Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:12017
2026-09-09
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/15/365463
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Erfrecht; uitleg van uiterste wil; artikel 4:46 BW; verhoudingen die de erflater heeft willen regelen. Met eisers, zusters van erflater, is rechtbank van oordeel dat het vervalbeding ter zake de tweetrapsmaking bij de uitleg van het testament buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit is kennelijk abusievelijk opgenomen. Netto-opbrengst verkoop woning erflater komt toe aan zusters als verwachters en niet aan de erfgenaam van de na de erflater overleden bezwaarde, de (bij zijn dood) geregistreerd partner van erflater.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2023:1531 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:HR:2013:911 Hoge Raad 11-10-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (39.567 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/365463 / HA ZA 25-302
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats 1] ,2. [eiser 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. J. Jong,
tegen
[gedaagde]
, in zijn hoedanigheid van executeur en erfgenaam van wijlen mevrouw [erflaatster] , overleden op 27 juli 2024 te [plaats 2] ,
te [plaats 3] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P.R. Starink.
en
[tussenkomende partij]
,
te [plaats 4] ,
tussenkomende partij,
hierna te noemen: [tussenkomende partij] ,
advocaat: mr.drs. M.R. van Leeuwen.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de uitleg van het testament dat [erflater] , de broer van [eiser 1] en [eiser 2] , kort voor zijn dood in 2015 heeft laten opmaken. Centraal staat de vraag of een beding in het testament van [erflater] buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat dat beding niet strookt met de wil van [erflater] . Op grond van dat beding komt de in het testament opgenomen tweetrapsmaking te vervallen als aan de daarvoor gestelde voorwaarde, te weten dat de bezwaarde bij zijn overlijden afstammelingen heeft, is voldaan. [erflaatster] , de partner van [erflater] , is in die tweetrapsmaking aangewezen als bezwaarde, [eiser 1] en [eiser 2] als verwachters. [tussenkomende partij] is de dochter van [erflaatster] .
[erflaatster] is in 2024 overleden. [erflaatster] heeft in haar testament [gedaagde] tot enig erfgenaam benoemd en daarmee haar dochter [tussenkomende partij] onterfd.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat het vervalbeding een standaardbepaling is, die abusievelijk niet uit het testament is verwijderd. [erflater] wilde hoe dan ook dat hetgeen [erflaatster] bij haar dood van zijn nalatenschap onverteerd zou hebben gelaten aan hen zou toekomen en niet aan [tussenkomende partij] . Het onverteerd gelaten deel van de nalatenschap van [erflater] bestaat in ieder geval uit de netto-opbrengst van de woning van [erflater] . [eiser 1] en [eiser 2] vorderen onder meer dat [gedaagde] dat bedrag aan hen afdraagt.
[gedaagde] en [tussenkomende partij] betwisten dat [eiser 1] en [eiser 2] enige aanspraak uit hoofde van de tweetrapsmaking hebben. Volgens hen is er geen enkele reden om het vervalbeding buiten beschouwing te laten. Het beding is duidelijk en aan de daarin opgenomen voorwaarde is voldaan, zodat de tweetrapsmaking bij de dood van [erflaatster] is vervallen, zo betogen zij.
De rechtbank komt tot het oordeel dat gelet op de omstandigheden waaronder [erflater] zijn testament heeft gemaakt en de verhoudingen die hij kennelijk heeft willen regelen, de door [eiser 1] en [eiser 2] gegeven uitleg moet worden gevolgd dat het standaard vervalbeding abusievelijk in het testament is opgenomen. De vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] worden daarom toegewezen. De vordering van [gedaagde] tot opheffing van het gelegde beslag wordt afgewezen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 april 2025 met dertien producties
- de akte overlegging producties met productie 14
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met drie producties van [gedaagde]
- de incidentele conclusie tot tussenkomst van [tussenkomende partij]
- de incidentele conclusie van antwoord inzake tussenkomst van [eiser 1] en [eiser 2]
- de incidentele conclusie van antwoord inzake tussenkomst van [gedaagde]
- het tussenvonnis in incident van 26 november 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 14 tot en met 18
- de conclusie van antwoord van [tussenkomende partij]
- het tussenvonnis van 28 januari 2026
- de mondelinge behandeling van 2 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij mr. Jong gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[betrokkene 1] (hierna: [erflater] ) was de broer van [eiser 1] en [eiser 2] . Hij is op 13 april 2015 overleden.
2.2.
Ten tijde van zijn overlijden woonde [erflater] in de woning aan de [adres] (hierna: de woning). [erflater] had de woning in 1992 gekocht.
2.3.
Op enig moment in de jaren negentig zijn [erflaatster] (hierna: [erflaatster] ) en [tussenkomende partij] bij [erflater] ingetrokken. [tussenkomende partij] is het enig kind van [erflaatster] .
2.4.
Op 27 januari 1997 hebben [erflater] en [erflaatster] een samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.5.
Op 3 februari 1997 heeft [erflater] een testament opgemaakt waarin – voor zover van belang – het volgende staat:
“ (…)
BESCHIKKINGEN TEN BEHOEVE VAN PARTNER
(…)
Ten tweede:
Voor het geval ik ten tijde van mijn overlijden niet ben gehuwd beschik ik, zulks onder de ontbindende voorwaarde dat ten tijde van mijn overlijden mijn gemeenschappelijke huishouding met:
Mevrouw [erflaatster] , medewerkster drogisterij/parfumerie, geboren te [plaats 5] (Zimbabwe) op [geboortedatum 3] negentienhonderd tweeenzestig, weduwe van de Heer [betrokkene 2] ,
hierna te noemen: “mijn partner”,
niet duurzaam is verbroken – waaronder ik niet versta opname in een ziekenhuis, revalidatiecentrum, verpleegtehuis of soortgelijk oord en/of inrichting – als volgt:
I.
erfgenamen
Ik benoem, onder bezwaar van na te melden legaten, mijn partner en haar dochter, [tussenkomende partij] , tezamen met mijn eventuele kinderen, dan wel hun afstammelingen als bij wettelijke plaatsvervulling, tot enige en algehele erfgenamen van mijn nalatenschap, gezamenlijk en voor gelijke delen.”
(…)
OVERLIJDEN VOOR ECHTGENOOT
Ten derde:
Voor het geval ik ten tijde van mijn overlijden met mijn partner – hierna ook aangeduid als “echtgenote” – mocht zijn gehuwd, beschik ik als volgt:
I. ERFGENAMEN/LEGATARISSEN
Ik benoem, mijn echtgenote tezamen met mijn eventuele kinderen, dan wel hun afstammelingen als bij wettelijke plaatsvervulling, tot enige en algehele erfgenamen van mijn nalatenschap en legateer aan de hiervoor onder ten tweede sub I genoemde dochter van mijn echtgenote een som in contanten ten bedrage van het zuiver erfdeel dat zij zou hebben genoten indien zij mijn wettelijke erfgenaam ware geweest, op welke vordering het hierna bepaalde onder C van overeenkomstige toepassing is.
2.6.
In 2003 hebben [erflater] en [erflaatster] de samenlevingsovereenkomst wegens beëindiging van hun samenleving ontbonden.
2.7.
In 2005 zijn [erflater] en [erflaatster] weer gaan samenwonen en hebben zij wederom een samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.8.
Op 8 april 2015, enkele dagen voor zijn dood, heeft [erflater] opnieuw over zijn nalatenschap beschikt. Het testament is vastgelegd door notaris mr. [betrokkene 4] , destijds kandidaat-notaris en waarnemer van notaris mr. [betrokkene 3] . Ook is [erflater] die dag met [erflaatster] een geregistreerd partnerschap aangegaan. [erflater] was op dat moment ernstig ziek en kreeg morfine toegediend via een pomp om hoofdpijn te bestrijden.
2.9.
In dit testament (hierna: het testament) staat – voor zover van belang – het volgende:
“De comparant verklaarde als volgt over zijn nalatenschap te beschikken:
A. HERROEPING
Ik herroep alle uiterste wilsbeschikkingen die door mij voor dit testament zijn gemaakt, behoudens eventueel door mij gemaakte codicillen.
(…)
D. EERSTE ERFSTELLING
Ik benoem tot enig erfgenaam in mijn nalatenschap:
Mevrouw [erflaatster] , wonende [adres] , geboren te [plaats 5] (Zimbabwe) op [geboortedatum 3] negentienhonderd tweeënzestig, thans ongehuwd en geen geregistreerd partner.
