Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11489

2026-08-19 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/15/368952
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-09-01
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/15/368952
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geschil over het bestaan, de inhoud en de uitvoering van een overeenkomst voor abonnementenbeheer, een daarin opgenomen exclusiviteitsbepaling en de verschuldigdheid van facturen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (79.353 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland


Civiel recht



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer: C/15/368952 / HA ZA 25-507




Vonnis van 19 augustus 2026




in de zaak van





[eiser]
, h.o.d.n. [bedrijf],
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. E.J.M. Brocatus,



tegen




B.V. BONDIS t.h.o.d.n. ABONNEMENTENLAND,
te Uitgeest,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Bondis,
advocaat: mr. R.C. de Mol.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 maart 2026 en de daarin genoemde stukken- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarbij mr. Brocatus en mr. De Mol spreekaantekeningen hebben overgelegd en de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt.




1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[eiser] is de uitgever van het tijdschrift ‘[bedrijf]’ (hierna ook: het tijdschrift). Bondis verzorgt abonnementenbeheer voor uitgevers van tijdschriften.



2.2.
Op 18 december 2012 hebben [eiser] en Bondis een schriftelijke overeenkomst gesloten voor het abonnementenbeheer voor het tijdschrift (hierna: de overeenkomst van 2012). Op grond van de overeenkomst verzorgt Bondis tegen een vergoeding per nummer per abonnee onder meer het proces van verwerking (invoer en mutaties), facturatie en storneren van abonnementsgelden, de administratie voor opzeggingen en levert Bondis de klantenservice en aan [eiser] maandelijkse financiële rapportages en informatie over aanwas, verval en herkomst van abonnees (managementinformatie). De originele tarieven voor specifieke werkzaamheden zijn hieronder opgenomen.









2.3.
De overeenkomst bevat verder onder meer de volgende bepalingen:



2. Een overeenkomst voor het beheren van de abonneebestanden door Abonnementenland [Bondis, toevoeging rechtbank] loopt 24 maanden, gerekend vanaf het moment dat de overeenkomst door beide partijen is ondertekend. Na deze periode wordt de overeenkomst telkens stilzwijgend met eenzelfde periode verlengd tenzij een van beide partijen de overeenkomst opzegt.




3. Voor beide partijen geldt een opzegtermijn van zes maanden.





5. De bestanden blijven te allen tijde het eigendom van de uitgever.





12. Zowel het beheer adressen die tijdens de aanvang van de overeenkomst in de bestanden aanwezig zijn, als de adressen die tijdens de contractperiode aan het bestand worden toegevoegd kunnen tijdens de contractperiode niet bij een andere beheerder worden ondergebracht. Evenmin kunnen zij tijdens de contractperiode door de uitgever in eigen beheer worden genomen.





25. Bij beëindiging van de overeenkomst is Abonnementenland gerechtigd de abonneebestanden en daaraan gerelateerde data onder zich te houden tot alle openstaande facturen inclusief een eventueel overeengekomen afkoopsom, zijn voldaan en zij een rechtsgeldig ondertekende vrijwaringverklaring aangaande de over te dragen bestanden van de opdrachtgever heeft ontvangen.





2.4.
In de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden van Bondis van toepassing verklaard. In die algemene voorwaarden is onder ‘Rente en kosten’ bepaald dat bij een betalingsachterstand van [eiser] alle door Bondis gerechtelijk en buitengerechtelijk te maken kosten voor rekening van [eiser] komen, met een minimum van 15% van de hoofdsom inclusief rente.



2.5.
De gegevens voor het abonnementenbeheer worden door Bondis verwerkt in een online softwareprogramma Thorweb (hierna: Thorweb) waarin per abonnee de gegevens kunnen worden ingezien en aangepast. De abonnementsgelden worden ontvangen op een stichting derdengelden gelieerd aan Bondis.



2.6.
Omdat [eiser] op enig moment het abonnementenbeheer zelf wilde doen, heeft hij op 26 maart 2020 de overeenkomst van 2012 opgezegd.



2.7.

Bij e-mail van 30 maart 2020 heeft Bondis [eiser] geïnformeerd dat de overeenkomst tot 31 december 2020 liep en hem als alternatief voor opzegging gewezen op Thorweb, waarmee [eiser] volgens Bondis meer zelf zou kunnen doen en goedkoper uit zou zijn. Bij
e-mail van 4 mei 2020 heeft Bondis aan [eiser] zijn inloggegevens voor Thorweb gestuurd.




2.8.
Nadat [eiser] Thorweb had uitgeprobeerd, heeft hij bij e-mail van 7 mei 2020 aan Bondis onder meer geschreven:



Laten we afspreken dat we de opzegging wel handhaven zodat ik einde jaar een keuze kan maken om eventueel te vertrekken of te blijven.


Dan gaan we nu de komende maanden eerst zelf de boel vanuit jullie systeem regelen.





2.9.
Ook na 31 december 2020 heeft Bondis abonnementenbeheer voor [eiser] uitgevoerd.



2.10.
In 2022 heeft [eiser] aan Bondis laten weten de abonnees toch in eigen beheer te willen nemen. In zijn e-mail van 30 september 2022 schrijft hij daarover aan Bondis



Het plan is nu als volgt:


Zsm de eigen omgeving optuigen zodat nieuwe abonnees al in ons systeem gaan meelopen.


Dan kunnen we de kinderziektes er uit halen.


En dan bij voorkeur in januari alle huidige abonnees overzetten naar onze omgeving.





2.11.

[eiser] heeft op enig moment een eigen systeem voor abonnementenbeheer opgezet. In april 2024 heeft [eiser] aan Bondis gevraagd hem een exportbestand van zijn abonnees te sturen om het beheer in het eigen systeem uit te voeren. Bij e-mail van 10 april 2024 heeft Bondis aan [eiser] onder meer het volgende geantwoord:



Het contract loopt tot 18 december 2024. We zullen meewerken aan een conversie, maar wel je blijven factureren tot 18 december 2024.




Hierop heeft [eiser] diezelfde dag onder meer als volgt gereageerd:




En wil je echt vasthouden aan de kosten tot einde jaar, na 12 jaar trouwe klant te zijn geweest?




waarna Bondis aan [eiser] diezelfde dag onder meer antwoordde:




Toen wij ruim 4 jaar geleden (26-03-2020) per e-mail de melding kregen dat je de samenwerking wilde opzeggen, hebben we hier uitvoerig over gesproken.


Vervolgens is de samenwerking gewoon gecontinueerd en heeft Abonnementenland de afgelopen 4 jaar voldaan aan zijn verplichtingen.


Abonnementenland heeft zich keurig gehouden aan de afspraken, en meer, zoals deze in het contract zijn opgenomen, dan is het niet meer dan logisch dat [eiser] dat ook doet.


Dat impliceert dat het contract tot 18 december 2024 loopt en dat er kosten in rekening worden gebracht voor de overdracht van de bestanden bij het einde van het contract.


Om je traject niet te verstoren werken we mee aan een eerdere overdracht van de bestanden.





2.12.
Met een e-mail van 30 april 2024 heeft Bondis aan [eiser] een gratis ‘proefdump’, zijnde een export van het abonneebestand, aangeboden en een definitieve dump voor € 1.200.



2.13.

Bij een e-mail van 17 juli 2024 heeft Bondis aan [eiser] onder meer het volgende bericht:

We krijgen een verzoek van je om alle data aan te leveren met zoveel mogelijk gegevens en een bankrekeningnummer. […]

Wij willen het wel aanleveren, maar kunnen het niet aanleveren omdat je daarvoor niet wilt betalen.





2.14.
Bij een e-mail van 19 juli 2024 heeft Bondis onder meer het volgende aan [eiser] geschreven:



Je verwijst naar een opzegging van 4/5 jaar geleden, waarna je toch door bent gegaan met het afnemen van de dienstverlening.


Je had opnieuw moeten opzeggen, dat heb niet gegaan volgens de contractvoorwaarden waardoor het contract tot 2026 geldig zou blijven.





2.15.
Op 7 november 2024 heeft [eiser] aan Bondis, in antwoord op het hiervoor onder 2.12 aangehaalde bericht van Bondis aan [eiser], het volgende bericht:



Ik heb na onze laatste gesprekken de abonnementen even gelaten voor wat het was omdat ik mijn energie in belangrijkere zaken moest steken.


Echter lijkt het mij goed om na de december editie de boel over te dragen aan ons.


Aangezien we niet verder lijken te komen als ik niet akkoord ga met onderstaande voorstel, ga ik hier dus mee akkoord.


Een gratis proefdump en €1200 voor de definitieve dump.





Zou je me de proefdump begin volgende week willen sturen? Het is met name belangrijk om de bank mandaat informatie te zien in de export.


Het is dus noodzakelijk dat dit erin zit. Als dit volledig genoeg is kunnen we deze namelijk importeren en het mandaat behouden.





2.16.
Bij e-mail van 19 november 2025 heeft Bondis aan [eiser] de proefdump geleverd met de volgende begeleidende e-mail:



In de bijlage vind je het complete bestand zoals wij dat aanleveren. Aan de hand van dit bestand doen wij de administratie en incassatie.





