Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:11699
2026-08-05
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12016857 \ CV EXPL 25-8484
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ambtshalve toetsing. Verstek. Voldaan aan precontractuele informatieplichten. Prijswijzigingsbeding in huurovereenkomst niet oneerlijk.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2017:404 Hoge Raad 10-03-2017
- ECLI:EU:C:2021:68
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.209 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 12016857 \ CV EXPL 25-8484
Uitspraakdatum: 5 augustus 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Hoogheemraadschap van Rijnland
te Leiden
de eisende partij
gemachtigden: [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De procedure
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2De beoordeling
2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 249,34, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.2.
De eisende partij heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De eisende partij heeft namelijk nagelaten een concrete toelichting te geven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst en hoe zij in die situatie heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten.
2.3.
Weliswaar heeft de eisende partij producties bij de dagvaarding overgelegd, maar zonder toe te lichten welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt. Producties kunnen stellingen enkel ondersteunen en niet vervangen. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. Het is dus aan de eisende partij om concreet aan te geven welke informatie in welke productie te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren). De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat het ontbreken van een dergelijke toelichting in eventuele vervolgzaken kan leiden tot afwijzing van de vordering.
2.4.
Bij wijze van uitzondering heeft de kantonrechter in dit geval wel zelf in de producties gecontroleerd hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en of de eisende partij bij het sluiten van de overeenkomst aan de wettelijk voorgeschreven precontractuele informatieverplichtingen heeft voldaan. Daaruit blijkt dat de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de door de eisende partij overgelegde huurovereenkomst blijkt voldoende dat zij heeft voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen
2.5.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Algemene voorwaarden kunnen ook in de overeenkomst zelf zijn opgenomen. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.6.
Artikel 3.2 van de huurovereenkomst betreft een prijswijzigingsbeding. Dat is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
2.7.
De vordering wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
2.8.
De gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij wordt de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van € 43,50 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 308,27, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 249,34 vanaf 11 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 146,14;
griffierecht € 139,00;
salaris gemachtigde € 87,00;
3.3.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 43,50 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;
3.4.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404.
Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 augustus 2026.
HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 12016857 \ CV EXPL 25-8484
Uitspraakdatum: 5 augustus 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Hoogheemraadschap van Rijnland
te Leiden
de eisende partij
gemachtigden: [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De procedure
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2De beoordeling
2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 249,34, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.2.
De eisende partij heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De eisende partij heeft namelijk nagelaten een concrete toelichting te geven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst en hoe zij in die situatie heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten.
2.3.
Weliswaar heeft de eisende partij producties bij de dagvaarding overgelegd, maar zonder toe te lichten welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt. Producties kunnen stellingen enkel ondersteunen en niet vervangen. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. Het is dus aan de eisende partij om concreet aan te geven welke informatie in welke productie te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren). De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat het ontbreken van een dergelijke toelichting in eventuele vervolgzaken kan leiden tot afwijzing van de vordering.
2.4.
Bij wijze van uitzondering heeft de kantonrechter in dit geval wel zelf in de producties gecontroleerd hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en of de eisende partij bij het sluiten van de overeenkomst aan de wettelijk voorgeschreven precontractuele informatieverplichtingen heeft voldaan. Daaruit blijkt dat de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de door de eisende partij overgelegde huurovereenkomst blijkt voldoende dat zij heeft voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen
2.5.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Algemene voorwaarden kunnen ook in de overeenkomst zelf zijn opgenomen. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.6.
Artikel 3.2 van de huurovereenkomst betreft een prijswijzigingsbeding. Dat is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
2.7.
De vordering wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
2.8.
De gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij wordt de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van € 43,50 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 308,27, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 249,34 vanaf 11 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 146,14;
griffierecht € 139,00;
salaris gemachtigde € 87,00;
3.3.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 43,50 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;
3.4.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404.
Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 augustus 2026.
HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).