E. TWEEDE ERFSTELLING
Indien mijn partner, mevrouw [erflaatster] , voornoemd, vóór of gelijktijdig met mij overlijdt, mijn nalatenschap verwerpt of onwaardig is, benoem ik tot mijn erfgenamen, ieder voor een gelijk deel:
1. mijn zuster, mevrouw [eiser 1] , geboren te [plaats 1] op [geboortedatum 1] negentienhonderd drieënzestig, wonende (…);
2. mijn zuster, mevrouw [eiser 2] , geboren te [plaats 1] op [geboortedatum 2] negentienhonderd vijfenzestig, wonende (…)
Ik verklaar de regels van wettelijke plaatsvervulling van overeenkomstige toepassing. Plaatsvervulling gaat voor aanwas.
F. TWEETRAPSMAKING
a. Hetgeen mijn partner, mevrouw [erflaatster] , voornoemd (hierna te noemen: de bezwaarde) van het uit mijn nalatenschap aan haar nagelatene bij haar overlijden onverteerd zal hebben nagelaten, zal ten deel vallen aan:
1. mijn zuster, mevrouw [eiser 1] , voornoemd;
2. mijn zuster, mevrouw [eiser 2] , voornoemd
tezamen ieder voor een gelijk deel, met plaatsvervulling als bij de Nederlandse wet geregeld (ieder van hen hierna te noemen: de verwachters). Indien een verwachter het tijdstip van het eindigen van het recht van de bezwaarde niet overleeft, treden – alvorens aanwas onder de verwachters plaatsvindt – de afstammelingen van de verwachter staaksgewijs in de plaats, ook al bestonden zij nog niet ten tijde van mijn overlijden.
De bezwaarde is mitsdien rechthebbende onder ontbindende voorwaarde en de verwachter(s) is/zijn rechthebbende(n) onder opschortende voorwaarde.
b. Het vervallen van de tweede trap
Het voorwaardelijke karakter van de verkrijging door de bezwaarde komt te vervallen:
- wanneer de bezwaarde bij zijn overlijden afstammelingen heeft.
c. Bepalingen inzake de tweetrapsmaking
1. Binnen één jaar na mijn overlijden dient de bezwaarde bij notariële akte een beschrijving op te maken van het nalatenschapsvermogen. De alsdan in leven zijnde verwachter(s) heeft casu quo heeft/hebben het recht bij de beschrijving aanwezig te zijn en dienen daartoe tijdig door de betreffende notaris te worden opgeroepen. Deze verwachter(s) hebben het recht de erfbelasting en het aanslagbiljet met eventuele bijlagen in te zien.
2. Tot het vermogen behoren de goederen en/of rechten die bij vervreemding van de oorspronkelijke vermogens bestanddelen en/of door wederbelegging daarvoor in plaats zijn getreden.
3. De bezwaarde is verplicht het vermogen afzonderlijk van zijn overige vermogen te administreren en te beleggen.
4. De bezwaarde hoeft voor de nakoming van zijn verplichtingen jegens de verwachter geen zekerheid te stellen.
5. De bezwaarde is niet verplicht zijn eigen vermogen te verteren voordat hij inteert op het nalatenschapsvermogen.
6. Het recht van de bezwaarde eindigt:
- bij het overlijden van de bezwaarde;
- bij het faillissement van de bezwaarde;
- bij het op de bezwaarde van toepassing worden van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
G. EXECUTELE
Ik benoem tot executeur van mijn nalatenschap, gedurende de tijd voor de afwikkeling daarvan vereist, de hierna genoemde personen en wel in de volgorde waarin zij worden genoemd, zulks voor het geval de eerst benoemde wegens ontstentenis of belet niet in functie kan treden, de benoeming niet aanvaardt, of gedurende de executele overlijdt, te weten:
a. mijn partner, mevrouw [erflaatster] , voornoemd;
b. mijn zuster, mevrouw [eiser 2] , voornoemd;
c. mijn zuster, [eiser 1] , voornoemd.
(…)
H. ONTBINDING GEREGISTREERD PARTNERSCHAP
Indien ten tijde van mijn overlijden mijn geregistreerd partnerschap is ontbonden (anders dan door omzetting in een huwelijk) of een verzoek daartoe is gedaan, sluit ik mijn geregistreerd partner uit als erfgename in mijn nalatenschap en vervallen alle beschikkingen en de executeursbenoeming ten behoeve van mijn geregistreerd partner.”
2.10.
[erflaatster] is na het overlijden van [erflater] in de woning blijven wonen.
2.11.
[erflaatster] heeft op 19 juli 2016 bij testament over haar nalatenschap beschikt en [tussenkomende partij] tot haar enig erfgenaam benoemd.
2.12.
Op 12 januari 2021 heeft [erflaatster] bij testament alle door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen en [gedaagde] tot enige erfgenaam en executeur van haar nalatenschap benoemd. [erflaatster] heeft in dat testament [tussenkomende partij] en haar afstammelingen uitgesloten als erfgenamen in de nalatenschap.
2.13.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in 2022 bekend geworden met de inhoud van het testament van [erflater] .
2.14.
[erflaatster] is op 17 juli 2024 overleden.
2.15.
Een claims manager van VLC & Partners heeft een gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] op 4 maart 2025 geschreven:
“Inmiddels heeft afstemming met de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van notariskantoor [bedrijf] plaatsgevonden en kan ik u namens de kandidaat-notaris, die destijds als waarnemer van notaris [betrokkene 3] , het testament van de heer [betrokkene 1] heeft gepasseerd en namens notaris [betrokkene 3] berichten dat de inhoud van het testament juist is en de feitelijke uitkomst dus ook overeenkomt met de bedoeling van erflater.
Uit niets blijkt dat de dochter van de partner van erflater niets zou mogen ontvangen noch dat er sprake was van verstoorde verhoudingen met de dochter. Er is dan ook geen enkele aanleiding om ervan uit te gaan dat de inhoud en uitkomst van het testament van 8 april 2015 niet overeenkomt met de wens van erflater.”
2.16.
[gedaagde] heeft de woning op 13 maart 2025 verkocht voor een bedrag van € 355.000,00.
2.17.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben op 14 april 2025 ten laste van [gedaagde] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder notaris mr. [betrokkene 5] op al hetgeen hij uit hoofde van de nalatenschap van [erflaatster] aan [gedaagde] verschuldigd is of verschuldigd zal worden. Mr. [betrokkene 5] was als notaris belast met de levering van de woning aan de koper.
2.18.
Mr. [betrokkene 5] heeft verklaard aan [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur en erfgenaam van [erflaatster] een bedrag van € 317.139,67 te zijn verschuldigd, te verminderen met notariskosten in verband met het gelegde beslag.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen, verkort weergegeven, dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat het testament van [erflater] zo moet worden uitgelegd dat na het overlijden van [erflaatster] [eiser 1] en [eiser 2] gerechtigd zijn tot het onverteerde deel van zijn nalatenschap;
II. bepaalt dat de netto-opbrengst van de verkoop van de woning deel uitmaakt van die onverteerde nalatenschap en aan [eiser 1] en [eiser 2] toekomt;
III. [gedaagde] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan notaris [betrokkene 5] opdracht te geven om over te gaan tot betaling van de netto-opbrengst aan [eiser 1] en [eiser 2] ;
IV. [eiser 1] en [eiser 2] machtigt om namens [gedaagde] de rechts- en feitelijke handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om de onder III bedoelde opdracht te geven, wanneer [gedaagde] niet aan het sub III gevorderde voldoet;
V. [gedaagde] beveelt om binnen twee weken na betekening van het vonnis aan [eiser 1] en [eiser 2] een met stukken onderbouwde opgave te verstrekken van eventuele andere activa die nog tot het onverteerde deel van de nalatenschap van [erflater] moeten worden gerekend en [gedaagde] beveelt om binnen dezelfde termijn over te gaan tot afgifte daarvan, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag die [gedaagde] nalaat om aan dit bevel te voldoen;
VI. [gedaagde] veroordeelt in de kosten en de nakosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten van het conservatoir beslag.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat het testament van [erflater] zo moet worden uitgelegd dat aan het vervalbeding bij de tweetrapsmaking geen betekenis toekomt. De relatie tussen [tussenkomende partij] enerzijds en [erflaatster] en [erflater] anderzijds was in de jaren na 2005 steeds verder bekoeld. Nadat bij [erflater] in de periode 2013/2014 kanker was vastgesteld en hij daarvoor werd behandeld, heeft [erflater] aan zowel [eiser 1] als [eiser 2] te kennen gegeven dat hij [tussenkomende partij] had onterfd en dat hij ervoor ging zorgen dat [erflaatster] in de woning kon blijven wonen. Kort voor zijn dood heeft [erflater] aan zowel [eiser 1] als [eiser 2] een sleutel van de woning gegeven en daarbij gezegd dat dat “voor later” was. [erflater] was bij het passeren van het testament ernstig ziek, had veel (hoofd)pijn(en) en werd behandeld met morfine. [tussenkomende partij] was op dat moment ruim volwassen (31 jaar). De tweetrapsmaking ten gunste van [eiser 1] en [eiser 2] zou bij handhaving van het vervalbeding vanaf het begin af aan inhoudsloos zijn geweest. Er was immers al een afstammeling. Dit terwijl [erflater] in het bijzijn van getuigen juist kenbaar had gemaakt dat [tussenkomende partij] niets mocht erven.
