Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:12045
2026-07-16
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/4104/11933369
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
In deze zaak vordert een leasemaatschappij betaling van de volledige leaseprijs en teruggave van de leaseauto, na ontbinding van de leaseovereenkomst. De kantonrechter wijst de vordering (deels) toe. Niet gevolgd wordt dat de vordering tot betaling van de volledige leaseprijs (verminderd met de eventuele verkoopopbrengst van de auto) oneerlijk is of gematigd moet worden. De gevorderde incassokosten en rente worden wel afgewezen, omdat deze zijn gebaseerd op oneerlijk bedingen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2023:1197 Hoge Raad 08-09-2023
- ECLI:EU:C:2023:14
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.982 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11933369 \ CV EXPL 25-3201
Vonnis van 16 juli 2026
in de zaak van
HILTERMANN LEASE B.V.,
te Hoofddorp,
eiseres,
hierna te noemen: Hiltermann,
gemachtigde: mr. J.H. Hakvoort (Hofkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders),
tegen
[gedaagde] , voorheen handelend onder de naam [eenmanszaak] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.J. Sneller.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een leasemaatschappij betaling van de volledige leaseprijs en teruggave van de leaseauto, na ontbinding van de leaseovereenkomst. De kantonrechter wijst de vordering (deels) toe. Niet gevolgd wordt dat de vordering tot betaling van de volledige leaseprijs (verminderd met de eventuele verkoopopbrengst van de auto) oneerlijk is of gematigd moet worden. De gevorderde incassokosten en rente worden wel afgewezen, omdat deze zijn gebaseerd op oneerlijk bedingen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 5
de conclusie van antwoord
het tussenvonnis van 19 februari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald
de akte inbreng producties met producties 6 tot en met 8 van Hiltermann
de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarbij namens Hiltermann pleitaantekeningen zijn voorgedragen en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt;
het proces-verbaal van 7 mei 2026, waarin is vastgelegd dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] tot 18 juni 2026 gelegenheid krijgt zelf de auto te verkopen, waarna partijen vonnis zullen vragen;
de akte van Hiltermann van 18 juni 2026, waarin Hiltermann meldt dat [gedaagde] geen contact heeft opgenomen met Hiltermann over de verkoop van de auto en Hiltermann heeft gevraagd vonnis te wijzen.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Hiltermann, [gedaagde] en RJ Automobielen B.V. (hierna: de verkoper) hebben op 13 december 2023 een “financiële lease (huurkoop) overeenkomst” gesloten (hierna: de overeenkomst). Daarin heeft [gedaagde] een Seat Leon Sportstourer 2.0 TSI (hierna: de auto) gekocht van de verkoper. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de koopprijs van € 37.950,-. en de leasevergoeding van € 16.491,40 aan Hiltermann moet betalen. Die bedragen vormen samen de leaseprijs van € 54.441,40. Deze leaseprijs moet [gedaagde] betalen in 60 maandelijkse termijnen van € 790,69 (waarvan de laatste termijn wordt vermeerderd met € 7.000,-). In de overeenkomst zijn de “algemene voorwaarden financiële lease (Huurkoop) versie 01-12-2021” (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing verklaard.
2.2.
[gedaagde] had voorheen een eenmanszaak met de naam ‘ [eenmanszaak] ’. Die eenmanszaak hield zich bezig met grondverzet, sloopwerkzaamheden en de afwerking van gebouwen. Op 19 oktober 2024 is de eenmanszaak uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
2.3.
In een brief van 6 juni 2025 heeft Hiltermann [gedaagde] gesommeerd uiterlijk op 13 juni 2025 de leasetermijnen van de maanden maart, april en mei 2025 te betalen, vermeerderd met rente en kosten. Op 16 juni 2025 heeft Hiltermann een tweede sommatie gestuurd. [gedaagde] heeft niet betaald.
2.4.
In een deurwaardersexploot van 28 augustus 2025 heeft Hiltermann een beroep gedaan op ontbinding van de overeenkomst en [gedaagde] gesommeerd € 45.065,99 te betalen, geen gebruik meer te maken van de auto, en de auto in te leveren. [gedaagde] heeft aan die sommaties niet voldaan.
3Het geschil
3.1.
