Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11934

2026-09-09 Civiel recht; Verbintenissenrecht K/4101/12357806
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
K/4101/12357806
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1483; AR-Updates.nl 2026-1483; S&E HB 2026/19, UDH:S&E HB/57314

Inhoudsindicatie

In dit kort geding gaat het om een vordering van een personal trainer om weer te worden toegelaten tot het fitnesscentrum waar zij werkt. De kantonrechter wijst de vordering van de personal trainer toe, maar voor een beperkte tijd, tot 1 november 2026. Daarbij oordeelt de kantonrechter dat geen sprake is van een huurovereenkomst tussen partijen, maar wel van een zogenoemde duurovereenkomst. Die duurovereenkomst kon worden opgezegd door het fitnesscentrum, maar met een opzegtermijn van vier maanden, in plaats van één maand.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.785 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Zaanstad



Zaaknummer: 12357806 \ VV EXPL 26-66 (rvk)




Vonnis in kort geding van 9 september 2026




in de zaak van





[eiseres]
, handelend onder de naam [naam]
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. D. Buisman,



tegen



de besloten vennootschap Sportcentrum De Club B.V.,
te Assendelft,
gedaagde partij,
hierna te noemen: De Club,
gemachtigde: mr. N.A.E. Niels.




De zaak in het kort




In dit kort geding gaat het om een vordering van een personal trainer om weer te worden toegelaten tot het fitnesscentrum waar zij werkt. De kantonrechter wijst de vordering van de personal trainer toe, maar voor een beperkte tijd, tot 1 november 2026. Daarbij oordeelt de kantonrechter dat geen sprake is van een huurovereenkomst tussen partijen, maar wel van een zogenoemde duurovereenkomst. Die duurovereenkomst kon worden opgezegd door het fitnesscentrum, maar met een opzegtermijn van vier maanden, in plaats van één maand.





1De procedure


1.1.

[eiseres] heeft De Club op 19 augustus 2026 gedagvaard.



1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2026. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide partijen hebben daarbij gebruik gemaakt van een pleitnota.


1.3.
Voorafgaand aan de zitting heeft [eiseres] met een akte van 26 augustus 2026 haar eis vermeerderd en producties overgelegd.




2De feiten


2.1.
De Club heeft in Assendelft een fitnesscentrum en [eiseres] is personal trainer.


2.2.

[eiseres] was eerst op basis van een arbeidsovereenkomst als personal trainer werkzaam bij De Club. Na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is [eiseres] verder gegaan als zelfstandig personal trainer in het fitnesscentrum van De Club. [eiseres] maakt bij het geven van haar trainingen gebruik van de fitnessruimte, een groepsruimte en een kantoorruimte in het fitnesscentrum van De Club (hierna: de ruimtes).



2.3.
In een schriftelijke overeenkomst uit januari 2021 tussen [eiseres] en De Club staat dat partijen een samenwerking aangaan en dat [eiseres] vanaf 1 februari 2020 haar werkzaamheden als zelfstandige voortzet binnen De Club. Ook staat daarin dat [eiseres] maandelijks een bedrag van € 600,00 aan ‘vloergeld’ moet betalen en dat zij voor dit bedrag binnen de openingstijden van De Club gebruik mag maken van ‘de ruimte etc.’



2.4.
In een brief van 21 juni 2026 heeft De Club aan [eiseres] meegedeeld dat zij de samenwerking met [eiseres] als zelfstandig personal trainer wil beëindigen op een termijn van een maand, per 24 juli 2026. [eiseres] heeft schriftelijk laten weten niet in te stemmen met een beëindiging.



2.5.
Op 14 augustus 2026 is [eiseres] de toegang tot de fitnessruimte en de kantoorruimte ontzegd; zij moest haar sleutels inleveren. Sindsdien kan zij geen gebruik meer maken van de ruimtes binnen De Club.





3Het geschil


3.1.

[eiseres] vordert - samengevat – dat De Club haar weer toelaat tot de ruimtes, met daarnaast een verbod voor De Club om haar opnieuw de toegang tot de ruimtes te ontzeggen. [eiseres] vordert ook betaling van een voorschot (van € 9.730,00) op de schade (inkomstenderving) die zij lijdt of zal gaan lijden.



