Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:11876
2026-09-07
Civiel recht; Arbeidsrecht
K/4101/12276201
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
In deze zaak vordert een werknemer doorbetaling van loon omdat hij na een ziekteperiode van 102 weken volledig arbeidsgeschikt is en zich beschikbaar houdt voor zijn werkzaamheden. De kantonrechter oordeelt naar aanleiding van de rapportages van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel UWV dat niet aannemelijk is geworden dat de werknemer arbeidsgeschikt is. Omdat de loondoorbetalingsperiode is verstreken wordt de loonvordering afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.961 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 12276201 \ VV EXPL 26-48 (NE)
Vonnis in kort geding van 7 september 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. D. Coskun,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Durum Company NL B.V.,
te Westknollendam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Durum Company,
gemachtigde: mr. S.R. Sewnath.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een werknemer doorbetaling van loon omdat hij na een ziekteperiode van 102 weken volledig arbeidsgeschikt is en zich beschikbaar houdt voor zijn werkzaamheden. De kantonrechter oordeelt naar aanleiding van de rapportages van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel UWV dat niet aannemelijk is geworden dat de werknemer arbeidsgeschikt is. Omdat de loondoorbetalingsperiode is verstreken wordt de loonvordering afgewezen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de mondelinge behandeling van 24 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [verzoeker]- de pleitnota van Durum Company.
2De feiten
2.1.
[verzoeker] is op 1 januari 2011 in dienst getreden van Durum Company in de functie van directeur met een loon van € 17.114,76 bruto per maand.
2.2.
[verzoeker] is op 8 april 2024 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk.
2.3.
De bedrijfsarts heeft op 29 mei 2024 vastgesteld dat sprake is van ziekte waarvoor [verzoeker] behandeling volgt en sprake is van verzuim ten gevolge van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts adviseert het conflict op te lossen nadat behandeling is ingezet en de klachten zijn verminderd.
2.4.
Op 26 maart 2025 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat [verzoeker] niet belastbaar is voor werkzaamheden en wordt mediation geadviseerd om het onderliggende arbeidsconflict op te lossen.
2.5.
Op 25 juni en 16 juli 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat [verzoeker] niet belastbaar is, herstel stagneert en hij bijkomende beperkingen heeft. Ook wordt mediation geadviseerd om het conflict op te lossen.
2.6.
Op 19 november 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat de belastbaarheid voorzichtig toeneemt het arbeidsconflict zorgt voor belemmering van het herstel en hij daarom pendelmediation adviseert. Ook heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat [verzoeker] per vandaag de medische machtiging heeft ondertekend en hij door tekort aan medische informatie nu de belastbaarheid en behandeling niet voldoende kan beoordelen. De bedrijfsarts adviseert om alle tijd in rust en herstel te steken en een haalbaarheidsonderzoek in te zetten om te toetsen of spoor 2 nu haalbaar is voor [verzoeker] .
2.7.
De arbeidsdeskundige heeft op 20 november 2025 aan Durum Company laten weten dat er niet langer een medisch bezwaar is voor mediation en mediation moet worden gestart.
2.8.
Op 12 januari 2026 heeft een eerste mediationsessie plaatsgevonden tussen [verzoeker] en Durum Company.
2.9.
Op 21 januari 2026 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat de prognose op de lange termijn gunstig is en hij verwacht dat het mediationtraject een positief effect zal hebben op verder herstel, maar [verzoeker] op dit moment nog zeer beperkt belastbaar is voor eigen of ander werk. Ook heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat in verband met de aanstaande WIA-aanvraag op dit moment geen vervolgafspraak is gepland.
2.10.
In het actueel oordeel van de bedrijfsarts aan het UWV staat dat hij [verzoeker] op 21 januari 2026 telefonisch heeft gesproken omdat hij niet in staat was fysiek op het spreekuur te verschijnen en verder dat een opbouw in uren nodig is voordat [verzoeker] volledig kan werken, de prognose op lange termijn gunstig is en sprake is van een licht positieve trend in het klachtenpatroon en dat inmiddels een mediationtraject loopt.
2.11.
Durum Company heeft in januari en februari 2026 meerdere herinneringen naar [verzoeker] gestuurd waarin zij hem wijst dat hij actie moet ondernemen in het kader van de WIA-aanvraag.
2.12.
Op 11 maart 2026 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd:
“Er is een licht positieve trend in de belastbaarheid. Het arbeidsconflict is momenteel een belemmerende factor voor reintegratie. Betrokkene geeft aan dat er een mediationtraject loopt.
Ik heb begrepen dat u overweegt een ontslagvergunning bij het UWV aan te vragen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid en dat in dit kader een verklaring van de bedrijfsarts wordt gevraagd. Op basis van mijn medische beoordeling stel ik vast dat betrokkene
als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de eigen werkzaamheden te verrichten. Daarnaast acht ik het niet aannemelijk dat betrokkene binnen 26 weken zodanig zal
herstellen dat hervatting in het eigen werk mogelijk is, ook niet in aangepaste vorm.