2.17.
Op 20 november 2024 heeft [eiser] aan Bondis het volgende geantwoord:



Bedankt voor de lijst.

Om dit goed te kunnen testen mis ik nog wat essentiële informatie.
(…)
 ‘Customer mandate reference. For SEPA Direct Debit, it is vital to provide a unique reference.’ Elk mandaat is gekoppeld aan een unieke referentiecode. Deze hebben we nodig.
(…).




2.18.
Bij een e-mail van 5 december 2024 heeft [eiser] aan Bondis geschreven dat, omdat de mandaatreferenties (‘mandaat bank ID’) ontbreken, het niet makkelijk is het geheel te importeren in zijn systeem en hij, totdat “we over kunnen”, graag gebruik maakt van de diensten van Bondis.



2.19.
Op enig moment heeft [eiser] per e-mail abonnees van het tijdschrift direct benaderd met een aanbieding om het abonnement op het tijdschrift bij Bondis op te zeggen en rechtstreeks bij hem af te sluiten (hierna: de mailing).



2.20.
In een e-mail van 23 april 2025 heeft Bondis aan [eiser] bericht op de hoogte te zijn van de mailing van [eiser] aan zijn abonnees, waardoor er veel opzeggingen zijn bij Bondis. Bondis heeft met verwijzing naar artikel 12 van de overeenkomst (hierna ook: het exclusiviteitsbeding) zich op het standpunt gesteld dat [eiser] contractbreuk pleegt. Bondis heeft verder bericht per direct haar werkzaamheden op te schorten. Daarbij heeft zij onder meer het volgende aan [eiser] geschreven en onderstaande tabel opgenomen:



Door op deze manier te handelen hebben we daar veel werk van.


Wij zullen hiervoor ook een factuur sturen tegen de tarieven die we daarvoor in het contract hebben afgesproken.





Ook zullen we de werkzaamheden die met het ondermijnen van het contract te maken hebben terugdraaien.


Onderstaand vindt u de onderbouwing van de factuur waar het contract aan ten grondslag ligt. Deze zullen we ook in rekening brengen.











2.21.
Diezelfde dag heeft Bondis [eiser] de aangekondigde factuur gestuurd (hierna: factuur 00086648) van € 18.365,56 inclusief btw (€ 15.178,15 exclusief btw) met een betalingstermijn van 30 dagen na factuurdatum. [eiser] heeft deze factuur niet betaald.



2.22.
Bondis heeft [eiser] daarnaast de volgende facturen gestuurd met een betalingstermijn van 30 dagen na factuurdatum. [eiser] heeft ook deze facturen niet betaald.









factuurnummer


bedrag inclusief btw


factuurdatum




00086528


€ 1.064,88


16-4-2025




00087305


€ 931,10


23-5-2025




00087462


€ 620,84


5-6-2025




00088212


€ 371,63


14-7-2025




00089037


€ 1.470,84


22-8-2025




00089184


€ 487,42


5-9-2025




00090120


€ 407,29


21-10-2025




00090569


€ 307,06


18-11-2025








2.23.
Op enig moment heeft Bondis de toegang van [eiser] tot Thorweb geblokkeerd.



2.24.
Bij e-mail van 28 mei 2025 heeft Bondis aan [eiser] laten weten dat hij voor terugbetalingen aan abonnees die bij Bondis hebben opgezegd een bedrag van € 10.527,29 of € 29.269.33 (afhankelijk van de toezegging van [eiser] aan de abonnees) aan Bondis moet terugstorten, omdat volgens Bondis zij de vooruitbetaalde abonnementsgelden (maandelijks) aan [eiser] heeft overgemaakt.



2.25.
Bij e-mail van 30 mei 2025 heeft [eiser] hierop als volgt gereageerd:



Met betrekking tot het terugbetalen van het abonnementsgeld aan de abonnees ben ik er nooit vanuit gegaan dat jullie dit moeten betalen. Maar aangezien jullie verantwoordelijk zijn voor het beheer loopt dit proces wel via jullie.


Vanzelfsprekend hebben jullie de terugbetalingen altijd verrekend met de omzet maar bij het uitblijven van omzet begrijp ik natuurlijk ook dat die terugbetalingen via [eiser] moeten komen om zo via jullie voldaan te worden.





2.26.

[eiser] heeft in augustus 2025 aan Bondis laten weten het tijdschrift niet meer in print uit te geven. Daarbij heeft hij aan Bondis bericht dat zij daarom geen nieuwe facturatieronde meer mag uitvoeren.



2.27.

[eiser] geeft het tijdschrift vanaf dat moment alleen nog digitaal uit.



2.28.
Bij een e-mail van 30 september 2025 heeft [eiser] oud-abonnees van het tijdschrift geïnformeerd dat hij de opzeggingen aan Bondis heeft doorgegeven en de verdere administratieve afhandeling via Bondis verloopt.





3Het geschil



in conventie




3.1.

[eiser] vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


I. Bondis te veroordelen tot volledige nakoming van de tussen partijen per 1 januari 2021 gesloten overeenkomst van opdracht binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, waaronder te verstaan:
a. het (met terugwerkende kracht) correct verwerken van alle door Kluijver aan Bondis doorgegeven opzeggingen van abonnees, alsmede opzeggingen die door abonnees rechtstreeks bij Bondis zijn gedaan;
b. het per direct staken en gestaakt houden van automatische incasso’s ten aanzien van abonnees die hun abonnement hebben opgezegd;
c. het terugbetalen van reeds geïncasseerde bedragen bij abonnees die hun abonnement hebben opgezegd en recht hebben op restitutie;
d. het aan Kluijver aanleveren van een volledig en bruikbaar exportbestand met alle relevante abonnements- en betaalgegevens, inclusief bankmandaatreferenties, incassogegevens, begin- en einddata van abonnementen, vermelding van de in rekening gebrachte abonnementsgelden, vermelding van de ontvangen betalingen, vermelding van eventuele restituties, overige administratieve informatie;
e. het verwerken en verstrekken van de maandelijkse financiële rapportages vanaf april 2025.



II. Bondis te veroordelen tot betaling aan [eiser] van alle voor [eiser] geïncasseerde abonnementsgelden minus de aan de abonnees terecht betaalde restituties vanaf 1 april 2025 tot en met datum vonnis,



III. Bondis te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis de ten onrechte in rekening gebrachte aanmaningskosten en administratiekosten bij abonnees van [eiser] volledig en correct terug te betalen en daarvan bewijs te verstrekken aan [eiser],



IV. te verklaren voor recht dat [eiser]:
a. de factuur van 23 april 2025 ten bedrage van € 15.178,15 exclusief btw niet is verschuldigd,
b. terzake de factuur 00086528 slechts een bedrag van € 402,00 is verschuldigd aan Bondis,
c. terzake de factuur 00087305 slechts een bedrag van € 401,06 is verschuldigd aan Bondis,
d. terzake de factuur 00087462 slechts een bedrag van € 110,55 is verschuldigd aan Bondis,
e. terzake de factuur 00088212 slechts een bedrag van € 103,87 is verschuldigd aan Bondis,
f. de maandelijkse facturen van Bondis vanaf 22 augustus 2025 tot en met heden met nummers 89037, 89184, 90120, 90569, 91367, 91905, 92479, 92625, 93550, 94233 niet is verschuldigd aan Bondis.



V. Bondis te verbieden om:
a. nog langer abonnementsgelden te incasseren van abonnees van [eiser] die hun abonnement hebben opgezegd,
b. betalingsherinneringen of aanmaningen te sturen aan abonnees van Kluijver die hun abonnement hebben opgezegd,



VI. Bondis te gebieden de toegang tot de digitale omgeving Thorweb voor [eiser] te herstellen, voor zover noodzakelijk voor de correcte afwikkeling van het abonnementenbeheer en gegevensoverdracht,



VII. te bepalen dat Bondis een dwangsom verbeurt van € 1.000 per dag of per afzonderlijke overtreding, voor iedere dag of keer dat zij in strijd handelt met het onder I, II of IV en/of V gevorderde, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,



VIII. Bondis te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.




3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat Bondis tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen op grond van een nieuwe mondelinge overeenkomst die begin 2021 tussen partijen tot stand is gekomen. Bondis onthoudt hem namelijk toegang tot Thorweb, verwerkt opzeggingen van abonnees niet, incasseert abonnementsgelden bij oud-abonnees, betaalt vooruitbetaalde abonnementsgelden aan oud-abonnees niet terug en verstrekt hem geen correcte en financiële overzichten meer. Daarnaast heeft Bondis hem niet een exportbestand met alle relevante abonnements- en betaalgegevens verstrekt. Bovendien zijn de abonnementsgegevens het eigendom van [eiser] en is Bondis ook daarom verplicht hem de gegevens te verstrekken die hij nodig heeft en waarmee hij uit de voeten kan, waaronder mandaatreferenties. Met het niet-verstrekken van de gegevens handelt Bondis ook in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid, aldus [eiser].



