Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11953

2026-09-07 Civiel recht; Personen- en familierecht C/15/381896
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-09-07
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/15/381896
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.817 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Alkmaar



Zaaknummer: C/15/381896 / JU RK 26-1392
Datum uitspraak: 7 september 2026




Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen de Raad,



over





[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .



De kinderrechter merkt als informant aan:



de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI.






1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:


het mondelinge verzoek van de Raad op 7 september 2026;


de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 7 september 2026.








2De feiten


2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .


2.2.

[de minderjarige] woont bij haar moeder.






3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.



3.2.
Sinds enkele weken is er iets verandert in de houding/het gedrag van [de minderjarige] . Ze draagt sinds begin september een hoofddoek en geeft aan dat ze naar Syrië wil of ontvoerd wil worden naar Egypte, ze wil daar dan als huisvrouw verder en wil daarom niet meer naar school. Ze loopt sinds begin september herhaaldelijk weg en ouders weten dan niet met wie en waar ze verblijft. Ze is dan ook niet bereikbaar (neemt telefoon niet op en reageert in het geheel niet). Ze is door de politie aangetroffen in een auto met 2 jonge mannen en weer thuis gebracht op 3 september. Ze zou veel contact hebben met mannen tussen de 20 en 40 jaar. Ze zoekt ze op of nodigt ze uit. Ze was het weekend thuis maar is maandag weer weggelopen, als haar vader haar vindt wordt ze hysterisch en dreigt ze met zelfdoding. Maandagmiddag, na een bezoek aan de huisarts, is ze wederom weggelopen, echter zonder telefoon en tablet want die zijn door haar vader ingenomen. De vader kan niet in de telefoon van [de minderjarige] , maar ziet wel veel berichten binnenkomen van mannen. Ouders hebben veel zorgen over de gezondheid en veiligheid van [de minderjarige] . [de minderjarige] staat niet open voor hulpverlening en luistert niet meer naar haar ouders.






4De beoordeling


4.1.
De kinderrechter heeft deze informatie ontvangen van de Raad, waarbij de kinderrechter van oordeel is dat er een ernstig vermoeden bestaat dat voor [de minderjarige] de grond is vervuld voor het uitspreken van een ondertoezichtstelling. Ook is de kinderrechter van oordeel dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [de minderjarige] weg te nemen. De concrete ontwikkelingsbedreiging bestaat er uit dat er ernstige zorgen zijn over de gemoedstoestand waarin [de minderjarige] verkeerd, gelet op de zorgelijke uitlatingen die [de minderjarige] doet, haar opvallende opvattingen en haar wegloopgedrag, waarbij zij steeds contact heeft met meerdere oudere jongens/mannen en waarbij niet duidelijk is wat hieraan ten grondslag ligt. De zorgen over het welzijn en de veiligheid van [de minderjarige] zijn groot. De kinderrechter acht mede daarom in het belang van de verzorging, opvoeding en veiligheid van [de minderjarige] ook een machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk.



4.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.



4.3.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.



4.4.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.



4.5.
De kinderrechter verklaart de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



4.6.
De Raad, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.






5De beslissing


De kinderrechter:



5.1.
stelt [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 7 september 2026 tot 7 december 2026;



5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 7 september 2026 tot 5 oktober 2026;


5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;



5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voortzetting daarvan op een nog nader te bepalen zitting;



5.5.
bepaalt dat de griffier de Raad, de GI, de moeder en de vader tijdig zal oproepen voor die zitting.


5.6.
vraagt de griffier [de minderjarige] tijdig op te roepen voor een kindgesprek.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026 door mr. M.C.A. Onderwater, kinderrechter, in aanwezigheid van L.I. Fernandes Paredes als griffier, en op schrift gesteld op 8 september 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.




Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.





Artikel 1:257 BW.


Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).


Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).