Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:12018

2026-09-09 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/15/376010
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/15/376010
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad? Art. 6:162 BW. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219. Eiser stelt dat gemeente hem onjuist en onvolledig heeft voorgelicht ter zake de aanleg van een steiger bij zijn woning en dat hij erop mocht vertrouwen dat de vereiste omgevingsvergunning zou worden verleend. Eiser stelt daardoor vermogensschade te hebben geleden. Ook stelt eiser dat gemeente gehouden is toezegging na te komen mee te werken aan het realiseren van steiger met een lengte van 18 meter. De rechtbank wijst de vorderingen tot schadevergoeding en medewerking af. Van informatieverstrekking op een wijze die onrechtmatig is, is geen sprake. Ook staat niet vast dat gemeente heeft toegezegd dat eiser een steiger van 18 meter lang kon aanleggen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.226 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland


Civiel recht



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer: C/15/376010 / HA ZA 26-188




Vonnis van 9 september 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M.W. van der Hulst,



tegen




GEMEENTE ZAANSTAD,
te Zaanstad,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. C.J. Loggen-ten Hoopen.




De zaak in het kort





[eiser] woont aan de [rivier]. Een deel van zijn perceel ligt in de [rivier]. Daarop rustte een door de gemeente bedongen kwalitatieve verplichting die ter plekke een steiger verbood. Op verzoek van [eiser] is dit verbod opgeheven. Daarbij zijn door de gemeente in de betreffende akte aan een te plaatsen steiger voorwaarden gesteld. [eiser] heeft vervolgens een omgevingsvergunning aangevraagd voor een steiger van 18 meter lang langs zijn perceel. Die vergunning is geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan en omdat planologische en stedenbouwkundige overwegingen in de weg staan aan het vergunnen van een dergelijke steiger in afwijking van het bestemmingsplan. Later is wel een steiger van [nummer 2] meter lang vergund.

[eiser] stelt dat hij schade heeft geleden doordat de gemeente hem onjuist en onvolledig heeft voorgelicht en zich niet houdt aan haar toezegging dat hij een steiger mag hebben die voldoet aan de door de gemeente gestelde voorwaarden. Hij vordert medewerking van de gemeente aan het alsnog vergund krijgen van een steiger van 18 meter en schadevergoeding. De gemeente voert verweer.
De rechtbank oordeelt dat gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld en wijst de vorderingen al daarom af.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 maart 2026 met [nummer 3] producties
- de conclusie van antwoord met 8 producties
- het tussenvonnis van 20 mei 2026
- de brief van 26 juni 2026 met producties 13 tot en met 15 van mr. Van der Hulst
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, waarbij mr. Van der Hulst gebruik heeft gemaakt van pleitaantekeningen.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[eiser] is eigenaar van de kadastrale percelen gemeente [plaats], [kadaster nummer 1] en [kadaster nummer 2], bekend als het adres [adres] (hierna: het perceel). Op het perceel heeft [eiser] een woning laten bouwen. Het perceel ligt aan en gedeeltelijk in de rivier de [rivier]. De oever bestaat ter plaatse uit een stalen damwand die aan de bovenzijde is afgedekt met een betonnen rand.



2.2.
Voor het deel van het perceel dat in de [rivier] ligt, geldt het bestemmingsplan “Bedrijventerrein [naam 1]” (hierna: het bestemmingsplan).



2.3.
Bij aankoop van het perceel wist [eiser] dat bij de levering ten laste van het perceel een door de gemeente bedongen kwalitatieve verplichting zou worden gevestigd die het de eigenaar verbood “om ter plaatse van de strook water een (drijvende) steiger/vlonder aan te meren”. Dit was een eis vanuit de gemeente voor de verkeersveiligheid op de [rivier]. De gemeente was voormalig eigenaar van de aan [eiser] verkochte grond, althans het perceel met de strook water. Hij heeft de grond gekocht van een projectontwikkelaar.