3.3.
Bondis voert verweer. Weliswaar heeft [eiser] in 2020 Bondis te kennen gegeven de overeenkomst van 2012 op te zeggen, maar partijen hebben op verzoek van [eiser] die overeenkomst toch voortgezet. [eiser] heeft de overeenkomst vervolgens ondermijnd door abonnees die onder het beheer van Bondis vielen (hierna: bestaande abonnees) in eigen beheer te nemen. Dat is volgens Bondis in strijd is met het exclusiviteitsbeding van de overeenkomst tussen partijen. Bondis heeft haar werkzaamheden daarna zoveel mogelijk opgeschort en doet een beroep op haar retentierecht van de abonnementsgegevens, omdat [eiser] facturen niet heeft betaald. Verder betwist Bondis dat zij werkzaamheden heeft gefactureerd die niet of ten onrechte zijn verricht en dat zij onterecht abonnementsgelden incasseert. Bondis concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de daadwerkelijke kosten van deze procedure inclusief het incident, die zij tot op 31 december 2025 op € 12.363,84 heeft begroot, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum van dit vonnis.



in reconventie





3.4.
Bondis vordert - samengevat en na hernummering - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


I. [eiser] te veroordelen tot betaling aan Bondis van € 22.241,45, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na de factuurdata weergegeven in alinea’s 2.21 en 2.22, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen dag, tot aan de dag van volledige betaling,



II. [eiser] te verbieden om (oud-)abonnees van het tijdschrift te verwijzen naar Bondis voor een restitutie wegens de beëindiging van het uitbrengen van het fysieke tijdschrift door [eiser],



III. te bepalen dat voor zover [eiser] niet voldoet aan het gevorderde onder II, hij een dwangsom verbeurt van € 2.000, te vermeerderen met € 1.000 per afzonderlijke overtreding met een maximum van € 25.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,



IV. [eiser] te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van de procedure, tot op heden begroot op € 12.363,84, te vermeerderen met de wettelijke rente.




3.5.
Bondis vordert onder I. betaling van factuur 00086648 verminderd met € 1.785,17 (bruto) en van de facturen genoemd in alinea 2.22. Zij baseert deze vordering primair op nakoming van de overeenkomst van 2012 en subsidiair als schadevergoeding vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van deze overeenkomst door [eiser]. [eiser] heeft namelijk bestaande abonnees in eigen beheer genomen. Dat is volgens Bondis in strijd met het overeengekomen exclusiviteitsbeding. Bondis heeft daardoor extra werkzaamheden moeten uitvoeren en schade geleden, aldus Bondis. Na betaling kunnen partijen de samenwerking beëindigen. In dat kader wil Bondis dat [eiser] stopt met het doorverwijzen van oud-abonnees naar haar voor restitutie van abonnementsgelden.



3.6.

[eiser] voert verweer. Hij betwist dat de facturen van Bondis (geheel) gegrond zijn en dat hij een schadevergoeding aan Bondis is verschuldigd. Hij voert daarvoor onder meer aan dat de overeenkomst van 2012, met exclusiviteitsbeding en proceskostenbeding, sinds 2021 niet meer geldt omdat hij die heeft opgezegd. Het zou volgens [eiser] ook naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als Bondis zich alsnog op bepalingen van die overeenkomst zou kunnen beroepen. [eiser] heeft sinds 2022 aan Bondis te kennen gegeven de abonnees in eigen beheer te willen nemen en vraagt in dat kader om een export met de abonnementsgegevens, maar Bondis weigert [eiser] de gegevens te leveren die hij nodig heeft. Verder betwist [eiser] de verschuldigdheid van de facturen ook inhoudelijk. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Bondis, met veroordeling van Bondis in de kosten van deze procedure.



in conventie en reconventie





3.7.
De rechtbank zal hierna, voor zover nodig, nader op de stellingen van partijen ingaan.





4De beoordeling



in conventie en reconventie




4.1.
Partijen willen hun samenwerking beëindigen, maar tot een overeenstemming daarover is het nog niet gekomen.



4.2.
Een van de geschilpunten tussen partijen is of de overeenkomst van 2012 met onder meer het exclusiviteitsbeding nog van kracht is. De vorderingen van [eiser] in conventie gaan ervan uit dat de overeenkomst van 2012 is geëindigd, omdat [eiser] stelt dat hij die overeenkomst heeft opgezegd. De vorderingen van Bondis in reconventie zijn juist gebaseerd op de overeenkomst van 2012, omdat Bondis stelt dat partijen ondanks de opzegging door [eiser] de overeenkomst onder dezelfde voorwaarden zijn blijven uitvoeren. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of de overeenkomst van 2012 nog van toepassing is.



De overeenkomst van 2012 is blijven gelden





4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] na 31 december 2020 – de datum waartegen hij de overeenkomst origineel had opgezegd - dezelfde diensten tegen dezelfde tarieven van Bondis is blijven afnemen, met als toevoeging dat hij via Thorweb ook zelf online wijzingen in de abonnementsgegevens kon doorvoeren. Partijen hebben geen nieuwe prijsafspraken gemaakt en Bondis bleef abonnementenbeheer voor [eiser] doen.



4.4.
Onder meer de e-mails van 10 april en 19 juli 2024 van Bondis aan [eiser] en het ontbreken van een afwijzende reactie van [eiser] wijzen erop dat de overeenkomst van 2012 na 31 december 2020 is voortgezet. Bondis schreef onder meer:


“Toen wij ruim 4 jaar geleden (26-03-2020) per e-mail de melding kregen dat je de samenwerking wilde opzeggen, hebben we hier uitvoerig over gesproken.

Vervolgens is de samenwerking gewoon gecontinueerd en heeft Abonnementenland de afgelopen 4 jaar voldaan aan zijn verplichtingen.”
en
“je verwijst naar een opzegging van 4/5 jaar geleden, waarna je toch door bent gegaan met het afnemen van de dienstverlening. Je had opnieuw moeten opzeggen, dat heb niet gegaan volgens de contractvoorwaarden waardoor het contract tot 2026 geldig zou blijven.”




[eiser] heeft na ontvangst van deze e-mails op geen enkele wijze aan Bondis duidelijk gemaakt het niet eens te zijn met het standpunt van Bondis dat de overeenkomst van 2012 is blijven gelden tot 2026.




4.5.
Tegen deze achtergrond heeft [eiser] onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de overeenkomst van 2012 door de opzegging van [eiser] bij email van 26 maart 2020 is geëindigd. Beide partijen hebben geen uitvoering gegeven aan de opzegging van [eiser]. Het enkele feit dat partijen in mei 2020 hebben afgesproken dat [eiser] gebruik ging maken van Thorweb om ook zelf mutaties in de abonnementsgegevens te kunnen doen, is onvoldoende om aan te nemen dat partijen een geheel nieuwe overeenkomst hebben gesloten in plaats van de overeenkomst van 2012. Bij email van 7 mei 2020 heeft [eiser] weliswaar aan Bondis laten weten de opzegging te handhaven, maar met de bedoeling om aan het einde van het jaar de keuze te maken om te vertrekken of te blijven (kennelijk afhankelijk van de vraag of het hem lukte om met gebruik van Thorweb het abonnementenbeheer in eigen beheer te gaan nemen in een eigen – nog te bouwen – systeem). [eiser] heeft eind 2020 niet aan Bondis kenbaar gemaakt definitief te vertrekken. Hij heeft ook niet expliciet kenbaar gemaakt te willen blijven, maar Bondis bleef feitelijk het abonnementenbeheer voor [eiser] doen en [eiser] betaalde de daarvoor in de overeenkomst van 2012 afgesproken vergoeding, zonder dat partijen ook daarover nieuwe afspraken hebben gemaakt. Dit betekent dat de overeenkomst van 2012 tussen partijen ook na 2020 is blijven gelden, of in elk geval dat Bondis daarop mocht vertrouwen. Bij de beoordeling van de vorderingen van partijen zal de rechtbank daarom uitgaan van de overeenkomst van 2012.



De volgorde van de verdere beoordeling





4.6.
De rechtbank zal hierna eerst de vorderingen in reconventie beoordelen. De beoordeling van het verweer van Bondis in conventie met haar beroep op het retentierecht is namelijk afhankelijk van de beoordeling van de vordering van Bondis in reconventie tot betaling van haar facturen. Na de beoordeling van de vorderingen in reconventie volgt de beoordeling van de vorderingen van [eiser] in conventie.



in reconventie





Vordering I





4.7.
De rechtbank maakt in haar beoordeling onderscheid tussen de vordering van Bondis tot betaling van haar factuur 00086648 van 23 april 2025 die Bondis aan [eiser] heeft gestuurd naar aanleiding van de mailing van [eiser] aan zijn abonnees met de aanbieding om rechtstreeks bij hem een abonnement af te sluiten en de facturen met nummers 00086528, 00087305, 00087462, 00088212, 00089037, 00089184, 00090120 en 00090569 (hierna: de overige facturen).