[eiser 1] en [eiser 2] wijzen er op dat er geen aantekeningen van de betrokken notaris bekend zijn en de door de aansprakelijkheidsverzekeraar namens de notaris gegeven verklaring een dubbele ontkenning betreft en daarmee nietszeggend is. Kennelijk is er geen enkele aanwijzing dat [erflater] wel enige instructie heeft gegeven aan de notaris over het opnemen van [tussenkomende partij] in zijn testament. Alles wijst erop dat [erflater] bij het opmaken van zijn uiterste wil niets over [tussenkomende partij] heeft gezegd. Gelet op deze omstandigheden laat een redelijke uitleg van het testament geen andere conclusie toe dan dat het beding over het vervallen van de tweede trap buiten beschouwing moet worden gelaten en [eiser 1] en [eiser 2] na het overlijden van [erflaatster] als gevolg van de tweetrapsmaking bij uitsluiting gerechtigd zijn tot het onverteerde deel van de nalatenschap van [erflater] , aldus nog steeds [eiser 1] en [eiser 2] .
3.3.
[gedaagde] en [tussenkomende partij] voeren beiden verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 1] en [eiser 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van deze procedure, in het geval van [gedaagde] voorwaardelijk te vermeerderen met wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
[eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk veroordeelt tot opheffing van het door hen gelegde beslag onder de notaris binnen twee dagen na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 waarvoor [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk zijn verbonden voor elke dag of elk dagdeel dat een van hen of zij beiden hiermee in gebreke zijn, met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten, waaronder de nakosten en voorwaardelijk te vermeerderen met wettelijke rente.
3.6.
[eiser 1] en [eiser 2] voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.7.
[tussenkomende partij] concludeert tot toewijzing van wat [gedaagde] vordert.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling in conventie en reconventie
4.1.
De rechtbank zal de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk behandelen omdat zij nauw samenhangen.
4.2.
Het gaat in deze zaak om de uitleg van de uiterste wil van [erflater] zoals die is vastgelegd in het testament van 8 april 2015. Meer in het bijzonder gaat om de vraag of het bepaalde onder F, sub b over het vervallen van de tweede trap buiten beschouwing moet worden gelaten (hierna: het vervalbeding) omdat dat niet zou aansluiten bij de wil van [erflater] .
4.3.
Vooropgesteld wordt dat niet snel een in een testament opgenomen beding geheel buiten beschouwing – alsof het niet was opgenomen – kan worden gelaten. Dat kan alleen als duidelijk is dat het daarin bepaalde niet strookt met de wil van de erflater. Voor een dergelijk oordeel kan aanleiding bestaan als het beding geen duidelijke zin heeft. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is dat het geval omdat op het moment van het passeren van het testament [erflaatster] met [tussenkomende partij] al een afstammeling had en met deze bepaling de tweede trap ten gunste van de [eiser 1] en [eiser 2] vanaf het begin af aan inhoudsloos is geweest. [gedaagde] en [tussenkomende partij] betwisten dat. Zij betogen dat het testament zeer duidelijk is, namelijk dat het voorwaardelijk karakter van de verkrijging door [erflaatster] komt te vervallen als zij bij haar overlijden een afstammeling heeft. Dat [tussenkomende partij] al in leven was ten tijde van het opmaken van het testament, doet daar volgens hen niet aan af. Zij verwijzen verder naar de verklaring van de aansprakelijkheidsverzekeraar van notaris [betrokkene 3] dat uit niets blijkt dat de dochter van de partner van erflater ( [tussenkomende partij] ) niets zou mogen ontvangen.
Uitleg testament
4.4.
Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking moet op grond van artikel 4:46 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wilsbeschikking kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder die wilsbeschikking is gemaakt. In lid 2 van dat artikel is bepaald dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wilsbeschikking slechts dan voor uitlegging van een beschikking mogen worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.
4.5.
Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wilsbeschikking is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van ná het opmaken daarvan van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder het testament is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van zijn uiterste wilsbeschikking bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder die wilsbeschikking tot stand is gekomen.
Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met zijn uiterste wilsbeschikking kennelijk wenst te regelen. Voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met zijn uiterste wilsbeschikking kennelijk wenst te regelen, kan mede acht geslagen worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflater heeft beoogd.
Omstandigheden en verhoudingen
4.6.
De volgende, relevante omstandigheden waaronder het testament is gemaakt staan vast:
[erflater] en [erflaatster] leefden samen in de woning van [erflater] . Zij hadden een samenlevingsovereenkomst gesloten en zijn zeer kort na het opmaken van het testament en voor de dood van [erflater] een geregistreerd partnerschap aangegaan.
[erflater] had geen eigen kinderen.
In zijn eerdere testament van 3 februari 1997 had [erflater] [erflaatster] en [tussenkomende partij] beiden tot zijn erfgenamen benoemd.
[erflater] was bij het vaststellen van het testament van 8 april 2015 ernstig ziek, kreeg morfine toegediend en wist dat hij niet lang meer zou leven.
[tussenkomende partij] enerzijds en [erflaatster] en [erflater] anderzijds hadden op dat moment al lange tijd, enige jaren, nagenoeg geen contact meer met elkaar.
De relatie tussen [erflater] , [eiser 1] en [eiser 2] was goed.
[erflaatster] was ten tijde van het opstellen van het testament 53 jaar oud en chronisch ziek. Zij leed aan leukemie.
[tussenkomende partij] was op dat moment 31 jaar.
4.7.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat [erflater] heeft willen regelen dat het onverteerde deel van zijn nalatenschap na het overlijden van [erflaatster] onvoorwaardelijk aan hen (of hun afstammelingen) zou toevallen. [erflater] wilde, aldus [eiser 1] en [eiser 2] , dat zij na het overlijden van [erflaatster] de woning zouden krijgen en [erflaatster] niet in afwijking van de tweetrapsmaking kon bepalen wat er bij haar dood met het resterende gedeelte van zijn nalatenschap zou gebeuren. Het door [erflaatster] onverteerd gelaten deel zou ‘in de familie’ moeten blijven.
4.8.
Voor wat betreft de bedoeling van [erflater] verwijzen [eiser 1] en [eiser 2] onder meer naar e-mails van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] aan [eiser 1] . [betrokkene 6] schrijft in haar e-mail:
“Enige wat ik nog weet van [erflater] zijn laatste wens is, dat na zijn overlijden [erflaatster] in zijn huis blijft wonen, en als zij overlijdt, jij en [eiser 2] zijn huis erven. Dat gaf hem rust!
Volgens mij heeft hij dat ook nog op papier laten zetten vlak voor zijn overlijden?”
En [betrokkene 7] schrijft voor zover van belang:
“Jullie hebben mij gevraagd of ik iets weet over de inhoud van jonge [erflater] ’s testament.
Welnu, het was [erflater] senior (de vader was in die periode onze buurman) die mij heeft verteld over de inhoud ervan. Het was de bedoeling dat de twee zussen van [erflater] junior het huis zouden erven.
Ik weet dit zo zeker omdat ik [erflater] senior adviseerde nog eens uit te zoeken middels een advocaat hoe familieerfrecht (in dit geval de zussen) zich verhoudt tot erfrecht van echtgenote/weduwe en haar dochter.
Met andere woorden: overstijgt de erfrecht van de zussen de erfrecht van de stiefdochter?