Ik adviseer het huidige mediationtraject voort te zetten.”
2.13.
[verzoeker] heeft in een e-mail van 27 maart 2026 aan Durum Company laten weten dat zijn gezondheid inmiddels zodanig is verbeterd dat hij zich in staat acht zijn werkzaamheden te hervatten en dat hij zich beschikbaar stelt voor het verrichten van zijn arbeid.
2.14.
De arbeidsdeskundige heeft in een e-mail van 9 april 2026 aan partijen bericht dat sprake is van een discrepantie tussen de eerder vastgestelde medische situatie en de huidige herstelmelding en dat bij aanhoudende twijfel over de arbeidsgeschiktheid een
deskundigenoordeel bij het UWV of een aanvullende onafhankelijke expertise of second opinion kan worden overwogen.
2.15.
Durum Company heeft op 28 april 2026 aan [verzoeker] laten weten dat zij geen aanleiding ziet om de hersteldmelding te accepteren.
2.16.
De bedrijfsarts heeft op 6 mei 2026 gerapporteerd:
“Betrokkene is op 06-05-2026 opnieuw beoordeeld nadat hij zich per 27-03-2026 hersteld had gemeld.
Er is verdere verbetering van de belastbaarheid. Er blijven echter beperkingen bestaan in persoonlijk en sociaal functioneren. Betrokkene is daarom op dit moment niet volledig arbeidsgeschikt voor de eigen functie. Daarnaast is nog sprake van een langer bestaand en onopgelost arbeidsconflict. Dit belemmert herstel en duurzame re-integratie.
In mijn vorige terugkoppeling achtte ik herstel binnen 26 weken voor het eigen werk, ook in aangepaste vorm, niet aannemelijk. Door de verdere verbetering is de prognose nu gunstiger. Volledig herstel binnen de relevante 26-wekenperiode kan medisch gezien
niet worden uitgesloten. Deze prognose is echter in belangrijke mate afhankelijk van
oplossing van het arbeidsconflict en herstel van communicatie tussen werkgever en werknemer. Zolang dit niet is bereikt, acht ik duurzame hervatting in de eigen functie niet aannemelijk. Dit geldt ook voor eigen werk in aangepaste vorm.
Er bestaan benutbare mogelijkheden. Re-integratie bij de eigen werkgever acht ik in de huidige context echter niet duurzaam mogelijk, gezien het onopgeloste arbeidsconflict en de verstoorde communicatie. Ik adviseer daarom het mediationtraject voort te zetten.”
2.17.
[verzoeker] heeft op 12 juni 2026 een deskundigenoordeel van een verzekeringsarts van het Uwv aangevraagd. In de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 24 juni 2026 staat voor zover van belang het volgende:
“3. Onderzoeksactiviteiten
Telefonisch spreekuur d.d. 24 juni 2026
Op verzoek van werknemer een driegesprek samen met zijn advocaat, de heer Coskun, dat verliep prettig.
Tevoren bestudering van de aanvraag en de relevante ingezonden stukken van de arbodienst/ bedrijfsarts(-en)
(..)
4.4.
Informatie van derden
Algemeen
Vraag ik niet op.
Motivatie in het medisch dossier ..
5. Overwegingen
5.1
Op grond van de opeenvolgende adviezen van de bedrijfsarts is het plausibel dat er in ieder geval sprake is geweest van ziekte en of een gebrek in de zin van de WULBZ. Bij dit DO (kantonrechter: deskundigenoordeel) gaat het om de situatie per 27 maart 2026, de werknemer acht zich per die datum hersteld voor het eigen werk.
6. Conclusie
Werknemer is per 27 maart 2026 geschikt te achten is voor zijn werk mits er, volgens de herhaalde adviezen van de bedrijfsarts, mediation heeft plaatsgevonden (wat tot heden niet het geval is).”
Hierna kortheidshalve aangeduid als: het Deskundigenoordeel.
2.18.
Durum Company heeft op 23 juli 2026 een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend, omdat hij in zijn functie van directeur en daarmee als eindverantwoordelijke voor de dagelijkse gang van zaken betrokken is geweest bij ernstige financiële onregelmatigheden binnen Durum Company, althans daarvoor verantwoordelijk moet worden gehouden.
2.19.
[verzoeker] heeft een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend. [verzoeker] verzoekt daarin tot het horen van 46 getuigen vanwege een voorgenomen procedure waarin nakoming wordt gevorderd van afspraken op grond waarvan [verzoeker] economisch gerechtigd was tot vijftig procent van Durum Company en waarin wordt gevorderd dat de rekening-courantpositie van ongeveer € 280.000,00 geen werkelijke persoonlijke schuld is van [verzoeker] .
2.20.
Op 29 juli 2026 heeft een tweede mediationsessie plaatsgevonden tussen partijen in aanwezigheid van hun gemachtigden, die niet tot een vervolg heeft geleid.
