Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11928

2026-09-23 Civiel recht; Verbintenissenrecht K/4101/12034373
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
K/4101/12034373
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft de vordering niet voor de datum van de eerste rolzitting betaald. Daarom moet hij ook de proceskosten betalen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.216 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Alkmaar



Zaaknummer: 12034373 \ CV EXPL 25-5085 (PA)




Vonnis van 23 september 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [plaats] , [land] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Slagman&Partners,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 december 2025- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek- de akte van [eiser] .




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2Het geschil


2.1.

[eiser] vordert - samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 104,83, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.



2.2.

[eiser] legt – kort gezegd – het volgende aan de vordering ten grondslag. [gedaagde] heeft goederen gekocht via de website van Bodyandfit voor een bedrag van € 52,53, waarbij hij heeft gekozen voor de achteraf betaalmethode van Klarna. Dat wil zeggen dat [gedaagde] de gekochte goederen later, namelijk binnen 30 dagen na de aankoop of binnen 14 dagen na verzending van de bestelling, zou betalen aan Klarna. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Klarna heeft de vordering op [gedaagde] vervolgens verkocht aan [eiser] . [eiser] maakt verder aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 en wettelijke rente berekend tot 15 december 2025 van € 12,30.



2.3.

[gedaagde] betwist bij conclusie van antwoord de vordering, maar bij conclusie van dupliek stelt [gedaagde] dat hij inmiddels de vordering volledig heeft betaald en dat hij ervan uitgaat dat de procedure door [eiser] wordt ingetrokken.



2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





3De beoordeling


3.1.
De vordering is mede gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen de webwinkel, zijnde een handelaar, en [gedaagde] , zijnde een consument. Bij het sluiten daarvan moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dit moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.



Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten





3.2.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat de webwinkel heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten.




[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen





3.3.
Bij antwoord betwist [gedaagde] dat hij een bestelling heeft geplaatst bij Body & Fit. Bij dupliek stelt [gedaagde] echter dat hij de vordering waarvoor hij is gedagvaard inmiddels volledig heeft betaald. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] de juistheid van de vordering niet meer betwist. [eiser] vordert het restant van de proceskosten omdat [gedaagde] pas op 17 april 2026, dus na de conclusie van repliek, heeft betaald. De kantonrechter volgt [eiser] daarin en motiveert dat als volgt.



3.4.

[gedaagde] heeft aan (de incassogemachtigde van) [eiser] op 17 april 2026 een bedrag van € 265,61 betaald. Dat bedrag bestaat uit de hoofdsom van € 52,53, de buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 de wettelijke rente berekend tot 15 december 2025 van € 12,30, de kosten van de dagvaarding van € 120,78 en € 40,00 aan salaris gemachtigde.



3.5.
Omdat de openstaande hoofdsom niet op tijd is betaald en [gedaagde] in verzuim was, is hij de wettelijke rente verschuldigd vanaf 15 december 2025 tot en met 17 april 2026. Dat wordt toegewezen.







[gedaagde] moet het restant van de proceskosten betalen





3.6.

[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. Dit betekent dat hij de kosten voor deze procedure aan de zijde van [eiser] moet voldoen. Omdat [gedaagde] de vordering niet voor de datum van de eerste rolzitting heeft voldaan, heeft [eiser] het griffierecht van € 135,00 moeten voldoen op de eerste roldatum en heeft de gemachtigde van [eiser] nadere proceshandelingen moeten verrichten. [gedaagde] heeft al € 40,00 aan salaris gemachtigde betaald, dit ziet op het salaris voor het uitbrengen van de dagvaarding. Hij moet daarnaast nog een extra punt betalen voor de conclusie van repliek en een halve punt voor de akte. Het restant van de proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- griffierecht


€


139,00







- salaris gemachtigde


€


64,50


(1,5 punt × € 43,00)




- nakosten


€


21,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


225,00














4De beslissing


De kantonrechter



4.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over € 52,53 vanaf
15 december 2025 tot en met 17 april 2026,




4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 225,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.3.
wijst de vordering voor het overige af,



4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
















































Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021,ECLI:NL:HR:2021:1677.