Hiltermann vordert dat de kantonrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot:
betaling van € 47.048,53, te vermeerderen met de rente van 18% per jaar over € 42.581,05 vanaf 8 oktober 2025;
afgifte van de auto binnen twee dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 400,- per dag met een maximum van € 25.000,-;
een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Hiltermann toegelicht dat vordering 1 zo moet worden begrepen, dat de eventuele verkoopopbrengst van de auto op die vordering in mindering zal worden gebracht.
3.3.
Hiltermann legt daaraan het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft de maandelijkse leasetermijnen niet op tijd betaald. Hiltermann heeft [gedaagde] daarom in gebreke gesteld. Daarna mocht Hiltermann op grond van de algemene voorwaarden de volledige resterende leaseprijs opeisen, vermeerderd met de contractuele rente en de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Door de vervroegde opeising is de leaseovereenkomst geëindigd en moet [gedaagde] de auto teruggeven aan Hiltermann.
3.4.
[gedaagde] voert daartegen het volgende aan. De vordering tot betaling van de volledige leaseprijs moet worden afgewezen, omdat de overeenkomst is ontbonden en omdat het beding waarop de vordering is gebaseerd oneerlijk is. Ook zou Hiltermann daardoor in een betere positie komen dan zonder de ontbinding. Dat is in strijd met de wet. Daarnaast vindt [gedaagde] dat de vordering moet worden gematigd. De vordering tot vergoeding van de rente en buitengerechtelijke kosten is gebaseerd op oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden en moet daarom worden afgewezen.
3.5.
Op de stellingen van partijen gaat de kantonrechter hierna, voor zover van belang, nader in.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of Hiltermann kan vorderen dat [gedaagde] € 47.048,53 betaalt en de auto teruggeeft. De geldvordering is toewijsbaar, maar niet voor het hele bedrag. Ook de vordering tot teruggave van de auto zal worden toegewezen. De kantonrechter licht dit oordeel hieronder toe.
[gedaagde] verdient dezelfde bescherming als een consument
4.2.
[gedaagde] beroept zich op de wettelijke consumentenbescherming. [gedaagde] heeft de overeenkomst met Hiltermann gesloten namens zijn bedrijf [eenmanszaak] , en dus niet als consument. Hij heeft echter toegelicht dat zijn positie vergelijkbaar is met die van een consument. De overeenkomst heeft geen betrekking op de bedrijfsactiviteiten van [gedaagde] . Het bedrijf van [gedaagde] hield zich namelijk bezig met grond- en sloopwerk. [gedaagde] had ook geen ervaring met ingewikkelde contracten en hij is daarover ook niet geadviseerd. Hiltermann heeft niet betwist dat de situatie van [gedaagde] vergelijkbaar is met die van een consument. De kantonrechter zal bij de beoordeling of sprake is van een oneerlijk beding daarom mede betrekken dat [gedaagde] een vergelijkbare bescherming verdient als een consument.
Verplichting tot betaling van de leaseprijs is niet vervallen door ontbinding
4.3.
Zoals Hiltermann in de dagvaarding heeft toegelicht, heeft zij op grond van artikel 43 van de algemene voorwaarden het nog niet betaalde deel van de leaseprijs onmiddellijk vervroegd opgeëist, omdat [gedaagde] was gestopt met het betalen van de maandelijkse leasetermijnen. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat die verplichting van [gedaagde] is vervallen door de ontbinding van de overeenkomst. Door de ontbinding van Hiltermann van 25 augustus 2025 zijn namelijk niet alle verplichtingen uit de overeenkomst vervallen. Dat geldt alleen voor de verplichtingen waarop de ontbinding betrekking heeft. In hetzelfde exploot heeft Hiltermann aanspraak gemaakt op vervroegde betaling door [gedaagde] van de volledige leaseprijs. Daaruit blijkt dat Hiltermann de overeenkomst alleen gedeeltelijk heeft ontbonden en dat [gedaagde] dus niet is bevrijd van zijn verplichting om de volledige leaseprijs te betalen na ontbinding.
De toekomstige verkoopopbrengst van de auto moet worden afgetrokken van de leaseprijs
4.4.
