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.



De rechtbank wijst ook de vordering tot vergoeding van € 50,70 aan materiële schade toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. Het gevorderde schadebedrag (vanwege het opvragen van medische inlichtingen) is onderbouwd en houdt rechtstreeks verband met de bewezenverklaarde feiten.


Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling aan haar, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr aan de verdachte op te leggen.



Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 55 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.




Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.





8Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 36f, 57, 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde





9Beslissing
De rechtbank:


Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.



Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.



Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.



Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.



Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.



Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaar.



Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.



Stelt als bijzondere voorwaarde:

Contactverbod

Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich dient te onthouden van het direct of indirect opnemen van contact met: [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] .



Geeft aan reclasseringsinstelling Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.



Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van in totaal € 6.050,70, bestaande uit € 50,70 als vergoeding voor de materiële en € 6.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over € 50,70 vanaf 29 juli 2026 en over € 6.000,00 vanaf 1 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.



Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.



Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.050,70, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over € 50,70 vanaf 29 juli 2026 en over € 6.000,00 vanaf 1 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.






Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.M.G. Hink, voorzitter,
mr. P. Reemst en mr. R.V. Loeve, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van der Meij
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 september 2026





Bijlage 1 – De tenlastelegging





Feit 1
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 juni 2024 te Purmerend en/of Requejada, althans in Nederland en/of Spanje,ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , door- (met) zijn vinger(s) op/tegen de vagina en/of schaamlippen en/of clitoris van die [slachtoffer] te brengen en/of te duwen en/of (vervolgens) heen en weer te bewegen en/of- zijn (ontblote) penis vast te laten houden door die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] met zijn (ontblote) penis te laten spelen en/of- (op) de vagina van die [slachtoffer] (over de kleding heen) te slaan en/of de vagina van die [slachtoffer] (over de kleding heen) aan te raken en/of te strelen en/of- zijn hand(en) op/over de (ontblote) borsten van die [slachtoffer] te brengen en/of leggen en/of heen en weer te bewegen en/of de borsten van die [slachtoffer] (over de kleding heen) aan te raken en/of te aaien en/of er in te knijpen en/of- zijn hand(en) op/over de billen van die [slachtoffer] (over de kleding heen) te brengen en/of leggen en/of heen en weer te bewegen en/of er in te knijpen en/of- die [slachtoffer] te zoenen op de mond en/of het lichaam en/of zich door die [slachtoffer] te laten zoenen op de mond en/of het lichaam;




Feit 2
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 25 oktober 2024 te Purmerend, althans in Nederland,met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- (op) de vagina van die [slachtoffer] (over de kleding heen) te slaan en/of de vagina van die [slachtoffer] (over de kleding heen) aan te raken en/of te strelen en/of- zijn hand(en) op/over de (ontblote) borsten van die [slachtoffer] te brengen en/of leggen en/of heen en weer te bewegen en/of de borsten van die [slachtoffer] (over de kleding heen) aan te raken en/of te aaien en/of er in te knijpen en/of- zijn hand(en) op/over de billen van die [slachtoffer] (over de kleding heen) te brengen en/of leggen en/of heen en weer te bewegen en/of er in te knijpen en/of- die [slachtoffer] te zoenen op de mond en/of het lichaam en/of zich door die [slachtoffer] te laten zoenen op de mond en/of het lichaam,terwijl dit feit werd begaan jegens verdachtes kind, een kind dat werd verzorgd of opgevoed als behorend tot het gezin van verdachte, een kind waarover verdachte het gezag uitoefende en/of een anderszins aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van verdachte toevertrouwd kind en/of een aan verdachte ondergeschikt kind.