Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:11954
2026-08-05
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11923117 \ CV EXPL 25-6977
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eisers hebben als belegging een perceel grond van gedaagde gekocht voor € 12.500,00. De kantonrechter oordeelt dat voor de activiteiten van gedaagde geen vergunning van de AFM was vereist, maar dat gedaagde zich wel schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk. Gedaagde moet de koopsom daarom aan eisers terugbetalen. Ook de middellijk bestuurders zijn aansprakelijk omdat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (51.530 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11923117 \ CV EXPL 25-6977
Vonnis van 5 augustus 2026 in het incident ex artikel 194 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) en in de hoofdzaak
in de zaak tussen:
1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,
beiden wonend te [plaats 1] ,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. M. Buitelaar,
tegen
1. de besloten vennootschap VASTGOED NEDER-LAND B.V. (voorheen IGN Vastgoed B.V.),
statutair gevestigd te Beverwijk,
hierna ook: IGN,2. [gedaagde 2],
wonend te [plaats 2] , Cyprus,
hierna ook: [gedaagde 2] ,3. [gedaagde 3],
wonend te [plaats 3] ,
hierna ook: [gedaagde 3] ,4. de besloten vennootschap [gedaagde 4] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats 4] ,5. de besloten vennootschap ALPHABET HOLDING B.V.,
statutair gevestigd te Beverwijk,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna samen te noemen: IGN c.s.,
gemachtigde: voorheen mr. T. Sloten, thans mrs. V.J.C. de Bruijn en A.B.B. Wilmink.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 15 producties
- de conclusie van antwoord met 12 producties
- het tussenvonnis van 24 december 2025
- de producties 16 tot en met 18 van [eisers]
- de incidentele conclusie ex artikel 194 Rv met producties 13 en 14 van IGN c.s.
- de producties 15 tot en met 21 van IGN c.s.
- de mondelinge behandeling van 14 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van beide partijen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
IGN handelde in percelen onbebouwde (landbouw)grond, waarbij werd gespeculeerd dat de percelen op termijn door een bestemmingswijziging meer waard zouden worden. IGN verkavelde grote kavels in kleinere percelen en bood deze te koop aan. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn via hun vennootschappen (gedaagden sub 4 en 5) de (indirect) bestuurders van IGN.
2.2.
[eisers] zijn in contact gekomen met IGN. Na telefonisch contact heeft IGN op 15 november 2021 via de e-mail een brochure aan [eisers] gestuurd met betrekking tot een door IGN te koop aangeboden perceel landbouwgrond in de gemeente Zuidplas. In de e-mail wordt verwezen naar de meegestuurde brochure over het exclusieve project ‘Zuidplas’. Deze brochure bevat onder meer de volgende (visuele) informatie:
het voorblad:
Bladzijde 7:
Bladzijde 8:
Bladzijde 9:
Op de laatste bladzijde van de brochure staat:
UITSLUITING AANSPRAKELIJKHEID
Hoewel deze informatie met de grootste zorg en naar waarheid tot stand is gekomen, aanvaard IGN Vastgoed B.V. onder geen beding enige vorm van aansprakelijkheid wegens eventuele onjuistheden in, of verkeerde vorm van uitleg van, de informatie. Daarnaast aanvaard IGN Vastgoed B.V. geen aansprakelijkheid voor handelingen die de ontvanger verricht op basis van deze informatie. Informatie over de structuurvisie geven wij op basis van de bij ons laatst bekende gegevens.
2.3.
Aansluitend hebben bij [eisers] thuis meerdere gesprekken tussen [eisers] en een medewerker van IGN plaatsgevonden.
2.4.
Op 6 december 2021 hebben [eisers] een koopovereenkomst met IGN ondertekend, waarbij zij een perceel van 50 m2, kadastraal bekend als gemeente Nieuwerkerk aan de IJssel, sectie D, nummer 2744 kochten voor € 12.500,00.
2.5.
In de koopovereenkomst staan de volgende bepalingen (weergegeven voor zover van belang):
6. (…) Verkoper verklaart zijn uiterste best te hebben gedaan om aan koper met betrekking tot het verkochte, die informatie(bronnen) te hebben gegeven, die naar geldende verkeersopvatting door hem ter kennis van koper behoort te worden gebracht, zodanig dat koper op basis daarvan en eventueel verder onderzoek van de bronnen tot een weloverwogen koopbeslissing kon komen.
(…)
17. (…) Bij ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare boete van dertig procent 30% van de koopsom verbeuren (…).’.
(…)
21. Partijen komen hierbij overeen dat koper een aanbiedings-, verkoop en leveringsplicht aan een ander dan verkoper heeft na het onherroepelijk worden van een bestemmingswijziging ten aanzien van het verkochte. (….) Voorts heeft verkoper een voorkeursrecht op het verkochte. Vorenbedoelde aanbiedingsplicht en voorkeursrecht zijn nader uitgewerkt in de akte van levering. Ten aanzien van het bepaalde in dit artikel is in de akte van levering een kettingbeding en boeteclausule opgenomen.
22. Koper verklaart – voordat hij deze overeenkomst ondertekend heeft -
a. kennis te hebben genomen van de brochure alsmede de bepalingen van deze overeenkomst en dat hij zodanige informatie heeft ontvangen, dat de inhoud en de gevolgen van deze overeenkomst hem voldoende voor ogen staan; en
b. kennis te hebben genomen van de huidige planologische bestemming van het verkochte en alle bijbehorende documenten van ruimtelijkeplannen.nl; en
c. ermee bekend te zijn dat (i) het verkochte een onderdeel is van (recent) door verkoper verworven dan wel nog te verwerven percelen, waarbij tussen deze transacties waardestijgingen zitten/zullen zitten, (ii) het verkochte geen jaarlijks rendement oplevert en er geen garantie is voor een (autonome) waardestijging (al dan niet door een bestemmingsplanwijziging en/of bestemmingswijziging, en (iii) de aard van deze transactie een speculatief karakter heeft, en (iv) het verkochte alleen door koper conform de huidige bestemming mag worden gebruikt en worden beheerd.
(…)
23. Koper verklaart door ondertekening van deze overeenkomst toestemming te verlenen aan de notaris om alle correspondentie met koper betreffende deze transactie (in cc) aan verkoper te sturen.
(…)
25. Tenzij anders bepaald in deze overeenkomst, doen partijen afstand van het recht om deze overeenkomst (partieel) te ontbinden, vernietigen, wijzigen ter opheffing van nadeel met name het inroepen van het bepaalde in artikel 6:265 e.v. en 6:228 e.v. BW..
2.6.
De levering heeft op 5 januari 2022 bij volmacht plaatsgevonden. [eisers] hebben de koopsom van € 12.500,00 betaald.
2.7.
Op enig moment na de levering heeft de gemachtigde van [eisers] onderzoek verricht naar de betrouwbaarheid van IGN en de juistheid en volledigheid van de door IGN verstrekte informatie.
2.8.
Per brief van 2 augustus 2023 heeft een senior beleidsmedewerker van de afdeling Ruimtelijk Beleid van de gemeente Zuidplas de gemachtigde van [eisers] als volgt geïnformeerd:
De gronden zijn gelegen binnen het gebied van de ontwikkeling van het Vijfde Dorp. Deze gronden zijn echter, conform het vastgestelde masterplan (vastgesteld door de gemeenteraad in maart 2021), geen onderdeel van het daadwerkelijke ontwikkelgebied waarbinnen het dorp ontwikkeld gaat worden. De gronden maken onderdeel uit van de open, groene ruimte (gebied de Groene Schakel/Agrarisch gebied, pagina 76 masterplan) die als buffer zal gaan fungeren tussen het nieuwe dorp en de omgeving. De gemeente bereidt op dit moment dan ook een bestemmingsplan voor waarin de gronden een groene, agrarische bestemming zullen krijgen. Hierop heeft de provincie zijn omgevingsverordening ook aangepast (…). Hiermee is ook vanuit de provincie de ontwikkeling tot wonen op het betreffende perceel onmogelijk gemaakt. Hierop zal het bestemmingsplan aangepast worden. Op deze gronden zijn geen ontwikkelingen mogelijk in de vorm van wonen en deze zijn ook niet voorzien vanuit de gemeente. (…)
2.9.
Per e-mail van 5 maart 2025 hebben [eisers] IGN laten weten dat IGN hen niet juist heeft voorgelicht over de kans op een bestemmingswijziging van het perceel en dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk. [eisers] hebben ook [gedaagde 3] en [gedaagde 2] hiervoor aansprakelijk gesteld. Verder maken [eisers] in de brief er melding van dat IGN zonder de (volgens [eisers] ) vereiste vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft gehandeld. [eisers] verzoeken IGN om mee te werken aan het terugdraaien van de transactie.
2.10.
IGN heeft niet meegewerkt aan het terugdraaien van de transactie.
2.11.
Per brief van 26 maart 2026 heeft de gemeente Zuidplas nog het volgende geantwoord op vragen van de gemachtigde van [eisers] over de (on)mogelijkheid van woningbouw in het gebied waar het perceel deel van uitmaakt:(…) Het aangekochte perceel ligt geografisch gezien in het gebied Nieuwerkerk-Noord. Dit gebied zit al jaren op slot door een uit te werken bestemming die niet meer past bij de huidige mogelijkheden. Het uitwerken van een woningbouwprogramma is op basis van de bestuurlijke overeenkomst (randzaak 43 op pagina 12) in de nabije toekomst tot minimaal 2035 niet aan de orde. De provincie heeft de aanduiding voor grootschalige woningbouw van het gebied gehaald en het gebied kent inmiddels weer een aanduiding glastuinbouwgebied in de provinciale verordening. Ook in de ontwerp Nota Ruimte (vanuit het Rijk) met een doorkijk naar 2030 en 2050 is het gebied niet opgenomen als grootschalige woningbouwlocatie. (…)
3De vordering in de hoofdzaak
3.1.
[eisers] vorderen dat de kantonrechter:
primair:
I voor recht verklaart dat IGN c.s. onrechtmatig jegens [eisers] hebben gehandeld doordat IGN een beleggingsobject aan [eisers] heeft aangeboden, terwijl IGN niet over de daarvoor benodigde vergunning van de AFM beschikte en/of doordat IGN een handelspraktijk verrichtte die oneerlijk is;
II IGN c.s. hoofdelijk veroordeelt tot ongedaan making van de gevolgen van de koopovereenkomst door binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de notariële (terug)levering van het perceel, met de bepaling dat IGN c.s. eveneens hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichting de koopsom van € 12.500,00, vermeerderd met wettelijke rente, aan [eisers] te betalen;
III bepaalt dat IGN c.s. hoofdelijk, ook bij gebreke van medewerking aan de (terug)levering van de grond binnen dertig dagen, aan [eisers] € 12.500,00 zijn verschuldigd, zonder af te doen aan de gehoudenheid van IGN c.s. na voormelde termijn mee te werken aan de (terug)levering;
subsidiair:
IV voor recht verklaart dat IGN c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade van [eisers] als gevolg van het onrechtmatig handelen van IGN c.s. jegens [eisers] , en bepaalt dat deze schade dient te worden opgemaakt bij staat;
meer subsidiair:
V voor recht verklaart dat de tussen IGN en [eisers] gesloten overeenkomst per datum dagvaarding is vernietigd op grond van dwaling of artikel 6:193j, lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW);
VI IGN c.s. veroordeelt aan [eisers] het door hen onverschuldigde betaalde bedrag van € 12.500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
VII bepaalt dat IGN c.s., indien niet wordt voldaan aan de veroordeling onder VI, geen recht hebben op teruglevering van het perceel.
primair, subsidiair en meer subsidiair:
VIII IGN c.s. veroordeelt de proceskosten te voldoen binnen veertien dagen na datum vonnis.