Ook het verweer van [gedaagde] dat Hiltermann ten onrechte zowel de betaling van de volledige koopprijs én teruggave van de auto opeist, slaagt niet. Tijdens de zitting heeft Hiltermann namelijk toegelicht dat de vorderingen in deze procedure zo moeten worden begrepen dat de verkoopopbrengst van de auto in mindering strekt op de geldvordering.
4.5.
Hiltermann heeft medegedeeld dat (in strijd met de daarover gemaakte afspraken tijdens de mondelinge behandeling) na de zitting over de verkoop van de auto geen overleg heeft plaatsgevonden met [gedaagde] . Daaruit begrijpt de kantonrechter dat de auto dus nog niet is verkocht (omdat daarvoor de toestemming van Hiltermann nodig is). De termijn die Hiltermann aan [gedaagde] heeft gegeven om de auto zelf te verkopen, is verstreken. Op grond van de algemene voorwaarden wordt de auto verkocht door Hiltermann. Die verkoop moet nog plaatsvinden. De hoogte van de opbrengst is dus nog niet bekend. De kantonrechter gaat er bij de verdere beoordeling daarom vanuit dat de nog onbekende (eventuele) verkoopopbrengst van de auto in mindering zal worden gebracht op de geldvordering van Hiltermann.
Hiltermann kan de leaseprijs opeisen
4.6.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om artikel 43 van de algemene voorwaarden, op grond waarvan Hiltermann het nog niet betaalde deel van de leaseprijs vervroegd heeft opgeëist, als oneerlijk aan te merken. Hiltermann had immers ook op grond van de algemene wettelijke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek nakoming kunnen vorderen van [gedaagde] , in de vorm van betaling van alle leasetermijnen, of schadevergoeding kunnen vorderen. Het beding voorziet er (in samenhang met artikel 44 van de algemene voorwaarden) ook in dat de verkoopopbrengst van de auto in mindering komt op de vergoeding die [gedaagde] verschuldigd is. Verder is het beding voldoende duidelijk en transparant.
4.7.
De kantonrechter vindt het niet oneerlijk dat met het vervroegd opeisen van de leaseprijs het risico bij [gedaagde] wordt neergelegd. Dit is namelijk het gevolg van het feit dat [gedaagde] is gestopt met het betalen van de afgesproken maandelijkse leasetermijnen. Als het gaat over het risico dat de auto bij een veiling minder opbrengt dan de eigenlijke marktwaarde, geldt bovendien dat Hiltermann [gedaagde] na de zitting nog zes weken de tijd heeft gegeven om de auto zelf te verkopen voor een hogere koopprijs. Dit is heel redelijk en daarmee is Hiltermann voldoende tegemoet gekomen aan dit belang van [gedaagde] .
4.8.
Dat Hiltermann voor de resterende looptijd van de overeenkomst (tot eind 2028) geen kosten meer hoeft te maken, terwijl [gedaagde] wel de totale leasevergoeding moet betalen van € 16.491,40, vindt de kantonrechter in dit geval ook niet oneerlijk. Juist omdat [gedaagde] een betalingsachterstand heeft laten ontstaan, ligt het voor de hand dat Hiltermann kosten heeft gemaakt. Daarbij komt dat het niet zo is dat Hiltermann geen risico meer loopt door de vervoegde opeising. Het ligt namelijk voor de hand dat zij het risico loopt dat zij haar vordering niet (volledig) kan verhalen op [gedaagde] , of daarvoor kosten moet maken. Van een voordeel van Hiltermann (ten opzichte van de situatie waarin de overeenkomst in stand blijft) is daarom geen sprake. Dat [gedaagde] het bedrag van de leasevergoeding (€ 16.491,40) achteraf gezien te hoog vindt, speelt hierbij geen doorslaggevende rol. Hij heeft die leasevergoeding namelijk zelf afgesproken met Hiltermann.
4.9.
Om dezelfde redenen is het beding dat Hiltermann het recht geeft om de volledige leaseprijs vervroegd op te eisen, ook niet in strijd met artikel 7:92 BW. In dat wetsartikel is bepaald dat volledige verrekening moet plaatsvinden, als bij ontbinding van een huurkoopovereenkomst een partij in een betere positie zou komen, dan bij het in stand blijven van de overeenkomst. Door de (eventuele) verkoopopbrengst van de auto in mindering te brengen op de leaseprijs, is daaraan voldaan. Van ander voordeel van Hiltermann is geen sprake.