Ik kan absoluut geen datum herinneren van dit gesprek met [erflater] senior. Uiteraard is het voor jonge [erflater] ’s overlijden geweest.”
4.9.
Verder wijzen [eiser 1] en [eiser 2] er op dat [erflater] aan hen een sleutel van zijn woning heeft gegeven met de woorden ‘voor later’. [eiser 1] en [eiser 2] stellen zich op het standpunt dat [erflater] met de tweetrapsmaking het vorenstaande heeft willen regelen en het vervalbeding per abuis in het testament is opgenomen.
4.10.
[gedaagde] en [tussenkomende partij] betwisten dat sprake is van een standaardbepaling die abusievelijk in het testament is blijven staan. Zij stellen zich op het standpunt dat het vervalbeding duidelijk is en ervan uit moet worden gegaan dat deze bepaling in overeenstemming met de wil van [erflater] is, zodat de tweede trap is vervallen.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.11.
Vooropgesteld wordt dat uit de bewoordingen van het testament blijkt dat bij de tweetrapsmaking gebruik is gemaakt van een model/standaardtekst. Zo wordt de bezwaarde, [erflaatster] , steeds in de mannelijke in plaats van de vrouwelijke vorm aangeduid. Ook wordt [tussenkomende partij] als afstammeling van [erflaatster] niet bij naam genoemd. Ook hieruit volgt dat de tekst van het vervalbeding niet voor de specifieke situatie van [erflater] is geschreven, maar gebruik is gemaakt van een standaardbepaling.
4.12.
Alhoewel de inhoud van het vervalbeding zelf niet onduidelijk is – dat is tussen partijen ook niet in geschil –, maakt dit beding wel dat de in het testament opgenomen tweetrapsmaking ten behoeve van [eiser 1] en [eiser 2] geen duidelijke zin heeft. Met het vervalbeding is de tweetrapsmaking immers feitelijk een loze bepaling geworden, omdat [erflaatster] ten tijde van het opmaken van het testament al een afstammeling had en daarmee de tweetrapsmaking dus meteen weer kwam te vervallen. Aangezien [erflaatster] toen 53 jaar oud was, ruim 20 jaar ouder dan [tussenkomende partij] , en chronisch ziek, lag bepaald niet in de lijn der verwachting dat [tussenkomende partij] voor [erflaatster] zou komen te overlijden. In de meeste gevallen overleven kinderen hun ouders. Als het werkelijk de uitdrukkelijke wens van [erflater] zou zijn geweest om voor die uitzonderlijke situatie een tweetrapsmaking op te nemen, mag worden aangenomen dat de notaris hierover indringend met [erflater] heeft gesproken en de notaris daarvan ook aantekening zou hebben gemaakt. Dit geldt te meer omdat [erflater] ten tijde van het opmaken van zijn testament ernstig ziek was en met morfine werd behandeld. Nu echter iedere aantekening ontbreekt, gaat de rechtbank ervan uit dat [erflater] dit in het gesprek met de (kandidaat-) notaris niet aan de orde heeft gesteld en over (de consequenties van) het vervalbeding niet is gesproken.
4.13.
De verklaring van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de notaris dat uit niets blijkt dat de dochter van de partner van erflater ( [tussenkomende partij] ) niets zou mogen ontvangen, doet aan het vorenstaande niet af. Deze verklaring staat bovendien op gespannen voet met de in het testament opgenomen tweede erfstelling. In zijn testament heeft [erflater] voor het geval [erflaatster] nog vóór of gelijktijdig met hem zou overlijden [eiser 1] en [eiser 2] (en dus niet [tussenkomende partij] ) bij tweede erfstelling tot zijn erfgenamen benoemd. [erflater] heeft in zoverre [tussenkomende partij] in 2015 ‘onterfd’. [tussenkomende partij] was immers tot dat moment op grond van het testament van 3 februari 1997 nog samen met haar moeder erfgenaam. Indien, zoals [gedaagde] betoogt, de aanpassing van het testament uitsluitend bedoeld was om te zorgen dat [erflaatster] in zijn huis kon blijven wonen en het niet de bedoeling was dat [tussenkomende partij] niets meer zou mogen ontvangen, valt niet te begrijpen waarom in het testament een tweede erfstelling is opgenomen waarmee ten behoeve van [eiser 1] en [eiser 2] voorbij wordt gegaan aan de afstammelingen van [erflaatster] en dus aan [tussenkomende partij] .
4.14.
Daarbij komt dat [eiser 1] en [eiser 2] (en niet [tussenkomende partij] ) na [erflaatster] tot executeur zijn benoemd. Ook dit wijst erop dat [erflater] met zijn uiterste wilsbeschikking heeft willen regelen dat na het overlijden van [erflaatster] zijn zussen over zijn nalatenschap zouden moeten kunnen beschikken en hij [tussenkomende partij] daar niet langer enig aandeel in heeft willen toekennen.
4.15.
De rechtbank neemt verder in aanmerking dat [erflater] kort voor zijn overlijden een sleutel van zijn huis aan [eiser 1] heeft overhandigd. Ook hierin kan een aanwijzing worden gezien voor de wens van [erflater] dat na het overlijden van [erflaatster] het onverteerde deel van zijn nalatenschap, zijn huis, aan [eiser 1] en [eiser 2] zou toekomen. [gedaagde] en [tussenkomende partij] hebben dit weliswaar betwist, maar zij hebben niet weersproken dat [erflaatster] kort na het overlijden van [erflater] aan [eiser 1] heeft gevraagd de sleutel van de woning terug te geven en dat [erflaatster] ook de sloten van de woning heeft laten vervangen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben voorts ter onderbouwing hiervan een notitie uit de agenda van [eiser 1] overgelegd waarin een afspraak over het teruggeven van de sleutel staat genoteerd.
4.16.
De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat, gelet op de omstandigheden waaronder [erflater] zijn testament heeft gemaakt en de verhoudingen die hij kennelijk heeft willen regelen, het standaard vervalbeding per abuis in het testament is blijven staan. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het vervalbeding geen betekenis toekomt en [eiser 1] en [eiser 2] op grond van de tweetrapsmaking aanspraak kunnen maken op het onverteerd gebleven deel van de nalatenschap van [erflater] . De vorderingen in conventie zullen daarom worden toegewezen zoals gevorderd. De rechtbank overweegt daarbij dat [gedaagde] tegen toewijzing van de vorderingen geen andere verweren heeft gevoerd dan dat [erflaatster] en [eiser 1] geen aanspraak kunnen maken op de nalatenschap. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt zoals in de beslissing is vermeld. De termijn waarbinnen [gedaagde] de gevorderde opgave moet verstrekken en over moet gaan tot afgifte van eventuele overige activa die behoren tot het door [erflaatster] bij haar dood onverteerd gelaten deel van de nalatenschap van [erflater] zal worden gesteld op vier weken.
De vordering in reconventie wordt afgewezen.
Proceskosten
4.17.
[gedaagde] en [tussenkomende partij] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie en in reconventie betalen. De proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.959,00
(3 punten × € 653,00)
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.438,00
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat het testament van [erflater] zo moet worden uitgelegd dat na het overlijden van [erflaatster] [eiser 1] en [eiser 2] gerechtigd zijn tot het onverteerde deel van zijn nalatenschap,
5.2.
bepaalt dat de netto-opbrengst van de verkoop van de woning deel uitmaakt van die onverteerde nalatenschap en aan [eiser 1] en [eiser 2] toekomt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan notaris [betrokkene 5] opdracht te geven om over te gaan tot betaling van de netto-opbrengst aan [eiser 1] en [eiser 2] ,
5.4.
machtigt [eiser 1] en [eiser 2] om namens [gedaagde] de rechts- en feitelijke handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om de onder 5.3 bedoelde opdracht te geven, wanneer [gedaagde] niet aan de veroordeling onder 5.3 voldoet,
5.5.
beveelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van het vonnis aan [eiser 1] en [eiser 2] een met stukken onderbouwde opgave te verstrekken van eventuele andere activa die nog tot het onverteerde deel van de nalatenschap van [erflater] moeten worden gerekend en beveelt [gedaagde] om binnen dezelfde termijn over te gaan tot afgifte daarvan, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag voor iedere dag die [gedaagde] nalaat om aan dit bevel te voldoen, met een maximum van € 5.000,00,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.7.
wijst de vordering af,
in conventie en in reconventie
5.8.
veroordeelt [gedaagde] en [tussenkomende partij] hoofdelijk in de proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] van € 2.438,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze veroordeling wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend,
5.9.
verklaart de beslissingen onder 5.3 t/m 5.5 en 5.8 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
1998
HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531 en HR 11 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:911.