3.2.
[eisers] leggen aan hun vorderingen samengevat ten grondslag dat IGN jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door zich te bedienen van misleidende handelspraktijken en door het perceel aan te bieden zonder de vereiste vergunning van de AFM. Bij een juiste en volledige voorstelling van zaken waren [eisers] de overeenkomst niet aangegaan. Dit onrechtmatig handelen van IGN kan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , als indirect bestuurders, persoonlijk worden verweten. [eisers] doen een beroep op vernietiging van de overeenkomst en willen dat IGN c.s. de koopprijs terugbetalen en meewerken aan de teruglevering van het perceel.
3.3.
IGN voert als verweer aan dat de informatie die zij heeft verstrekt in de brochure, in de gesprekken en in de koopovereenkomst niet misleidend of onvolledig is geweest. [eisers] zijn er meerdere keren op gewezen dat het om een speculatieve belegging gaat en dat bestemmingswijziging ook (langere tijd) zou kunnen uitblijven. [eisers] hebben zelf te weinig onderzoek gedaan en er bestaat nog steeds een kans op bestemmingswijziging.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.
4De vordering in het incident
4.1.
In het incident vordert IGN dat de kantonrechter:
I [eisers] beveelt aan IGN een afschrift van de volgende bescheiden te verschaffen:
a. a) de aangifte inkomstenbelasting 2022 en 2023 voor zover deze betrekking heeft op box 3 (inkomen uit sparen en beleggen) en de daarin opgenomen onroerende zaken waarvan [eisers] eigenaar zijn;
b) de correspondentie tussen [eisers] en (medewerkers van) het bij de levering betrokken notariskantoor [bedrijf] ;
II [eisers] veroordeelt in de kosten van dit incident.
4.2.
Volgens IGN zijn de gevorderde bescheiden noodzakelijk om de feitelijk gang van zaken rond de totstandkoming van de koopovereenkomst vast te stellen.
4.3.
[eisers] voeren verweer.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.
5De beoordeling in het incident en in de hoofdzaak
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
Omdat [gedaagde 2] in Cyprus woont, heeft dit geschil (deels) een internationaal karakter. Daarom moet de kantonrechter eerst ambtshalve beoordelen of hij bevoegd is kennis te nemen van het geschil. Op grond van artikel 4 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat in beginsel opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Artikel 8 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening voegt daaraan toe dat als er meer dan één verweerder is, een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van de andere verweerders, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting.
5.2.
De kantonrechter is van oordeel dat een dergelijke nauwe band tussen de vorderingen bestaat. Zij zien op dezelfde handelingen en zijn ten aanzien van alle gedaagden gelijk. Omdat [gedaagde 3] in Nederland woont en zowel IGN als [gedaagde 4] B.V., statutair gevestigd zijn in Nederland, is de conclusie dat de Nederlandse rechter, ook voor de vorderingen die tegen [gedaagde 2] zijn ingesteld, rechtsmacht toekomt. Ook als de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet zou voortvloeien uit artikel 8 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening, zou de Nederlandse rechter bevoegd zijn, omdat [gedaagde 2] in deze procedure is verschenen.
5.3.
Op de zaak is Nederlands recht van toepassing omdat partijen in hun stellingen en weren een beroep doen op het Nederlandse recht. Een dergelijke impliciete rechtskeuze, duidelijk blijkend uit de omstandigheden van het geval, is mogelijk op grond van zowel de Rome I-Verordening die geldt voor verbintenissen uit overeenkomst (zie artikel 3 lid 1) als de Rome II-Verordening die geldt voor verbintenissen uit onrechtmatige daad (zie artikel 14 lid 1). De vorderingen zullen gelet op het voorgaande worden beoordeeld naar Nederlands recht.
De beoordeling in het incident
5.4.
IGN stelt een rechtmatig belang te hebben bij afgifte van de gevraagde bescheiden. Uit de belastingaangifte kan blijken dat [eisers] wisten dat het om grond ging met een agrarische waardering en dat er geen concrete overheidsplannen waren voor bestemmingswijziging. Uit de correspondentie met de notaris kan blijken dat [eisers] voorafgaand aan de levering van het perceel expliciet door de notaris zijn gewezen op en gewaarschuwd voor de risico’s van de belegging. Het betreft voldoende bepaalde specifieke bescheiden, die betrekking hebben op de rechtsverhouding tussen IGN en [eisers] .
5.5.
De incidentele vordering zal worden afgewezen. Tegen de vordering tot het verstrekken van afschriften van de aangifte 2022 hebben [eisers] aangevoerd dat de aangifte 2022 over het vermogen op 1 januari 2022 gaat, terwijl het perceel nadien pas is geleverd. Dit verweer wordt gehonoreerd. Ook het verweer tegen de vordering van afgifte van een afschrift van de belastingaangifte 2023 slaagt. Ter zitting hebben [eisers] onweersproken gesteld dat ten tijde van het doen van aangifte 2023 -in 2024- IGN al onbereikbaar was en zij er achter waren gekomen dat van een bestemmingswijziging geen sprake meer zou zijn. Overigens hebben zij daarnaast verklaard dat zij geen wijzigingen hebben aangebracht in de vooraf ingevulde aangifte. Reeds hierom heeft IGN geen belang bij afgifte van een afschrift.
5.6.
Volledigheidshalve merkt de kantonrechter ten aanzien van dit onderdeel van de vordering in het incident in de eerste plaats op dat [eisers] überhaupt betwisten dat er, naast de correspondentie waarover IGN reeds beschikt, relevante correspondentie bestaat. Ten tweede geldt dat [eisers] in artikel 23 van de koopovereenkomst toestemming hebben gegeven aan de notaris alle correspondentie tussen hen en de notaris copie conform aan IGN te sturen en uit genoemd artikel blijkt niet dat deze toestemming alleen betrekking heeft op de e-mails van de notaris aan [eisers] , zoals IGN betoogt. Met betrekking tot de verzochte (kopieën van) correspondentie tussen de notaris en [eisers] overweegt de kantonrechter voorts dat, gelet op de vraag die voorligt, te weten of IGN zich jegens [eisers] heeft bediend van oneerlijke handelspraktijken voorafgaand aan de koop, niet van doorslaggevend belang is hoe [eisers] ten tijde van de levering hebben gereageerd op de mededelingen van de notaris. Dat geldt in deze zaak temeer, gelet op het volgende. IGN heeft ter zitting weliswaar benadrukt dat [eisers] , als ze hadden gereageerd op mededelingen van de notaris, zonder kosten konden afzien van hun verplichtingen uit de koopovereenkomst, maar in artikel 17 van de koopovereenkomst staat, samengevat, dat niet nakoming van de koop leidt tot een boete van 30% en in artikel 25 staat dat partijen afzien van hun recht op ontbinding en vernietiging (voor wat dat juridisch waard is, zie hierna).
5.7.
Indien en voor zover [eisers] in de praktijk in weerwil hiervan toch kosteloos van de koop hadden afgekund, had dat aan hen moeten worden meegedeeld. Uit het niet reageren op mededelingen van de notaris kan, wat daar ook van zij, mede gelet op het voorgaande niet de conclusie worden getrokken dat [eisers] door IGN voorafgaand aan de koop deugdelijk zijn geïnformeerd.
5.8.
De kosten van het incident komen voor rekening van IGN c.s. en worden begroot op € 432,00 aan salaris gemachtigde van [eisers] .
De beoordeling in de hoofdzaak
5.9.
In onderhavige zaak maken [eisers] jegens IGN c.s. aanspraak op het ongedaan maken van de gevolgen van de koopovereenkomst. Volgens [eisers] hebben IGN c.s. jegens hen onrechtmatig gehandeld omdat IGN niet beschikte over de benodigde vergunning van de AFM en zich (daarnaast) heeft bediend van een oneerlijke handelspraktijk. Naast een inhoudelijke betwisting van de vordering heeft IGN c.s. ook een beroep gedaan op verjaring en de klachtplicht (rechtsverwerking). De kantonrechter zal deze verweren als eerste bespreken.
Verjaring
5.10.
IGN c.s. hebben aangevoerd dat de vorderingen van [eisers] zijn verjaard.
5.11.
Op grond van 3:52 lid 1 sub c BW verjaart een vordering tot vernietiging wegens een oneerlijke handelspraktijk drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan. Daarbij is van belang het moment waarop degene die vernietiging vordert er daadwerkelijk mee bekend is geworden dat er sprake was van een oneerlijke handelspraktijk.
5.12.
Ter onderbouwing van haar beroep op verjaring hebben IGN c.s. gesteld dat de notaris op 31 december 2021 uitdrukkelijk schriftelijk de risico’s en de aard van de transactie heeft medegedeeld. Vanaf dat moment hadden [eisers] dus voldoende feitelijke kennis om een vordering op grond van oneerlijke handelspraktijken of dwaling in te stellen. Zij hebben echter pas na verloop van meer dan drie jaar een eerste formele aansprakelijkheid gestuurd, aldus IGN.
5.13.
De kantonrechter volgt dit betoog niet. De mededeling van de notaris dat er risico’s aan de transactie verbonden waren betekent niet dat [eisers] ermee bekend waren dat sprake was van een oneerlijke handelspraktijk. Uit de stukken blijkt dat de gemeente [eisers] per brief van 2 augustus 2023 heeft geïnformeerd over de werkelijke situatie en de onmogelijkheid om het gebied waarin het perceel ligt te ontwikkelen. Dat [eisers] ook daarvoor al wisten dat de bestemming van de grond voorlopig niet zou wijzigen, hebben IGN c.s. niet aannemelijk gemaakt. Uiteindelijk heeft de gemachtigde van [eisers] op 5 maart 2025 met een beroep op (onder meer) oneerlijke handelspraktijken IGN verzocht de gevolgen van de koopovereenkomst ongedaan te maken en de eventuele verjaring gestuit. Van een verloop van meer dan drie jaar nadat [eisers] bekend is geworden met de misleiding of de onrechtmatige daad is dus geen sprake. Dat betekent dat op het moment dat [eisers] de vordering instelden, deze niet was verjaard.
De klachtplicht
5.14.
Verder hebben IGN c.s. aangevoerd dat [eisers] niet hebben voldaan aan hun klachtplicht. Ze zouden te laat hebben geklaagd over het vermeende gebrek en daarom hun rechten hebben verwerkt.
5.15.
De kantonrechter volgt IGN c.s. hierin niet. De in de wet geregelde klachtplicht ziet op gevallen waarin een schuldenaar een prestatie heeft verricht die niet aan de verbintenis beantwoordt (ondeugdelijke nakoming). [eisers] baseren hun vorderingen echter op een oneerlijke handelspraktijk. Dit betreft een zelfstandige wettelijke sanctie die niet is gegrond op een gebrek in de uitvoering van een overeengekomen prestatie maar gericht is tegen de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. De regeling met betrekking tot de klachtplicht is hierop niet van toepassing. Voor zover het beroep op de klachtplicht zich richt tegen de vorderingen uit onrechtmatige daad, faalt dit eveneens. Hoewel de klachtplicht van toepassing kan zijn op een vordering uit onrechtmatige daad, gaat dat in dit geval niet op omdat [eisers] de onrechtmatige daad baseren op misleidende gedragingen vóór het sluiten van de overeenkomst, en niet op een gebrekkige uitvoering daarvan. Het beroep op de klachtplicht wordt daarom verworpen.