4.10.
[gedaagde] kan dus niet met succes de vernietiging inroepen van artikel 43 van de algemene voorwaarden, op grond waarvan Hiltermann de leaseprijs vervroegd heeft opgeëist. Hiltermann mag daarom de volledige leaseprijs opeisen, verminderd met de eventuele verkoopopbrengst van de auto. De maandelijkse leasetermijnen die [gedaagde] al heeft betaald, hoeft hij niet nog een keer te betalen. Hiltermann heeft een berekening gemaakt van het bedrag dat overblijft, namelijk € 42.581,05. Daarvan wordt nog afgetrokken een betaald bedrag van € 555,47, zodat [gedaagde] nog € 42.025,58 moet betalen. [gedaagde] heeft de hoogte van deze bedragen niet betwist, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat.
Geen matiging van de leaseprijs
4.11.
De kantonrechter zal de vordering niet matigen. Hiltermann heeft geen inzicht gegeven in zijn financiële omstandigheden of andere feiten die zijn beroep op matiging kunnen rechtvaardigen. Daarbij komt dat [gedaagde] de auto tot op heden in zijn bezit heeft en kennelijk ook nog steeds gebruikt, in strijd met de afspraken die hij daarover in de overeenkomst heeft gemaakt met Hiltermann. Hij heeft daarvan dus ook voordeel. Met de door [gedaagde] gevraagde matiging tot een gebruiksvergoeding zou [gedaagde] bovendien het risico van de waardedaling van de auto volledig bij Hiltermann neerleggen. Daarvoor bestaat geen aanleiding, zoals de kantonrechter in het voorgaande (in 4.7 en 4.8) al heeft overwogen.
[gedaagde] hoeft de rente en buitengerechtelijke kosten niet te betalen
4.12.
De vordering tot betaling van de contractuele rente zal de kantonrechter afwijzen, omdat deze vordering berust op een oneerlijk beding in de algemene voorwaarden. Artikel 15 van de algemene voorwaarden, waarop Hiltermann zich beroept, houdt in dat een rente van 1,5% per maand verschuldigd is, dus 18% per jaar. Dat is (veel) meer dan de wettelijke (handels-)rente. Het rentebeding is daarom oneerlijk, wat betekent dat het beding wordt vernietigd. Als een beding oneerlijk is, kan niet worden teruggevallen op de wettelijke regeling. Er is dus geen grond om de subsidiair gevorderde wettelijke rente toe te wijzen.
4.13.
Ook de vordering tot betaling van de contractuele rente zal de kantonrechter afwijzen, omdat deze vordering berust op een oneerlijk beding in de algemene voorwaarden. Hiltermann maakt op grond van artikel 53 van de algemene voorwaarden aanspraak op incassokosten van 10% van de hoofdsom. Dit beding wijkt af van de wettelijke regeling voor incassokosten. Er is bovendien geen maximum opgenomen, wat er toe leidt dat hogere kosten in rekening kunnen worden gebracht dan wettelijk is toegestaan. De kantonrechter zal het beding daarom vernietigen vanwege het oneerlijk karakter daarvan. Dat heeft tot gevolg dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Ook hier geldt dat niet kan worden teruggevallen op de wettelijke regeling.
[gedaagde] moet de auto inleveren en een dwangsom betalen als hij dat niet doet
4.14.
De vordering van Hiltermann om afgifte van de auto zal de kantonrechter toewijzen. [gedaagde] is verplicht om de auto af te geven, omdat hij dat zo heeft afgesproken in de overeenkomst. De kantonrechter ziet aanleiding om, zoals gevorderd, een dwangsom op te leggen, op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
[gedaagde] moet de proceskosten van Hiltermann betalen
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hiltermann worden begroot op:
- dagvaarding € 123,16
- griffierecht € 1.461,00
- salaris gemachtigde € 1.732,00 (2 punten x tarief € 866,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 3.460,16
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Hiltermann van € 42.025,58, met dien verstande dat de (eventuele) verkoopopbrengst van de auto daarop in mindering strekt;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de auto aan Hiltermann binnen twee dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 25.000,-;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.460,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
1538
Artikel 7:92 Burgerlijk Wetboek (BW).
