Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11317

2026-08-19 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11713858 CV EXPL 25-1944
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11713858 CV EXPL 25-1944
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Effectenleasezaak. Dexia heeft onrechtmatig tegenover afnemer gehandeld door afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon afnemer niet alleen als klant aanbracht maar hem tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. Dexia dient de door afnemer geleden schade, vermeerderd met rente te vergoeden.

Citeert (24)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (31.417 tekens)
vonnis



RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar



Zaaknummer: 11713858 CV EXPL 25-1944




vonnis van de kantonrechter van 19 augustus 2026




in de zaak van





1
[eiser 1], 2. [eiser 2]

beiden wonende te [plaats],
eisende partij in conventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,



tegen




de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [eisers] (enkelvoud) en Dexia genoemd.





1Kern van de zaak

1.1.

[eisers] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [eisers] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eisers] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [eisers] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eisers] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eisers] geleden schade helemaal moet vergoeden.


1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eisers] geleden schade helemaal moet vergoeden.




2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 14 mei 2025, met een incidenteel verzoek;


de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie tevens houdende conclusie van antwoord in het exhibitie-incident tevens houdende conclusie van eis in het exhibitie-incident;


de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met daarin een conclusie van antwoord in het incident;


de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;


de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.





2.2.
De producties waarnaar in de laatste conclusie wordt verwezen, zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren.



2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.




3
3. De feiten


3.1.

[eisers] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:









Nr.


Contractnr.


Datum


Naam overeenkomst




I.


39785906


03-08-2000


Allround Effect








3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:









Nr.


Datum eindafrekening


Resultaat


Betaald




I.


09-08-2006


- € 1.616,66


Nee








3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [eisers] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 5.899,40 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eisers] geen bedrag aan dividenden ontvangen en € 203,46 aan fiscaal voordeel genoten. Dexia heeft volgens opgave van Dexia op 17 februari 2024 als “onverplichte betaling” een bedrag van € 6.904,00 inclusief wettelijke rente, aan [eisers] voldaan.



3.4.
De gemachtigde van [eisers], Leaseproces, heeft bij brief van 19 augustus 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren



4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in de verzoeken in de incidenten





4.1.

[eisers] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 Dexia zal veroordelen het aanvraagformulier en haar versie van de ondertekende overeenkomst aan [eisers] te verstrekken,
- in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eisers] van al datgene dat [eisers] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 naar de kantonrechter begrijpt: Dexia zal veroordelen – voor het geval Dexia met betrekking tot [eisers] een H-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven – om het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eisers] geen verplichtingen meer heeft uit de leaseovereenkomst,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisers], met rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.




4.2.

[eisers] heeft de vordering met betrekking tot de BKR-registratie niet in het petitum opgenomen maar nu Dexia wel daarop heeft gereageerd, heeft de kantonrechter aanleiding gezien een en ander als hiervoor vermeld op te nemen.



4.3.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, met een voorwaardelijk incidenteel verzoek, dat als een onvoorwaardelijk incidenteel verzoek wordt aangemerkt, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 [eisers] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eisers] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:

 [eisers] zal veroordelen om aan Dexia te betalen de som van € 538,89, vermeerderd met wettelijke rente,
 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eisers] gesloten overeenkomst van effectenlease met nummer 39785906 niets meer aan [eisers] verschuldigd is,
 [eisers] zal veroordelen in de proceskosten.




4.4.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.




5
5. Beoordeling van de vorderingen de hoofdzaak en de verzoeken in de incidentenalgemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eisers].


5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.


5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:


er is sprake van huurkoop;


er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;


Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;



[eisers] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;


er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.



verjaring



5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eisers] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.



tussenpersoon




5.5.

[eisers] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [bedrijf] (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.


5.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eisers] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eisers], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eisers] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eisers] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eisers] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.


5.7.


[eisers] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

Van [eisers] kwam telefonisch in contact met [bedrijf]. De medewerker van [bedrijf] stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van Van [eisers] door te nemen met een financieel adviseur van [bedrijf]. Van [eisers] heeft hiermee ingestemd. Zowel Van [eiser 2] als [eiser 1] waren aanwezig bij het gesprek.