De inhoudelijke beoordeling
5.16.
Zoals [eisers] in de dagvaarding stellen is het leerstuk van de oneerlijke handelspraktijk het meest in aanmerking komende kader om deze zaak te beoordelen. In dat kader is het volgende van belang.
5.17.
Het begrip “handelspraktijk” is in artikel 6:193a lid 1 sub d BW omschreven als: iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten.
5.18.
Een handelspraktijk is oneerlijk als een handelaar handelt:
a. in strijd met de vereisten van professionele toewijding, en
b. het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen.
5.19.
Artikel 6:193b lid 3 BW bepaalt dat een handelspraktijk in het bijzonder oneerlijk is als een handelaar:
a. een misleidende handelspraktijk verricht als bedoeld in de artikelen 6:193c tot en met 6:193g BW;
b. een agressieve handelspraktijk verricht als bedoeld in de artikelen 6:193h en 6:193i BW.
5.20.
Een handelspraktijk is misleidend als informatie wordt verstrekt die feitelijk onjuist is of die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden, al dan niet door de algemene presentatie van de informatie, al dan niet door de algemene presentatie van de informatie, zoals ten aanzien van (onder meer) het bestaan en de aard van het product en/of de voornaamste kenmerken van het product zoals voordelen en risico’s, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen dat hij anders niet had genomen. Het gaat om handelspraktijken waarbij de handelaar foutieve informatie verstrekt – niet gebaseerd op de waarheid – of informatie verstrekt die door de wijze van presentatie, hoewel feitelijk gezien correct, op een andere manier de consument bedriegt. Beslissend is of de (onjuiste) informatie de gemiddelde consument er toe kan brengen om een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.
5.21.
Een handelspraktijk is ook misleidend als er sprake is van een misleidende omissie. Het artikel geeft vervolgens een aantal voorbeelden. Het gaat om handelspraktijken waarbij de handelaar essentiële informatie weglaat, verborgen houdt of op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel te laat verstrekt. Beslissend is of de (weggelaten, verborgen, onduidelijke of te laat verstrekte) informatie de gemiddelde consument er toe kan brengen om een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.
5.22.
Een overeenkomst die als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen, is vernietigbaar. Ook handelt de handelaar die een handelspraktijk verricht die oneerlijk is, onrechtmatig tegenover de consument. Het is aan de handelaar om de materiele juistheid en volledigheid van de informatie die hij heeft verstrekt te bewijzen. De bewijslast van de materiele juistheid en volledigheid van de informatie die zij heeft verstrekt, rust in dit geval dus op IGN c.s.
Er is sprake van een misleidende handelspraktijk
5.23.
De kantonrechter is van oordeel dat IGN zich heeft bediend van een oneerlijke handelspraktijk, bestaande uit een misleidende handelspraktijk. De kantonrechter licht dit oordeel als volgt toe.
5.24.
IGN is een professionele partij op het gebied van de handel in speculatieve (landbouw)grond. Zij beschikte ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst over alle relevante informatie over het verkochte perceel. Zij heeft echter nagelaten om [eisers] die handelden in hoedanigheid van consument deugdelijk te informeren over de risico’s van de aankoop.
5.25.
De kantonrechter zal daarbij allereerst ingaan op de brochure die [eisers] van IGN hebben ontvangen. Op het voorblad wordt onder de kop ‘Historisch besluit: gemeenteraad Zuidplas stemt met ruime meerderheid voor bouw Vijfde Dorp” uiteengezet dat de gemeenteraad van Zuidplas heeft ingestemd met de ontwikkeling van een nieuw dorp in de Zuidplaspolder, waar 8.000 nieuwe woningen zullen verrijzen en twee nieuwe bedrijventerreinen. Daarbij is een plankaartschets gevoegd waarin een gebied geel is gearceerd met een pijl naar het perceel, en een pijl met een tekstvlak ‘Enkelbestemming woongebied – Uit te werken 2. Zie pagina 9’. Op pagina 9 staan vervolgens plaatjes van huizen en een uiteenzetting van de “beeldkwaliteitseisen van de woonbebouwing”. Vervolgens staan er voorschriften voor “Karakter”, “Bouwvolume” en “Kapvorm” van de woningen. Bladzijde 5 heeft als kop “Nieuws” en bevat vijf (uittreksels uit) nieuwsberichten met bronvermelding. Het gaat om:
- een nieuwsbericht van ad.nl van 31 maart 2021 met de titel “Eindelijk duidelijkheid: Vijfde Dorp van Zuidplas krijgt 8000 woningen”;
- een nieuwsbericht van ad.nl van 7 juni 2021 met als titel “Woningen bouwen in weilanden moet uit de taboesfeer” waarin onder meer staat dat gemeenten de komende jaren ook woningen moeten bouwen in gebieden die nu nog groen zijn;
- een nieuwsbericht van ad.nl van 18 februari 2021 met de titel “Zuidplas krijgt 14 miljoen van het Rijk voor de bouw van vooral betaalbare woningen”;
- een nieuwsbericht van ad.nl met de titel “Gemeente Zuidplas moet snel méér woningen bouwen”
- een bericht van omgevingsweb.nl waarin staat dat de Minister veertien grootschalige woningbouwlocaties heeft aangewezen waar in de komende twintig jaar 440.000 woningen moeten verrijzen en dat dat plan beter, goedkoper en sneller moet.
Op bladzijde 6 wordt een “Groeikaart Topotijdreis.nl” weergegeven. Daarop staat de groei van de gemeente vanaf 1975. Daarbij staat dat het aantal huishoudens in Zuidplas tussen 2018 en 2050 met 42% zal toenemen. Op bladzijdes 7, 8 en 10 van de brochure wordt vervolgens aandacht besteed aan de ligging van het aangeboden perceel en op bladzijde 9 wordt met plaatjes van huizen een indruk gegeven van huizen die mogen worden gebouwd conform het “Beeldkwaliteitsplan Linten & Kwaliteitszone Ringvaart”.
5.26.
De informatie in de brochure dient derhalve vooral als aanprijzing van de percelen. Positieve, veelbelovende teksten over woningbouw overheersen. De brochure wekt bovendien de indruk dat het aangeboden perceel is gelegen in een gebied waarvoor reeds plannen bestaan voor (woning)bouw.
5.27.
IGN wist echter heel goed dat het betreffende perceel geen onderdeel uitmaakte van de voor het Vijfde Dorp te bebouwen grond. Er bestond immers al bekendheid met het masterplan van de gemeente, dat in maart 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld. In dat plan wordt dit gebied aangemerkt als groenbuffer, hetgeen langdurige ontwikkeling in de weg staan (zoals ook blijkt uit de Bestuurlijke Overeenkomst tussen de provincie en de gemeente waarin staat dat in dit gebied tot zeker 2035 geen grootschalige woningbouw zal plaatsvinden). IGN heeft die informatie echter niet met [eisers] gedeeld. Door de verwijzingen naar het Vijfde Dorp, de planschetsen waarin ook het perceel wordt aangeduid en de concrete voorbeelden van woningen zoals die gebouwd zullen worden, wordt juist de suggestie gewekt dat op het perceel op korte termijn woningbouw gerealiseerd zal worden. Door de wijze van presentatie van de brochure als geheel is [eisers] (bewust) een verkeerde voorstelling van zaken gegeven.
5.28.
[eisers] hebben (ook ter zitting) verklaard dat zij ervan uitgingen dat de ontwikkeling van het gebied binnen vier jaar zou plaatsvinden. Zij stellen dat hen dat in december 2021 is medegedeeld. Daarvoor, in november 2021, hadden zij bovendien een e-mail ontvangen met een link naar informatie over de realisatie van het Vijfde Dorp.
5.29.
IGN c.s. hebben een schriftelijke verklaring van hun verkoopmedewerker [betrokkene] overgelegd. Daarin staat dat hij in geen enkel verkoopgesprek, telefonisch contact of schriftelijke communicatie heeft gesuggereerd dat het aangeboden perceel onderdeel vormde van het Vijfde Dorp. Ook verklaart hij dat hij juist heeft benadrukt dat onbekend is of en wanneer er überhaupt een wijziging van de bestemming of woningbouw op het verkochte perceel zou plaatsvinden. [eisers] hebben de inhoud van deze verklaring gemotiveerd weersproken. Volgens [eisers] is dit geen verklaring die door [betrokkene] is afgelegd, aangezien hij nooit zulke woorden zou gebruiken als die in de verklaring zijn opgenomen. Verder wijzen zij erop dat in de verklaring expliciet staat vermeld dat hij een andere koper dan [eisers] uitdrukkelijk heeft verteld dat het perceel niet binnen het plan Vijfde Dorp viel. Op de verkoop aan [eisers] gaat [betrokkene] niet in, zodat de kantonrechter met [eisers] van oordeel is dat onduidelijk is wat [betrokkene] tegen [eisers] tijdens de verkoop aan [eisers] heeft gemeld. In elk geval blijkt uit de verklaring niet dat [betrokkene] heeft gezegd dat de gemeente kort tevoren had besloten om de betreffende grond aan te wijzen als groenbuffer die niet mocht worden bebouwd.
5.30.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de informatievoorziening ondermaats en op essentiële punten onvolledig. Met de wijze waarop IGN de informatie over het perceel heeft aangeboden heeft IGN informatie verstrekt die de gemiddelde consument kan misleiden, waardoor deze een besluit over de aankoop van een perceel grond kan nemen, dat hij anders niet had genomen.
Algemene waarschuwingen niet voldoende
5.31.
De algemene waarschuwingen in de koopovereenkomst kunnen dit gebrek aan juiste en volledige informatie niet goedmaken. Waar het om gaat is dat de informatie die aan [eisers] is gegeven redelijkerwijs bij hen de indruk heeft gewekt dat het zeer waarschijnlijk is dat binnen afzienbare tijd woningbouw zou gaan plaatsvonden op het aan hen aangeboden perceel, terwijl dat juist niet het geval was. IGN heeft [eisers] voor de verkoop ook geen vragenlijst gestuurd om de verwachtingen van [eisers] in kaart te brengen en zo nodig bij te sturen.
5.32.
Ook het feit dat [eisers] voorafgaand aan de levering door de notaris zijn gewezen op de risico’s kan dit gebrek aan juiste en volledige informatie niet goedmaken. De notaris heeft [eisers] per e-mail van 31 december 2021 geïnformeerd. Al geruime tijd eerder echter hadden [eisers] zich door ondertekening van de koopovereenkomst gebonden de grond af te nemen. De informatie van de notaris kan dan ook niet worden “meegenomen” als informatie die vóór het aangaan van de koop door IGN is verstrekt. Daarbij komt dat [eisers] de kans op een bestemmingswijziging moeten kunnen afwegen tegen het risico dat een bestemmingswijziging achterwege blijft. Daarvoor is niet voldoende dat [eisers] erover zijn geïnformeerd dat zij “mogelijk te veel voor de landbouwgrond [hebben] betaald” als de bestemming van de grond niet wordt gewijzigd (zoals in de e-mail van de notaris staat).
5.33.