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/365463 / HA ZA 25-302
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats 1] ,2. [eiser 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. J. Jong,
tegen
[gedaagde]
, in zijn hoedanigheid van executeur en erfgenaam van wijlen mevrouw [erflaatster] , overleden op 27 juli 2024 te [plaats 2] ,
te [plaats 3] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P.R. Starink.
en
[tussenkomende partij]
,
te [plaats 4] ,
tussenkomende partij,
hierna te noemen: [tussenkomende partij] ,
advocaat: mr.drs. M.R. van Leeuwen.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de uitleg van het testament dat [erflater] , de broer van [eiser 1] en [eiser 2] , kort voor zijn dood in 2015 heeft laten opmaken. Centraal staat de vraag of een beding in het testament van [erflater] buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat dat beding niet strookt met de wil van [erflater] . Op grond van dat beding komt de in het testament opgenomen tweetrapsmaking te vervallen als aan de daarvoor gestelde voorwaarde, te weten dat de bezwaarde bij zijn overlijden afstammelingen heeft, is voldaan. [erflaatster] , de partner van [erflater] , is in die tweetrapsmaking aangewezen als bezwaarde, [eiser 1] en [eiser 2] als verwachters. [tussenkomende partij] is de dochter van [erflaatster] .
[erflaatster] is in 2024 overleden. [erflaatster] heeft in haar testament [gedaagde] tot enig erfgenaam benoemd en daarmee haar dochter [tussenkomende partij] onterfd.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat het vervalbeding een standaardbepaling is, die abusievelijk niet uit het testament is verwijderd. [erflater] wilde hoe dan ook dat hetgeen [erflaatster] bij haar dood van zijn nalatenschap onverteerd zou hebben gelaten aan hen zou toekomen en niet aan [tussenkomende partij] . Het onverteerd gelaten deel van de nalatenschap van [erflater] bestaat in ieder geval uit de netto-opbrengst van de woning van [erflater] . [eiser 1] en [eiser 2] vorderen onder meer dat [gedaagde] dat bedrag aan hen afdraagt.
[gedaagde] en [tussenkomende partij] betwisten dat [eiser 1] en [eiser 2] enige aanspraak uit hoofde van de tweetrapsmaking hebben. Volgens hen is er geen enkele reden om het vervalbeding buiten beschouwing te laten. Het beding is duidelijk en aan de daarin opgenomen voorwaarde is voldaan, zodat de tweetrapsmaking bij de dood van [erflaatster] is vervallen, zo betogen zij.
De rechtbank komt tot het oordeel dat gelet op de omstandigheden waaronder [erflater] zijn testament heeft gemaakt en de verhoudingen die hij kennelijk heeft willen regelen, de door [eiser 1] en [eiser 2] gegeven uitleg moet worden gevolgd dat het standaard vervalbeding abusievelijk in het testament is opgenomen. De vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] worden daarom toegewezen. De vordering van [gedaagde] tot opheffing van het gelegde beslag wordt afgewezen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 april 2025 met dertien producties
- de akte overlegging producties met productie 14
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met drie producties van [gedaagde]
- de incidentele conclusie tot tussenkomst van [tussenkomende partij]
- de incidentele conclusie van antwoord inzake tussenkomst van [eiser 1] en [eiser 2]
- de incidentele conclusie van antwoord inzake tussenkomst van [gedaagde]
- het tussenvonnis in incident van 26 november 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 14 tot en met 18
- de conclusie van antwoord van [tussenkomende partij]
- het tussenvonnis van 28 januari 2026
- de mondelinge behandeling van 2 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij mr. Jong gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[betrokkene 1] (hierna: [erflater] ) was de broer van [eiser 1] en [eiser 2] . Hij is op 13 april 2015 overleden.
2.2.
Ten tijde van zijn overlijden woonde [erflater] in de woning aan de [adres] (hierna: de woning). [erflater] had de woning in 1992 gekocht.
2.3.
Op enig moment in de jaren negentig zijn [erflaatster] (hierna: [erflaatster] ) en [tussenkomende partij] bij [erflater] ingetrokken. [tussenkomende partij] is het enig kind van [erflaatster] .
2.4.
Op 27 januari 1997 hebben [erflater] en [erflaatster] een samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.5.
Op 3 februari 1997 heeft [erflater] een testament opgemaakt waarin – voor zover van belang – het volgende staat:
“ (…)
BESCHIKKINGEN TEN BEHOEVE VAN PARTNER
(…)
Ten tweede:
Voor het geval ik ten tijde van mijn overlijden niet ben gehuwd beschik ik, zulks onder de ontbindende voorwaarde dat ten tijde van mijn overlijden mijn gemeenschappelijke huishouding met:
Mevrouw [erflaatster] , medewerkster drogisterij/parfumerie, geboren te [plaats 5] (Zimbabwe) op [geboortedatum 3] negentienhonderd tweeenzestig, weduwe van de Heer [betrokkene 2] ,
hierna te noemen: “mijn partner”,
niet duurzaam is verbroken – waaronder ik niet versta opname in een ziekenhuis, revalidatiecentrum, verpleegtehuis of soortgelijk oord en/of inrichting – als volgt:
I.
erfgenamen
Ik benoem, onder bezwaar van na te melden legaten, mijn partner en haar dochter, [tussenkomende partij] , tezamen met mijn eventuele kinderen, dan wel hun afstammelingen als bij wettelijke plaatsvervulling, tot enige en algehele erfgenamen van mijn nalatenschap, gezamenlijk en voor gelijke delen.”
(…)
OVERLIJDEN VOOR ECHTGENOOT
Ten derde:
Voor het geval ik ten tijde van mijn overlijden met mijn partner – hierna ook aangeduid als “echtgenote” – mocht zijn gehuwd, beschik ik als volgt:
I. ERFGENAMEN/LEGATARISSEN
Ik benoem, mijn echtgenote tezamen met mijn eventuele kinderen, dan wel hun afstammelingen als bij wettelijke plaatsvervulling, tot enige en algehele erfgenamen van mijn nalatenschap en legateer aan de hiervoor onder ten tweede sub I genoemde dochter van mijn echtgenote een som in contanten ten bedrage van het zuiver erfdeel dat zij zou hebben genoten indien zij mijn wettelijke erfgenaam ware geweest, op welke vordering het hierna bepaalde onder C van overeenkomstige toepassing is.
2.6.
In 2003 hebben [erflater] en [erflaatster] de samenlevingsovereenkomst wegens beëindiging van hun samenleving ontbonden.
2.7.
In 2005 zijn [erflater] en [erflaatster] weer gaan samenwonen en hebben zij wederom een samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.8.
Op 8 april 2015, enkele dagen voor zijn dood, heeft [erflater] opnieuw over zijn nalatenschap beschikt. Het testament is vastgelegd door notaris mr. [betrokkene 4] , destijds kandidaat-notaris en waarnemer van notaris mr. [betrokkene 3] . Ook is [erflater] die dag met [erflaatster] een geregistreerd partnerschap aangegaan. [erflater] was op dat moment ernstig ziek en kreeg morfine toegediend via een pomp om hoofdpijn te bestrijden.
2.9.
In dit testament (hierna: het testament) staat – voor zover van belang – het volgende:
“De comparant verklaarde als volgt over zijn nalatenschap te beschikken:
A. HERROEPING
Ik herroep alle uiterste wilsbeschikkingen die door mij voor dit testament zijn gemaakt, behoudens eventueel door mij gemaakte codicillen.
(…)
D. EERSTE ERFSTELLING
Ik benoem tot enig erfgenaam in mijn nalatenschap:
Mevrouw [erflaatster] , wonende [adres] , geboren te [plaats 5] (Zimbabwe) op [geboortedatum 3] negentienhonderd tweeënzestig, thans ongehuwd en geen geregistreerd partner.