3Het geschil
3.1.
[verzoeker] vordert - samengevat - veroordeling van Durum Company tot betaling van achterstallig loon over april – juli 2026 van totaal € 68.459,04, € 34.229,52 aan wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, rente en buitengerechtelijke kosten en [verzoeker] geheel of gedeeltelijk toe te laten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden op straffe van een dwangsom.
3.2.
[verzoeker] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Durum Company heeft [verzoeker] ondanks zijn hersteldmelding niet toegelaten tot zijn werkzaamheden dan wel een concreet voorstel gedaan om zijn werk te hervatten of toe te laten tot passende werkzaamheden. Het UWV heeft geoordeeld dat [verzoeker] zich terecht hersteld heeft gemeld. Daarna is de mediation pas weer opgestart, maar enkele dagen voor de mediation heeft Durum Company een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Durum Company heeft vanaf 7 april 2026 geen loon meer betaald en handelt daarmee in strijd met haar wettelijke verplichtingen. [verzoeker] heeft zich immers beschikbaar gesteld voor werk, terwijl de oorzaak van het niet verrichten van werkzaamheden binnen de risicosfeer van Durum Company ligt.
3.3.
Durum Company voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [verzoeker] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verzoeker] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Durum Company voert het volgende aan. Nadat Durum Company het vertrouwen in [verzoeker] op 6 april 2024 heeft opgezegd vanwege uit onderzoek gebleken frauduleuze handelingen binnen Durum Company, heeft [verzoeker] zich op 8 april 2026 ziekgemeld. Durum Company is na afloop van de wettelijke loondoorbetalingsperiode tijdens ziekte geen loon meer aan [verzoeker] verschuldigd. De plotselinge hersteldmelding van [verzoeker] na bijna twee jaar volledige arbeidsongeschiktheid vindt geen steun in de stukken van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts. Uit de rapportage van de bedrijfsarts volgt dat [verzoeker] ook na de hersteldmelding nog beperkingen heeft en daarom niet volledig arbeidsgeschikt is voor de eigen functie en dat nog sprake is van een onopgelost arbeidsconflict, dat herstel en duurzame re-integratie belemmerd. Ook uit het oordeel van de verzekeringsarts volgt dat [verzoeker] niet zonder meer per 27 maart 2026 volledig arbeidsgeschikt was. Omdat een onderbouwing van [verzoeker] dat hij volledig arbeidsgeschikt is ontbreekt, heeft Durum Company de hersteldmelding niet geaccepteerd. De loondoorbetalingsverplichting is op 8 april 2026 geëindigd, zodat Durum Company vanaf die datum geen loon meer aan [verzoeker] is verschuldigd. Ook kan de vordering niet worden toegewezen omdat sprake is van een groot restitutierisico vanwege de financiële situatie van [verzoeker] . Ten slotte voert Durum Company verweer tegen de gevorderde wedertewerkstelling en hervatting van het re-integratietraject.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Toetsingskader kort geding
4.1.
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [verzoeker] daarbij een spoedeisend belang heeft. Aangezien het een loonvordering betreft is de vereiste spoedeisendheid van de vordering van [verzoeker] een gegeven.
4.2.
De kantonrechter geeft in dit kort geding een voorlopig oordeel. Voor nadere bewijslevering is vanwege de aard van de procedure geen plaats. Doorbetaling loon na tijdvak van 104 weken?
4.3.
Het tijdvak waarover [verzoeker] recht had op doorbetaling van loon tijdens ziekte is geëindigd op 8 april 2026. Dat betekent dat er daarna geen recht meer kan zijn op doorbetaling van loon, tenzij voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] vanaf 27 maart 2026 arbeidsgeschikt is voor het verrichten van werkzaamheden, zoals [verzoeker] stelt (en Durum betwist).
4.4.
Deze beoordeling spitst zich allereerst toe op de betekenis en uitleg van het Deskundigenoordeel. Naar de kantonrechter begrijpt gaat het om een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW.
4.4.
Volgens [verzoeker] houdt het Deskundigenoordeel in dat hij per 27 maart 2026 arbeidsgeschikt is ongeacht of (succesvolle) mediation heeft plaatsgevonden. Ook als [verzoeker] in deze uitleg wordt gevolgd, dan is de kantonrechter van oordeel dat [verzoeker] op basis van het Deskundigenoordeel niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 27 maart 2026 volledig arbeidsgeschikt is. De kantonrechter licht dit oordeel hieronder toe.
4.5.
Voorop wordt gesteld dat de kantonrechter een deskundigenverklaring als hier aan de orde niet hoeft te volgen. In dit geval vindt de kantonrechter dat aan het Deskundigenoordeel geen doorslaggevende betekenis toekomt, omdat geen hoor en wederhoor is toegepast, geen inlichtingen bij de behandelend sector zijn opgevraagd en het oordeel door de verzekeringsarts onvoldoende is gemotiveerd.