3.2.

[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen [eiseres] en De Club bestaat een huurovereenkomst op grond waarvan [eiseres] het exclusieve gebruik heeft van een kantoorruimte, en gebruik mag maken van de fitnessruimte en de groepsruimte. De Club heeft de huurovereenkomst opgezegd tegen 24 juli 2026, maar [eiseres] heeft met die opzegging niet ingestemd. Zij beroept zich op de ontruimingsbescherming van artikel 7:230a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens [eiseres] brengt dit mee dat De Club haar niet de toegang tot de ruimtes kan ontzeggen en dat zij nog steeds recht heeft op het gebruik daarvan. Voorzover geen sprake is van een huurovereenkomst, doet [eiseres] er een beroep op dat sprake is van een duurovereenkomst die op een te korte termijn is beëindigd. Verder stelt [eiseres] dat zij schade lijdt door de voortijdige beëindiging.



3.3.
De Club voert verweer. De Club voert aan dat [eiseres] geen beroep kan doen op huurbescherming, omdat er geen sprake is van een huurovereenkomst, maar van een samenwerkingsovereenkomst. Volgens De Club houdt die overeenkomst in dat [eiseres] als zelfstandig personal trainer tegen betaling gebruik mag maken van de faciliteiten binnen De Club. Deze samenwerkingsovereenkomst is een duurovereenkomst die is opgezegd op een redelijke termijn van een maand, aldus De Club. De Club vindt daarom dat zij [eiseres] niet meer hoeft toe te laten tot de ruimtes en dat er geen grond is voor schadevergoeding.







4De beoordeling


4.1.
Het gaat in dit kort geding om de vraag of De Club moet worden veroordeeld tot toelating van [eiseres] tot de ruimtes en tot betaling van schadevergoeding.



4.2.
Voor toewijzing van een voorlopige voorziening in kort geding is vereist dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van een afweging van de belangen van partijen. In kort geding komt de kantonrechter tot een voorlopig oordeel aan de hand van de stukken en de zitting.



Spoedeisend belang




4.3.

[eiseres] stelt dat sprake is van een huurovereenkomst en dat haar ten onrechte de toegang tot de gehuurde ruimtes is ontzegd. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.



De vordering van [eiseres] wordt voor een deel toegewezen




4.4.
De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] deels toewijzen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.



Er is geen huurovereenkomst ten aanzien van de fitnessruimte





4.5.
In de eerste plaats moet worden beoordeeld of sprake is van een huurovereenkomst ten aanzien van de fitnessruimte, zoals [eiseres] stelt en De Club betwist.



4.6.
Een huurovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, aan de andere partij, de huurder, een zaak of gedeelte daarvan in gebruik verstrekt en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.



4.7.
Uit de stukken en de toelichting op de zitting blijkt dat partijen in 2021 een samenwerkingsovereenkomst zijn aangegaan, zoals nader omschreven in de hiervoor genoemde schriftelijke overeenkomst uit januari 2021. Uit die overeenkomst blijkt dat De Club aan [eiseres] fitnessruimte ter beschikking stelt, waarvoor ‘vloergeld’ moet worden betaald. Op de zitting hebben partijen toegelicht dat zij daarbij voor ogen hadden dat [eiseres] ten behoeve van haar eigen klanten gebruik kon maken van de fitnessruimte van De Club en de daar aanwezige apparaten, binnen de openingstijden van De Club. Daarbij was het uitgangspunt niet dat [eiseres] als enige, exclusief, gebruik kon maken van een specifiek deel van die fitnessruimte, maar dat die ruimte en de apparaten tegelijkertijd ook gebruikt werden door reguliere leden van De Club. Zo is door partijen ook uitvoering gegeven aan die overeenkomst.



4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de overeenkomst tussen partijen ten aanzien van het gebruik van de fitnessruimte niet aan te merken als een huurovereenkomst. Er wordt namelijk niet een specifieke zaak of gedeelte daarvan in gebruik verstrekt. In feite komt de overeenkomst erop neer dat aan [eiseres] de mogelijkheid wordt gegeven om ten behoeve van haar eigen klanten gebruik te maken van de faciliteiten binnen de fitnessruimte. Dat is vergelijkbaar met reguliere leden van De Club die gebruik maken van de faciliteiten op basis van een abonnement. Dat voldoet niet aan de kenmerken van een huurovereenkomst zoals bedoeld in de wet.