Door het voorgaande hebben [eisers] geen goed geïnformeerde beslissing kunnen nemen over het aangaan van de overeenkomst. Zij hadden in staat gesteld moeten worden een reële inschatting te maken van de kans dat die bestemmingswijziging uitblijft. Dergelijke informatie is door IGN niet verstrekt. De kantonrechter acht het aannemelijk dat [eisers] niet tot het sluiten van de koopovereenkomst zouden zijn overgegaan als zij de werkelijke risico’s van het verlies op deze investering hadden gekend.
Conclusie
5.34.
Omdat IGN c.s., op wie de bewijslast rust, niet hebben aangetoond dat de door IGN verstrekte informatie juist en volledig is, staat vast dat IGN zich schuldig heeft gemaakt aan een misleidende handelspraktijk. Feitelijk is sprake van een uiterst risicovolle belegging, waarbij IGN niet alleen heeft nagelaten [eisers] juist te informeren over die risico’s, maar hen ook bewust op het verkeerde been gezet. [eisers] zijn op grond van deze misleidende informatie een koopovereenkomst met IGN aangegaan, die zij anders niet zouden hebben gesloten. Daarmee heeft IGN onrechtmatig jegens [eisers] gehandeld. De gevorderde verklaring voor recht die daarop ziet zal worden gegeven.
Wet financiële transacties (Wft)
5.35.
Verder stellen [eisers] dat IGN c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door zonder de vereiste vergunning van de AFM de koopovereenkomst te sluiten. [eisers] hebben daartoe – kort samengevat – gesteld dat het perceel een beleggingsobject is als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht (Wft).
5.36.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [eisers] op het ontbreken van een vergunning van de AFM niet slaagt. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.
5.37.
Om van een beleggingsobject in de zin van de Wft te spreken is (onder meer) vereist dat het beheer van een zaak hoofdzakelijk door een ander dan de verkrijger wordt uitgevoerd (het beheercriterium). Aan het beheercriterium is voldaan als de aanbieder de beheerstaken uit handen neemt van de investeerder en in het aanbod besloten ligt dat zij (de aanbieder) direct of indirect zorgdraagt voor het beheer. [eisers] hebben uitgebreid betoogd dat hiervan sprake is. Dat betoog komt er in de kern op neer dat in de koopovereenkomst besloten lag dat het beheer door een ander (DHP) zou worden uitgevoerd en dat zij zelf ook nooit de intentie hebben gehad het beheer zelf ter hand te nemen. Daarnaast duiden volgens [eisers] de aanbiedingsplicht en het voorkeurrecht die in de overeenkomst zijn opgenomen op beheer.
5.38.
IGN c.s. hebben deze standpunten gemotiveerd betwist. Zij hebben er terecht op gewezen dat uit geen van de (verkoop)documenten blijkt dat beheer in het aanbod was inbegrepen of dat beheer (of pacht) onderdeel uitmaakten van de overeenkomst. Niet is gebleken dat IGN zelf of via DHP pachtovereenkomsten met agrariërs heeft gesloten, zodat van beheer door IGN c.s. geen sprake is. De kantonrechter is van oordeel dat evenmin sprake is van beheer omdat de overeenkomst een aanbiedingsplicht en een voorkeursrecht bevat, aangezien deze pas van toepassing zijn na een onherroepelijke bestemmingswijziging, terwijl het onzeker is of zo’n wijziging ooit zal plaatsvinden.
5.39.
Gelet op het voorgaande is door [eisers] onvoldoende concreet gemaakt dat de zorg voor het beheer van de percelen grond in het aanbod van IGN (direct of indirect) besloten lag. Dat betekent dat aan het beheercriterium van artikel 1:1 Wft niet is voldaan en IGN bij de transactie met [eisers] geen vergunning nodig had van de AFM. Van onrechtmatig handelen van IGN c.s. is op deze grondslag dan ook geen sprake. In zoverre wordt de gevorderde verklaring voor recht afgewezen.
De vorderingen tegen de (indirect) bestuurders
5.40.
[eisers] hebben ook vorderingen ingesteld tegen [gedaagde 3] en [gedaagde 2] en hun vennootschappen. [eisers] zijn van mening dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] als middellijk bestuurders van IGN aansprakelijk moeten worden gehouden voor de schade die zij als gevolg van de aankoop van het perceel lijdt. Zij vorderen dat in een verklaring voor recht uit te spreken en om [gedaagde 3] en [gedaagde 2] uit dien hoofde te veroordelen € 12.500,00 aan [eisers] te betalen.
5.41.
Als een besloten vennootschap (als IGN) tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat uitsluitend de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap als die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag wanneer daarvan sprake is, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
5.42.
De kantonechter is van oordeel dat [eisers] voldoende hebben aangetoond dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eisers] door de aankoop van het perceel hebben geleden. Daarbij is van belang dat is komen vast te staan dat IGN zich schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [eisers] voldoende toegelicht dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] als oprichters en bestuurders van IGN zelf zeer nauw betrokken waren bij de zaken van de onderneming, waaronder de inhoud van de informatiebrochure. Zij hebben deze werkwijze niet alleen zelf ontwikkeld maar hebben hier ook actief uitvoering aan gegeven. Dat betekent dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken en dat zij onrechtmatig jegens [eisers] hebben gehandeld. Voor de holdingvennootschappen (gedaagden sub 4 en 5) geldt dat ook. Op deze vennootschappen rustte als bestuurders een eigen verantwoordelijkheid om de oneerlijke handelspraktijken te voorkomen. Nu via deze vennootschappen de feitelijke zeggenschap werd uitgeoefend en zij die praktijken hebben bewerkstelligd, hebben zij die verantwoordelijk geschonden en treft hen daarvan een persoonlijk ernstig verwijt.
5.43.
De gevorderde verklaring van recht tegen de (middellijke) bestuurders van IGN is daarom toewijsbaar.
De exoneratieclausule
5.44.
Ter afwering van de vordering hebben IGN c.s. nog een beroep gedaan op het exoneratiebeding op de laatste pagina van de brochure en artikel 25 van de koopovereenkomst waarin ontbinding, vernietiging, opheffing van nadeel en een beroep op dwaling zijn uitgesloten. Volgens IGN c.s. is van onredelijk bezwarende bedingen geen sprake.
5.45.
Dit betoog faalt. Er is sprake van voorgedrukte (standaard)bepalingen waarover door [eisers] niet viel te onderhandelen. Nu deze bepalingen zijn opgesteld teneinde in meerdere overeenkomsten te worden opgenomen zijn zij aan te merken als algemene voorwaarden. Deze bedingen zijn tegenover [eisers] als consumenten onredelijk bezwarend en daarmee vernietigbaar. [eisers] hebben in de dagvaarding de betreffende bepalingen vernietigd. Dat betekent dat IGN c.s. zich niet op die bepalingen kan beroepen. Ook los daarvan acht de kantonrechter het beroep van IGN c.s. op de bedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, nu IGN c.s. [eisers] bewust heeft misleid om de koopovereenkomst aan te gaan.
Eigen schuld
5.46.
IGN c.s. hebben tot slot nog aangevoerd dat [eisers] 100% eigen schuld hebben aan het ontstaan van zijn teleurstelling. Dat maakt dat IGN c.s. op grond van artikel 6:101 BW niets verschuldigd zijn aan [eisers] , aldus IGN c.s.
5.47.
Ook dit verweer faalt. Bij eigen schuld en toerekening daarvan gaat het om de vraag of de benadeelde zelf in de gegeven omstandigheden ‘verkeerd’ heeft gehandeld. Volgens IGN c.s. is dat het geval omdat [eisers] gewaarschuwd was en herhaaldelijk is gewezen op het belang van doen van eigen onderzoek. Het is juist dat IGN een algemene waarschuwing in de verkoopbrochure en een beperkt aantal algemene waarschuwingen in de koopovereenkomst heeft opgenomen. Tegenover deze algemene waarschuwingen staat dat IGN in die brochure deed voorkomen dat de grond gelegen als onderdeel van het Vijfde Dorp ontwikkeld kon worden, dat de grond aan [eisers] is aangeboden tegen een prijs (€ 250,00 per vierkante meter) die de indruk wekte dat ontwikkeling op korte termijn mogelijk was en dat IGN wist dat de grond door de overheid juist was aangemerkt als groene buffer zonder ontwikkelingsmogelijkheden. Bij aanbieding van grond op deze wijze door een partij die zich in de markt zet als professionele aanbieder van speculatieve grond, gaat het niet aan [eisers] het verwijt van eigen schuld te maken.
Schadevergoeding
5.48.
[eisers] hebben uit hoofde van onrechtmatige daad een vordering op IGN c.s.. Zij vorderen bij wijze van schadevergoeding dat de gevolgen van de koopovereenkomst ongedaan worden gemaakt in die zin dat IGN c.s. binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis meewerkt aan de notariële (terug)levering van het perceel en de koopsom van € 12.500,00 terugbetalen. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen is deze vordering toewijsbaar. Dat betekent dat zowel IGN als de (middellijk) bestuurders hiertoe hoofdelijk zullen worden veroordeeld. Ook wanneer zij niet binnen dertig dagen meewerken aan de (terug)levering van de grond blijven zij gehouden [eisers] € 12.500,00 terug te betalen.
5.49.
De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 5 januari 2022, zijnde de datum waarop de schade is ontstaan.
Conclusie
5.50.
De primaire vorderingen van [eisers] worden toegewezen. Dat betekent dat de kantonrechter niet toekomt aan de (meer) subsidiaire vorderingen.
Proceskosten
5.51.
IGN c.s. zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
178,55
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.443,55
6Beslissing
De kantonrechter
in het incident
6.1.
wijst de vorderingen van IGN c.s. af,
6.2.
veroordeelt IGN c.s. in de proceskosten van € 432,00,
in de hoofdzaak
6.3.
verklaart voor recht dat IGN c.s. onrechtmatig jegens [eisers] hebben gehandeld doordat IGN een handelspraktijk verricht die oneerlijk is,
6.4.
veroordeelt IGN c.s. hoofdelijk tot ongedaanmaking van de gevolgen van de koopovereenkomst door binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de notariële (terug)levering van het perceel aan één van hen, met de bepaling dat IGN c.s. eveneens hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichting de koopsom van € 12.500,00 aan [eisers] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2022,
6.5.
bepaalt dat IGN c.s. hoofdelijk ook bij gebreke van medewerking aan de (terug)levering van de grond binnen de termijn van dertig dagen, aan [eisers] € 12.500,00 zijn verschuldigd, zonder af te doen aan de gehoudenheid van IGN c.s. na voormelde termijn van dertig dagen mee te werken aan de (terug)levering,
6.6.
veroordeelt IGN c.s. in de proceskosten van € 1.443,55 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als IGN c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
wijst de vorderingen van [eisers] voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.
op grond van artikel 6:89 dan wel artikel 7:23 lid 1 van Burgerlijk Wetboek (BW).
Zie randnummer 39.
Artikel 6:193b lid 2 BW.
Artikel 6:193d lid 1 BW.
Artikel 6:193j lid 3 BW.
Artikel 6:193b lid 1 BW.
Artikel 6:193j lid 1 BW.
als bedoeld in artikel 6:193c lid 1 BW.
in de zin van artikel 6:193a lid 1 sub a BW.
Zie hiervoor onder 2. Feiten.
Artikel 6:193b lid 1 BW.