Factuur 00086648





4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] een deel van de bestaande abonnees in eigen beheer heeft genomen door hun aan te bieden het abonnement bij Bondis op te zeggen en een nieuw abonnement bij [eiser] af te sluiten. Dat is in strijd met het exclusiviteitsbeding in artikel 12 van de overeenkomst, waarin partijen zijn overeengekomen dat [eiser] abonnementen die Bondis in beheer heeft, tijdens de looptijd van de overeenkomt niet in eigen beheer mag nemen. Bondis stelt dat zij naar aanleiding van dit handelen van [eiser] extra werkzaamheden heeft verricht en schade heeft geleden. Hiervoor heeft Bondis factuur 00086648 uitgebracht.



4.9.

[eiser] betwist dat hij de factuur is verschuldigd, ten eerste omdat volgens [eiser] de overeenkomst van 2012 en daarmee het exclusiviteitsbeding uit die overeenkomst niet meer geldt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.3 tot en met 4.5 volgt dat dat verweer niet slaagt.



4.10.

[eiser] stelt zich verder op het standpunt dat een beroep van Bondis op het exclusiviteitsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hij stelt daarvoor dat hij abonnees hun abonnementen bij Bondis op moest laten zeggen om bij hem weer af te laten sluiten, omdat Bondis weigerde mee te werken aan overdracht van abonneegegevens. Hij stelt verder dat Bondis jarenlang heeft ingestemd met ‘de gewijzigde situatie’.



4.11.
Voor een beroep op de beperkende redelijkheid en billijkheid ligt de lat hoog en de rechter moet dat beroep met terughoudendheid toetsen. Alleen als een beroep van Bondis op het overgekomen exclusiviteitsbeding in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn, kan de rechter die bepaling buiten toepassing laten. Of de redelijkheid en billijkheid een beroep op het exclusiviteitsbeding onaanvaardbaar maken, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen en de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest.



4.12.
In dit geval gaat het om twee professionele partijen die zaken met elkaar hebben gedaan. Dat brengt mee dat – anders dan bij een consumentenovereenkomst – minder snel de onaanvaardbaarheid van een beroep op een beding in een overeenkomst wordt aangenomen.



4.13.

[eiser] stelt dat Bondis heeft ingestemd met de gewijzigde situatie. Voor zover hij daarmee bedoelt de nadere afspraak tussen partijen dat [eiser] gebruik ging maken van Thorweb, is de rechtbank van oordeel dat die omstandigheid geen grond is om het exclusiviteitsbeding buiten werking te stellen. Daaruit blijkt immers niet dat partijen daarmee ook de bedoeling hadden dat [eiser] de abonnementen geheel in eigen beheer mocht nemen terwijl de overeenkomst tussen partijen nog liep. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat [eiser] Thorweb ging gebruiken om daarna de keuze te maken of hij de overeenkomst met Bondis wilde voortzetten of niet. Zoals hiervoor is overwogen, hebben partijen de overeenkomst steeds voortgezet.



4.14.
Voor zijn standpunt dat [eiser] gedwongen was om de abonnees in eigen beheer te nemen omdat Bondis weigerde mee te werken aan een overdracht van de abonneegegevens, heeft [eiser] onvoldoende gesteld. Vast staat dat partijen zijn overeengekomen dat Bondis [eiser] een exportbestand met abonneegegevens zou leveren. Bondis heeft onbetwist gesteld dat hij eerder al abonneegegevens aan [eiser] heeft verstrekt en heeft zich ter zitting bereid verklaard ook de meeste actuele gegevens aan [eiser] te verstrekken, onder de voorwaarde dat [eiser] haar facturen betaalt, met uitzondering van de SEPA-mandaatreferenties voor de automatische incasso van de abonnementsgelden bij de abonnees. Zoals hierna in conventie zal worden geoordeeld, heeft Bondis terecht geweigerd ook de mandaatreferenties aan [eiser] te geven zolang de overeenkomst tussen partijen nog geldt en alleen Bondis gerechtigd is de abonnementsgelden bij de bestaande abonnees die Bondis in beheer heeft te incasseren. Partijen zijn met de afspraak over het leveren van het exportbestand met abonnementsgegevens namelijk niet ook overeengekomen dat [eiser] al tijdens de overeenkomst met Bondis het volledige beheer van abonnementen, waaronder het incasseren van abonnementsgelden, van Bondis mag overnemen. Het exportbestand was bedoeld voor [eiser] om een eigen systeem van abonnementsbeheer te kunnen inrichten. Dat daarvoor ook de mandaatreferenties noodzakelijk zijn, heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt. Er is daarom geen sprake van een situatie dat [eiser] ‘gedwongen’ was om bestaande abonnees die Bondis in beheer heeft alvast in eigen beheer te nemen. Het beroep van Bondis op het exclusiviteitsbeding is daarom ook niet onaanvaardbaar.



4.15.
Subsidiair voert [eiser] aan dat Bondis niet heeft onderbouwd dat zij de gefactureerde werkzaamheden heeft verricht, de gefactureerde kosten heeft gemaakt en de gestelde schade heeft geleden. Dit verweer slaagt deels.



4.16.
Omdat Bondis betaling vordert van onbetaald gebleven facturen, is het op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan haar om concrete feiten en omstandigheden te stellen, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen, waaruit volgt dat zij terecht aanspraak maakt op betaling van die facturen.



4.17.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de posten ‘niet reguliere mutaties’, ‘conversie kosten’ en ‘terugstortingen’ van factuur 00086648 in beginsel worden gegrond op de overeenkomst. In zoverre vordert Bondis dus nakoming van de overeenkomst.



4.18.
Bondis heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd toegelicht waarop de niet-reguliere mutaties betrekking hebben. Voor zover zij doelt op handmatig uit te voeren mutaties die een wijziging van de bestandsstructuur tot gevolg hebben (pagina zes van de overeenkomst, vierde vinkje), heeft zij niet toegelicht in hoeverre daarvan sprake is geweest. Bovendien sluit het in de overeenkomst daarvoor genoemde bedrag (€ 0,35 per mutatie) niet aan bij het in rekening gebrachte bedrag (€ 2,50 per mutatie). Op de zitting heeft Bondis verwezen naar de post ‘overige inbound calls’ (pagina zes van de overeenkomst, tweede vinkje). Nog daargelaten dat ‘inbound calls’ iets anders zijn dan ‘niet reguliere mutaties’, heeft Bondis ook niet nader toegelicht waaruit die ‘inbound calls’ hebben bestaan en dat die 251 keer hebben plaatsgevonden. Zonder die toelichting biedt deze post ook onvoldoende grond om als schade aan te merken die het gevolg is van de mailing van [eiser] aan de abonnees om hun abonnement bij Bondis op te zeggen. Er is daarom ook geen grond om deze post als schadevergoeding als gevolg van de tekortkoming van [eiser] in de nakoming van de overeenkomst voor rekening van [eiser] te laten komen.



4.19.
Ook heeft Bondis onvoldoende onderbouwd toegelicht waarop de zes conversies van het abonneebestand die zij in rekening heeft gebracht, zijn gebaseerd. Bondis heeft op zitting verklaard dat dit één conversie te veel is. Volgens Bondis kan zij vijf conversies in rekening brengen, omdat er na de mailing van [eiser] vijf edities een onnatuurlijke daling is geweest van abonnees waardoor Bondis veel extra werk heeft gehad. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij vijf keer problemen heeft moeten oplossen die het gevolg waren van een verkeerde overdracht van data. Hiermee heeft Bondis onvoldoende duidelijk gemaakt welke kosten zij heeft gemaakt en dat deze kosten zijn aan te merken als conversiekosten, zoals bedoeld in de overeenkomst. Daarmee heeft zij ook onvoldoende toegelicht dat deze kosten schade is die het gevolg is van de mailing van [eiser] aan de abonnees om hun abonnement bij Bondis op te zeggen. Er is daarom ook geen grond om deze post als schadevergoeding als gevolg van de tekortkoming van [eiser] in de nakoming van de overeenkomst voor rekening van [eiser] te laten komen.



4.20.
De vordering van Bondis, voor zover die betrekking heeft op de posten ‘niet reguliere mutaties’ en ‘conversie kosten’ van haar factuur van 23 april 2025 zal de rechtbank daarom afwijzen.