4.6.
De bedrijfsarts heeft in alle adviezen sinds de ziekmelding van [verzoeker] op 28 april 2024 benoemd dat zowel sprake is van medische beperkingen als verzuim wegens een arbeidsconflict en dat eerst het arbeidsconflict moet worden opgelost. In het advies van 11 maart 2026 heeft de bedrijfsarts (zonder kanttekening) gerapporteerd dat [verzoeker] als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de eigen werkzaamheden te verrichten en dat niet aannemelijk is dat hij binnen 26 weken zodanig zal herstellen dat hervatting in het eigen werk mogelijk is, ook niet in aangepaste vorm. De bedrijfsarts heeft dit oordeel (na de herstelmelding) op 6 mei 2026 weliswaar aangepast, maar nog steeds geoordeeld dat [verzoeker] niet volledig arbeidsgeschikt is voor de eigen functie. De aanpassing ziet erop dat herstel binnen de relevante 26 weken periode medisch gezien niet kan worden uitgesloten. Daarbij heeft de bedrijfsarts echter uitdrukkelijk opgemerkt, kort gezegd, dat de prognose afhankelijk is van oplossing van het arbeidsconflict en zolang dat niet is bereikt hervatting in eigen of aangepaste functie niet aannemelijk is.
4.7.
Op de zitting heeft de kantonrechter kunnen vaststellen dat het arbeidsconflict tussen partijen onverkort aanwezig is en een oplossing, gelet op de lopende procedures, ver weg is. Anders dan het Deskundigenoordeel heeft [verzoeker] geen stukken overgelegd of concrete aanknopingspunten aangevoerd die de gestelde arbeidsgeschiktheid onderbouwen.
4.8.
In de gegeven omstandigheden, waarin het Deskundigenoordeel vanwege de “mits” niet zonder meer inhoudt dat [verzoeker] geschikt is voor zijn werk, de bepleite arbeidsgeschiktheid niet is te rijmen met de beoordelingen van de bedrijfsarts, [verzoeker] 102 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is zonder enige vruchtbare toenadering tussen partijen en het Deskundigenoordeel uitsluitend is gebaseerd op uitlatingen van [verzoeker] (en zijn gemachtigde), is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat er niet van kan worden uitgegaan dat [verzoeker] vanaf 27 maart 2026 weer volledig arbeidsgeschikt is
4.9.
De conclusie is dat [verzoeker] in deze kortgedingprocedure onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 27 maart 2026 en daarna in staat is de overeengekomen arbeid te verrichten. Omdat het tijdvak van 104 weken voor recht op doorbetaling van loon tijdens arbeidsongeschiktheid is verstreken wijst de kantonrechter de gevorderde loonbetaling en tewerkstelling van [verzoeker] af.
Geen gedeeltelijke wedertewerkstelling
4.10.
[verzoeker] heeft ook gedeeltelijke wedertewerkstelling verzocht. Uit de toelichting op de zitting maakt de kantonrechter op dat [verzoeker] daarmee bedoelt hervatting van het re-integratietraject. De bedrijfsarts heeft na de hersteldmelding van [verzoeker] gerapporteerd dat re-integratie bij de eigen werkgever in de huidige context niet duurzaam mogelijk is gezien het onopgeloste arbeidsconflict en de verstoorde communicatie. De bedrijfsarts heeft in dat kader steeds mediation geadviseerd. Volgens [verzoeker] werkt Durum Company niet mee aan mediation. Dit betoog vindt geen steun in de stukken. Durum Company heeft onder verwijzing naar de e-mail van de arbeidsdeskundige van 20 november 2025 onbetwist toegelicht dat [verzoeker] vanwege beperkingen niet eerder in staat was tot mediation, maar dat er sindsdien (november 2025) niet langer een medische belemmering is voor mediation. Het was vervolgens [verzoeker] die niet reageerde op een e-mail van Durum Company om zijn gegevens te bevestigen in verband met een uitnodiging van de mediator. De arbeidsdeskundige moest [verzoeker] erop wijzen dat het niet voldoen aan re-integratieverplichtingen kan leiden tot opschorting van de loonbetaling. Daarna heeft op 12 januari 2026 een eerste mediationsessie plaatsgevonden. Partijen zijn het erover eens dat deze niet succesvol was. Een tweede mediationsessie heeft weliswaar lang op zich laten wachten, maar uit de stukken komt niet het beeld naar voren dat bij Durum Company bereidheid voor verdere mediation ontbrak. Niet wordt gevolgd dat de door Durum Company gewenste aanwezigheid van de gemachtigden bij de tweede mediationsessie als niet-meewerkend moet worden beschouwd. Het is aan de mediator in overleg met partijen om hierin een aanpak te kiezen. Dat Durum Company mediation niet wil hervatten is overigens niet gebleken. Gelet op het voorgaande wordt dit deel van de vordering ook afgewezen. Het beroep op 7:628 BW gaat niet op.