Artikel 1.1 Wft.
In de zin van artikel 6:231 onder a BW.
Op grond van artikel 6:233 onder a BW jo artikel 6:237 sub f BW en Richtlijn 93/13/EEG.
Artikel 6:248 lid 2 BW.
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11923117 \ CV EXPL 25-6977
Vonnis van 5 augustus 2026 in het incident ex artikel 194 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) en in de hoofdzaak
in de zaak tussen:
1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,
beiden wonend te [plaats 1] ,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. M. Buitelaar,
tegen
1. de besloten vennootschap VASTGOED NEDER-LAND B.V. (voorheen IGN Vastgoed B.V.),
statutair gevestigd te Beverwijk,
hierna ook: IGN,2. [gedaagde 2],
wonend te [plaats 2] , Cyprus,
hierna ook: [gedaagde 2] ,3. [gedaagde 3],
wonend te [plaats 3] ,
hierna ook: [gedaagde 3] ,4. de besloten vennootschap [gedaagde 4] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats 4] ,5. de besloten vennootschap ALPHABET HOLDING B.V.,
statutair gevestigd te Beverwijk,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna samen te noemen: IGN c.s.,
gemachtigde: voorheen mr. T. Sloten, thans mrs. V.J.C. de Bruijn en A.B.B. Wilmink.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 15 producties
- de conclusie van antwoord met 12 producties
- het tussenvonnis van 24 december 2025
- de producties 16 tot en met 18 van [eisers]
- de incidentele conclusie ex artikel 194 Rv met producties 13 en 14 van IGN c.s.
- de producties 15 tot en met 21 van IGN c.s.
- de mondelinge behandeling van 14 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van beide partijen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
IGN handelde in percelen onbebouwde (landbouw)grond, waarbij werd gespeculeerd dat de percelen op termijn door een bestemmingswijziging meer waard zouden worden. IGN verkavelde grote kavels in kleinere percelen en bood deze te koop aan. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn via hun vennootschappen (gedaagden sub 4 en 5) de (indirect) bestuurders van IGN.
2.2.
[eisers] zijn in contact gekomen met IGN. Na telefonisch contact heeft IGN op 15 november 2021 via de e-mail een brochure aan [eisers] gestuurd met betrekking tot een door IGN te koop aangeboden perceel landbouwgrond in de gemeente Zuidplas. In de e-mail wordt verwezen naar de meegestuurde brochure over het exclusieve project ‘Zuidplas’. Deze brochure bevat onder meer de volgende (visuele) informatie:
het voorblad:
Bladzijde 7:
Bladzijde 8:
Bladzijde 9:
Op de laatste bladzijde van de brochure staat:
UITSLUITING AANSPRAKELIJKHEID
Hoewel deze informatie met de grootste zorg en naar waarheid tot stand is gekomen, aanvaard IGN Vastgoed B.V. onder geen beding enige vorm van aansprakelijkheid wegens eventuele onjuistheden in, of verkeerde vorm van uitleg van, de informatie. Daarnaast aanvaard IGN Vastgoed B.V. geen aansprakelijkheid voor handelingen die de ontvanger verricht op basis van deze informatie. Informatie over de structuurvisie geven wij op basis van de bij ons laatst bekende gegevens.
2.3.
Aansluitend hebben bij [eisers] thuis meerdere gesprekken tussen [eisers] en een medewerker van IGN plaatsgevonden.
2.4.
Op 6 december 2021 hebben [eisers] een koopovereenkomst met IGN ondertekend, waarbij zij een perceel van 50 m2, kadastraal bekend als gemeente Nieuwerkerk aan de IJssel, sectie D, nummer 2744 kochten voor € 12.500,00.
2.5.
In de koopovereenkomst staan de volgende bepalingen (weergegeven voor zover van belang):
6. (…) Verkoper verklaart zijn uiterste best te hebben gedaan om aan koper met betrekking tot het verkochte, die informatie(bronnen) te hebben gegeven, die naar geldende verkeersopvatting door hem ter kennis van koper behoort te worden gebracht, zodanig dat koper op basis daarvan en eventueel verder onderzoek van de bronnen tot een weloverwogen koopbeslissing kon komen.
(…)
17. (…) Bij ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare boete van dertig procent 30% van de koopsom verbeuren (…).’.
(…)
21. Partijen komen hierbij overeen dat koper een aanbiedings-, verkoop en leveringsplicht aan een ander dan verkoper heeft na het onherroepelijk worden van een bestemmingswijziging ten aanzien van het verkochte. (….) Voorts heeft verkoper een voorkeursrecht op het verkochte. Vorenbedoelde aanbiedingsplicht en voorkeursrecht zijn nader uitgewerkt in de akte van levering. Ten aanzien van het bepaalde in dit artikel is in de akte van levering een kettingbeding en boeteclausule opgenomen.
22. Koper verklaart – voordat hij deze overeenkomst ondertekend heeft -
a. kennis te hebben genomen van de brochure alsmede de bepalingen van deze overeenkomst en dat hij zodanige informatie heeft ontvangen, dat de inhoud en de gevolgen van deze overeenkomst hem voldoende voor ogen staan; en
b. kennis te hebben genomen van de huidige planologische bestemming van het verkochte en alle bijbehorende documenten van ruimtelijkeplannen.nl; en
c. ermee bekend te zijn dat (i) het verkochte een onderdeel is van (recent) door verkoper verworven dan wel nog te verwerven percelen, waarbij tussen deze transacties waardestijgingen zitten/zullen zitten, (ii) het verkochte geen jaarlijks rendement oplevert en er geen garantie is voor een (autonome) waardestijging (al dan niet door een bestemmingsplanwijziging en/of bestemmingswijziging, en (iii) de aard van deze transactie een speculatief karakter heeft, en (iv) het verkochte alleen door koper conform de huidige bestemming mag worden gebruikt en worden beheerd.
(…)
23. Koper verklaart door ondertekening van deze overeenkomst toestemming te verlenen aan de notaris om alle correspondentie met koper betreffende deze transactie (in cc) aan verkoper te sturen.
(…)
25. Tenzij anders bepaald in deze overeenkomst, doen partijen afstand van het recht om deze overeenkomst (partieel) te ontbinden, vernietigen, wijzigen ter opheffing van nadeel met name het inroepen van het bepaalde in artikel 6:265 e.v. en 6:228 e.v. BW..
2.6.
De levering heeft op 5 januari 2022 bij volmacht plaatsgevonden. [eisers] hebben de koopsom van € 12.500,00 betaald.
2.7.
Op enig moment na de levering heeft de gemachtigde van [eisers] onderzoek verricht naar de betrouwbaarheid van IGN en de juistheid en volledigheid van de door IGN verstrekte informatie.
2.8.
Per brief van 2 augustus 2023 heeft een senior beleidsmedewerker van de afdeling Ruimtelijk Beleid van de gemeente Zuidplas de gemachtigde van [eisers] als volgt geïnformeerd:
De gronden zijn gelegen binnen het gebied van de ontwikkeling van het Vijfde Dorp. Deze gronden zijn echter, conform het vastgestelde masterplan (vastgesteld door de gemeenteraad in maart 2021), geen onderdeel van het daadwerkelijke ontwikkelgebied waarbinnen het dorp ontwikkeld gaat worden. De gronden maken onderdeel uit van de open, groene ruimte (gebied de Groene Schakel/Agrarisch gebied, pagina 76 masterplan) die als buffer zal gaan fungeren tussen het nieuwe dorp en de omgeving. De gemeente bereidt op dit moment dan ook een bestemmingsplan voor waarin de gronden een groene, agrarische bestemming zullen krijgen. Hierop heeft de provincie zijn omgevingsverordening ook aangepast (…). Hiermee is ook vanuit de provincie de ontwikkeling tot wonen op het betreffende perceel onmogelijk gemaakt. Hierop zal het bestemmingsplan aangepast worden. Op deze gronden zijn geen ontwikkelingen mogelijk in de vorm van wonen en deze zijn ook niet voorzien vanuit de gemeente. (…)
2.9.
Per e-mail van 5 maart 2025 hebben [eisers] IGN laten weten dat IGN hen niet juist heeft voorgelicht over de kans op een bestemmingswijziging van het perceel en dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk. [eisers] hebben ook [gedaagde 3] en [gedaagde 2] hiervoor aansprakelijk gesteld. Verder maken [eisers] in de brief er melding van dat IGN zonder de (volgens [eisers] ) vereiste vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft gehandeld. [eisers] verzoeken IGN om mee te werken aan het terugdraaien van de transactie.
2.10.
IGN heeft niet meegewerkt aan het terugdraaien van de transactie.
2.11.
Per brief van 26 maart 2026 heeft de gemeente Zuidplas nog het volgende geantwoord op vragen van de gemachtigde van [eisers] over de (on)mogelijkheid van woningbouw in het gebied waar het perceel deel van uitmaakt:(…) Het aangekochte perceel ligt geografisch gezien in het gebied Nieuwerkerk-Noord. Dit gebied zit al jaren op slot door een uit te werken bestemming die niet meer past bij de huidige mogelijkheden. Het uitwerken van een woningbouwprogramma is op basis van de bestuurlijke overeenkomst (randzaak 43 op pagina 12) in de nabije toekomst tot minimaal 2035 niet aan de orde. De provincie heeft de aanduiding voor grootschalige woningbouw van het gebied gehaald en het gebied kent inmiddels weer een aanduiding glastuinbouwgebied in de provinciale verordening. Ook in de ontwerp Nota Ruimte (vanuit het Rijk) met een doorkijk naar 2030 en 2050 is het gebied niet opgenomen als grootschalige woningbouwlocatie. (…)
3De vordering in de hoofdzaak
3.1.
[eisers] vorderen dat de kantonrechter:
primair:
I voor recht verklaart dat IGN c.s. onrechtmatig jegens [eisers] hebben gehandeld doordat IGN een beleggingsobject aan [eisers] heeft aangeboden, terwijl IGN niet over de daarvoor benodigde vergunning van de AFM beschikte en/of doordat IGN een handelspraktijk verrichtte die oneerlijk is;
II IGN c.s. hoofdelijk veroordeelt tot ongedaan making van de gevolgen van de koopovereenkomst door binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de notariële (terug)levering van het perceel, met de bepaling dat IGN c.s. eveneens hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichting de koopsom van € 12.500,00, vermeerderd met wettelijke rente, aan [eisers] te betalen;
III bepaalt dat IGN c.s. hoofdelijk, ook bij gebreke van medewerking aan de (terug)levering van de grond binnen dertig dagen, aan [eisers] € 12.500,00 zijn verschuldigd, zonder af te doen aan de gehoudenheid van IGN c.s. na voormelde termijn mee te werken aan de (terug)levering;
subsidiair:
IV voor recht verklaart dat IGN c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade van [eisers] als gevolg van het onrechtmatig handelen van IGN c.s. jegens [eisers] , en bepaalt dat deze schade dient te worden opgemaakt bij staat;
meer subsidiair:
V voor recht verklaart dat de tussen IGN en [eisers] gesloten overeenkomst per datum dagvaarding is vernietigd op grond van dwaling of artikel 6:193j, lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW);
VI IGN c.s. veroordeelt aan [eisers] het door hen onverschuldigde betaalde bedrag van € 12.500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
VII bepaalt dat IGN c.s., indien niet wordt voldaan aan de veroordeling onder VI, geen recht hebben op teruglevering van het perceel.
primair, subsidiair en meer subsidiair:
VIII IGN c.s. veroordeelt de proceskosten te voldoen binnen veertien dagen na datum vonnis.