4.21.
Bondis heeft toegelicht dat de post ‘terugstortingen’ ziet op het uitvoeren van betalingsopdrachten voor het terugbetalen van (vooruitbetaalde) abonnementsgelden van abonnees die hun abonnement hebben opgezegd, dat in de overeenkomst is afgesproken dat dit € 2,50 per betalingsopdracht kost en dat zij tussen editie 47 en 54 van het tijdschrift dit 251 maal heeft gedaan. [eiser] heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist door alleen aan te voeren dat Bondis het aantal zou moeten specificeren. [eiser] heeft immers niet betwist dat naar aanleiding van zijn mailing, abonnees hun abonnement bij Bondis hebben opgezegd. [eiser] heeft het ertoe geleid dat deze abonnees een nieuw abonnement bij hem afsloten, zodat hij meer concreet het aantal van 251 terugstortingen van abonnementsgelden had kunnen bestrijden, maar dat heeft hij niet gedaan. Deze post van € 627,50 (€ 2,50 x 251), te vermeerderen met btw, van de factuur van Bondis zal de rechtbank dan ook toewijzen.



schadevergoeding





4.22.
De posten ‘gemiste omzet abonnementenbeheer’, ‘uren’ en ‘afkoop contract’ vinden geen basis in de overeenkomst van 2012. Die posten vordert Bondis als schadevergoeding. Daarvoor heeft zij zich subsidiair op het standpunt gesteld dat [eiser] is tekortgekomen in de nakoming van de overeenkomst door te handelen in strijd met het exclusiviteitsbeding.



4.23.

[eiser] betwist dat hij een schadevergoeding is verschuldigd, omdat hij stelt dat hij niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Daarvoor voert hij aan dat hij in september 2022 Bondis al heeft laten weten abonnees in eigen beheer te willen nemen. Dit verweer faalt. Het enkele feit dat [eiser] in 2022 Bondis heeft laten weten abonnees in eigen beheer te willen nemen, neemt niet weg dat hij voor de duur van de overeenkomst is gehouden aan de overeengekomen exclusiviteit. Dat betekent dat gedurende de looptijd van de overeenkomst [eiser] de bestaande abonnementsgegevens die Bondis beheert, niet in eigen beheer mag nemen. [eiser] is toerekenbaar tekortgeschoten in die verplichting. Weliswaar hebben partijen gesproken over het overnemen van het abonnementenbeheer door [eiser], maar dat zou [eiser] wat betreft bestaande abonnees die Bondis in beheer heeft pas kunnen doen na beëindiging van de overeenkomst met Bondis. Zoals hiervoor is overwogen, was de overeenkomst met Bondis niet geëindigd toen [eiser] in 2025 abonnees benaderde om hun abonnement bij Bondis op te zeggen en een nieuw abonnement bij hem af te sluiten. [eiser] was toen dus nog gebonden aan het exclusiviteitsbeding in de overeenkomst.



4.24.
Indien een partij is tekortgeschoten in de nakoming van een voortdurende verplichting zoals exclusiviteit, die in dit geval bestaat uit een verplichting om niet te doen, kan deze in de toekomst alsnog worden nagekomen, maar daarmee wordt de tekortkoming in het verleden niet ongedaan gemaakt. Wat deze tekortkoming betreft is nakoming dan ook niet meer mogelijk. Verzuim is dan niet vereist. [eiser] is dan ook verplicht de schade die Bondis daardoor heeft geleden en lijdt te vergoeden. De rechtbank beoordeelt hierna de hoogte van de schade die is ontstaan door de toerekenbare tekortkoming van [eiser].



schadebegroting





4.25.
Voor de berekening van de schade van Bondis moet een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na het in eigen beheer nemen van bestaande abonnees door [eiser] en een hypothetisch scenario dat zich zou hebben voorgedaan, als [eiser] geen bestaande abonnees in eigen beheer had genomen. Bondis heeft immers alleen recht op vergoeding van de schade die in een voldoende causaal verband staat tot de gebeurtenissen waarop de aansprakelijkheid van [eiser] berust. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade rusten in beginsel op Bondis. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.



4.26.
Bondis vordert als schadevergoeding een bedrag van € 828,30 exclusief btw (€ 3,30 x 251) aan ‘gemiste omzet abonnementenbeheer’, € 3.409,68 exclusief btw voor ‘Afkopen contract’ (382 dagen x 984 abonnees x 0,009071) en € 400,00 exclusief btw (€ 80,00 x 5) voor ‘Uren’. Bondis heeft toegelicht dat de eerste post ziet op gemiste omzet over het verleden tot het moment van de factuur (23 april 2025) en de tweede post op de afkoop van het contract (positief contractsbelang) van 1 december 2025 tot 18 december 2026, de einddatum van de overeenkomst. In haar factuur heeft Bondis een bedrag van € 5.194,85 in rekening gebracht, maar zij vordert daarvan nu een bedrag van € 3.409,68, omdat zij uitgaat van een afkoop over de periode vanaf 1 december 2025 in plaats van 23 april 2025. Volgens Bondis is zij na de factuur werkzaamheden voor het abonnementenbeheer blijven verrichten en heeft zij daarvoor ook aan [eiser] gefactureerd (zie hierna onder overige facturen, vanaf 4.36).



4.27.

[eiser] betwist dat Bondis schade heeft geleden en zij betwist subsidiair de omvang van de gevorderde schadevergoeding, omdat Bondis de door haar gevorderde schadevergoeding niet heeft onderbouwd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.



4.28.
Dat Bondis als gevolg van het door [eiser] in strijd met de overeengekomen exclusiviteit in eigen beheer nemen van bestaande abonnees - waardoor abonnees hebben opgezegd bij Bondis - omzet is misgelopen en daardoor vermogensschade heeft geleden is aannemelijk.



4.29.
De gevorderde schadevergoeding voor de gestelde uren zal de rechtbank afwijzen. Bondis heeft op geen enkele wijze toegelicht waaraan die uren zijn besteed, anders dan (het voorbereiden van) terugstortingen van abonnementsgelden waarvoor Bondis al een afzonderlijk recht op een vergoeding heeft (zie hiervoor onder 4.21), en waarop het bedrag van € 80,00 per uur is gebaseerd. Daarmee kan de rechtbank niet vaststellen dat het gaat om kosten die Bondis heeft gemaakt voor werkzaamheden die zijn verricht als gevolg van de opzeggingen van de abonnees bij Bondis na de mailing van [eiser].



4.30.
De gevorderde schadevergoeding voor de afkoop van het contract vanaf 1 december 2025 zal de rechtbank ook afwijzen. Bondis heeft toegelicht dat zij in april 2025 voor het afkopen van de overeenkomst heeft gefactureerd, zodat partijen direct uit elkaar zouden kunnen gaan. [eiser] heeft daar niet mee ingestemd. Wat Bondis met dit onderdeel in feite vordert is een door haar voorgestane financiële afwikkeling van de overeenkomst alsnog op te leggen. Maar er is geen sprake van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst. Het is ook niet gebleken dat [eiser] heeft ingestemd met een afkoop van het contract per 1 december 2025. Er bestaat daarom geen grondslag voor dit deel van de vordering. Bovendien heeft Bondis ook na 1 december 2025 tot en met in ieder geval de mondelinge behandeling [eiser] maandelijks facturen gestuurd voor – naar de rechtbank moet aannemen – het abonnementenbeheer. Ook daaruit blijkt dat partijen geen afkoop of tussentijdse beëindiging van de overeenkomst zijn overeengekomen.



4.31.
De rechtbank ziet wel grond om [eiser] te veroordelen tot vergoeding van de schade die Bondis heeft geleden doordat zij omzet is misgelopen als gevolg van de opzeggingen van abonnees naar aanleiding van de mailing van [eiser]. Bondis heeft die schade gevorderd tot aan de factuurdatum (23 april 2025). Voor de periode daarna, althans vanaf 1 december 2025, heeft zij het positief contractsbelang als schadevergoeding gevorderd. De rechtbank begrijp daaruit dat Bondis daarom voor de periode na april 2025 niet (ook) schadevergoeding als gevolg van haar gemiste omzet door de opzeggingen van abonnees heeft gevorderd, want dat zou (voor een groot deel) dubbelop zijn. Omdat de rechtbank de vordering van Bondis tot vergoeding van het positief contractsbelang zal afwijzen (zie hiervoor onder 4.30), begrijpt de rechtbank de vordering van Bondis zo dat zij voor de periode na april 2025 tenminste wel een schadevergoeding vordert als gevolg van de gemiste omzet door de abonnees die hebben opgezegd na de mailing van [eiser]. Omdat partijen de overeenkomst ook na april 2025 hebben voortgezet, valt immers niet in te zien dat zij diezelfde schade daarna niet meer zou hebben geleden. Het gaat daarbij dus om de periode tot 18 december 2026, de datum waarop de overeenkomst zal aflopen.



4.32.

Voor de bepaling van de omvang van de schade is echter in het algemeen niet de misgelopen omzet, maar de gederfde winst bepalend. Van de omzet moeten immers alle zakelijke kosten en belastingen worden afgetrokken. Waarom in dit geval zou moeten worden uitgegaan van omzet voor bepaling van de schade heeft Bondis niet toegelicht.
Daarnaast rekent Bondis voor de post ‘gemiste omzet abonnementenbeheer’ met een (geïndexeerde) basisprijs van € 3,30 per abonnee voor een jaar. Zij heeft echter niet toegelicht over welke periode de 251 abonnees hebben opgezegd om over te stappen naar [eiser]. [eiser] heeft gesteld dat abonnees pas in maart 2025 zijn gaan opzeggen om bij hem abonnee te worden. [eiser] heeft verder niet (gemotiveerd) betwist dat naar aanleiding van zijn mailing 251 abonnees zijn overgestapt.