[verzoeker] moet de proceskosten betalen
4.5.
[verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Durum Company worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
937,00
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [verzoeker] af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 937,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026.
Artikel 7:629 lid 1 BW.
Artikel 6:119 BW.
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 12276201 \ VV EXPL 26-48 (NE)
Vonnis in kort geding van 7 september 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. D. Coskun,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Durum Company NL B.V.,
te Westknollendam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Durum Company,
gemachtigde: mr. S.R. Sewnath.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een werknemer doorbetaling van loon omdat hij na een ziekteperiode van 102 weken volledig arbeidsgeschikt is en zich beschikbaar houdt voor zijn werkzaamheden. De kantonrechter oordeelt naar aanleiding van de rapportages van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel UWV dat niet aannemelijk is geworden dat de werknemer arbeidsgeschikt is. Omdat de loondoorbetalingsperiode is verstreken wordt de loonvordering afgewezen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de mondelinge behandeling van 24 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [verzoeker]- de pleitnota van Durum Company.
2De feiten
2.1.
[verzoeker] is op 1 januari 2011 in dienst getreden van Durum Company in de functie van directeur met een loon van € 17.114,76 bruto per maand.
2.2.
[verzoeker] is op 8 april 2024 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk.
2.3.
De bedrijfsarts heeft op 29 mei 2024 vastgesteld dat sprake is van ziekte waarvoor [verzoeker] behandeling volgt en sprake is van verzuim ten gevolge van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts adviseert het conflict op te lossen nadat behandeling is ingezet en de klachten zijn verminderd.
2.4.
Op 26 maart 2025 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat [verzoeker] niet belastbaar is voor werkzaamheden en wordt mediation geadviseerd om het onderliggende arbeidsconflict op te lossen.
2.5.
Op 25 juni en 16 juli 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat [verzoeker] niet belastbaar is, herstel stagneert en hij bijkomende beperkingen heeft. Ook wordt mediation geadviseerd om het conflict op te lossen.
2.6.
Op 19 november 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat de belastbaarheid voorzichtig toeneemt het arbeidsconflict zorgt voor belemmering van het herstel en hij daarom pendelmediation adviseert. Ook heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat [verzoeker] per vandaag de medische machtiging heeft ondertekend en hij door tekort aan medische informatie nu de belastbaarheid en behandeling niet voldoende kan beoordelen. De bedrijfsarts adviseert om alle tijd in rust en herstel te steken en een haalbaarheidsonderzoek in te zetten om te toetsen of spoor 2 nu haalbaar is voor [verzoeker] .
2.7.
De arbeidsdeskundige heeft op 20 november 2025 aan Durum Company laten weten dat er niet langer een medisch bezwaar is voor mediation en mediation moet worden gestart.
2.8.
Op 12 januari 2026 heeft een eerste mediationsessie plaatsgevonden tussen [verzoeker] en Durum Company.
2.9.
Op 21 januari 2026 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat de prognose op de lange termijn gunstig is en hij verwacht dat het mediationtraject een positief effect zal hebben op verder herstel, maar [verzoeker] op dit moment nog zeer beperkt belastbaar is voor eigen of ander werk. Ook heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat in verband met de aanstaande WIA-aanvraag op dit moment geen vervolgafspraak is gepland.
2.10.
In het actueel oordeel van de bedrijfsarts aan het UWV staat dat hij [verzoeker] op 21 januari 2026 telefonisch heeft gesproken omdat hij niet in staat was fysiek op het spreekuur te verschijnen en verder dat een opbouw in uren nodig is voordat [verzoeker] volledig kan werken, de prognose op lange termijn gunstig is en sprake is van een licht positieve trend in het klachtenpatroon en dat inmiddels een mediationtraject loopt.
2.11.
Durum Company heeft in januari en februari 2026 meerdere herinneringen naar [verzoeker] gestuurd waarin zij hem wijst dat hij actie moet ondernemen in het kader van de WIA-aanvraag.
2.12.
Op 11 maart 2026 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd:
“Er is een licht positieve trend in de belastbaarheid. Het arbeidsconflict is momenteel een belemmerende factor voor reintegratie. Betrokkene geeft aan dat er een mediationtraject loopt.
Ik heb begrepen dat u overweegt een ontslagvergunning bij het UWV aan te vragen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid en dat in dit kader een verklaring van de bedrijfsarts wordt gevraagd. Op basis van mijn medische beoordeling stel ik vast dat betrokkene
als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de eigen werkzaamheden te verrichten. Daarnaast acht ik het niet aannemelijk dat betrokkene binnen 26 weken zodanig zal
herstellen dat hervatting in het eigen werk mogelijk is, ook niet in aangepaste vorm.
Ik adviseer het huidige mediationtraject voort te zetten.”
2.13.
