Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:11401
2026-07-01
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12001875 \ CV EXPL 25-8259
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Ambtshalve toetsing informatieplichten en algemene voorwaarden. Vooralsnog sprake van een oneerlijk rentebeding.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2021:1677 Hoge Raad 12-11-2021
- ECLI:EU:C:2012:242
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.648 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 12001875 \ CV EXPL 25-8259
Uitspraakdatum: 1 juli 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Eurobox Self Storage Hoofddorp B.V.
te Amsterdam
de eisende partij
gemachtigde: De Best & Partners B.V.
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De procedure
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2De beoordeling
2.1.
De eisende partij vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de opslagruimte (genummerd [nummer]) aan de Parellaan 2 te (2132 WS) Hoofddorp (hierna: het gehuurde), ontruiming van het gehuurde en veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van de huurachterstand van € 1.165,65, vermeerderd met een gebruiksvergoeding voor iedere maand, of gedeelte daarvan, dat het gehuurde in gebruik blijft, de wettelijke rente en de proceskosten.
2.2.
De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partij tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst, welke tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming rechtvaardigt.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.3.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van:
de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden
2.5.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.6.
Uit de overlegde stukken blijkt dat op de overeenkomst de ‘Algemene voorwaarden behorende bij huurovereenkomst opslagruimte’ (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing zijn verklaard. De kantonrechter zal de daarin opgenomen bedingen en de bedingen in de huurovereenkomst die verband houden met de vordering hierna toetsen op (on)eerlijkheid.
Prijswijzigingsbeding
2.7.
Artikel 3 van de huurovereenkomst betreft een prijswijzigingsbeding. Gedurende de looptijd van de overeenkomst met de gedaagde partij heeft de eisende partij de maandelijkse huurprijs verhoogd. Dat maakt dat het in de overeenkomst opgenomen prijswijzigingsbeding een met de vordering verband houdende vordering is. Het betreffende prijswijzigingsbeding luidt als volgt:
‘Artikel 3
3.1
De prijs bedraagt € 157,50 per maand en dient maandelijks vooraf bij vooruitbetaling te worden voldaan door middel van automatische incasso. (…)
3.2
Onverminderd de mogelijkheden die de wet biedt om een huurprijsaanpassing te realiseren, wordt de huurprijs jaarlijks per 1 augustus verhoogd met 2,5%. De prijswijziging zal automatisch geschieden en u ontvangt hiervan geen schriftelijke bevestiging. (…)’
2.8.
De kantonrechter stelt vast dat dit beding valt onder artikel 3 lid 3 sub 1 onder ‘l’ van de blauwe lijst behorende bij Richtlijn 93/13/EEG. Op grond van dat artikel in samenhang met vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie is een prijswijzigingsbeding slechts aanvaardbaar wanneer de gronden voor de prijswijziging in de overeenkomst of algemene voorwaarden worden genoemd en deze een geldige reden voor wijziging vormen, zodat de consument de prijswijziging kan voorzien. De consument dient verder een reële mogelijkheid te hebben om de overeenkomst op te zeggen in het geval van een eenzijdige wijziging.
2.9.
Het prijswijzigingsbeding in artikel 3 van de huurovereenkomst voldoet naar het oordeel van de kantonrechter aan deze vereisten. Dit omdat er naar het oordeel van de kantonrechter een niet onredelijk jaarlijks verhogingspercentage in het beding staat, zodat voor de consument duidelijkheid bestaat over het moment en de hoogte van de wijziging. Dat de grond voor de prijswijziging niet in het beding staat, maakt dat niet anders omdat de prijswijziging dus te voorzien is. Daarnaast blijkt uit de overeenkomst dat de consument de overeenkomst maandelijks kan opzeggen, met een opzegtermijn van 14 dagen. Dit beding is daarom niet oneerlijk en wordt in stand gelaten.
2.10.