4.33.
Omdat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat abonnees vanaf maart 2025 zijn gaan opzeggen bij Bondis, gaat de rechtbank ervan uit dat Bondis vanaf april 2025 omzet heeft gemist als gevolg van de 251 abonnees die hebben opgezegd, tot aan het einde van de overeenkomst op 18 december 2026 (circa 20,5 maanden). Omdat ook rekening moet worden gehouden met reguliere opzeggingen van abonnementen, zal de rechtbank een percentage van 10% in mindering nemen op de totale (gemiste) omzet over die periode. Met mogelijke nieuwe abonnees hoeft geen rekening te worden gehouden, want [eiser] was in deze periode kennelijk in staat zelf nieuwe abonnees in beheer te nemen (en de exclusiviteitsbepaling staat daaraan niet in de weg als die abonnees niet daarvoor hun abonnement bij Bondis hadden). Daarmee schat de rechtbank het totaalbedrag aan gemiste omzet voor Bondis als gevolg van de 251 opzeggingen op € 1.273,51 (€3,30/12 x 20,5 x 251 - 141,50). Omdat Bondis niets heeft gesteld over haar winstmarge kan de rechtbank de gederfde winst niet nauwkeurig vaststellen. Uitgaande van een redelijk gemiddelde winstmarge van 20% schat de rechtbank de gederfde winst over deze periode op een bedrag van € 254,70.



tussenconclusie





4.34.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de gevorderde betaling van factuur 00086648, voor zover gegrond op nakoming van de overeenkomst, zal toewijzen tot een bedrag van € 627,50 exclusief btw, dat is € 759,28 inclusief 21% btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na 23 april 2025.



4.35.
Daarnaast zal de rechtbank de gevorderde betaling van de factuur 00086648, voor zover het betreft vorderingen tot schadevergoeding, toewijzen voor een bedrag van € 254,70, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een schadevergoeding is immers niet belast met btw (omzetbelasting) en wettelijke handelsrente heeft alleen betrekking op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst en niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven, zoals een schadevergoeding. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 30 dagen na 23 april 2025 zoals gevorderd en niet betwist.



Overige facturen





4.36.
De verschuldigdheid van de overige facturen heeft [eiser] (in conventie) deels erkend, zodat ook de rechtbank daarvan uitgaat.



4.37.

[eiser] stelt vervolgens per factuur een deel niet verschuldigd te zijn, omdat dat deel ziet op werkzaamheden die ten onrechte zijn uitgevoerd: het verzenden van herinneringen en incassobrieven aan abonnees die al hadden opgezegd en alle kosten die voortkomen uit het niet verwerken van opzeggingen. De rechtbank kan [eiser] daarin niet volgen.



4.38.
Tussen partijen staat vast dat Bondis nog abonnees voor [eiser] beheert; niet alle abonnees van het tijdschrift hebben bij Bondis opgezegd. Het verweer dat Bondis kosten heeft gemaakt voor abonnees die al hadden opgezegd en dat Bondis opzeggingen niet heeft verwerkt, heeft hij niet onderbouwd en is door Bondis op zitting weersproken. Het is - zo heeft [eiser] op zitting erkend – niet meer dan zijn vermoeden en dat is onvoldoende. De rechtbank zal de vordering tot betaling van deze facturen dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na de factuurdata (zie alinea 2.22) zoals gevorderd en niet betwist.



Het gevraagde verbod om abonnees te verwijzen naar Bondis voor restitutie van het abonneegeld





4.39.
Bondis vordert tot slot dat [eiser] wordt verboden om (oud-)abonnees naar haar te verwijzen voor een restitutie wegens de beëindiging van het uitbrengen van het fysieke tijdschrift. Zij stelt dat zij door de mailing van 30 september 2025 van [eiser] veel is benaderd door oud-abonnees die na hun opzegging van hun abonnement door [eiser] naar haar zijn verwezen voor restitutie van vooruitbetaalde abonnementsgelden, waardoor zij extra werk en kosten heeft. Maar het ‘potje’ voor restituties is op doordat Bondis de ontvangen abonneegelden al aan [eiser] heeft doorbetaald. [eiser] heeft het potje voor restituties niet aangevuld.



4.40.
De rechtbank zal deze vordering afwijzen. De basismodule in de overeenkomst tussen partijen, waarvoor [eiser] de vaste vergoeding per abonnee aan Bondis betaalt, bevat niet een verplichting voor Bondis om na opzegging van een abonnement te zorgen voor de terugbetaling van het vooruitbetaalde abonnementsgeld aan de abonnee, maar zij kan [eiser] daarvoor wel afzonderlijk kosten in rekening brengen. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat het tijdens de looptijd van de overeenkomst steeds de vaste werkwijze tussen partijen is geweest dat Bondis abonnementsgelden terugbetaalde aan abonnees die hun abonnement hadden opgezegd. Bondis heeft daarvoor ook kosten in rekening gebracht bij [eiser] en dit doet zij nog steeds, zoals zij op de zitting heeft bevestigd. Het valt daarom niet in te zien dat het nu aan [eiser] verboden zou moeten worden om oud-abonnees uit het bestand van Bondis die om terugbetaling van het abonnementsgeld vragen, naar Bondis te verwijzen. Het enkele feit dat Bondis kennelijk op dit moment over onvoldoende abonneegelden beschikt om daaruit de abonnees terug te betalen, doordat zij die abonneegelden al heeft doorbetaald aan [eiser], is daarvoor in elk geval onvoldoende. Zoals op de zitting besproken, was de werkwijze tussen partijen dat Bondis aan [eiser] om terugbetaling voor doorbetaalde abonnementsgelden vroeg als zij zelf over onvoldoende abonneegelden beschikte om aan abonnees terug te betalen (‘aanvullen van het potje’) of verrekende zij dat tekort met abonnementsgelen die zij nog moest doorbetalen. Zoals [eiser] heeft erkend, gaat het er niet om dat Bondis de abonneegelden uit haar eigen middelen zou moeten terugbetalen aan abonnees die hebben opgezegd. Voor zover sprake is van een tekort bij Bondis om vooruitbetaalde abonneegelden terug te betalen, heeft [eiser] zich bereid verklaard dat tekort aan te vullen. Bondis kan daarom ook niet worden gevolgd in haar standpunt dat [eiser] ongerechtvaardigd zou worden verrijkt, als Bondis de terugbetaling aan abonnees zou moeten verrichten.


4.41.
De rechtbank kan zich overigens wel voorstellen dat partijen om praktische redenen afspreken dat [eiser] zelf de terugbetaling aan oud-abonnees verricht als het bij Bondis beschikbare abonneegeld onvoldoende is, maar voor een verbod om oud-abonnees voor restitutie naar Bondis te verwijzen is gelet op het voorgaande geen plaats. De rechtbank zal daarom ook de gevorderde dwangsom afwijzen.



Proceskosten





4.42.
Omdat beide partijen in reconventie over en weer in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.



in conventie





4.43.
De rechtbank zal hierna de vorderingen van [eiser] in conventie beoordelen.



I. Nakoming overeenkomst





4.44.

[eiser] heeft zijn vorderingen onder I gegrond op de nakoming van een volgens hem tussen partijen per 1 januari 2021 nieuw mondeling of stilzwijgend gesloten overeenkomst van opdracht. Zoals de rechtbank hiervoor (vanaf alinea 4.3) heeft overwogen is ook na 2020 de overeenkomst van 2012 tussen partijen blijven gelden en is geen nieuwe overeenkomst tot stand gekomen in plaats van de overeenkomst van 2012. De rechtbank zal daarom de vorderingen van [eiser] beoordelen in het kader van de overeenkomst van 2012.



4.45.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat Bondis tekortschiet in de uitvoering van haar verplichtingen uit de overeenkomst en vordert nakoming. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv ligt de stelplicht en bij gemotiveerde betwisting de bewijslast ten aanzien van deze stellingen bij [eiser], de partij die zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept. Het gaat daarbij om het geven van context aan de gestelde feiten en waar mogelijk het onderbouwen van gestelde feiten met in dit geval bijvoorbeeld e-mails, rapportages of getuigenverklaringen. In het algemeen geldt, hoe meer gemotiveerd de betwisting, hoe hoger de eisen die aan de motivering van de gestelde feiten worden gesteld. Het niet voldoen aan de stelplicht leidt er in beginsel toe dat de vordering gedeeltelijk of geheel wordt afgewezen.



a. en b. verwerking opzeggingen en staking automatische incasso’s




4.46.