[verzoeker] heeft in een e-mail van 27 maart 2026 aan Durum Company laten weten dat zijn gezondheid inmiddels zodanig is verbeterd dat hij zich in staat acht zijn werkzaamheden te hervatten en dat hij zich beschikbaar stelt voor het verrichten van zijn arbeid.
2.14.
De arbeidsdeskundige heeft in een e-mail van 9 april 2026 aan partijen bericht dat sprake is van een discrepantie tussen de eerder vastgestelde medische situatie en de huidige herstelmelding en dat bij aanhoudende twijfel over de arbeidsgeschiktheid een
deskundigenoordeel bij het UWV of een aanvullende onafhankelijke expertise of second opinion kan worden overwogen.
2.15.
Durum Company heeft op 28 april 2026 aan [verzoeker] laten weten dat zij geen aanleiding ziet om de hersteldmelding te accepteren.
2.16.
De bedrijfsarts heeft op 6 mei 2026 gerapporteerd:
“Betrokkene is op 06-05-2026 opnieuw beoordeeld nadat hij zich per 27-03-2026 hersteld had gemeld.
Er is verdere verbetering van de belastbaarheid. Er blijven echter beperkingen bestaan in persoonlijk en sociaal functioneren. Betrokkene is daarom op dit moment niet volledig arbeidsgeschikt voor de eigen functie. Daarnaast is nog sprake van een langer bestaand en onopgelost arbeidsconflict. Dit belemmert herstel en duurzame re-integratie.
In mijn vorige terugkoppeling achtte ik herstel binnen 26 weken voor het eigen werk, ook in aangepaste vorm, niet aannemelijk. Door de verdere verbetering is de prognose nu gunstiger. Volledig herstel binnen de relevante 26-wekenperiode kan medisch gezien
niet worden uitgesloten. Deze prognose is echter in belangrijke mate afhankelijk van
oplossing van het arbeidsconflict en herstel van communicatie tussen werkgever en werknemer. Zolang dit niet is bereikt, acht ik duurzame hervatting in de eigen functie niet aannemelijk. Dit geldt ook voor eigen werk in aangepaste vorm.
Er bestaan benutbare mogelijkheden. Re-integratie bij de eigen werkgever acht ik in de huidige context echter niet duurzaam mogelijk, gezien het onopgeloste arbeidsconflict en de verstoorde communicatie. Ik adviseer daarom het mediationtraject voort te zetten.”
2.17.
[verzoeker] heeft op 12 juni 2026 een deskundigenoordeel van een verzekeringsarts van het Uwv aangevraagd. In de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 24 juni 2026 staat voor zover van belang het volgende:
“3. Onderzoeksactiviteiten
Telefonisch spreekuur d.d. 24 juni 2026
Op verzoek van werknemer een driegesprek samen met zijn advocaat, de heer Coskun, dat verliep prettig.
Tevoren bestudering van de aanvraag en de relevante ingezonden stukken van de arbodienst/ bedrijfsarts(-en)
(..)
4.4.
Informatie van derden
Algemeen
Vraag ik niet op.
Motivatie in het medisch dossier ..
5. Overwegingen
5.1
Op grond van de opeenvolgende adviezen van de bedrijfsarts is het plausibel dat er in ieder geval sprake is geweest van ziekte en of een gebrek in de zin van de WULBZ. Bij dit DO (kantonrechter: deskundigenoordeel) gaat het om de situatie per 27 maart 2026, de werknemer acht zich per die datum hersteld voor het eigen werk.
6. Conclusie
Werknemer is per 27 maart 2026 geschikt te achten is voor zijn werk mits er, volgens de herhaalde adviezen van de bedrijfsarts, mediation heeft plaatsgevonden (wat tot heden niet het geval is).”
Hierna kortheidshalve aangeduid als: het Deskundigenoordeel.
2.18.
Durum Company heeft op 23 juli 2026 een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend, omdat hij in zijn functie van directeur en daarmee als eindverantwoordelijke voor de dagelijkse gang van zaken betrokken is geweest bij ernstige financiële onregelmatigheden binnen Durum Company, althans daarvoor verantwoordelijk moet worden gehouden.
2.19.
[verzoeker] heeft een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend. [verzoeker] verzoekt daarin tot het horen van 46 getuigen vanwege een voorgenomen procedure waarin nakoming wordt gevorderd van afspraken op grond waarvan [verzoeker] economisch gerechtigd was tot vijftig procent van Durum Company en waarin wordt gevorderd dat de rekening-courantpositie van ongeveer € 280.000,00 geen werkelijke persoonlijke schuld is van [verzoeker] .
2.20.
Op 29 juli 2026 heeft een tweede mediationsessie plaatsgevonden tussen partijen in aanwezigheid van hun gemachtigden, die niet tot een vervolg heeft geleid.
3Het geschil
3.1.
[verzoeker] vordert - samengevat - veroordeling van Durum Company tot betaling van achterstallig loon over april – juli 2026 van totaal € 68.459,04, € 34.229,52 aan wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, rente en buitengerechtelijke kosten en [verzoeker] geheel of gedeeltelijk toe te laten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden op straffe van een dwangsom.