E. TWEEDE ERFSTELLING
Indien mijn partner, mevrouw [erflaatster] , voornoemd, vóór of gelijktijdig met mij overlijdt, mijn nalatenschap verwerpt of onwaardig is, benoem ik tot mijn erfgenamen, ieder voor een gelijk deel:
1. mijn zuster, mevrouw [eiser 1] , geboren te [plaats 1] op [geboortedatum 1] negentienhonderd drieënzestig, wonende (…);
2. mijn zuster, mevrouw [eiser 2] , geboren te [plaats 1] op [geboortedatum 2] negentienhonderd vijfenzestig, wonende (…)
Ik verklaar de regels van wettelijke plaatsvervulling van overeenkomstige toepassing. Plaatsvervulling gaat voor aanwas.
F. TWEETRAPSMAKING
a. Hetgeen mijn partner, mevrouw [erflaatster] , voornoemd (hierna te noemen: de bezwaarde) van het uit mijn nalatenschap aan haar nagelatene bij haar overlijden onverteerd zal hebben nagelaten, zal ten deel vallen aan:
1. mijn zuster, mevrouw [eiser 1] , voornoemd;
2. mijn zuster, mevrouw [eiser 2] , voornoemd
tezamen ieder voor een gelijk deel, met plaatsvervulling als bij de Nederlandse wet geregeld (ieder van hen hierna te noemen: de verwachters). Indien een verwachter het tijdstip van het eindigen van het recht van de bezwaarde niet overleeft, treden – alvorens aanwas onder de verwachters plaatsvindt – de afstammelingen van de verwachter staaksgewijs in de plaats, ook al bestonden zij nog niet ten tijde van mijn overlijden.
De bezwaarde is mitsdien rechthebbende onder ontbindende voorwaarde en de verwachter(s) is/zijn rechthebbende(n) onder opschortende voorwaarde.
b. Het vervallen van de tweede trap
Het voorwaardelijke karakter van de verkrijging door de bezwaarde komt te vervallen:
- wanneer de bezwaarde bij zijn overlijden afstammelingen heeft.
c. Bepalingen inzake de tweetrapsmaking
1. Binnen één jaar na mijn overlijden dient de bezwaarde bij notariële akte een beschrijving op te maken van het nalatenschapsvermogen. De alsdan in leven zijnde verwachter(s) heeft casu quo heeft/hebben het recht bij de beschrijving aanwezig te zijn en dienen daartoe tijdig door de betreffende notaris te worden opgeroepen. Deze verwachter(s) hebben het recht de erfbelasting en het aanslagbiljet met eventuele bijlagen in te zien.
2. Tot het vermogen behoren de goederen en/of rechten die bij vervreemding van de oorspronkelijke vermogens bestanddelen en/of door wederbelegging daarvoor in plaats zijn getreden.
3. De bezwaarde is verplicht het vermogen afzonderlijk van zijn overige vermogen te administreren en te beleggen.
4. De bezwaarde hoeft voor de nakoming van zijn verplichtingen jegens de verwachter geen zekerheid te stellen.
5. De bezwaarde is niet verplicht zijn eigen vermogen te verteren voordat hij inteert op het nalatenschapsvermogen.
6. Het recht van de bezwaarde eindigt:
- bij het overlijden van de bezwaarde;
- bij het faillissement van de bezwaarde;
- bij het op de bezwaarde van toepassing worden van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
G. EXECUTELE
Ik benoem tot executeur van mijn nalatenschap, gedurende de tijd voor de afwikkeling daarvan vereist, de hierna genoemde personen en wel in de volgorde waarin zij worden genoemd, zulks voor het geval de eerst benoemde wegens ontstentenis of belet niet in functie kan treden, de benoeming niet aanvaardt, of gedurende de executele overlijdt, te weten:
a. mijn partner, mevrouw [erflaatster] , voornoemd;
b. mijn zuster, mevrouw [eiser 2] , voornoemd;
c. mijn zuster, [eiser 1] , voornoemd.
(…)
H. ONTBINDING GEREGISTREERD PARTNERSCHAP
Indien ten tijde van mijn overlijden mijn geregistreerd partnerschap is ontbonden (anders dan door omzetting in een huwelijk) of een verzoek daartoe is gedaan, sluit ik mijn geregistreerd partner uit als erfgename in mijn nalatenschap en vervallen alle beschikkingen en de executeursbenoeming ten behoeve van mijn geregistreerd partner.”
2.10.
[erflaatster] is na het overlijden van [erflater] in de woning blijven wonen.
2.11.
[erflaatster] heeft op 19 juli 2016 bij testament over haar nalatenschap beschikt en [tussenkomende partij] tot haar enig erfgenaam benoemd.
2.12.
Op 12 januari 2021 heeft [erflaatster] bij testament alle door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen en [gedaagde] tot enige erfgenaam en executeur van haar nalatenschap benoemd. [erflaatster] heeft in dat testament [tussenkomende partij] en haar afstammelingen uitgesloten als erfgenamen in de nalatenschap.
2.13.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in 2022 bekend geworden met de inhoud van het testament van [erflater] .
2.14.
[erflaatster] is op 17 juli 2024 overleden.
2.15.
Een claims manager van VLC & Partners heeft een gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] op 4 maart 2025 geschreven:
“Inmiddels heeft afstemming met de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van notariskantoor [bedrijf] plaatsgevonden en kan ik u namens de kandidaat-notaris, die destijds als waarnemer van notaris [betrokkene 3] , het testament van de heer [betrokkene 1] heeft gepasseerd en namens notaris [betrokkene 3] berichten dat de inhoud van het testament juist is en de feitelijke uitkomst dus ook overeenkomt met de bedoeling van erflater.
Uit niets blijkt dat de dochter van de partner van erflater niets zou mogen ontvangen noch dat er sprake was van verstoorde verhoudingen met de dochter. Er is dan ook geen enkele aanleiding om ervan uit te gaan dat de inhoud en uitkomst van het testament van 8 april 2015 niet overeenkomt met de wens van erflater.”
2.16.
[gedaagde] heeft de woning op 13 maart 2025 verkocht voor een bedrag van € 355.000,00.
2.17.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben op 14 april 2025 ten laste van [gedaagde] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder notaris mr. [betrokkene 5] op al hetgeen hij uit hoofde van de nalatenschap van [erflaatster] aan [gedaagde] verschuldigd is of verschuldigd zal worden. Mr. [betrokkene 5] was als notaris belast met de levering van de woning aan de koper.
2.18.
Mr. [betrokkene 5] heeft verklaard aan [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur en erfgenaam van [erflaatster] een bedrag van € 317.139,67 te zijn verschuldigd, te verminderen met notariskosten in verband met het gelegde beslag.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen, verkort weergegeven, dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat het testament van [erflater] zo moet worden uitgelegd dat na het overlijden van [erflaatster] [eiser 1] en [eiser 2] gerechtigd zijn tot het onverteerde deel van zijn nalatenschap;
II. bepaalt dat de netto-opbrengst van de verkoop van de woning deel uitmaakt van die onverteerde nalatenschap en aan [eiser 1] en [eiser 2] toekomt;
III. [gedaagde] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan notaris [betrokkene 5] opdracht te geven om over te gaan tot betaling van de netto-opbrengst aan [eiser 1] en [eiser 2] ;
IV. [eiser 1] en [eiser 2] machtigt om namens [gedaagde] de rechts- en feitelijke handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om de onder III bedoelde opdracht te geven, wanneer [gedaagde] niet aan het sub III gevorderde voldoet;
V. [gedaagde] beveelt om binnen twee weken na betekening van het vonnis aan [eiser 1] en [eiser 2] een met stukken onderbouwde opgave te verstrekken van eventuele andere activa die nog tot het onverteerde deel van de nalatenschap van [erflater] moeten worden gerekend en [gedaagde] beveelt om binnen dezelfde termijn over te gaan tot afgifte daarvan, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag die [gedaagde] nalaat om aan dit bevel te voldoen;
VI. [gedaagde] veroordeelt in de kosten en de nakosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten van het conservatoir beslag.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat het testament van [erflater] zo moet worden uitgelegd dat aan het vervalbeding bij de tweetrapsmaking geen betekenis toekomt. De relatie tussen [tussenkomende partij] enerzijds en [erflaatster] en [erflater] anderzijds was in de jaren na 2005 steeds verder bekoeld. Nadat bij [erflater] in de periode 2013/2014 kanker was vastgesteld en hij daarvoor werd behandeld, heeft [erflater] aan zowel [eiser 1] als [eiser 2] te kennen gegeven dat hij [tussenkomende partij] had onterfd en dat hij ervoor ging zorgen dat [erflaatster] in de woning kon blijven wonen. Kort voor zijn dood heeft [erflater] aan zowel [eiser 1] als [eiser 2] een sleutel van de woning gegeven en daarbij gezegd dat dat “voor later” was. [erflater] was bij het passeren van het testament ernstig ziek, had veel (hoofd)pijn(en) en werd behandeld met morfine. [tussenkomende partij] was op dat moment ruim volwassen (31 jaar). De tweetrapsmaking ten gunste van [eiser 1] en [eiser 2] zou bij handhaving van het vervalbeding vanaf het begin af aan inhoudsloos zijn geweest. Er was immers al een afstammeling. Dit terwijl [erflater] in het bijzijn van getuigen juist kenbaar had gemaakt dat [tussenkomende partij] niets mocht erven.