Zie Hoge Raad 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1197 (Hibma).
Zie artikel 6:271 BW.
Zie Hof van Justitie van de Europese Unie 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14.
Artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11933369 \ CV EXPL 25-3201
Vonnis van 16 juli 2026
in de zaak van
HILTERMANN LEASE B.V.,
te Hoofddorp,
eiseres,
hierna te noemen: Hiltermann,
gemachtigde: mr. J.H. Hakvoort (Hofkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders),
tegen
[gedaagde] , voorheen handelend onder de naam [eenmanszaak] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.J. Sneller.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een leasemaatschappij betaling van de volledige leaseprijs en teruggave van de leaseauto, na ontbinding van de leaseovereenkomst. De kantonrechter wijst de vordering (deels) toe. Niet gevolgd wordt dat de vordering tot betaling van de volledige leaseprijs (verminderd met de eventuele verkoopopbrengst van de auto) oneerlijk is of gematigd moet worden. De gevorderde incassokosten en rente worden wel afgewezen, omdat deze zijn gebaseerd op oneerlijk bedingen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 5
de conclusie van antwoord
het tussenvonnis van 19 februari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald
de akte inbreng producties met producties 6 tot en met 8 van Hiltermann
de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarbij namens Hiltermann pleitaantekeningen zijn voorgedragen en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt;
het proces-verbaal van 7 mei 2026, waarin is vastgelegd dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] tot 18 juni 2026 gelegenheid krijgt zelf de auto te verkopen, waarna partijen vonnis zullen vragen;
de akte van Hiltermann van 18 juni 2026, waarin Hiltermann meldt dat [gedaagde] geen contact heeft opgenomen met Hiltermann over de verkoop van de auto en Hiltermann heeft gevraagd vonnis te wijzen.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Hiltermann, [gedaagde] en RJ Automobielen B.V. (hierna: de verkoper) hebben op 13 december 2023 een “financiële lease (huurkoop) overeenkomst” gesloten (hierna: de overeenkomst). Daarin heeft [gedaagde] een Seat Leon Sportstourer 2.0 TSI (hierna: de auto) gekocht van de verkoper. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de koopprijs van € 37.950,-. en de leasevergoeding van € 16.491,40 aan Hiltermann moet betalen. Die bedragen vormen samen de leaseprijs van € 54.441,40. Deze leaseprijs moet [gedaagde] betalen in 60 maandelijkse termijnen van € 790,69 (waarvan de laatste termijn wordt vermeerderd met € 7.000,-). In de overeenkomst zijn de “algemene voorwaarden financiële lease (Huurkoop) versie 01-12-2021” (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing verklaard.
2.2.
[gedaagde] had voorheen een eenmanszaak met de naam ‘ [eenmanszaak] ’. Die eenmanszaak hield zich bezig met grondverzet, sloopwerkzaamheden en de afwerking van gebouwen. Op 19 oktober 2024 is de eenmanszaak uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
2.3.
In een brief van 6 juni 2025 heeft Hiltermann [gedaagde] gesommeerd uiterlijk op 13 juni 2025 de leasetermijnen van de maanden maart, april en mei 2025 te betalen, vermeerderd met rente en kosten. Op 16 juni 2025 heeft Hiltermann een tweede sommatie gestuurd. [gedaagde] heeft niet betaald.
2.4.
In een deurwaardersexploot van 28 augustus 2025 heeft Hiltermann een beroep gedaan op ontbinding van de overeenkomst en [gedaagde] gesommeerd € 45.065,99 te betalen, geen gebruik meer te maken van de auto, en de auto in te leveren. [gedaagde] heeft aan die sommaties niet voldaan.
3Het geschil
3.1.
Hiltermann vordert dat de kantonrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot:
betaling van € 47.048,53, te vermeerderen met de rente van 18% per jaar over € 42.581,05 vanaf 8 oktober 2025;
afgifte van de auto binnen twee dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 400,- per dag met een maximum van € 25.000,-;
een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Hiltermann toegelicht dat vordering 1 zo moet worden begrepen, dat de eventuele verkoopopbrengst van de auto op die vordering in mindering zal worden gebracht.