2.4.
Deze kwalitatieve verplichting is bij levering van het perceel op 3 maart 2020 ook gevestigd.



2.5.
Kort daarvoor, op 6 februari 2020, heeft de projectontwikkelaar [eiser] in een e-mail geïnformeerd over de aanleg van een omvangrijke aanvaarbeveiliging voor beroepsvaart onder meer ter hoogte van het door hem gekochte perceel.



2.6.

[eiser] heeft dezelfde dag op de e-mail van de projectontwikkelaar gereageerd en onder meer geschreven:


“(…)



In de koopovereenkomst van bouwnummer [nummer 1] is er een nogal specifiek stuk opgenomen over het plaatsen van steigers om reden van veiligheid.
Nu deze remming [de aanvaarbeveiliging, rechtbank] wordt voorzien lijkt er geen redelijke grondslag meer te bestaan voor het verbod tot het aanleggen van een beperkte steiger.
Een steiger met daaraan gekoppeld een trap om het hoogte verschil met de betonnen rand op de walkant te overbruggen is van groot belang. Zodat bij een eventuele te water geraken de drenkeling ook weer op de kant kan komen. Dat is zonder een steiger/trap constructie met de huidig voorgestelde wallekant een gevaarlijke situatie.



Nu de scheepvaart zeer goed beveiligd wordt door een remming, lijkt uit oogpunt van veiligheid geen noodzaak artikel 25, de laatste twee punten, op te nemen.
Terwijl ter vermindering van het drenkelingen risico, het beveiligen van de hoge wallekant met een goede toegang tot de vaste wal, een steiger noodzakelijk is.



Kunt u daarom bij de gemeente bedingen dat in de koopovereenkomst de beperkingen op het hebben van een kleine steiger bij bouwnummer [nummer 1] komt te vervallen nu er in een dergelijk grote andere beveiliging wordt voorzien?(…)”




2.7.
De projectontwikkelaar heeft het onder 2.6 geciteerde fragment uit de e-mail van [eiser] van 6 februari 2020 op [nummer 2] februari 2020 doorgestuurd aan de gemeente.



2.8.
De gemeente bleek bereid het verbod op het hebben van een steiger onder voorwaarden op te heffen.



2.9.
Op [nummer 3] december 2020 heeft [eiser] bij de gemeente een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een houten steiger met een breedte van 2 en een lengte van 18 meter. Hij heeft daarvoor ook een vergunning aangevraagd bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.



2.10.
Op 14 december 2020 is de notariële akte ‘wijziging kwalitatieve verplichting Project [naam 2] bouwnummer [nummer 1]’ gepasseerd. In die akte staat voor zover van belang:


“CONSIDERANS
(…)

c. In vorenaangehaalde verplichting is een specifieke verbodsbepaling opgenomen over het plaatsen van een steiger aan de [rivier] in verband met veiligheid. Door het aanbrengen van remmingwerken in de [rivier] is de veiligheidssituatie echter gewijzigd, waardoor de verbodsbepaling kan worden opgeheven.



WIJZIGING KWALITATIEVE VERPLICHTING

Partijen komen bij deze overeen de hiervoor gemelde kwalitatieve verplichting voor zover ten laste van voormeld perceel kadastraal bekend als gemeente [plaats], [kadaster nummer 3] en [kadaster nummer 2] opgelegd te wijzigen als volgt:
(…)
B. de bepaling:

- “het is de eigenaar niet toegestaan om ter plaatse van de strook water een (drijvende) steiger/vlonder aan te meren;”
wordt als volgt gewijzigd:
- “het is de eigenaar toegestaan om ter plaatse van de strook water een (drijvende) steiger/vlonder aan te meren, zulks onder de navolgende voorwaarden:
- voor de doorvaarbaarheid mag een steiger en/of vlonder maximaal twee (2) meter breed zijn en een boot maximaal vijf (5) meter breed, doch tezamen nooit meer dan zes (6) meter, zijnde de breedte van de strook water behorende tot de kavel.
- De steiger en/of vlonder dient over solide afmeervoorzieningen te beschikken en op de hoekpunten een signaalvlag of reflectors.
- Vergunningen dienen te worden aangevraagd bij de gemeente Zaanstad en Hoogheemraadschap Noord Hollands Kwartier.
- Steiger en/of vlonders aan de zijkant van de kavels met de bouwnummers [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4] en [nummer 5] (kadastraal bekend als gemeente [plaats], sectie A, nummers [kadaster nummer 4], [kadaster nummer 5], [kadaster nummer 6], [kadaster nummer 7] en [kadaster nummer 8], [kadaster nummer 9], [kadaster nummer 10] en [kadaster nummer 11] [kadaster nummer 12] en [kadaster nummer 13] zijn niet toegestaan in verband met doorvaarbaarheid.””