3.2.
[eisers] leggen aan hun vorderingen samengevat ten grondslag dat IGN jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door zich te bedienen van misleidende handelspraktijken en door het perceel aan te bieden zonder de vereiste vergunning van de AFM. Bij een juiste en volledige voorstelling van zaken waren [eisers] de overeenkomst niet aangegaan. Dit onrechtmatig handelen van IGN kan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , als indirect bestuurders, persoonlijk worden verweten. [eisers] doen een beroep op vernietiging van de overeenkomst en willen dat IGN c.s. de koopprijs terugbetalen en meewerken aan de teruglevering van het perceel.
3.3.
IGN voert als verweer aan dat de informatie die zij heeft verstrekt in de brochure, in de gesprekken en in de koopovereenkomst niet misleidend of onvolledig is geweest. [eisers] zijn er meerdere keren op gewezen dat het om een speculatieve belegging gaat en dat bestemmingswijziging ook (langere tijd) zou kunnen uitblijven. [eisers] hebben zelf te weinig onderzoek gedaan en er bestaat nog steeds een kans op bestemmingswijziging.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.
4De vordering in het incident
4.1.
In het incident vordert IGN dat de kantonrechter:
I [eisers] beveelt aan IGN een afschrift van de volgende bescheiden te verschaffen:
a. a) de aangifte inkomstenbelasting 2022 en 2023 voor zover deze betrekking heeft op box 3 (inkomen uit sparen en beleggen) en de daarin opgenomen onroerende zaken waarvan [eisers] eigenaar zijn;
b) de correspondentie tussen [eisers] en (medewerkers van) het bij de levering betrokken notariskantoor [bedrijf] ;
II [eisers] veroordeelt in de kosten van dit incident.
4.2.
Volgens IGN zijn de gevorderde bescheiden noodzakelijk om de feitelijk gang van zaken rond de totstandkoming van de koopovereenkomst vast te stellen.
4.3.
[eisers] voeren verweer.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.
5De beoordeling in het incident en in de hoofdzaak
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
Omdat [gedaagde 2] in Cyprus woont, heeft dit geschil (deels) een internationaal karakter. Daarom moet de kantonrechter eerst ambtshalve beoordelen of hij bevoegd is kennis te nemen van het geschil. Op grond van artikel 4 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat in beginsel opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Artikel 8 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening voegt daaraan toe dat als er meer dan één verweerder is, een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van de andere verweerders, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting.
5.2.
De kantonrechter is van oordeel dat een dergelijke nauwe band tussen de vorderingen bestaat. Zij zien op dezelfde handelingen en zijn ten aanzien van alle gedaagden gelijk. Omdat [gedaagde 3] in Nederland woont en zowel IGN als [gedaagde 4] B.V., statutair gevestigd zijn in Nederland, is de conclusie dat de Nederlandse rechter, ook voor de vorderingen die tegen [gedaagde 2] zijn ingesteld, rechtsmacht toekomt. Ook als de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet zou voortvloeien uit artikel 8 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening, zou de Nederlandse rechter bevoegd zijn, omdat [gedaagde 2] in deze procedure is verschenen.
5.3.
Op de zaak is Nederlands recht van toepassing omdat partijen in hun stellingen en weren een beroep doen op het Nederlandse recht. Een dergelijke impliciete rechtskeuze, duidelijk blijkend uit de omstandigheden van het geval, is mogelijk op grond van zowel de Rome I-Verordening die geldt voor verbintenissen uit overeenkomst (zie artikel 3 lid 1) als de Rome II-Verordening die geldt voor verbintenissen uit onrechtmatige daad (zie artikel 14 lid 1). De vorderingen zullen gelet op het voorgaande worden beoordeeld naar Nederlands recht.
De beoordeling in het incident
5.4.
IGN stelt een rechtmatig belang te hebben bij afgifte van de gevraagde bescheiden. Uit de belastingaangifte kan blijken dat [eisers] wisten dat het om grond ging met een agrarische waardering en dat er geen concrete overheidsplannen waren voor bestemmingswijziging. Uit de correspondentie met de notaris kan blijken dat [eisers] voorafgaand aan de levering van het perceel expliciet door de notaris zijn gewezen op en gewaarschuwd voor de risico’s van de belegging. Het betreft voldoende bepaalde specifieke bescheiden, die betrekking hebben op de rechtsverhouding tussen IGN en [eisers] .
5.5.
De incidentele vordering zal worden afgewezen. Tegen de vordering tot het verstrekken van afschriften van de aangifte 2022 hebben [eisers] aangevoerd dat de aangifte 2022 over het vermogen op 1 januari 2022 gaat, terwijl het perceel nadien pas is geleverd. Dit verweer wordt gehonoreerd. Ook het verweer tegen de vordering van afgifte van een afschrift van de belastingaangifte 2023 slaagt. Ter zitting hebben [eisers] onweersproken gesteld dat ten tijde van het doen van aangifte 2023 -in 2024- IGN al onbereikbaar was en zij er achter waren gekomen dat van een bestemmingswijziging geen sprake meer zou zijn. Overigens hebben zij daarnaast verklaard dat zij geen wijzigingen hebben aangebracht in de vooraf ingevulde aangifte. Reeds hierom heeft IGN geen belang bij afgifte van een afschrift.
5.6.
Volledigheidshalve merkt de kantonrechter ten aanzien van dit onderdeel van de vordering in het incident in de eerste plaats op dat [eisers] überhaupt betwisten dat er, naast de correspondentie waarover IGN reeds beschikt, relevante correspondentie bestaat. Ten tweede geldt dat [eisers] in artikel 23 van de koopovereenkomst toestemming hebben gegeven aan de notaris alle correspondentie tussen hen en de notaris copie conform aan IGN te sturen en uit genoemd artikel blijkt niet dat deze toestemming alleen betrekking heeft op de e-mails van de notaris aan [eisers] , zoals IGN betoogt. Met betrekking tot de verzochte (kopieën van) correspondentie tussen de notaris en [eisers] overweegt de kantonrechter voorts dat, gelet op de vraag die voorligt, te weten of IGN zich jegens [eisers] heeft bediend van oneerlijke handelspraktijken voorafgaand aan de koop, niet van doorslaggevend belang is hoe [eisers] ten tijde van de levering hebben gereageerd op de mededelingen van de notaris. Dat geldt in deze zaak temeer, gelet op het volgende. IGN heeft ter zitting weliswaar benadrukt dat [eisers] , als ze hadden gereageerd op mededelingen van de notaris, zonder kosten konden afzien van hun verplichtingen uit de koopovereenkomst, maar in artikel 17 van de koopovereenkomst staat, samengevat, dat niet nakoming van de koop leidt tot een boete van 30% en in artikel 25 staat dat partijen afzien van hun recht op ontbinding en vernietiging (voor wat dat juridisch waard is, zie hierna).
5.7.
Indien en voor zover [eisers] in de praktijk in weerwil hiervan toch kosteloos van de koop hadden afgekund, had dat aan hen moeten worden meegedeeld. Uit het niet reageren op mededelingen van de notaris kan, wat daar ook van zij, mede gelet op het voorgaande niet de conclusie worden getrokken dat [eisers] door IGN voorafgaand aan de koop deugdelijk zijn geïnformeerd.
5.8.
De kosten van het incident komen voor rekening van IGN c.s. en worden begroot op € 432,00 aan salaris gemachtigde van [eisers] .
De beoordeling in de hoofdzaak
5.9.
In onderhavige zaak maken [eisers] jegens IGN c.s. aanspraak op het ongedaan maken van de gevolgen van de koopovereenkomst. Volgens [eisers] hebben IGN c.s. jegens hen onrechtmatig gehandeld omdat IGN niet beschikte over de benodigde vergunning van de AFM en zich (daarnaast) heeft bediend van een oneerlijke handelspraktijk. Naast een inhoudelijke betwisting van de vordering heeft IGN c.s. ook een beroep gedaan op verjaring en de klachtplicht (rechtsverwerking). De kantonrechter zal deze verweren als eerste bespreken.
Verjaring
5.10.
IGN c.s. hebben aangevoerd dat de vorderingen van [eisers] zijn verjaard.
5.11.
Op grond van 3:52 lid 1 sub c BW verjaart een vordering tot vernietiging wegens een oneerlijke handelspraktijk drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan. Daarbij is van belang het moment waarop degene die vernietiging vordert er daadwerkelijk mee bekend is geworden dat er sprake was van een oneerlijke handelspraktijk.
5.12.
Ter onderbouwing van haar beroep op verjaring hebben IGN c.s. gesteld dat de notaris op 31 december 2021 uitdrukkelijk schriftelijk de risico’s en de aard van de transactie heeft medegedeeld. Vanaf dat moment hadden [eisers] dus voldoende feitelijke kennis om een vordering op grond van oneerlijke handelspraktijken of dwaling in te stellen. Zij hebben echter pas na verloop van meer dan drie jaar een eerste formele aansprakelijkheid gestuurd, aldus IGN.
5.13.
De kantonrechter volgt dit betoog niet. De mededeling van de notaris dat er risico’s aan de transactie verbonden waren betekent niet dat [eisers] ermee bekend waren dat sprake was van een oneerlijke handelspraktijk. Uit de stukken blijkt dat de gemeente [eisers] per brief van 2 augustus 2023 heeft geïnformeerd over de werkelijke situatie en de onmogelijkheid om het gebied waarin het perceel ligt te ontwikkelen. Dat [eisers] ook daarvoor al wisten dat de bestemming van de grond voorlopig niet zou wijzigen, hebben IGN c.s. niet aannemelijk gemaakt. Uiteindelijk heeft de gemachtigde van [eisers] op 5 maart 2025 met een beroep op (onder meer) oneerlijke handelspraktijken IGN verzocht de gevolgen van de koopovereenkomst ongedaan te maken en de eventuele verjaring gestuit. Van een verloop van meer dan drie jaar nadat [eisers] bekend is geworden met de misleiding of de onrechtmatige daad is dus geen sprake. Dat betekent dat op het moment dat [eisers] de vordering instelden, deze niet was verjaard.
De klachtplicht
5.14.
Verder hebben IGN c.s. aangevoerd dat [eisers] niet hebben voldaan aan hun klachtplicht. Ze zouden te laat hebben geklaagd over het vermeende gebrek en daarom hun rechten hebben verwerkt.
5.15.
De kantonrechter volgt IGN c.s. hierin niet. De in de wet geregelde klachtplicht ziet op gevallen waarin een schuldenaar een prestatie heeft verricht die niet aan de verbintenis beantwoordt (ondeugdelijke nakoming). [eisers] baseren hun vorderingen echter op een oneerlijke handelspraktijk. Dit betreft een zelfstandige wettelijke sanctie die niet is gegrond op een gebrek in de uitvoering van een overeengekomen prestatie maar gericht is tegen de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. De regeling met betrekking tot de klachtplicht is hierop niet van toepassing. Voor zover het beroep op de klachtplicht zich richt tegen de vorderingen uit onrechtmatige daad, faalt dit eveneens. Hoewel de klachtplicht van toepassing kan zijn op een vordering uit onrechtmatige daad, gaat dat in dit geval niet op omdat [eisers] de onrechtmatige daad baseren op misleidende gedragingen vóór het sluiten van de overeenkomst, en niet op een gebrekkige uitvoering daarvan. Het beroep op de klachtplicht wordt daarom verworpen.