[eiser 1] en [eiser 2] wijzen er op dat er geen aantekeningen van de betrokken notaris bekend zijn en de door de aansprakelijkheidsverzekeraar namens de notaris gegeven verklaring een dubbele ontkenning betreft en daarmee nietszeggend is. Kennelijk is er geen enkele aanwijzing dat [erflater] wel enige instructie heeft gegeven aan de notaris over het opnemen van [tussenkomende partij] in zijn testament. Alles wijst erop dat [erflater] bij het opmaken van zijn uiterste wil niets over [tussenkomende partij] heeft gezegd. Gelet op deze omstandigheden laat een redelijke uitleg van het testament geen andere conclusie toe dan dat het beding over het vervallen van de tweede trap buiten beschouwing moet worden gelaten en [eiser 1] en [eiser 2] na het overlijden van [erflaatster] als gevolg van de tweetrapsmaking bij uitsluiting gerechtigd zijn tot het onverteerde deel van de nalatenschap van [erflater] , aldus nog steeds [eiser 1] en [eiser 2] .
3.3.
[gedaagde] en [tussenkomende partij] voeren beiden verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 1] en [eiser 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van deze procedure, in het geval van [gedaagde] voorwaardelijk te vermeerderen met wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
[eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk veroordeelt tot opheffing van het door hen gelegde beslag onder de notaris binnen twee dagen na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 waarvoor [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk zijn verbonden voor elke dag of elk dagdeel dat een van hen of zij beiden hiermee in gebreke zijn, met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten, waaronder de nakosten en voorwaardelijk te vermeerderen met wettelijke rente.
3.6.
[eiser 1] en [eiser 2] voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.7.
[tussenkomende partij] concludeert tot toewijzing van wat [gedaagde] vordert.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling in conventie en reconventie
4.1.
De rechtbank zal de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk behandelen omdat zij nauw samenhangen.
4.2.
Het gaat in deze zaak om de uitleg van de uiterste wil van [erflater] zoals die is vastgelegd in het testament van 8 april 2015. Meer in het bijzonder gaat om de vraag of het bepaalde onder F, sub b over het vervallen van de tweede trap buiten beschouwing moet worden gelaten (hierna: het vervalbeding) omdat dat niet zou aansluiten bij de wil van [erflater] .
4.3.
Vooropgesteld wordt dat niet snel een in een testament opgenomen beding geheel buiten beschouwing – alsof het niet was opgenomen – kan worden gelaten. Dat kan alleen als duidelijk is dat het daarin bepaalde niet strookt met de wil van de erflater. Voor een dergelijk oordeel kan aanleiding bestaan als het beding geen duidelijke zin heeft. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is dat het geval omdat op het moment van het passeren van het testament [erflaatster] met [tussenkomende partij] al een afstammeling had en met deze bepaling de tweede trap ten gunste van de [eiser 1] en [eiser 2] vanaf het begin af aan inhoudsloos is geweest. [gedaagde] en [tussenkomende partij] betwisten dat. Zij betogen dat het testament zeer duidelijk is, namelijk dat het voorwaardelijk karakter van de verkrijging door [erflaatster] komt te vervallen als zij bij haar overlijden een afstammeling heeft. Dat [tussenkomende partij] al in leven was ten tijde van het opmaken van het testament, doet daar volgens hen niet aan af. Zij verwijzen verder naar de verklaring van de aansprakelijkheidsverzekeraar van notaris [betrokkene 3] dat uit niets blijkt dat de dochter van de partner van erflater ( [tussenkomende partij] ) niets zou mogen ontvangen.
Uitleg testament
4.4.
Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking moet op grond van artikel 4:46 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wilsbeschikking kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder die wilsbeschikking is gemaakt. In lid 2 van dat artikel is bepaald dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wilsbeschikking slechts dan voor uitlegging van een beschikking mogen worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.
4.5.
Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wilsbeschikking is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van ná het opmaken daarvan van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder het testament is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van zijn uiterste wilsbeschikking bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder die wilsbeschikking tot stand is gekomen.
Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met zijn uiterste wilsbeschikking kennelijk wenst te regelen. Voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met zijn uiterste wilsbeschikking kennelijk wenst te regelen, kan mede acht geslagen worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflater heeft beoogd.
Omstandigheden en verhoudingen
4.6.
De volgende, relevante omstandigheden waaronder het testament is gemaakt staan vast:
[erflater] en [erflaatster] leefden samen in de woning van [erflater] . Zij hadden een samenlevingsovereenkomst gesloten en zijn zeer kort na het opmaken van het testament en voor de dood van [erflater] een geregistreerd partnerschap aangegaan.
[erflater] had geen eigen kinderen.
In zijn eerdere testament van 3 februari 1997 had [erflater] [erflaatster] en [tussenkomende partij] beiden tot zijn erfgenamen benoemd.
[erflater] was bij het vaststellen van het testament van 8 april 2015 ernstig ziek, kreeg morfine toegediend en wist dat hij niet lang meer zou leven.
[tussenkomende partij] enerzijds en [erflaatster] en [erflater] anderzijds hadden op dat moment al lange tijd, enige jaren, nagenoeg geen contact meer met elkaar.
De relatie tussen [erflater] , [eiser 1] en [eiser 2] was goed.
[erflaatster] was ten tijde van het opstellen van het testament 53 jaar oud en chronisch ziek. Zij leed aan leukemie.
[tussenkomende partij] was op dat moment 31 jaar.
4.7.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat [erflater] heeft willen regelen dat het onverteerde deel van zijn nalatenschap na het overlijden van [erflaatster] onvoorwaardelijk aan hen (of hun afstammelingen) zou toevallen. [erflater] wilde, aldus [eiser 1] en [eiser 2] , dat zij na het overlijden van [erflaatster] de woning zouden krijgen en [erflaatster] niet in afwijking van de tweetrapsmaking kon bepalen wat er bij haar dood met het resterende gedeelte van zijn nalatenschap zou gebeuren. Het door [erflaatster] onverteerd gelaten deel zou ‘in de familie’ moeten blijven.
4.8.
Voor wat betreft de bedoeling van [erflater] verwijzen [eiser 1] en [eiser 2] onder meer naar e-mails van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] aan [eiser 1] . [betrokkene 6] schrijft in haar e-mail:
“Enige wat ik nog weet van [erflater] zijn laatste wens is, dat na zijn overlijden [erflaatster] in zijn huis blijft wonen, en als zij overlijdt, jij en [eiser 2] zijn huis erven. Dat gaf hem rust!
Volgens mij heeft hij dat ook nog op papier laten zetten vlak voor zijn overlijden?”
En [betrokkene 7] schrijft voor zover van belang:
“Jullie hebben mij gevraagd of ik iets weet over de inhoud van jonge [erflater] ’s testament.
Welnu, het was [erflater] senior (de vader was in die periode onze buurman) die mij heeft verteld over de inhoud ervan. Het was de bedoeling dat de twee zussen van [erflater] junior het huis zouden erven.
Ik weet dit zo zeker omdat ik [erflater] senior adviseerde nog eens uit te zoeken middels een advocaat hoe familieerfrecht (in dit geval de zussen) zich verhoudt tot erfrecht van echtgenote/weduwe en haar dochter.
Met andere woorden: overstijgt de erfrecht van de zussen de erfrecht van de stiefdochter?
Ik kan absoluut geen datum herinneren van dit gesprek met [erflater] senior. Uiteraard is het voor jonge [erflater] ’s overlijden geweest.”
4.9.