3.3.
Hiltermann legt daaraan het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft de maandelijkse leasetermijnen niet op tijd betaald. Hiltermann heeft [gedaagde] daarom in gebreke gesteld. Daarna mocht Hiltermann op grond van de algemene voorwaarden de volledige resterende leaseprijs opeisen, vermeerderd met de contractuele rente en de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Door de vervroegde opeising is de leaseovereenkomst geëindigd en moet [gedaagde] de auto teruggeven aan Hiltermann.
3.4.
[gedaagde] voert daartegen het volgende aan. De vordering tot betaling van de volledige leaseprijs moet worden afgewezen, omdat de overeenkomst is ontbonden en omdat het beding waarop de vordering is gebaseerd oneerlijk is. Ook zou Hiltermann daardoor in een betere positie komen dan zonder de ontbinding. Dat is in strijd met de wet. Daarnaast vindt [gedaagde] dat de vordering moet worden gematigd. De vordering tot vergoeding van de rente en buitengerechtelijke kosten is gebaseerd op oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden en moet daarom worden afgewezen.
3.5.
Op de stellingen van partijen gaat de kantonrechter hierna, voor zover van belang, nader in.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of Hiltermann kan vorderen dat [gedaagde] € 47.048,53 betaalt en de auto teruggeeft. De geldvordering is toewijsbaar, maar niet voor het hele bedrag. Ook de vordering tot teruggave van de auto zal worden toegewezen. De kantonrechter licht dit oordeel hieronder toe.
[gedaagde] verdient dezelfde bescherming als een consument
4.2.
[gedaagde] beroept zich op de wettelijke consumentenbescherming. [gedaagde] heeft de overeenkomst met Hiltermann gesloten namens zijn bedrijf [eenmanszaak] , en dus niet als consument. Hij heeft echter toegelicht dat zijn positie vergelijkbaar is met die van een consument. De overeenkomst heeft geen betrekking op de bedrijfsactiviteiten van [gedaagde] . Het bedrijf van [gedaagde] hield zich namelijk bezig met grond- en sloopwerk. [gedaagde] had ook geen ervaring met ingewikkelde contracten en hij is daarover ook niet geadviseerd. Hiltermann heeft niet betwist dat de situatie van [gedaagde] vergelijkbaar is met die van een consument. De kantonrechter zal bij de beoordeling of sprake is van een oneerlijk beding daarom mede betrekken dat [gedaagde] een vergelijkbare bescherming verdient als een consument.
Verplichting tot betaling van de leaseprijs is niet vervallen door ontbinding
4.3.
Zoals Hiltermann in de dagvaarding heeft toegelicht, heeft zij op grond van artikel 43 van de algemene voorwaarden het nog niet betaalde deel van de leaseprijs onmiddellijk vervroegd opgeëist, omdat [gedaagde] was gestopt met het betalen van de maandelijkse leasetermijnen. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat die verplichting van [gedaagde] is vervallen door de ontbinding van de overeenkomst. Door de ontbinding van Hiltermann van 25 augustus 2025 zijn namelijk niet alle verplichtingen uit de overeenkomst vervallen. Dat geldt alleen voor de verplichtingen waarop de ontbinding betrekking heeft. In hetzelfde exploot heeft Hiltermann aanspraak gemaakt op vervroegde betaling door [gedaagde] van de volledige leaseprijs. Daaruit blijkt dat Hiltermann de overeenkomst alleen gedeeltelijk heeft ontbonden en dat [gedaagde] dus niet is bevrijd van zijn verplichting om de volledige leaseprijs te betalen na ontbinding.
De toekomstige verkoopopbrengst van de auto moet worden afgetrokken van de leaseprijs
4.4.
Ook het verweer van [gedaagde] dat Hiltermann ten onrechte zowel de betaling van de volledige koopprijs én teruggave van de auto opeist, slaagt niet. Tijdens de zitting heeft Hiltermann namelijk toegelicht dat de vorderingen in deze procedure zo moeten worden begrepen dat de verkoopopbrengst van de auto in mindering strekt op de geldvordering.
4.5.