De inhoudelijke beoordeling
5.16.
Zoals [eisers] in de dagvaarding stellen is het leerstuk van de oneerlijke handelspraktijk het meest in aanmerking komende kader om deze zaak te beoordelen. In dat kader is het volgende van belang.
5.17.
Het begrip “handelspraktijk” is in artikel 6:193a lid 1 sub d BW omschreven als: iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten.
5.18.
Een handelspraktijk is oneerlijk als een handelaar handelt:
a. in strijd met de vereisten van professionele toewijding, en
b. het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen.
5.19.
Artikel 6:193b lid 3 BW bepaalt dat een handelspraktijk in het bijzonder oneerlijk is als een handelaar:
a. een misleidende handelspraktijk verricht als bedoeld in de artikelen 6:193c tot en met 6:193g BW;
b. een agressieve handelspraktijk verricht als bedoeld in de artikelen 6:193h en 6:193i BW.
5.20.
Een handelspraktijk is misleidend als informatie wordt verstrekt die feitelijk onjuist is of die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden, al dan niet door de algemene presentatie van de informatie, al dan niet door de algemene presentatie van de informatie, zoals ten aanzien van (onder meer) het bestaan en de aard van het product en/of de voornaamste kenmerken van het product zoals voordelen en risico’s, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen dat hij anders niet had genomen. Het gaat om handelspraktijken waarbij de handelaar foutieve informatie verstrekt – niet gebaseerd op de waarheid – of informatie verstrekt die door de wijze van presentatie, hoewel feitelijk gezien correct, op een andere manier de consument bedriegt. Beslissend is of de (onjuiste) informatie de gemiddelde consument er toe kan brengen om een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.
5.21.
Een handelspraktijk is ook misleidend als er sprake is van een misleidende omissie. Het artikel geeft vervolgens een aantal voorbeelden. Het gaat om handelspraktijken waarbij de handelaar essentiële informatie weglaat, verborgen houdt of op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel te laat verstrekt. Beslissend is of de (weggelaten, verborgen, onduidelijke of te laat verstrekte) informatie de gemiddelde consument er toe kan brengen om een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.
5.22.
Een overeenkomst die als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen, is vernietigbaar. Ook handelt de handelaar die een handelspraktijk verricht die oneerlijk is, onrechtmatig tegenover de consument. Het is aan de handelaar om de materiele juistheid en volledigheid van de informatie die hij heeft verstrekt te bewijzen. De bewijslast van de materiele juistheid en volledigheid van de informatie die zij heeft verstrekt, rust in dit geval dus op IGN c.s.
Er is sprake van een misleidende handelspraktijk
5.23.
De kantonrechter is van oordeel dat IGN zich heeft bediend van een oneerlijke handelspraktijk, bestaande uit een misleidende handelspraktijk. De kantonrechter licht dit oordeel als volgt toe.
5.24.
IGN is een professionele partij op het gebied van de handel in speculatieve (landbouw)grond. Zij beschikte ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst over alle relevante informatie over het verkochte perceel. Zij heeft echter nagelaten om [eisers] die handelden in hoedanigheid van consument deugdelijk te informeren over de risico’s van de aankoop.
5.25.
De kantonrechter zal daarbij allereerst ingaan op de brochure die [eisers] van IGN hebben ontvangen. Op het voorblad wordt onder de kop ‘Historisch besluit: gemeenteraad Zuidplas stemt met ruime meerderheid voor bouw Vijfde Dorp” uiteengezet dat de gemeenteraad van Zuidplas heeft ingestemd met de ontwikkeling van een nieuw dorp in de Zuidplaspolder, waar 8.000 nieuwe woningen zullen verrijzen en twee nieuwe bedrijventerreinen. Daarbij is een plankaartschets gevoegd waarin een gebied geel is gearceerd met een pijl naar het perceel, en een pijl met een tekstvlak ‘Enkelbestemming woongebied – Uit te werken 2. Zie pagina 9’. Op pagina 9 staan vervolgens plaatjes van huizen en een uiteenzetting van de “beeldkwaliteitseisen van de woonbebouwing”. Vervolgens staan er voorschriften voor “Karakter”, “Bouwvolume” en “Kapvorm” van de woningen. Bladzijde 5 heeft als kop “Nieuws” en bevat vijf (uittreksels uit) nieuwsberichten met bronvermelding. Het gaat om:
- een nieuwsbericht van ad.nl van 31 maart 2021 met de titel “Eindelijk duidelijkheid: Vijfde Dorp van Zuidplas krijgt 8000 woningen”;
- een nieuwsbericht van ad.nl van 7 juni 2021 met als titel “Woningen bouwen in weilanden moet uit de taboesfeer” waarin onder meer staat dat gemeenten de komende jaren ook woningen moeten bouwen in gebieden die nu nog groen zijn;
- een nieuwsbericht van ad.nl van 18 februari 2021 met de titel “Zuidplas krijgt 14 miljoen van het Rijk voor de bouw van vooral betaalbare woningen”;
- een nieuwsbericht van ad.nl met de titel “Gemeente Zuidplas moet snel méér woningen bouwen”
- een bericht van omgevingsweb.nl waarin staat dat de Minister veertien grootschalige woningbouwlocaties heeft aangewezen waar in de komende twintig jaar 440.000 woningen moeten verrijzen en dat dat plan beter, goedkoper en sneller moet.
Op bladzijde 6 wordt een “Groeikaart Topotijdreis.nl” weergegeven. Daarop staat de groei van de gemeente vanaf 1975. Daarbij staat dat het aantal huishoudens in Zuidplas tussen 2018 en 2050 met 42% zal toenemen. Op bladzijdes 7, 8 en 10 van de brochure wordt vervolgens aandacht besteed aan de ligging van het aangeboden perceel en op bladzijde 9 wordt met plaatjes van huizen een indruk gegeven van huizen die mogen worden gebouwd conform het “Beeldkwaliteitsplan Linten & Kwaliteitszone Ringvaart”.
5.26.
De informatie in de brochure dient derhalve vooral als aanprijzing van de percelen. Positieve, veelbelovende teksten over woningbouw overheersen. De brochure wekt bovendien de indruk dat het aangeboden perceel is gelegen in een gebied waarvoor reeds plannen bestaan voor (woning)bouw.
5.27.
IGN wist echter heel goed dat het betreffende perceel geen onderdeel uitmaakte van de voor het Vijfde Dorp te bebouwen grond. Er bestond immers al bekendheid met het masterplan van de gemeente, dat in maart 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld. In dat plan wordt dit gebied aangemerkt als groenbuffer, hetgeen langdurige ontwikkeling in de weg staan (zoals ook blijkt uit de Bestuurlijke Overeenkomst tussen de provincie en de gemeente waarin staat dat in dit gebied tot zeker 2035 geen grootschalige woningbouw zal plaatsvinden). IGN heeft die informatie echter niet met [eisers] gedeeld. Door de verwijzingen naar het Vijfde Dorp, de planschetsen waarin ook het perceel wordt aangeduid en de concrete voorbeelden van woningen zoals die gebouwd zullen worden, wordt juist de suggestie gewekt dat op het perceel op korte termijn woningbouw gerealiseerd zal worden. Door de wijze van presentatie van de brochure als geheel is [eisers] (bewust) een verkeerde voorstelling van zaken gegeven.
5.28.
[eisers] hebben (ook ter zitting) verklaard dat zij ervan uitgingen dat de ontwikkeling van het gebied binnen vier jaar zou plaatsvinden. Zij stellen dat hen dat in december 2021 is medegedeeld. Daarvoor, in november 2021, hadden zij bovendien een e-mail ontvangen met een link naar informatie over de realisatie van het Vijfde Dorp.
5.29.
IGN c.s. hebben een schriftelijke verklaring van hun verkoopmedewerker [betrokkene] overgelegd. Daarin staat dat hij in geen enkel verkoopgesprek, telefonisch contact of schriftelijke communicatie heeft gesuggereerd dat het aangeboden perceel onderdeel vormde van het Vijfde Dorp. Ook verklaart hij dat hij juist heeft benadrukt dat onbekend is of en wanneer er überhaupt een wijziging van de bestemming of woningbouw op het verkochte perceel zou plaatsvinden. [eisers] hebben de inhoud van deze verklaring gemotiveerd weersproken. Volgens [eisers] is dit geen verklaring die door [betrokkene] is afgelegd, aangezien hij nooit zulke woorden zou gebruiken als die in de verklaring zijn opgenomen. Verder wijzen zij erop dat in de verklaring expliciet staat vermeld dat hij een andere koper dan [eisers] uitdrukkelijk heeft verteld dat het perceel niet binnen het plan Vijfde Dorp viel. Op de verkoop aan [eisers] gaat [betrokkene] niet in, zodat de kantonrechter met [eisers] van oordeel is dat onduidelijk is wat [betrokkene] tegen [eisers] tijdens de verkoop aan [eisers] heeft gemeld. In elk geval blijkt uit de verklaring niet dat [betrokkene] heeft gezegd dat de gemeente kort tevoren had besloten om de betreffende grond aan te wijzen als groenbuffer die niet mocht worden bebouwd.
5.30.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de informatievoorziening ondermaats en op essentiële punten onvolledig. Met de wijze waarop IGN de informatie over het perceel heeft aangeboden heeft IGN informatie verstrekt die de gemiddelde consument kan misleiden, waardoor deze een besluit over de aankoop van een perceel grond kan nemen, dat hij anders niet had genomen.
Algemene waarschuwingen niet voldoende
5.31.
De algemene waarschuwingen in de koopovereenkomst kunnen dit gebrek aan juiste en volledige informatie niet goedmaken. Waar het om gaat is dat de informatie die aan [eisers] is gegeven redelijkerwijs bij hen de indruk heeft gewekt dat het zeer waarschijnlijk is dat binnen afzienbare tijd woningbouw zou gaan plaatsvonden op het aan hen aangeboden perceel, terwijl dat juist niet het geval was. IGN heeft [eisers] voor de verkoop ook geen vragenlijst gestuurd om de verwachtingen van [eisers] in kaart te brengen en zo nodig bij te sturen.
5.32.
Ook het feit dat [eisers] voorafgaand aan de levering door de notaris zijn gewezen op de risico’s kan dit gebrek aan juiste en volledige informatie niet goedmaken. De notaris heeft [eisers] per e-mail van 31 december 2021 geïnformeerd. Al geruime tijd eerder echter hadden [eisers] zich door ondertekening van de koopovereenkomst gebonden de grond af te nemen. De informatie van de notaris kan dan ook niet worden “meegenomen” als informatie die vóór het aangaan van de koop door IGN is verstrekt. Daarbij komt dat [eisers] de kans op een bestemmingswijziging moeten kunnen afwegen tegen het risico dat een bestemmingswijziging achterwege blijft. Daarvoor is niet voldoende dat [eisers] erover zijn geïnformeerd dat zij “mogelijk te veel voor de landbouwgrond [hebben] betaald” als de bestemming van de grond niet wordt gewijzigd (zoals in de e-mail van de notaris staat).
5.33.