2.11.
Over de inhoud van de gewijzigde kwalitatieve verplichting is voorafgaand aan het passeren van de akte niet tussen [eiser] en de gemeente gecommuniceerd.



2.12.
Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft de door [eiser] gevraagde vergunning verleend.



2.13.
Bij besluit van 19 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college) de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd omdat een aanlegsteiger op grond van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. Het verlenen van vergunning in strijd met het bestemmingsplan is volgens het besluit in beginsel mogelijk, maar het college ziet daartoe geen aanleiding op grond van overwegingen van planologische en stedenbouwkundige aard. Het college heeft daarbij getoetst aan de ‘Beleidsregels Afwijken van bestemmingsplannen en beheersverordeningen Wabo Zaanstad 2010’ en de ‘Nota Woonbebouwing Zaanstand 2020’.



2.14.

[eiser] heeft bezwaar aangetekend tegen dit besluit. Het college heeft het bezwaar eerst gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit gedeeltelijk herroepen, maar uiteindelijk bij besluit van 11 januari 2022 het bezwaar alsnog ongegrond verklaard.



2.15.

[eiser] is in beroep gegaan van de beslissing op bezwaar. Bij uitspraak van 22 november 2022 van deze rechtbank is het ingestelde beroep ongegrond verklaard.



2.16.
Van deze uitspraak is [eiser] in hoger beroep gegaan. Bij uitspraak van 22 mei 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.



2.17.
Tijdens de bezwaarprocedure is namens het college aan [eiser] meegedeeld dat een steiger met een lengte van 10 meter wel zou kunnen worden vergund.



2.18.
Op 15 januari 2022 heeft [eiser] een omgevingsvergunning aangevraagd voor een steiger van 2 bij 10 meter. Het college heeft de gevraagde vergunning bij besluit van 17 maart 2022 verleend.



2.19.
De vergunde steiger is hierna in 2023 aangelegd.



2.20.
Bij brief van 10 december 2024 heeft [eiser] de gemeente aansprakelijk gesteld voor schade veroorzaakt door het door de gemeente bij hem gewekte vertrouwen en door de gemeente betrachte onzorgvuldigheid bij het verlenen van privaatrechtelijke toestemming voor een steiger. De geleden schade bedraagt € 89.980,03 en bestaat uit extra gemaakte kosten, waardevermindering en gederfd genot.



2.21.
De gemeente heeft betwist aansprakelijk te zijn voor de door [eiser] gestelde schade.





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert, na vermindering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


I. de gemeente veroordeelt om binnen veertien weken, althans een in goede justitie te bepalen termijn, na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het verkrijgen van een vergunning voor de realisatie van een steiger met een lengte van 18 meter op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 15.000,-;
II. de gemeente veroordeelt om aan [eiser] een bedrag te betalen van € 97.046,94, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
III. de gemeente veroordeelt in de kosten van het geding, een en ander te voldoen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.




3.2.