4.9.
De kantonrechter komt daarom in dit kort geding tot de conclusie dat [eiseres] geen ontruimingsbescherming toekomt op grond van artikel 7:230 a BW, waar het gaat om de fitnessruimte.



Er is geen huurbescherming ten aanzien van de groepsruimte





4.10.

[eiseres] komt ook geen ontruimingsbescherming toe ten aanzien van het gebruik van de groepsruimte. Op de zitting is gebleken dat [eiseres] voor de groepsruimte telkens aparte afspraken maakt voor het gebruik daarvan en daar ook telkens een apart bedrag voor afspreekt en betaalt. Voor zover sprake is van huur van de groepsruimte, zijn dat dus telkens kortdurende huurovereenkomsten voor bepaalde tijd, namelijk voor de dag of het uur dat de groepsruimte wordt gehuurd, die na afloop daarvan telkens zijn geëindigd. Gelet daarop is een eventuele huurovereenkomst voor de groepsruimte dus steeds rechtsgeldig tot een einde gekomen en is geen sprake van een duurovereenkomst die had moeten worden opgezegd.



Er is ook geen huurovereenkomst ten aanzien van de kantoorruimte





4.11.
Ook wat betreft de kantoorruimte kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet worden gesproken van een huurovereenkomst.



4.12.
Op zichzelf kan aan [eiseres] worden toegegeven dat bij de kantoorruimte sprake is van een gebruik van een zaak of gedeelte daarvan dat in beginsel zou kunnen worden aangemerkt als huur. Maar op de zitting is gebleken dat het gebruik van die kantoorruime is aangevangen in 2023 of 2024, en dat de kantoorruimte in gebruik is gegeven zonder dat daarvoor enige vergoeding is afgesproken. [eiseres] heeft op de zitting nog gesuggereerd dat de prijs voor het gebruik van de fitnessruimte is verhoogd en dat dit mede zou zien op een vergoeding voor het gebruik van de kantoorruimte, maar dat is door De Club weersproken. Niet aannemelijk is gemaakt dat er een specifieke of enige vergoeding is overeengekomen voor het gebruik van de kantoorruimte.



4.13.
Dat betekent dat De Club moet worden gevolgd in haar stelling dat geen sprake is van een huurovereenkomst. Voor het gebruik van de kantoorruimte is immers geen tegenprestatie bedongen en alleen al daarom is geen sprake van huur in de zin van de wet.



De vorderingen gebaseerd op een huurovereenkomst moeten worden afgewezen





4.14.
Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de vorderingen, voor zover die zijn gebaseerd op de stelling dat sprake is van een huurovereenkomst, moet afwijzen.



Er is wel sprake van een duurovereenkomst





4.15.

[eiseres] heeft daarnaast gesteld dat sprake is van een duurovereenkomst die weliswaar kon worden opgezegd, maar dat daarbij een langere opzegtermijn in acht had moeten worden genomen dan de maand die De Club haar heeft gegund. De Club erkent dat sprake is van een duurovereenkomst, maar zij vindt een opzegtermijn van een maand redelijk.



4.16.

De kantonrechter gaat er met partijen vanuit dat de samenwerkingsovereenkomst moet worden aangemerkt als een duurovereenkomst. Daarvan uitgaande moet worden beoordeeld of die overeenkomst is opgezegd op een redelijke termijn.

De duurovereenkomst is op een te korte termijn opgezegd





4.17.
Indien de wet en de overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, zoals in dit geval, geldt dat een duurovereenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van de redelijkheid en billijkheid kunnen, in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen.



4.18.
De kantonrechter volgt [eiseres] in haar standpunt dat er in haar geval een langere opzegtermijn in acht had moeten worden genomen dan de opzegtermijn van één maand die De Club heeft gehanteerd. Daarbij is van belang dat sprake is van een al jarenlang bestaande samenwerkingsrelatie. Niet ter discussie staat dat [eiseres] tijdens die jarenlange samenwerking een eigen klantenkring heeft opgebouwd, waarbij het gebruik van de verschillende ruimtes noodzakelijk is voor de uitoefening van haar onderneming. Onder die omstandigheden doet de opzegtermijn van een maand geen recht aan de belangen van [eiseres] waarmee De Club ook rekening had moeten houden.