Verder wijzen [eiser 1] en [eiser 2] er op dat [erflater] aan hen een sleutel van zijn woning heeft gegeven met de woorden ‘voor later’. [eiser 1] en [eiser 2] stellen zich op het standpunt dat [erflater] met de tweetrapsmaking het vorenstaande heeft willen regelen en het vervalbeding per abuis in het testament is opgenomen.
4.10.
[gedaagde] en [tussenkomende partij] betwisten dat sprake is van een standaardbepaling die abusievelijk in het testament is blijven staan. Zij stellen zich op het standpunt dat het vervalbeding duidelijk is en ervan uit moet worden gegaan dat deze bepaling in overeenstemming met de wil van [erflater] is, zodat de tweede trap is vervallen.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.11.
Vooropgesteld wordt dat uit de bewoordingen van het testament blijkt dat bij de tweetrapsmaking gebruik is gemaakt van een model/standaardtekst. Zo wordt de bezwaarde, [erflaatster] , steeds in de mannelijke in plaats van de vrouwelijke vorm aangeduid. Ook wordt [tussenkomende partij] als afstammeling van [erflaatster] niet bij naam genoemd. Ook hieruit volgt dat de tekst van het vervalbeding niet voor de specifieke situatie van [erflater] is geschreven, maar gebruik is gemaakt van een standaardbepaling.
4.12.
Alhoewel de inhoud van het vervalbeding zelf niet onduidelijk is – dat is tussen partijen ook niet in geschil –, maakt dit beding wel dat de in het testament opgenomen tweetrapsmaking ten behoeve van [eiser 1] en [eiser 2] geen duidelijke zin heeft. Met het vervalbeding is de tweetrapsmaking immers feitelijk een loze bepaling geworden, omdat [erflaatster] ten tijde van het opmaken van het testament al een afstammeling had en daarmee de tweetrapsmaking dus meteen weer kwam te vervallen. Aangezien [erflaatster] toen 53 jaar oud was, ruim 20 jaar ouder dan [tussenkomende partij] , en chronisch ziek, lag bepaald niet in de lijn der verwachting dat [tussenkomende partij] voor [erflaatster] zou komen te overlijden. In de meeste gevallen overleven kinderen hun ouders. Als het werkelijk de uitdrukkelijke wens van [erflater] zou zijn geweest om voor die uitzonderlijke situatie een tweetrapsmaking op te nemen, mag worden aangenomen dat de notaris hierover indringend met [erflater] heeft gesproken en de notaris daarvan ook aantekening zou hebben gemaakt. Dit geldt te meer omdat [erflater] ten tijde van het opmaken van zijn testament ernstig ziek was en met morfine werd behandeld. Nu echter iedere aantekening ontbreekt, gaat de rechtbank ervan uit dat [erflater] dit in het gesprek met de (kandidaat-) notaris niet aan de orde heeft gesteld en over (de consequenties van) het vervalbeding niet is gesproken.
4.13.
De verklaring van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de notaris dat uit niets blijkt dat de dochter van de partner van erflater ( [tussenkomende partij] ) niets zou mogen ontvangen, doet aan het vorenstaande niet af. Deze verklaring staat bovendien op gespannen voet met de in het testament opgenomen tweede erfstelling. In zijn testament heeft [erflater] voor het geval [erflaatster] nog vóór of gelijktijdig met hem zou overlijden [eiser 1] en [eiser 2] (en dus niet [tussenkomende partij] ) bij tweede erfstelling tot zijn erfgenamen benoemd. [erflater] heeft in zoverre [tussenkomende partij] in 2015 ‘onterfd’. [tussenkomende partij] was immers tot dat moment op grond van het testament van 3 februari 1997 nog samen met haar moeder erfgenaam. Indien, zoals [gedaagde] betoogt, de aanpassing van het testament uitsluitend bedoeld was om te zorgen dat [erflaatster] in zijn huis kon blijven wonen en het niet de bedoeling was dat [tussenkomende partij] niets meer zou mogen ontvangen, valt niet te begrijpen waarom in het testament een tweede erfstelling is opgenomen waarmee ten behoeve van [eiser 1] en [eiser 2] voorbij wordt gegaan aan de afstammelingen van [erflaatster] en dus aan [tussenkomende partij] .
4.14.
Daarbij komt dat [eiser 1] en [eiser 2] (en niet [tussenkomende partij] ) na [erflaatster] tot executeur zijn benoemd. Ook dit wijst erop dat [erflater] met zijn uiterste wilsbeschikking heeft willen regelen dat na het overlijden van [erflaatster] zijn zussen over zijn nalatenschap zouden moeten kunnen beschikken en hij [tussenkomende partij] daar niet langer enig aandeel in heeft willen toekennen.
4.15.
De rechtbank neemt verder in aanmerking dat [erflater] kort voor zijn overlijden een sleutel van zijn huis aan [eiser 1] heeft overhandigd. Ook hierin kan een aanwijzing worden gezien voor de wens van [erflater] dat na het overlijden van [erflaatster] het onverteerde deel van zijn nalatenschap, zijn huis, aan [eiser 1] en [eiser 2] zou toekomen. [gedaagde] en [tussenkomende partij] hebben dit weliswaar betwist, maar zij hebben niet weersproken dat [erflaatster] kort na het overlijden van [erflater] aan [eiser 1] heeft gevraagd de sleutel van de woning terug te geven en dat [erflaatster] ook de sloten van de woning heeft laten vervangen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben voorts ter onderbouwing hiervan een notitie uit de agenda van [eiser 1] overgelegd waarin een afspraak over het teruggeven van de sleutel staat genoteerd.
4.16.
De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat, gelet op de omstandigheden waaronder [erflater] zijn testament heeft gemaakt en de verhoudingen die hij kennelijk heeft willen regelen, het standaard vervalbeding per abuis in het testament is blijven staan. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het vervalbeding geen betekenis toekomt en [eiser 1] en [eiser 2] op grond van de tweetrapsmaking aanspraak kunnen maken op het onverteerd gebleven deel van de nalatenschap van [erflater] . De vorderingen in conventie zullen daarom worden toegewezen zoals gevorderd. De rechtbank overweegt daarbij dat [gedaagde] tegen toewijzing van de vorderingen geen andere verweren heeft gevoerd dan dat [erflaatster] en [eiser 1] geen aanspraak kunnen maken op de nalatenschap. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt zoals in de beslissing is vermeld. De termijn waarbinnen [gedaagde] de gevorderde opgave moet verstrekken en over moet gaan tot afgifte van eventuele overige activa die behoren tot het door [erflaatster] bij haar dood onverteerd gelaten deel van de nalatenschap van [erflater] zal worden gesteld op vier weken.
De vordering in reconventie wordt afgewezen.
Proceskosten
4.17.
[gedaagde] en [tussenkomende partij] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie en in reconventie betalen. De proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.959,00
(3 punten × € 653,00)
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.438,00
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat het testament van [erflater] zo moet worden uitgelegd dat na het overlijden van [erflaatster] [eiser 1] en [eiser 2] gerechtigd zijn tot het onverteerde deel van zijn nalatenschap,
5.2.
bepaalt dat de netto-opbrengst van de verkoop van de woning deel uitmaakt van die onverteerde nalatenschap en aan [eiser 1] en [eiser 2] toekomt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan notaris [betrokkene 5] opdracht te geven om over te gaan tot betaling van de netto-opbrengst aan [eiser 1] en [eiser 2] ,
5.4.
machtigt [eiser 1] en [eiser 2] om namens [gedaagde] de rechts- en feitelijke handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om de onder 5.3 bedoelde opdracht te geven, wanneer [gedaagde] niet aan de veroordeling onder 5.3 voldoet,
5.5.
beveelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van het vonnis aan [eiser 1] en [eiser 2] een met stukken onderbouwde opgave te verstrekken van eventuele andere activa die nog tot het onverteerde deel van de nalatenschap van [erflater] moeten worden gerekend en beveelt [gedaagde] om binnen dezelfde termijn over te gaan tot afgifte daarvan, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag voor iedere dag die [gedaagde] nalaat om aan dit bevel te voldoen, met een maximum van € 5.000,00,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.7.
wijst de vordering af,
in conventie en in reconventie
5.8.
veroordeelt [gedaagde] en [tussenkomende partij] hoofdelijk in de proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] van € 2.438,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze veroordeling wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend,
5.9.
verklaart de beslissingen onder 5.3 t/m 5.5 en 5.8 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
1998
HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531 en HR 11 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:911.