De kantonrechter constateert dat de eisende partij in het lichaam van de dagvaarding stelt dat zij geen aanspraak maakt op vergoeding van de rente, maar deze vordering wel is opgenomen in het petitum. Daarom zal de kantonrechter het rentebeding toetsen op (on)eerlijkheid.
2.11.
Artikel 6.3 van de algemene voorwaarden betreft een rentebeding. Dat luidt als volgt: “In geval van niet of niet-tijdige betaling zal Eurobox gerechtigd zijn, zonder dat sommatie en/of ingebrekestelling zal zijn vereist, rente in rekening te brengen tot een percentage, gevormd door het percentage van de wettelijke rente, te verhogen met twee, per maand of gedeelte van de maand over de achterstallige betalingen zulks onverminderd het bepaalde in artikel 6.2”
2.12.
De kantonrechter stelt vast dat het beding onduidelijk is geformuleerd, waardoor het voor de consument onmogelijk is om te weten waar hij contractueel aan kan worden gehouden. Op grond van het beding zou de eisende partij namelijk gerechtigd kunnen zijn om de wettelijke rente in rekening te brengen, te verhogen met twee procent, per maand of gedeelte van de maand. In dat geval is de bedongen rente hoger dan de wettelijke handelsrente. Het rentebeding is daarom vermoedelijk oneerlijk. De kantonrechter is voornemens om het beding te vernietigen en de gevorderde wettelijke rente af te wijzen. De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.
2.13.
De kantonrechter heeft geconstateerd dat in de van toepassing zijnde algemene voorwaarden (verder) geen bedingen staan die verband houden met de onderhavige vordering. Daarom zal de kantonrechter deze bedingen niet toetsen op (on)eerlijkheid.
Conclusie
2.14.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich om bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van het rentebeding.
2.15.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die hij geraden acht.
2.16.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 22 juli 2026 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over de voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia).
HvJ EU 26 april 2012, C-472/10, ECLI:EU:C:2012:242 en HvJ EU 21 maart 2013 (RWE Vertrieb), C-92/11, ECLI:C:EU:2013:180; zie ook het Rapport Ambtshalve Toetsing III pag. 35 en 36.
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 12001875 \ CV EXPL 25-8259
Uitspraakdatum: 1 juli 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Eurobox Self Storage Hoofddorp B.V.
te Amsterdam
de eisende partij
gemachtigde: De Best & Partners B.V.
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De procedure
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2De beoordeling
2.1.
De eisende partij vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de opslagruimte (genummerd [nummer]) aan de Parellaan 2 te (2132 WS) Hoofddorp (hierna: het gehuurde), ontruiming van het gehuurde en veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van de huurachterstand van € 1.165,65, vermeerderd met een gebruiksvergoeding voor iedere maand, of gedeelte daarvan, dat het gehuurde in gebruik blijft, de wettelijke rente en de proceskosten.
2.2.
De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partij tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst, welke tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming rechtvaardigt.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.3.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van:
de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden
2.5.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.6.
Uit de overlegde stukken blijkt dat op de overeenkomst de ‘Algemene voorwaarden behorende bij huurovereenkomst opslagruimte’ (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing zijn verklaard. De kantonrechter zal de daarin opgenomen bedingen en de bedingen in de huurovereenkomst die verband houden met de vordering hierna toetsen op (on)eerlijkheid.
Prijswijzigingsbeding
2.7.
Artikel 3 van de huurovereenkomst betreft een prijswijzigingsbeding. Gedurende de looptijd van de overeenkomst met de gedaagde partij heeft de eisende partij de maandelijkse huurprijs verhoogd. Dat maakt dat het in de overeenkomst opgenomen prijswijzigingsbeding een met de vordering verband houdende vordering is. Het betreffende prijswijzigingsbeding luidt als volgt:
‘Artikel 3
3.1
De prijs bedraagt € 157,50 per maand en dient maandelijks vooraf bij vooruitbetaling te worden voldaan door middel van automatische incasso. (…)
3.2
Onverminderd de mogelijkheden die de wet biedt om een huurprijsaanpassing te realiseren, wordt de huurprijs jaarlijks per 1 augustus verhoogd met 2,5%. De prijswijziging zal automatisch geschieden en u ontvangt hiervan geen schriftelijke bevestiging. (…)’
2.8.