[eiser] stelt dat Bondis opzeggingen van abonnees niet correct verwerkt en vordert Bondis te veroordelen, ook met terugwerkende kracht, alle door hem aan Bondis doorgegeven opzeggingen van abonnees en opzeggingen die door abonnees rechtstreeks bij Bondis zijn gedaan, correct te verwerken. Verder vordert hij dat Bondis per direct stopt met het automatisch incasseren bij abonnees die hun abonnement hebben opgezegd.
Bondis voert hiertegen verweer en voert aan dat [eiser] het tijdschrift niet meer uitgeeft en daarom geen belang heeft bij deze vorderingen. Verder betwist Bondis dat zij de bedoelde opzeggingen niet verwerkt en bij oud-abonnees – ondanks de opzegging bij Bondis – abonnementsgelden is blijven incasseren, met uitzondering van oud-abonnees die tijdens het abonnement niet op tijd hebben betaald (’wanbetalers’).




4.47.
Anders dan Bondis aanvoert, geeft [eiser] het tijdschrift nog wel uit, zij het alleen nog digitaal. [eiser] heeft dus nog belang bij haar vorderingen. Maar dat Bondis opzeggingen niet verwerkt en onterecht abonneegelden incasseert bij abonnees die bij haar hebben opgezegd, heeft Bondis betwist en [eiser] heeft zijn stelling niet onderbouwd. Pas op de zitting heeft [eiser] aangeboden een printscreen te overleggen van een bericht van een klant die heeft opgezegd en waarbij Bondis nog abonnementsgeld incasseert. De rechtbank passeert dit bewijsaanbod omdat het te laat is gedaan en [eiser] zijn stellingen tot op heden niet heeft onderbouwd. Met name gelet op het verweer van Bondis in de conclusie van antwoord in conventie dat zij bij abonnees niet meer incasseert, lag het op de weg van [eiser] zijn stelling te onderbouwen. De rechtbank zal daarom de vorderingen van [eiser] om Bondis op te dragen opzeggingen van abonnees (correct) te verwerken en het incasseren van abonneegelden bij oud-abonnees te staken, afwijzen.



c. terugbetalen aan oud-abonnees




4.48.

[eiser] vordert dat Bondis abonnees die hun abonnement hebben opgezegd en recht hebben op restitutie van vooruitbetaalde abonneegelden, die abonneegelden aan de abonnees terugbetaalt. De rechtbank zal die vordering afwijzen. Zoals de rechtbank in reconventie heeft overwogen (vanaf alinea 4.39), is het tijdens de looptijd van de overeenkomst steeds de vaste werkwijze tussen partijen geweest dat Bondis abonnementsgelden terugbetaalt aan abonnees die hun abonnement hebben opgezegd, en dat Bondis daarvoor kosten in rekening brengt bij [eiser]. Bondis is dus in beginsel gehouden vooruitbetaalde abonneegelden aan abonnees die hebben opgezegd, terug te betalen. Maar de rechtbank heeft ook overwogen dat Bondis wel over voldoende geïncasseerde abonneegelden moet beschikken om vooruitbetaalde abonneegelden te kunnen terugbetalen. Voor zover Bondis – als gevolg van doorbetaling van de abonneegelden aan [eiser] – dat geld niet of onvoldoende heeft, vult [eiser] dat tekort aan. Omdat niet is gebleken dat Bondis op dit moment over die abonneegelden beschikt of dat [eiser] het tekort heeft aangevuld, kan de rechtbank Bondis niet veroordelen om de oud-abonnees hun vooruitbetaalde abonneegelden terug te betalen.



d. leveren abonnements- en betaalgegevens




4.49.

Verder vordert [eiser] dat Bondis aan hem een volledig en bruikbaar
exportbestand levert met alle relevante abonnements- en betaalgegevens, inclusief onder meer mandaatreferenties.




4.50.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij (naast de overeenkomst van 2012) hebben afgesproken dat Bondis aan [eiser] een exportbestand zal leveren met abonnementsgegevens, zodat [eiser] die in een eigen systeem voor abonnementenbeheer kan opnemen, vooruitlopend op het eindigen van de overeenkomst tussen partijen en het overnemen van het abonnementenbeheer door [eiser] zelf. [eiser] vordert nakoming van die afspraak. [eiser] heeft daarbij niet gesteld dat partijen ook hebben afgesproken uit welke gegevens dat exportbestand precies moet bestaan.



4.51.
Bondis stelt dat zij, uitgezonderd de mandaatreferenties, eerder alle abonnementsgegevens al aan [eiser] heeft verstrekt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Bondis verklaard in beginsel bereid te zijn de meest actuele gegevens van abonnees ook aan [eiser] aan te leveren, zij het met uitzondering van de mandaatreferenties omdat die zien op incassomachtigingen die abonnees aan de stichting derdengelden hebben verstrekt en daarom niet vrij overdraagbaar zijn. Maar Bondis beroept zich op haar retentierecht van artikel 25 van de overeenkomst, althans op het wettelijke retentierecht, omdat [eiser] haar facturen nog moet betalen. Daarom houdt zij op dit moment de abonneegegevens nog onder zich. De rechtbank overweegt op deze punten als volgt.



4.52.

[eiser] heeft niet weersproken dat Bondis de bankmandaten op basis van de stichting derdengelden verstrekte incassomachtigingen op dit moment niet aan hem kan overdragen. Tussen partijen is niet in geschil dat Bondis op dit moment nog steeds abonnementen van [eiser] in beheer heeft. De overeenkomst tussen partijen is dus nog niet geëindigd. [eiser] heeft ook niet duidelijk gemaakt op welke grond hij op dit moment het abonnementenbeheer van Bondis kan overnemen en gerechtigd is om zelf abonneegelden van deze abonnees te gaan incasseren. Daarmee is er ook geen aanwijsbare grond voor een verplichting van Bondis om ook de mandaatreferenties, die verbonden zijn aan incassomachtigingen die abonnees aan de stichting derdengelden hebben afgegeven, aan [eiser] te geven. [eiser] heeft op vragen van de rechtbank ook niet duidelijk gemaakt waarom hij eerst over de mandaatreferenties moet beschikken, voordat hij het abonnementenbeheer van Bondis heeft overgenomen. Op dit moment kan [eiser] immers geen abonneegelden incasseren van abonnementen die Bondis in beheer heeft, en dus – zonder toestemming van die abonnees – ook niet testen of de mandaatreferenties in zijn systeem werken. De rechtbank zal daarom de vordering van [eiser] voor zover die ziet op de mandaatreferenties, afwijzen.



4.53.
Zoals de rechtbank in reconventie heeft geoordeeld, heeft Bondis op basis van haar facturen (voor een deel) opeisbare vorderingen op [eiser]. [eiser] zal in reconventie worden veroordeeld tot betaling van de toegewezen vorderingen van Bondis. Tot op heden heeft [eiser] de facturen van Bondis niet betaald. Het beroep van Bondis op het retentierecht slaagt dan ook. Dat betekent dat Bondis in beginsel gerechtigd is de abonneegegevens onder zich te houden totdat [eiser] aan de veroordelingen tot betaling heeft voldaan. Om de huidige impasse te doorbreken - beide partijen willen de samenwerking beëindigen, maar twisten onder meer over de verschuldigdheid van de facturen waardoor [eiser] zijn abonneegegevens niet van Bondis krijgt - zal de rechtbank Bondis veroordelen tot afgifte van het gevorderde exportbestand met abonneegegevens, met uitzondering van de bankmandaatgegevens, onder de voorwaarde dat [eiser] eerst volledig aan de veroordelingen (in reconventie) tot betaling aan Bondis moet hebben voldaan. In dat geval vervalt immers het retentierecht van Bondis. De rechtbank gaat daarbij ervan uit dat het exportbestand zal moeten bestaan uit de gegevens zoals [eiser] die in haar vordering nader heeft gespecificeerd, omdat Bondis - met uitzondering van de bankmandaatgegevens - niet heeft weersproken dat zij die gegevens aan [eiser] kan verstrekken. De rechtbank zal de vordering daarom in die zin toewijzen. Voor zover de vordering ziet op ‘overige administratieve informatie’, zal de rechtbank dat afwijzen omdat die vordering te onbepaald is. Wel gaat de rechtbank ervan uit dat alle gevraagde gegevens vanzelfsprekend steeds zijn gekoppeld aan de naam van de abonnee, omdat zonder naam die gegevens voor [eiser] geen betekenis hebben.



e. maandelijkse rapportages




4.54.
Verder vordert [eiser] Bondis te veroordelen tot het verwerken en aan hem verstrekken van de maandelijkse financiële rapportages vanaf april 2025. Ook deze gegevens houdt Bondis onder zich met een beroep op haar retentierecht. De rechtbank zal deze vordering ook toewijzen onder de voorwaarde dat [eiser] eerst volledig aan de veroordelingen (in reconventie) tot betaling aan Bondis moet hebben voldaan, waarna het retentierecht van Bondis komt te vervallen.