[eiser] legt – verkort weergegeven – het volgende aan de vorderingen ten grondslag. De gemeente heeft onrechtmatig gehandeld. De gemeente heeft enerzijds onjuiste en onvolledige informatie verstrekt dat de aanleg van een steiger mogelijk was, terwijl de gemeente had moeten weten en moeten melden dat het toepasselijke bestemmingsplan dit niet toestond en het college de aanvraag kon afwijzen. Anderzijds heeft de gemeente geen gevolg gegeven aan de in de akte toegezegde mogelijkheid. [eiser] mocht als niet-deskundige leek in redelijkheid vertrouwen op de volledigheid en juistheid van de notariële akte van 14 december 2020 waarin door de gemeente toestemming is gegeven voor het aanleggen van een solide steiger van maximaal 2,0 meter breed zonder beperking in de lengte. [eiser] heeft hierdoor schade geleden. Als de gemeente overeenkomstig de akte had gehandeld, dan wel had gewezen op de mogelijkheid dat geen omgevingsvergunning zou worden verleend, dan was de schade niet ontstaan. [eiser] had dan voor een andere oplossing gekozen. De schade bestaat uit hogere bouwkosten, extra liggelden, waardevermindering van het perceel en derving van genot.



3.3.
De gemeente voert verweer. Zij betwist [eiser] onjuist en /of onvolledig te hebben geïnformeerd en zich niet aan een gedane toezegging te hebben gehouden. De gemeente betwist verder dat [eiser] de gevorderde schade heeft geleden door het gestelde onrechtmatig handelen.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.







4De beoordeling



Geen sprake van onrechtmatige informatieverstrekking




4.1.
De eerste vraag die ter beoordeling voorligt is of de gemeente bij het wijzigen van de kwalitatieve verplichting op zodanig onzorgvuldige wijze tegenover [eiser] heeft gehandeld (waaronder ook een nalaten wordt verstaan) dat dit onrechtmatige handelen in de zin van artikel 6:162 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) oplevert. [eiser] stelt dat dit zo is, en spreekt van onrechtmatige ‘informatieverstrekking’, de gemeente betwist dat. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van onrechtmatige informatieverstrekking. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.



4.2.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het geval een overheid(sorgaan), zoals een gemeente, iemand onjuiste of onvolledige informatie verstrekt dit niet zonder meer onrechtmatig is. De rechtbank gaat uit van de maatstaf zoals geformuleerd door de Hoge Raad in zijn arrest van 25 mei 2021:


“Het antwoord op de vraag of de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens de belanghebbende en dat de Gemeente deswege jegens de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet”.




4.3.
In dit geval is sprake geweest van een (indirect) verzoek van [eiser] aan de gemeente of de gemeente bereid was de bestaande kwalitatieve verplichting die op het perceel rustte te wijzigen voor wat betreft het mogen hebben van een steiger. Dat verzoek is door de gemeente ook gehonoreerd. Nadat de projectontwikkelaar zijn verzoek daartoe aan de gemeente had doorgeleid, hebben [eiser] en de gemeente niet met elkaar gecommuniceerd over de voorwaarden die de gemeente en/of het college aan het hebben van een steiger verbond, bijvoorbeeld de afmetingen van de steiger. Bij de mondelinge behandeling is door de betrokken procesmanager ruimteontwikkeling van de gemeente toegelicht dat bij een dergelijk verzoek doorgaans de notaris van de projectontwikkelaar met een voorstel komt, dat daarna door een jurist grondzaken van de gemeente wordt getoetst. In dit geval is, aldus de procesmanager, het advies van de afdeling Haven en Vaarwegen van de gemeente ingewonnen. Die afdeling heeft met het oog op de veiligheid de voorwaarden genoemd zoals die nu in de akte staan. Het standpunt van de gemeente is vervolgens teruggekoppeld aan de notaris, waarna, zo begrijpt de rechtbank, de definitieve akte met de wijziging is opgesteld en is gepasseerd. Deze gang van zaken is door [eiser] niet weersproken.



4.4.
Waar het gaat om de bestuursrechtelijke (on)mogelijkheden ter plaatse van het perceel een steiger in de [rivier] te realiseren heeft de gemeente [eiser] niet meer meegedeeld dan dat hij voor het aanleggen van de steiger vergunningen moest aanvragen bij de gemeente en het verantwoordelijke hoogheemraadschap. [eiser] heeft hierover verder geen nadere vragen gesteld.



4.5.