De kantonrechter stelt vast dat dit beding valt onder artikel 3 lid 3 sub 1 onder ‘l’ van de blauwe lijst behorende bij Richtlijn 93/13/EEG. Op grond van dat artikel in samenhang met vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie is een prijswijzigingsbeding slechts aanvaardbaar wanneer de gronden voor de prijswijziging in de overeenkomst of algemene voorwaarden worden genoemd en deze een geldige reden voor wijziging vormen, zodat de consument de prijswijziging kan voorzien. De consument dient verder een reële mogelijkheid te hebben om de overeenkomst op te zeggen in het geval van een eenzijdige wijziging.
2.9.
Het prijswijzigingsbeding in artikel 3 van de huurovereenkomst voldoet naar het oordeel van de kantonrechter aan deze vereisten. Dit omdat er naar het oordeel van de kantonrechter een niet onredelijk jaarlijks verhogingspercentage in het beding staat, zodat voor de consument duidelijkheid bestaat over het moment en de hoogte van de wijziging. Dat de grond voor de prijswijziging niet in het beding staat, maakt dat niet anders omdat de prijswijziging dus te voorzien is. Daarnaast blijkt uit de overeenkomst dat de consument de overeenkomst maandelijks kan opzeggen, met een opzegtermijn van 14 dagen. Dit beding is daarom niet oneerlijk en wordt in stand gelaten.
2.10.
De kantonrechter constateert dat de eisende partij in het lichaam van de dagvaarding stelt dat zij geen aanspraak maakt op vergoeding van de rente, maar deze vordering wel is opgenomen in het petitum. Daarom zal de kantonrechter het rentebeding toetsen op (on)eerlijkheid.
2.11.
Artikel 6.3 van de algemene voorwaarden betreft een rentebeding. Dat luidt als volgt: “In geval van niet of niet-tijdige betaling zal Eurobox gerechtigd zijn, zonder dat sommatie en/of ingebrekestelling zal zijn vereist, rente in rekening te brengen tot een percentage, gevormd door het percentage van de wettelijke rente, te verhogen met twee, per maand of gedeelte van de maand over de achterstallige betalingen zulks onverminderd het bepaalde in artikel 6.2”
2.12.
De kantonrechter stelt vast dat het beding onduidelijk is geformuleerd, waardoor het voor de consument onmogelijk is om te weten waar hij contractueel aan kan worden gehouden. Op grond van het beding zou de eisende partij namelijk gerechtigd kunnen zijn om de wettelijke rente in rekening te brengen, te verhogen met twee procent, per maand of gedeelte van de maand. In dat geval is de bedongen rente hoger dan de wettelijke handelsrente. Het rentebeding is daarom vermoedelijk oneerlijk. De kantonrechter is voornemens om het beding te vernietigen en de gevorderde wettelijke rente af te wijzen. De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.
2.13.
De kantonrechter heeft geconstateerd dat in de van toepassing zijnde algemene voorwaarden (verder) geen bedingen staan die verband houden met de onderhavige vordering. Daarom zal de kantonrechter deze bedingen niet toetsen op (on)eerlijkheid.
Conclusie
2.14.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich om bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van het rentebeding.
2.15.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die hij geraden acht.
2.16.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 22 juli 2026 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over de voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia).
HvJ EU 26 april 2012, C-472/10, ECLI:EU:C:2012:242 en HvJ EU 21 maart 2013 (RWE Vertrieb), C-92/11, ECLI:C:EU:2013:180; zie ook het Rapport Ambtshalve Toetsing III pag. 35 en 36.