Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11653

2026-09-02 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht HAA 26/3439
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
HAA 26/3439
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vovo - verzoek maatschappelijke opvang. Feitelijk dakloos. Inkomen, vaste baan, geen psychische of schuldenproblematiek. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college op juiste gronden besloten dat verzoeker zelfredzaam is. Het standpunt van verzoeker dat uit het enkele feit dat hij nu al bijna drie maanden feitelijk dakloos is en op straat slaapt het tegendeel blijkt, volgt de rechtbank niet. Dat het verzoeker niet lukt om een woning te vinden, lijkt te liggen aan de krapte op de woningmarkt. Gelet op vaste rechtspraak is de Wmo niet bedoeld om het tekort aan betaalbare woonruimte in Nederland op te lossen

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.275 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Alkmaar



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 26/3439


uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 september 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Haarlem, verzoeker
(gemachtigde: mr. J. Sprakel),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem
(gemachtigden: E. de Jong, A. Yuksel en B. van Leeuwen).




Procesverloop


1. Met het bestreden besluit van 17 juni 2026 heeft het college de aanvraag van verzoeker om een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



1.1.
Op 14 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een ordemaatregel afgewezen.



1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van [naam] , alsmede de gemachtigden van het college.




Beoordeling door de voorzieningenrechter



Feiten waar de voorzieningenrechter van uit gaat




2. Verzoeker heeft op 3 juni 2026 een aanvraag gedaan voor een (tijdelijke) maatwerkvoorziening begeleiding en maatschappelijke opvang. Op 18 mei en 15 juni 2026 hebben gesprekken plaatsgevonden bij de Brede Centrale Toegang (BCT).



2.1.
Bij besluit van 17 juni 2026 is de aanvraag van verzoeker afgewezen omdat er geen aanleiding is om aan te nemen dat verzoeker onvoldoende zelfredzaam is. Verzoeker is dakloos geworden door het aflopen van zijn huurcontract. Hij heeft geen psychische of verslavingsproblemen die maken dat hij niet in staat is zich te handhaven in de samenleving. Verder werkt verzoeker al vier jaar bij dezelfde werkgever in Aalsmeer en heeft hij een netto inkomen van € 2.500 per maand. Gelet op dit inkomen en het ontbreken van schulden wordt verzoeker in staat geacht zelf in zijn huisvestingsbehoefte te voorzien. Daarnaast kan hij voor een slaapplaats terecht bij een vriend in [plaats] . Ook zijn er beschikbare en voor verzoeker betaalbare overnachtingsmogelijkheden in hostel ‘Hello I’m local’ in Haarlem.



Spoedeisend belang




3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.




3.1.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij niet zelfredzaam is. Hij verblijft feitelijk op straat en heeft geen alternatief.



3.2.
Gelet op het feit dat verzoeker sinds 30 april 2026 feitelijk dakloos is ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen.



Kan verzoeker als zelfredzaam aangemerkt worden?




4. Voor een recht op opvang is bepalend of verzoeker in staat is zich te handhaven in de samenleving. Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, eerste lid, en uit de artikelen 1.2.1, aanhef en onder c, en artikel 2.3.5, vierde lid, van de Wmo 2015. Gelet op de hulpvraag van verzoeker houdt dat in dit geval concreet in dat beoordeeld moet worden of hij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak te voorzien. Met andere woorden: verzoeker kan pas aanspraak maken op opvang als hij geen onderdak heeft door problemen die hij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving.




4.1.
Het college heeft op 18 mei 2026 en 15 juni 2026 onderzoek verricht naar de hulpvraag van verzoeker. Daaruit bleek onder meer dat verzoeker geen verslavingsproblemen, gedragsproblemen of andere complexe psychiatrische problemen heeft die hebben geleid tot dakloosheid. Verder bleek dat verzoeker enige tijd bij zijn zuster en haar gezin in Haarlem heeft verbleven maar dat dit niet meer mogelijk is vanwege - kortweg - een zeer krappe woning en dat verzoeker ten tijde van het laatste gesprek verbleef bij een vriend, in [plaats] maar dat hij van daaruit veel reistijd had naar zijn werk in Aalsmeer. Ook is de financiële situatie van verzoeker in kaart gebracht.



4.2.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is dit onderzoek zorgvuldig geweest en heeft het college op juiste gronden besloten dat verzoeker zelfredzaam is. Het standpunt van verzoeker dat uit het enkele feit dat hij nu al bijna drie maanden feitelijk dakloos is en op straat slaapt het tegendeel blijkt, volgt de rechtbank niet. Dat het verzoeker niet lukt om een woning te vinden, lijkt te liggen aan de krapte op de woningmarkt. Gelet op vaste rechtspraak is de Wmo niet bedoeld om het tekort aan betaalbare woonruimte in Nederland op te lossen.



4.3.
Nu het college verzoeker op goede gronden als zelfredzaam heeft aangemerkt, mocht het college de aanvraag van verzoeker om een (tijdelijke) maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang gelet op artikel 4.3, tweede lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2024 (de Verordening) afwijzen.



Bestaat er op grond van artikel 3.6, vierde lid van de Verordening aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen?




5. Ingevolge artikel 3.6, vierde lid, van de Verordening draagt het college zorg voor noodopvang voor personen die feitelijk dakloos zijn maar wel verantwoordelijk kunnen worden gehouden zorg te dragen voor eigen huisvesting en die voorafgaand aan de dakloosheid minimaal twee jaar in Haarlem woonden en stonden ingeschreven. Ingevolge artikel 2.3.2 van de Uitvoeringsregels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2024 (Uitvoeringsregels) geldt voor het gebruik kunnen maken van noodopvang onder meer de voorwaarde dat geen oplossing bestaat voor de dakloosheid van betrokkene in het eigen netwerk en dat betrokkene niet op andere wijze zelf in eigen onderdak kan voorzien.




5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet aan deze voorwaarde voldoet. Verzoeker kan immers op de dagen dat hij niet werkt bij de vriend in [plaats] verblijven en verzoeker wordt, wanneer hij wel moet werken, gelet op zijn inkomen, in staat geacht te kunnen verblijven in een hostel in Haarlem.



5.2.
De rechtbank kan dit standpunt volgen. Voorzover verzoeker ter zitting nog heeft aangevoerd dat de Uitvoeringsregels in strijd zijn met artikel 3.6, vierde lid, van de Verordening, gaat de voorzieningenrechter daaraan voorbij, omdat deze stelling niet is onderbouwd.



5.3.
Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.




Conclusie en gevolgen


6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931.