Hiltermann heeft medegedeeld dat (in strijd met de daarover gemaakte afspraken tijdens de mondelinge behandeling) na de zitting over de verkoop van de auto geen overleg heeft plaatsgevonden met [gedaagde] . Daaruit begrijpt de kantonrechter dat de auto dus nog niet is verkocht (omdat daarvoor de toestemming van Hiltermann nodig is). De termijn die Hiltermann aan [gedaagde] heeft gegeven om de auto zelf te verkopen, is verstreken. Op grond van de algemene voorwaarden wordt de auto verkocht door Hiltermann. Die verkoop moet nog plaatsvinden. De hoogte van de opbrengst is dus nog niet bekend. De kantonrechter gaat er bij de verdere beoordeling daarom vanuit dat de nog onbekende (eventuele) verkoopopbrengst van de auto in mindering zal worden gebracht op de geldvordering van Hiltermann.
Hiltermann kan de leaseprijs opeisen
4.6.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om artikel 43 van de algemene voorwaarden, op grond waarvan Hiltermann het nog niet betaalde deel van de leaseprijs vervroegd heeft opgeëist, als oneerlijk aan te merken. Hiltermann had immers ook op grond van de algemene wettelijke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek nakoming kunnen vorderen van [gedaagde] , in de vorm van betaling van alle leasetermijnen, of schadevergoeding kunnen vorderen. Het beding voorziet er (in samenhang met artikel 44 van de algemene voorwaarden) ook in dat de verkoopopbrengst van de auto in mindering komt op de vergoeding die [gedaagde] verschuldigd is. Verder is het beding voldoende duidelijk en transparant.
4.7.
De kantonrechter vindt het niet oneerlijk dat met het vervroegd opeisen van de leaseprijs het risico bij [gedaagde] wordt neergelegd. Dit is namelijk het gevolg van het feit dat [gedaagde] is gestopt met het betalen van de afgesproken maandelijkse leasetermijnen. Als het gaat over het risico dat de auto bij een veiling minder opbrengt dan de eigenlijke marktwaarde, geldt bovendien dat Hiltermann [gedaagde] na de zitting nog zes weken de tijd heeft gegeven om de auto zelf te verkopen voor een hogere koopprijs. Dit is heel redelijk en daarmee is Hiltermann voldoende tegemoet gekomen aan dit belang van [gedaagde] .
4.8.
Dat Hiltermann voor de resterende looptijd van de overeenkomst (tot eind 2028) geen kosten meer hoeft te maken, terwijl [gedaagde] wel de totale leasevergoeding moet betalen van € 16.491,40, vindt de kantonrechter in dit geval ook niet oneerlijk. Juist omdat [gedaagde] een betalingsachterstand heeft laten ontstaan, ligt het voor de hand dat Hiltermann kosten heeft gemaakt. Daarbij komt dat het niet zo is dat Hiltermann geen risico meer loopt door de vervoegde opeising. Het ligt namelijk voor de hand dat zij het risico loopt dat zij haar vordering niet (volledig) kan verhalen op [gedaagde] , of daarvoor kosten moet maken. Van een voordeel van Hiltermann (ten opzichte van de situatie waarin de overeenkomst in stand blijft) is daarom geen sprake. Dat [gedaagde] het bedrag van de leasevergoeding (€ 16.491,40) achteraf gezien te hoog vindt, speelt hierbij geen doorslaggevende rol. Hij heeft die leasevergoeding namelijk zelf afgesproken met Hiltermann.
4.9.
Om dezelfde redenen is het beding dat Hiltermann het recht geeft om de volledige leaseprijs vervroegd op te eisen, ook niet in strijd met artikel 7:92 BW. In dat wetsartikel is bepaald dat volledige verrekening moet plaatsvinden, als bij ontbinding van een huurkoopovereenkomst een partij in een betere positie zou komen, dan bij het in stand blijven van de overeenkomst. Door de (eventuele) verkoopopbrengst van de auto in mindering te brengen op de leaseprijs, is daaraan voldaan. Van ander voordeel van Hiltermann is geen sprake.
4.10.