3.2.
[verzoeker] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Durum Company heeft [verzoeker] ondanks zijn hersteldmelding niet toegelaten tot zijn werkzaamheden dan wel een concreet voorstel gedaan om zijn werk te hervatten of toe te laten tot passende werkzaamheden. Het UWV heeft geoordeeld dat [verzoeker] zich terecht hersteld heeft gemeld. Daarna is de mediation pas weer opgestart, maar enkele dagen voor de mediation heeft Durum Company een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Durum Company heeft vanaf 7 april 2026 geen loon meer betaald en handelt daarmee in strijd met haar wettelijke verplichtingen. [verzoeker] heeft zich immers beschikbaar gesteld voor werk, terwijl de oorzaak van het niet verrichten van werkzaamheden binnen de risicosfeer van Durum Company ligt.
3.3.
Durum Company voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [verzoeker] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verzoeker] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Durum Company voert het volgende aan. Nadat Durum Company het vertrouwen in [verzoeker] op 6 april 2024 heeft opgezegd vanwege uit onderzoek gebleken frauduleuze handelingen binnen Durum Company, heeft [verzoeker] zich op 8 april 2026 ziekgemeld. Durum Company is na afloop van de wettelijke loondoorbetalingsperiode tijdens ziekte geen loon meer aan [verzoeker] verschuldigd. De plotselinge hersteldmelding van [verzoeker] na bijna twee jaar volledige arbeidsongeschiktheid vindt geen steun in de stukken van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts. Uit de rapportage van de bedrijfsarts volgt dat [verzoeker] ook na de hersteldmelding nog beperkingen heeft en daarom niet volledig arbeidsgeschikt is voor de eigen functie en dat nog sprake is van een onopgelost arbeidsconflict, dat herstel en duurzame re-integratie belemmerd. Ook uit het oordeel van de verzekeringsarts volgt dat [verzoeker] niet zonder meer per 27 maart 2026 volledig arbeidsgeschikt was. Omdat een onderbouwing van [verzoeker] dat hij volledig arbeidsgeschikt is ontbreekt, heeft Durum Company de hersteldmelding niet geaccepteerd. De loondoorbetalingsverplichting is op 8 april 2026 geëindigd, zodat Durum Company vanaf die datum geen loon meer aan [verzoeker] is verschuldigd. Ook kan de vordering niet worden toegewezen omdat sprake is van een groot restitutierisico vanwege de financiële situatie van [verzoeker] . Ten slotte voert Durum Company verweer tegen de gevorderde wedertewerkstelling en hervatting van het re-integratietraject.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Toetsingskader kort geding
4.1.
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [verzoeker] daarbij een spoedeisend belang heeft. Aangezien het een loonvordering betreft is de vereiste spoedeisendheid van de vordering van [verzoeker] een gegeven.
4.2.
De kantonrechter geeft in dit kort geding een voorlopig oordeel. Voor nadere bewijslevering is vanwege de aard van de procedure geen plaats. Doorbetaling loon na tijdvak van 104 weken?
4.3.
Het tijdvak waarover [verzoeker] recht had op doorbetaling van loon tijdens ziekte is geëindigd op 8 april 2026. Dat betekent dat er daarna geen recht meer kan zijn op doorbetaling van loon, tenzij voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] vanaf 27 maart 2026 arbeidsgeschikt is voor het verrichten van werkzaamheden, zoals [verzoeker] stelt (en Durum betwist).
4.4.
Deze beoordeling spitst zich allereerst toe op de betekenis en uitleg van het Deskundigenoordeel. Naar de kantonrechter begrijpt gaat het om een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW.
4.4.
Volgens [verzoeker] houdt het Deskundigenoordeel in dat hij per 27 maart 2026 arbeidsgeschikt is ongeacht of (succesvolle) mediation heeft plaatsgevonden. Ook als [verzoeker] in deze uitleg wordt gevolgd, dan is de kantonrechter van oordeel dat [verzoeker] op basis van het Deskundigenoordeel niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 27 maart 2026 volledig arbeidsgeschikt is. De kantonrechter licht dit oordeel hieronder toe.
4.5.
Voorop wordt gesteld dat de kantonrechter een deskundigenverklaring als hier aan de orde niet hoeft te volgen. In dit geval vindt de kantonrechter dat aan het Deskundigenoordeel geen doorslaggevende betekenis toekomt, omdat geen hoor en wederhoor is toegepast, geen inlichtingen bij de behandelend sector zijn opgevraagd en het oordeel door de verzekeringsarts onvoldoende is gemotiveerd.
4.6.