[eiser] betoogt dat hij uit de inhoud van de akte en de daarin verleende toestemming erop mocht vertrouwen dat volgens de gemeente op grond van het toepasselijke bestemmingsplan steigers zijn toegestaan. Dat is niet het geval, omdat het geldende bestemmingsplan steigers verbiedt. De gemeente had [eiser] moeten informeren over de haar bekende publiekrechtelijke onmogelijkheid een steiger te plaatsen. Door dat niet te doen, heeft de gemeente hem onjuist voorgelicht, aldus [eiser].


4.6.
Het bestemmingsplan staat een steiger niet toe – dat is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd – maar het college is bevoegd in afwijking van het bestemmingsplan een steiger te vergunnen en heeft dat in 2022 ook gedaan. Het is bestuursrechtelijk dus wél mogelijk om een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een steiger te verlenen. Anders dan [eiser] betoogt heeft het college bij de beoordeling van zijn eerste aanvraag overigens ook getoetst of het van toepassing zijnde beleid ruimte biedt de aangevraagde steiger met een lengte van 18 meter in afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. Van onjuiste inlichtingen is, anders dan [eiser] stelt, dan ook geen sprake.



4.7.
Dan de volledigheid van de verstrekte informatie. Volgens [eiser] heeft de gemeente informatie verstrekt op grond waarvan hij redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat de vergunning voor de door hem gewenste steiger zou worden verleend. Er is geen enkel voorbehoud gemaakt dat een publiekrechtelijke afwijzing tot de mogelijkheden behoorde. Daar had de gemeente hem dan op moeten wijzen. Volgens [eiser] verschuilt de gemeente zich ten onrechte achter de interne bevoegdheidsverdeling van haar organen en kan de gemeente dat niet baten. Hij wijst in dit verband op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2021.



4.8.
In de door [eiser] aangehaalde uitspraak beoordeelde de rechtbank of een toezegging door Waternet aan de eiser in die zaak dat hij vergunningsvrij een steiger kon bouwen kon worden toegerekend aan de gemeente Amsterdam. Bij de beantwoording van die vraag komt, aldus de rechtbank Amsterdam, gelet op de stand van de jurisprudentie, minder belang toe aan de precieze bevoegdheidsverdeling. De eiser had aan Waternet gevraagd of een vergunning nodig was. Waternet had in de communicatie met de eiser gemeld dat dit niet zo was maar een relevante verordening die een vergunning voorschreef niet genoemd. De rechtbank oordeelde dat gelet op de bestuursrechtelijke verhoudingen tussen Waternet en de gemeente Amsterdam sprake was van een mededeling waarop de eiser mocht vertrouwen en die aan de gemeente Amsterdam kon worden toegerekend.



4.9.
Het is in beginsel aan de burger om zelf na te gaan of voor het oprichten van een door hem gewenst bouwwerk een vergunning is vereist. Dat zou anders kunnen zijn als door de betrokken overheidsinstantie informatie wordt verstrekt op grond waarvan de burger redelijkerwijs ervan mag uitgaan dat de gewenste vergunning zou worden verleend of geen vergunning is vereist. In dit geval heeft [eiser] de gemeente verzocht om een wijziging van een (civielrechtelijke) kwalitatieve verplichting. Hij heeft géén vraag gesteld over het wel of niet vereist zijn van een (omgevings)vergunning of omgevingsrechtelijke vereisten waaraan moest zijn voldaan, terwijl de gemeente in de akte heeft laten opnemen dat vergunningen moesten worden aangevraagd bij de gemeente en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het enkele door de gemeente instemmen met een wijziging van de kwalitatieve verplichting is dan niet voldoende om er gerechtvaardigd op te mogen vertrouwen dat de gemeente daarmee ook verklaarde dat de vereiste vergunning voor de door [eiser] gewenste solide steiger van 2 meter breed ongeacht de lengte ervan hoe dan ook zou worden verleend door het college. Dat in de akte - anders dan ten aanzien van de breedte - geen bepaling is opgenomen over de lengte van de steiger maakt dat niet anders. De lengte van de steiger was, anders dan de breedte, kennelijk voor een veilig scheepvaartverkeer op de [rivier] voor de gemeente niet van belang. Het dienen van dat belang was de reden waarom de gemeente eerder had bedongen dat er een kwalitatieve verplichting zou komen die het de eigenaar van het perceel verbood ter plekke een steiger te hebben. Het voorgaande laat overigens onverlet dat een en ander, zoals de gemeente op de mondelinge behandeling beaamde, duidelijker in de akte verwoord had kunnen worden. Van een zelfde situatie als in het door [eiser] aangehaalde vonnis is dus geen sprake.