4.19.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden een opzegtermijn van vier maanden wel redelijk. Dat betekent dat uitgaande van opzegging door De Club eind juni 2026, de samenwerkingsovereenkomst kon worden beëindigd per 1 november 2026. [eiseres] kan dus tot die datum gebruik (blijven) maken van de fitnessruimte, kantoorruimte en groepsruimte.



Veroordeling tot toelating





4.20.
De Club zal dus worden veroordeeld om [eiseres] toe te laten tot de fitnessruimte, de kantoorruimte en de groepsruimte tot 1 november 2026. Voor de groepsruimte geldt dan dat partijen daarvoor telkens nog per keer specifieke afspraken moeten maken, zoals hiervoor vermeld.



4.21.
De kantonrechter ziet aanleiding een dwangsom aan deze veroordeling te verbinden, zij het dat deze dwangsom wordt beperkt tot € 250,00 per dag, met een maximum tot een bedrag van € 25.000,00.



4.22.
In deze veroordeling, waaraan een dwangsom is gekoppeld, ligt besloten dat het De Club niet is toegestaan om [eiseres] opnieuw de toegang te ontzeggen. Een aparte veroordeling op dit punt is dan ook niet nodig.



Schadevergoeding





4.23.
Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] in beginsel aanspraak heeft op schadevergoeding. De Club is immers tekortgeschoten in de nakoming van de duurovereenkomst, doordat zij een te korte opzegtermijn in acht heeft genomen, althans had De Club bij de opzegging schadevergoeding moeten betalen of aanbieden.



4.24.

[eiseres] heeft aanvankelijk een bedrag aan schadevergoeding gevorderd van ruim € 1.000,00 en heeft dat later verhoogd naar ruim € 9.000,00. Partijen hebben in de stukken en op de zitting uitgebreid gediscussieerd over de omvang van de schade.



4.25.
De kantonrechter kan in dit kort geding, mede gelet op die discussie, de exacte omvang van de schade niet vaststellen. De kantonrechter zal de schade daarom schatten en bij wijze van voorschot een bedrag toewijzen. Op basis van de door [eiseres] overgelegde gegevens en de toelichting daarop vindt de kantonrechter dat in ieder geval voldoende aannemelijk is dat [eiseres] vanaf 14 augustus 2026 tot de datum van dit vonnis een schade zal lijden van ten minste € 1.500,00, wegens verlies van inkomsten. Dit bedrag zal als voorschot worden toegewezen. Voor schadevergoeding na de datum van dit vonnis ziet de kantonrechter geen aanleiding, omdat moet worden aangenomen dat [eiseres] op basis van dit vonnis weer zal (moeten) worden toegelaten tot eerdergenoemde ruimtes en haar werkzaamheden weer kan uitvoeren. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar, vanaf de dag van dagvaarding. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure, zoals door [eiseres] gevorderd, is in een kort geding geen plaats.



Proceskosten




4.26.
Partijen krijgen ieder over en weer ongelijk en de kantonrechter zal daarom bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen. Dat betekent ook dat niet hoeft te worden ingegaan op de vraag of er plaats is voor een volledige proceskostenveroordeling.





5De beslissing


De kantonrechter:



5.1.
veroordeelt De Club om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan [eiseres] volledige toegang te verlenen tot de ruimtes, in dezelfde omvang als voor 14 augustus 2026, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat De Club daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 25.000,00;



5.2.
veroordeelt De Club tot betaling aan [eiseres] van € 1.500,00 als (voorschot op) schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke vanaf de dag van dagvaarding;



5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;



5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
















































Artikel 7:201 lid 1 Burgerlijk Wetboek


Zie o.a. de uitspraak van de Hoge Raad van 2 februari 2018, gepubliceerd op ww.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ) en van 29 november 2024 met nummer ECLI:NL: HR:2024:1709 (Leenbakker Nederland).