Door het voorgaande hebben [eisers] geen goed geïnformeerde beslissing kunnen nemen over het aangaan van de overeenkomst. Zij hadden in staat gesteld moeten worden een reële inschatting te maken van de kans dat die bestemmingswijziging uitblijft. Dergelijke informatie is door IGN niet verstrekt. De kantonrechter acht het aannemelijk dat [eisers] niet tot het sluiten van de koopovereenkomst zouden zijn overgegaan als zij de werkelijke risico’s van het verlies op deze investering hadden gekend.
Conclusie
5.34.
Omdat IGN c.s., op wie de bewijslast rust, niet hebben aangetoond dat de door IGN verstrekte informatie juist en volledig is, staat vast dat IGN zich schuldig heeft gemaakt aan een misleidende handelspraktijk. Feitelijk is sprake van een uiterst risicovolle belegging, waarbij IGN niet alleen heeft nagelaten [eisers] juist te informeren over die risico’s, maar hen ook bewust op het verkeerde been gezet. [eisers] zijn op grond van deze misleidende informatie een koopovereenkomst met IGN aangegaan, die zij anders niet zouden hebben gesloten. Daarmee heeft IGN onrechtmatig jegens [eisers] gehandeld. De gevorderde verklaring voor recht die daarop ziet zal worden gegeven.
Wet financiële transacties (Wft)
5.35.
Verder stellen [eisers] dat IGN c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door zonder de vereiste vergunning van de AFM de koopovereenkomst te sluiten. [eisers] hebben daartoe – kort samengevat – gesteld dat het perceel een beleggingsobject is als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht (Wft).
5.36.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [eisers] op het ontbreken van een vergunning van de AFM niet slaagt. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.
5.37.
Om van een beleggingsobject in de zin van de Wft te spreken is (onder meer) vereist dat het beheer van een zaak hoofdzakelijk door een ander dan de verkrijger wordt uitgevoerd (het beheercriterium). Aan het beheercriterium is voldaan als de aanbieder de beheerstaken uit handen neemt van de investeerder en in het aanbod besloten ligt dat zij (de aanbieder) direct of indirect zorgdraagt voor het beheer. [eisers] hebben uitgebreid betoogd dat hiervan sprake is. Dat betoog komt er in de kern op neer dat in de koopovereenkomst besloten lag dat het beheer door een ander (DHP) zou worden uitgevoerd en dat zij zelf ook nooit de intentie hebben gehad het beheer zelf ter hand te nemen. Daarnaast duiden volgens [eisers] de aanbiedingsplicht en het voorkeurrecht die in de overeenkomst zijn opgenomen op beheer.
5.38.
IGN c.s. hebben deze standpunten gemotiveerd betwist. Zij hebben er terecht op gewezen dat uit geen van de (verkoop)documenten blijkt dat beheer in het aanbod was inbegrepen of dat beheer (of pacht) onderdeel uitmaakten van de overeenkomst. Niet is gebleken dat IGN zelf of via DHP pachtovereenkomsten met agrariërs heeft gesloten, zodat van beheer door IGN c.s. geen sprake is. De kantonrechter is van oordeel dat evenmin sprake is van beheer omdat de overeenkomst een aanbiedingsplicht en een voorkeursrecht bevat, aangezien deze pas van toepassing zijn na een onherroepelijke bestemmingswijziging, terwijl het onzeker is of zo’n wijziging ooit zal plaatsvinden.
5.39.
Gelet op het voorgaande is door [eisers] onvoldoende concreet gemaakt dat de zorg voor het beheer van de percelen grond in het aanbod van IGN (direct of indirect) besloten lag. Dat betekent dat aan het beheercriterium van artikel 1:1 Wft niet is voldaan en IGN bij de transactie met [eisers] geen vergunning nodig had van de AFM. Van onrechtmatig handelen van IGN c.s. is op deze grondslag dan ook geen sprake. In zoverre wordt de gevorderde verklaring voor recht afgewezen.
De vorderingen tegen de (indirect) bestuurders
5.40.
[eisers] hebben ook vorderingen ingesteld tegen [gedaagde 3] en [gedaagde 2] en hun vennootschappen. [eisers] zijn van mening dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] als middellijk bestuurders van IGN aansprakelijk moeten worden gehouden voor de schade die zij als gevolg van de aankoop van het perceel lijdt. Zij vorderen dat in een verklaring voor recht uit te spreken en om [gedaagde 3] en [gedaagde 2] uit dien hoofde te veroordelen € 12.500,00 aan [eisers] te betalen.
5.41.
Als een besloten vennootschap (als IGN) tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat uitsluitend de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap als die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag wanneer daarvan sprake is, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
5.42.
De kantonechter is van oordeel dat [eisers] voldoende hebben aangetoond dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eisers] door de aankoop van het perceel hebben geleden. Daarbij is van belang dat is komen vast te staan dat IGN zich schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [eisers] voldoende toegelicht dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] als oprichters en bestuurders van IGN zelf zeer nauw betrokken waren bij de zaken van de onderneming, waaronder de inhoud van de informatiebrochure. Zij hebben deze werkwijze niet alleen zelf ontwikkeld maar hebben hier ook actief uitvoering aan gegeven. Dat betekent dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken en dat zij onrechtmatig jegens [eisers] hebben gehandeld. Voor de holdingvennootschappen (gedaagden sub 4 en 5) geldt dat ook. Op deze vennootschappen rustte als bestuurders een eigen verantwoordelijkheid om de oneerlijke handelspraktijken te voorkomen. Nu via deze vennootschappen de feitelijke zeggenschap werd uitgeoefend en zij die praktijken hebben bewerkstelligd, hebben zij die verantwoordelijk geschonden en treft hen daarvan een persoonlijk ernstig verwijt.
5.43.
De gevorderde verklaring van recht tegen de (middellijke) bestuurders van IGN is daarom toewijsbaar.
De exoneratieclausule
5.44.
Ter afwering van de vordering hebben IGN c.s. nog een beroep gedaan op het exoneratiebeding op de laatste pagina van de brochure en artikel 25 van de koopovereenkomst waarin ontbinding, vernietiging, opheffing van nadeel en een beroep op dwaling zijn uitgesloten. Volgens IGN c.s. is van onredelijk bezwarende bedingen geen sprake.
5.45.
Dit betoog faalt. Er is sprake van voorgedrukte (standaard)bepalingen waarover door [eisers] niet viel te onderhandelen. Nu deze bepalingen zijn opgesteld teneinde in meerdere overeenkomsten te worden opgenomen zijn zij aan te merken als algemene voorwaarden. Deze bedingen zijn tegenover [eisers] als consumenten onredelijk bezwarend en daarmee vernietigbaar. [eisers] hebben in de dagvaarding de betreffende bepalingen vernietigd. Dat betekent dat IGN c.s. zich niet op die bepalingen kan beroepen. Ook los daarvan acht de kantonrechter het beroep van IGN c.s. op de bedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, nu IGN c.s. [eisers] bewust heeft misleid om de koopovereenkomst aan te gaan.
Eigen schuld
5.46.
IGN c.s. hebben tot slot nog aangevoerd dat [eisers] 100% eigen schuld hebben aan het ontstaan van zijn teleurstelling. Dat maakt dat IGN c.s. op grond van artikel 6:101 BW niets verschuldigd zijn aan [eisers] , aldus IGN c.s.
5.47.
Ook dit verweer faalt. Bij eigen schuld en toerekening daarvan gaat het om de vraag of de benadeelde zelf in de gegeven omstandigheden ‘verkeerd’ heeft gehandeld. Volgens IGN c.s. is dat het geval omdat [eisers] gewaarschuwd was en herhaaldelijk is gewezen op het belang van doen van eigen onderzoek. Het is juist dat IGN een algemene waarschuwing in de verkoopbrochure en een beperkt aantal algemene waarschuwingen in de koopovereenkomst heeft opgenomen. Tegenover deze algemene waarschuwingen staat dat IGN in die brochure deed voorkomen dat de grond gelegen als onderdeel van het Vijfde Dorp ontwikkeld kon worden, dat de grond aan [eisers] is aangeboden tegen een prijs (€ 250,00 per vierkante meter) die de indruk wekte dat ontwikkeling op korte termijn mogelijk was en dat IGN wist dat de grond door de overheid juist was aangemerkt als groene buffer zonder ontwikkelingsmogelijkheden. Bij aanbieding van grond op deze wijze door een partij die zich in de markt zet als professionele aanbieder van speculatieve grond, gaat het niet aan [eisers] het verwijt van eigen schuld te maken.
Schadevergoeding
5.48.
[eisers] hebben uit hoofde van onrechtmatige daad een vordering op IGN c.s.. Zij vorderen bij wijze van schadevergoeding dat de gevolgen van de koopovereenkomst ongedaan worden gemaakt in die zin dat IGN c.s. binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis meewerkt aan de notariële (terug)levering van het perceel en de koopsom van € 12.500,00 terugbetalen. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen is deze vordering toewijsbaar. Dat betekent dat zowel IGN als de (middellijk) bestuurders hiertoe hoofdelijk zullen worden veroordeeld. Ook wanneer zij niet binnen dertig dagen meewerken aan de (terug)levering van de grond blijven zij gehouden [eisers] € 12.500,00 terug te betalen.
5.49.
De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 5 januari 2022, zijnde de datum waarop de schade is ontstaan.
Conclusie
5.50.
De primaire vorderingen van [eisers] worden toegewezen. Dat betekent dat de kantonrechter niet toekomt aan de (meer) subsidiaire vorderingen.
Proceskosten
5.51.
IGN c.s. zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
178,55
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.443,55
6Beslissing
De kantonrechter
in het incident
6.1.
wijst de vorderingen van IGN c.s. af,
6.2.
veroordeelt IGN c.s. in de proceskosten van € 432,00,
in de hoofdzaak
6.3.
verklaart voor recht dat IGN c.s. onrechtmatig jegens [eisers] hebben gehandeld doordat IGN een handelspraktijk verricht die oneerlijk is,
6.4.
veroordeelt IGN c.s. hoofdelijk tot ongedaanmaking van de gevolgen van de koopovereenkomst door binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de notariële (terug)levering van het perceel aan één van hen, met de bepaling dat IGN c.s. eveneens hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichting de koopsom van € 12.500,00 aan [eisers] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2022,
6.5.
bepaalt dat IGN c.s. hoofdelijk ook bij gebreke van medewerking aan de (terug)levering van de grond binnen de termijn van dertig dagen, aan [eisers] € 12.500,00 zijn verschuldigd, zonder af te doen aan de gehoudenheid van IGN c.s. na voormelde termijn van dertig dagen mee te werken aan de (terug)levering,
6.6.
veroordeelt IGN c.s. in de proceskosten van € 1.443,55 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als IGN c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
wijst de vorderingen van [eisers] voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.
op grond van artikel 6:89 dan wel artikel 7:23 lid 1 van Burgerlijk Wetboek (BW).
Zie randnummer 39.
Artikel 6:193b lid 2 BW.
Artikel 6:193d lid 1 BW.
Artikel 6:193j lid 3 BW.
Artikel 6:193b lid 1 BW.
Artikel 6:193j lid 1 BW.
als bedoeld in artikel 6:193c lid 1 BW.
in de zin van artikel 6:193a lid 1 sub a BW.
Zie hiervoor onder 2. Feiten.
Artikel 6:193b lid 1 BW.
Artikel 1.1 Wft.
In de zin van artikel 6:231 onder a BW.
Op grond van artikel 6:233 onder a BW jo artikel 6:237 sub f BW en Richtlijn 93/13/EEG.
Artikel 6:248 lid 2 BW.