4.10.
Omdat [eiser] in aanloop naar het wijzigen van de kwalitatieve verplichting geen vragen aan de gemeente heeft gesteld over voor de steiger vereiste vergunningen, had de gemeente het aan haar doorgeleide verzoek daarom - en mede gelet op de tekst ervan - niet hoeven te begrijpen als een verzoek dat noopte tot het verstrekken van meer informatie over de bestuursrechtelijke (on)mogelijkheden (in de akte zelf of voorafgaand aan het passeren daarvan) dan zij in de akte heeft gedaan. Dat uit het verzoek kan worden afgeleid dat [eiser] van plan was een steiger aan te leggen en de gemeente wist dat daarvoor vergunningen nodig waren is daarvoor niet voldoende.


4.11.
De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] onjuist en/of onvolledig voor te lichten over de omgevingsrechtelijke mogelijkheden voor een steiger bij zijn perceel.



Geen sprake van het niet gevolg geven aan een toegezegde mogelijkheid





4.12.

[eiser] stelt daarnaast dat de gemeente onrechtmatig handelt door geen gevolg te geven aan de door haarzelf toegezegde mogelijkheid tot het aanleggen van een solide steiger van maximaal 2 meter breed. In plaats van schadevergoeding kan [eiser] ook genoegen nemen met de medewerking van de gemeente om alsnog een vergunning te verkrijgen voor een steiger met de door hem gewenste lengte van 18 meter. Bij de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij geen aanspraak zal maken op schadevergoeding als het college hem de benodigde vergunning alsnog verleent en vergunning vervolgens onherroepelijk wordt. De gemeente heeft aangevoerd dat een eventuele veroordeling in strijd is met de taakverdeling tussen de civiele rechter enerzijds en de bestuursrechter anderzijds en daarom niet mogelijk is. Ook wijst de gemeente erop dat in dat geval ongelijkheid zal ontstaan tussen [eiser] en andere inwoners van de gemeente en ook in dat geval, in verband met bezwaren van belanghebbenden, een gang naar de bestuursrechter waarschijnlijk is en waarin een verleende vergunning geen stand zal houden.



4.13.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in zijn uitspraak van 22 mei 2024 geoordeeld dat uit de stukken met betrekking tot de levering en de akte van 14 december 2020 niet blijkt dat dat [eiser] toestemming heeft om een steiger met een lengte van 18 meter te realiseren. De rechtbank ziet geen reden om hierover anders te oordelen. Hiervoor is al overwogen dat de [eiser] op grond van hetgeen in de wijzigingsakte is opgenomen er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de gemeente daarmee verklaarde dat de vereiste vergunning voor de door [eiser] gewenste (solide) steiger van 2 meter breed ongeacht de lengte ervan hoe dan ook zou worden verleend door het college. Van een toezegging in die akte dat [eiser] een steiger met een lengte van 18 meter vergund zou worden is dan ook geen sprake.Het college heeft een vergunning verleend voor een steiger van 2 meter breed met een lengte van 10 meter. Voor zover sprake is van een door de gemeente in de akte toegezegde mogelijkheid tot het aanleggen van een steiger heeft de gemeente daarmee daaraan voldaan. Ook in dit opzicht is van onrechtmatig handelen van de gemeente geen sprake.



4.14.
Conclusie is dat de vorderingen van [eiser] reeds daarom zullen worden afgewezen.



Proceskosten





4.15.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:









- griffierecht


€


3.083,00







- salaris advocaat


€


2.580,00


(2 punten × € 1.290,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


5.852,00











4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De rechtbank



5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,



5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.852,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.















































1998





ECLI:NL:HR:2012:BW0219, r.o. 3.5.1.


ECLI:NL:RBAMS:2021:6651