De bedrijfsarts heeft in alle adviezen sinds de ziekmelding van [verzoeker] op 28 april 2024 benoemd dat zowel sprake is van medische beperkingen als verzuim wegens een arbeidsconflict en dat eerst het arbeidsconflict moet worden opgelost. In het advies van 11 maart 2026 heeft de bedrijfsarts (zonder kanttekening) gerapporteerd dat [verzoeker] als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de eigen werkzaamheden te verrichten en dat niet aannemelijk is dat hij binnen 26 weken zodanig zal herstellen dat hervatting in het eigen werk mogelijk is, ook niet in aangepaste vorm. De bedrijfsarts heeft dit oordeel (na de herstelmelding) op 6 mei 2026 weliswaar aangepast, maar nog steeds geoordeeld dat [verzoeker] niet volledig arbeidsgeschikt is voor de eigen functie. De aanpassing ziet erop dat herstel binnen de relevante 26 weken periode medisch gezien niet kan worden uitgesloten. Daarbij heeft de bedrijfsarts echter uitdrukkelijk opgemerkt, kort gezegd, dat de prognose afhankelijk is van oplossing van het arbeidsconflict en zolang dat niet is bereikt hervatting in eigen of aangepaste functie niet aannemelijk is.
4.7.
Op de zitting heeft de kantonrechter kunnen vaststellen dat het arbeidsconflict tussen partijen onverkort aanwezig is en een oplossing, gelet op de lopende procedures, ver weg is. Anders dan het Deskundigenoordeel heeft [verzoeker] geen stukken overgelegd of concrete aanknopingspunten aangevoerd die de gestelde arbeidsgeschiktheid onderbouwen.
4.8.
In de gegeven omstandigheden, waarin het Deskundigenoordeel vanwege de “mits” niet zonder meer inhoudt dat [verzoeker] geschikt is voor zijn werk, de bepleite arbeidsgeschiktheid niet is te rijmen met de beoordelingen van de bedrijfsarts, [verzoeker] 102 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is zonder enige vruchtbare toenadering tussen partijen en het Deskundigenoordeel uitsluitend is gebaseerd op uitlatingen van [verzoeker] (en zijn gemachtigde), is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat er niet van kan worden uitgegaan dat [verzoeker] vanaf 27 maart 2026 weer volledig arbeidsgeschikt is
4.9.
De conclusie is dat [verzoeker] in deze kortgedingprocedure onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 27 maart 2026 en daarna in staat is de overeengekomen arbeid te verrichten. Omdat het tijdvak van 104 weken voor recht op doorbetaling van loon tijdens arbeidsongeschiktheid is verstreken wijst de kantonrechter de gevorderde loonbetaling en tewerkstelling van [verzoeker] af.
Geen gedeeltelijke wedertewerkstelling
4.10.
[verzoeker] heeft ook gedeeltelijke wedertewerkstelling verzocht. Uit de toelichting op de zitting maakt de kantonrechter op dat [verzoeker] daarmee bedoelt hervatting van het re-integratietraject. De bedrijfsarts heeft na de hersteldmelding van [verzoeker] gerapporteerd dat re-integratie bij de eigen werkgever in de huidige context niet duurzaam mogelijk is gezien het onopgeloste arbeidsconflict en de verstoorde communicatie. De bedrijfsarts heeft in dat kader steeds mediation geadviseerd. Volgens [verzoeker] werkt Durum Company niet mee aan mediation. Dit betoog vindt geen steun in de stukken. Durum Company heeft onder verwijzing naar de e-mail van de arbeidsdeskundige van 20 november 2025 onbetwist toegelicht dat [verzoeker] vanwege beperkingen niet eerder in staat was tot mediation, maar dat er sindsdien (november 2025) niet langer een medische belemmering is voor mediation. Het was vervolgens [verzoeker] die niet reageerde op een e-mail van Durum Company om zijn gegevens te bevestigen in verband met een uitnodiging van de mediator. De arbeidsdeskundige moest [verzoeker] erop wijzen dat het niet voldoen aan re-integratieverplichtingen kan leiden tot opschorting van de loonbetaling. Daarna heeft op 12 januari 2026 een eerste mediationsessie plaatsgevonden. Partijen zijn het erover eens dat deze niet succesvol was. Een tweede mediationsessie heeft weliswaar lang op zich laten wachten, maar uit de stukken komt niet het beeld naar voren dat bij Durum Company bereidheid voor verdere mediation ontbrak. Niet wordt gevolgd dat de door Durum Company gewenste aanwezigheid van de gemachtigden bij de tweede mediationsessie als niet-meewerkend moet worden beschouwd. Het is aan de mediator in overleg met partijen om hierin een aanpak te kiezen. Dat Durum Company mediation niet wil hervatten is overigens niet gebleken. Gelet op het voorgaande wordt dit deel van de vordering ook afgewezen. Het beroep op 7:628 BW gaat niet op.
[verzoeker] moet de proceskosten betalen
4.5.
[verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Durum Company worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
937,00
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [verzoeker] af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 937,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026.
Artikel 7:629 lid 1 BW.
Artikel 6:119 BW.