VI. Toegang tot Thorweb





4.55.
De rechtbank zal ook de vordering van [eiser] toewijzen om Bondis te gebieden de toegang tot Thorweb voor hem te herstellen, voor zover noodzakelijk voor de correcte afwikkeling van het abonnementenbeheer, ook onder de voorwaarde van betaling van de veroordelingen in reconventie. Ook voor het verlenen van toegang tot Thorweb heeft Bondis zich beroepen op haar retentierecht, maar na betaling van de veroordelingen in reconventie vervalt dat retentierecht. Bondis heeft zich in haar verweer tegen deze vordering ook beroepen op het exclusiviteitsbeding in de overeenkomst, omdat [eiser] met de gegevens van Thorweb die bepaling (opnieuw) zou kunnen schenden. Tegen de achtergrond dat beide partijen te kennen hebben gegeven de samenwerking op zo kort mogelijke termijn te willen beëindigen, valt zonder nadere toelichting niet in te zien welk redelijk belang Bondis na betaling van de veroordelingen in reconventie heeft bij het blijven onthouden van de toegang tot Thorweb. Bondis heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [eiser] voornemens is opnieuw abonnees in het bestand van Bondis te benaderen om hun abonnement bij Bondis op te zeggen en een nieuw abonnement bij [eiser] af te sluiten. Partijen willen juist toe naar een situatie waarin [eiser] na beëindiging van de overeenkomst het abonnementenbeheer van Bondis kan overnemen. Dit verweer passeert de rechtbank dan ook.



4.56.
Het rechtbank wijst de gevorderde dwangsom bij de veroordeling tot het verlenen van toegang tot Thorweb af, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat Bondis zich ook zonder de dreiging van verbeurte van een dwangsom aan de door de rechtbank uit te spreken veroordeling zal houden. Bondis heeft zich hiertoe bereid getoond, mits haar facturen worden betaald. Aan die voorwaarde kan [eiser] met betaling conform de veroordelingen in reconventie voldoen.



II. Betaling geïncasseerde abonnementsgelden





4.57.

[eiser] vordert ook betaling van alle door Bondis voor hem geïncasseerde abonnementsgelden verminderd met de aan de abonnees terecht betaalde restituties vanaf 1 april 2025 tot en met datum vonnis. Hij heeft echter niet onderbouwd dat Bondis geld dat hem toekomt onder zich heeft, terwijl dat gezien de betwisting daarvan door Bondis wel op zijn weg lag. Zo kan niet worden aangenomen dat op Bondis een verplichting rust [eiser] te betalen. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.



III. Aanmaningskosten en administratiekosten





4.58.
Verder stelt [eiser] dat Bondis abonnees die hebben opgezegd ten onrechte aanmaningskosten en administratiekosten in rekening brengt. Bondis betwist dit en voert onder meer aan dat het abonnees betreft die tijdens de looptijd van het abonnement niet hebben betaald (wanbetalers). Op basis van alleen de stelling van [eiser] en het verweer van Bondis daartegen, kan de rechtbank niet vaststellen dat Bondis abonnees van [eiser] ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht. De vordering tot terugbetaling aan hen is dan ook niet toewijsbaar. Daarmee kan in het midden blijven of [eiser] kan vorderen dat Bondis abonnees terugbetaald, of dat alleen de abonnees dat zelf kunnen vorderen, zoals Bondis heeft aangevoerd.



IV. Verklaring voor recht





4.59.

[eiser] stelt dat hij de factuur 00086648 en de maandelijkse facturen die Bondis vanaf 22 augustus 2025 tot en met de datum van de mondelinge behandeling heeft verstuurd geheel niet is verschuldigd en de facturen met nummers 00086528, 00087305, 00087462, 00088212, 00089037, 00089184, 00090120 en 00090569 (de overige facturen) slechts deels (voor de bedragen zoals hij die in zijn vordering noemt). Dit onder meer omdat Bondis daarmee ook werkzaamheden in rekening heeft gebracht voor abonnees die al hebben opgezegd. [eiser] vordert daarvan een verklaring voor recht zodat de ongegrondheid van dat deel van de facturen officieel vastligt. Bondis betwist dat de facturen (deels) ongegrond zijn.



4.60.
Voorop staat dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de stelling die aan een gevorderde verklaring voor recht ten grondslag ligt, op degene rusten die de verklaring vordert.



4.61.
Zoals uit de beoordeling in reconventie volgt is [eiser] de factuur 00086648 verschuldigd voor een bedrag van € 627,50 (te vermeerderen met btw) en een bedrag van € 254,70 (zonder btw). Dat betekent dat de rechtbank de verklaring voor recht die [eiser] heeft gevorderd dat hij op deze factuur niets is verschuldigd, zal afwijzen.



4.62.

[eiser] heeft zijn stelling dat hij de overige facturen van Bondis slechts gedeeltelijk is verschuldigd en de maandelijkse facturen van 22 augustus 2025 in het geheel niet is verschuldigd onvoldoende onderbouwd. Tussen partijen staat immers vast dat Bondis nog abonnees voor [eiser] beheert. De stelling van [eiser] dat Bondis ook werkzaamheden in rekening heeft gebracht voor abonnees die al hebben opgezegd, heeft Bondis op zitting weersproken en is - zo heeft [eiser] op zitting erkend – niet meer dan zijn vermoeden. Dat is onvoldoende om aan te nemen dat deze facturen niet of slechts deels zijn verschuldigd. De rechtbank zal deze vordering daarom ook voor het overige afwijzen.



V. Incasso en aanmaning abonnementsgelden van oud-abonnees





4.63.

[eiser] stelt dat Bondis abonnementsgelden blijft incasseren bij oud-abonnees en zij na stornering door deze oud-abonnees aan hen betalingsherinneringen en aanmaningen stuurt en de kosten daarvan bij hen in rekening brengt. Hij vordert Bondis dit te verbieden. Bondis heeft betwist dat ze dat nog doet. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [eiser] zijn stelling dat Bondis abonneegelden blijft incasseren bij abonnees die hebben opgezegd, niet onderbouwd. Er is daarom geen aanleiding om Bondis een verbod op te leggen abonnementsgelden te incasseren en/of betalingsherinneringen te sturen aan abonnees die hun abonnement hebben opgezegd. De rechtbank zal deze vordering daarom vanwege een gebrek aan belang afwijzen.



Proceskosten





4.64.

[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Bondis betalen. Bondis vordert vergoeding van haar daadwerkelijke proceskosten in het incident en de hoofdzaak en baseert zich op haar algemene voorwaarden.



4.65.
Op de proceskosten van het incident is al beslist in het vonnis van 19 november 2025, zodat daarop nu niet nog een keer kan worden beslist. De rechtbank kan nu alleen nog beslissen over de proceskosten in de hoofdzaak. Bondis heeft een kostenopgave van haar advocaat overgelegd, maar heeft niet gespecificeerd welke kosten moeten worden toegeschreven aan het incident en welke kosten aan de hoofdzaak. Bondis heeft daarmee onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke kosten zij in de hoofdzaak heeft gemaakt. Daarom zal de rechtbank de vordering van Bondis om [eiser] te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van de procedure afwijzen. De rechtbank zal [eiser] veroordelen in de proceskosten overeenkomstig het toepasselijk liquidatietarief. De rechtbank begroot daarmee de proceskosten van Bondis als volgt:










- griffierecht



€



714,00







- salaris advocaat


€


1.306,00


(2 punten × € 653,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.209,00











4.66.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De rechtbank




in conventie




5.1.
veroordeelt Bondis, indien en dan binnen een week nadat [eiser] aan de veroordelingen in reconventie genoemd onder 5.4 heeft voldaan en vervolgens binnen veertien dagen na betekening van het vonnis:


an [eiser] een volledig en bruikbaar exportbestand met alle relevante abonnements- en betaalgegevens te leveren, bijgewerkt tot en met de datum van aanleveren, inhoudende incassogegevens, begin- en einddata van abonnementen, vermelding van de in rekening gebrachte abonnementsgelden, vermelding van de ontvangen betalingen en vermelding van eventuele restituties,


de maandelijkse financiële rapportages met betrekking tot de abonnementen vanaf april 2025 te verwerken en aan [eiser] te verstrekken,


de toegang tot de digitale omgeving Thorweb voor [eiser] te herstellen, voor zover noodzakelijk voor de correcte afwikkeling van het abonnementenbeheer en gegevensoverdracht,





5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



in reconventie





5.4.
veroordeelt [eiser] om aan Bondis te betalen:


een bedrag van € 627,50, te vermeerderen met btw en de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 30 dagen na 23 april 2025 tot de dag van volledige betaling,


een bedrag van € 254,70, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 23 april 2025 tot de dag van volledige betaling,


de volgende facturen, per factuur te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 30 dagen na de specifieke factuurdatum tot de dag van volledige betaling:



factuur bedrag inclusief btw factuurdatum
 00086528 € 1.064,88 16-4-2025
 00087305 € 931,10 23-5-2025
 00087462 € 620,84 5-6-2025
 00088212 € 371,63 14-7-2025
 00089037 € 1.470,84 22-8-2025
 00089184 € 487,42 5-9-2025
 00090120 € 407,29 21-10-2025
 00090569 € 307,06 18-11-2025




5.5.
compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt,



in conventie en in reconventie





5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 t/m 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,



5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.



1680




Hoge Raad, 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4925


artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek


facturen met nummers 89037, 89184, 90120, 90569, 91367, 91905, 92479, 92625, 93550, 94233