[gedaagde] kan dus niet met succes de vernietiging inroepen van artikel 43 van de algemene voorwaarden, op grond waarvan Hiltermann de leaseprijs vervroegd heeft opgeëist. Hiltermann mag daarom de volledige leaseprijs opeisen, verminderd met de eventuele verkoopopbrengst van de auto. De maandelijkse leasetermijnen die [gedaagde] al heeft betaald, hoeft hij niet nog een keer te betalen. Hiltermann heeft een berekening gemaakt van het bedrag dat overblijft, namelijk € 42.581,05. Daarvan wordt nog afgetrokken een betaald bedrag van € 555,47, zodat [gedaagde] nog € 42.025,58 moet betalen. [gedaagde] heeft de hoogte van deze bedragen niet betwist, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat.
Geen matiging van de leaseprijs
4.11.
De kantonrechter zal de vordering niet matigen. Hiltermann heeft geen inzicht gegeven in zijn financiële omstandigheden of andere feiten die zijn beroep op matiging kunnen rechtvaardigen. Daarbij komt dat [gedaagde] de auto tot op heden in zijn bezit heeft en kennelijk ook nog steeds gebruikt, in strijd met de afspraken die hij daarover in de overeenkomst heeft gemaakt met Hiltermann. Hij heeft daarvan dus ook voordeel. Met de door [gedaagde] gevraagde matiging tot een gebruiksvergoeding zou [gedaagde] bovendien het risico van de waardedaling van de auto volledig bij Hiltermann neerleggen. Daarvoor bestaat geen aanleiding, zoals de kantonrechter in het voorgaande (in 4.7 en 4.8) al heeft overwogen.
[gedaagde] hoeft de rente en buitengerechtelijke kosten niet te betalen
4.12.
De vordering tot betaling van de contractuele rente zal de kantonrechter afwijzen, omdat deze vordering berust op een oneerlijk beding in de algemene voorwaarden. Artikel 15 van de algemene voorwaarden, waarop Hiltermann zich beroept, houdt in dat een rente van 1,5% per maand verschuldigd is, dus 18% per jaar. Dat is (veel) meer dan de wettelijke (handels-)rente. Het rentebeding is daarom oneerlijk, wat betekent dat het beding wordt vernietigd. Als een beding oneerlijk is, kan niet worden teruggevallen op de wettelijke regeling. Er is dus geen grond om de subsidiair gevorderde wettelijke rente toe te wijzen.
4.13.
Ook de vordering tot betaling van de contractuele rente zal de kantonrechter afwijzen, omdat deze vordering berust op een oneerlijk beding in de algemene voorwaarden. Hiltermann maakt op grond van artikel 53 van de algemene voorwaarden aanspraak op incassokosten van 10% van de hoofdsom. Dit beding wijkt af van de wettelijke regeling voor incassokosten. Er is bovendien geen maximum opgenomen, wat er toe leidt dat hogere kosten in rekening kunnen worden gebracht dan wettelijk is toegestaan. De kantonrechter zal het beding daarom vernietigen vanwege het oneerlijk karakter daarvan. Dat heeft tot gevolg dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Ook hier geldt dat niet kan worden teruggevallen op de wettelijke regeling.
[gedaagde] moet de auto inleveren en een dwangsom betalen als hij dat niet doet
4.14.
De vordering van Hiltermann om afgifte van de auto zal de kantonrechter toewijzen. [gedaagde] is verplicht om de auto af te geven, omdat hij dat zo heeft afgesproken in de overeenkomst. De kantonrechter ziet aanleiding om, zoals gevorderd, een dwangsom op te leggen, op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
[gedaagde] moet de proceskosten van Hiltermann betalen
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hiltermann worden begroot op:
- dagvaarding € 123,16
- griffierecht € 1.461,00
- salaris gemachtigde € 1.732,00 (2 punten x tarief € 866,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 3.460,16
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Hiltermann van € 42.025,58, met dien verstande dat de (eventuele) verkoopopbrengst van de auto daarop in mindering strekt;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de auto aan Hiltermann binnen twee dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 25.000,-;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.460,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
1538
Artikel 7:92 Burgerlijk Wetboek (BW).
Zie Hoge Raad 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1197 (Hibma).
Zie artikel 6:271 BW.
Zie Hof van Justitie van de Europese Unie 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14.
Artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.