Tijdens het gesprek heeft de adviseur van [bedrijf] geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van Van [eiser 2]. Zo is met de adviseur gesproken over het werk, inkomen, het spaargeld en de gezinssituatie van Van [eisers]. Ook informeerde de adviseur naar de woning van Van [eisers] die aangaf dat ze in een koopwoning woonde. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eisers] om vermogen op te bouwen voor de studie van zijn twee kinderen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist.



De adviseur adviseerde van [eisers] om een Allround Effect product van Bank Labouchere af te sluiten. In eerste instantie gaf de adviseur aan dat Van [eisers] de overwaarde op de woning op diende te nemen voor de vooruitbetaling van het product, en informeerde naar de hoogte van de overwaarde. Van [eisers] gaf aan dat hij pas net in de woning woonde, en dat dus er geen sprake was van overwaarde. Na verdere inventarisatie van de mogelijkheden in de financiën van Van [eisers] adviseerde de adviseur om een Allround Effect af te sluiten met maandelijkse betalingen van NLG 200,- per maand. Van [eiser 2] zou de kinderbijslag kunnen aanwenden voor de maandelijkse betalingen, gezien er geen andere financiële ruimte was voor het product. Volgens de adviseur zou van [eisers] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen voor de studie van haar kinderen. De adviseur onderbouwde zijn advies aan de hand van een brochure met rekenvoorbeelden, waarin een zeer positief rendement werd voorgespiegeld. Ook met een minder gunstig rendement zou Van [eisers] volgens de adviseur een mooi bedrag aan opbrengst overhouden met het Allround Effect. De adviseur nam de brochure met rekenvoorbeelden na zijn bezoek weer mee, en kan daarom niet worden overlegd in de brochure.



De adviseur heeft van [eisers] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als Van [eisers] op deze risico’s gewezen was, had hij het Allround Effect nooit afgesloten.



Van [eisers] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft Van [eisers] het adviseur van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor het Allround Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.



Van [eisers] heeft een Allround Effect met maandelijkse betalingen van NLG 200,- afgesloten.



5.8.

[eisers] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, onder meer gewezen op het volgende stuk dat in het geding is gebracht:- een kopie van de overeenkomst van 3 augustus 2000 met contractnummer 39785906, voorzien van de tekst “Adviseur: ATP00990-[bedrijf] B.V.”.


5.9.
Met deze feitelijke uiteenzetting en stuk heeft [eisers] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [eisers] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eisers] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [eisers] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.



wetenschap Dexia




5.10.

[eisers] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon [bedrijf] een op de persoon van [eisers] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eisers], had zij behoren te weten dat [eisers] door de tussenpersoon is geadviseerd.



aansprakelijkheid Dexia
5.11. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisers] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eisers] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eisers] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

vorderingen van [eisers]
5.12. De door [eisers] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door [eisers] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers] niet alleen als klant aanbracht maar [eisers] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, alsmede dat Dexia de dientengevolge geleden schade dient te vergoeden.




5.13.

Die door [eisers] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eisers] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). Dit geldt ook voor de betaling aan [eisers] van 17 februari 2024. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.



5.14.

Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eisers] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.

BKR-registratie
5.18. [eisers] stelt in de dagvaarding dat zij vordert dat de registratie bij het BKR wordt doorgehaald. Hoewel [eisers] deze vordering niet herhaalt in het petitum van de dagvaarding begrijpt de kantonrechter begrijpt een en ander zo, dat [eisers] heeft bedoeld te vorderen dat Dexia - voor het geval Dexia met betrekking tot [eisers] een A-codering aan het BKR heeft doorgegeven – zal worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eisers] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomst meer heeft. Deze vordering zal worden toegewezen. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00

het incidentele verzoek van [eisers]




5.15.
verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier. Uit het voorgaande volgt dat [eisers] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



het incidentele verzoek van Dexia




5.16.
Dexia verzoekt dat [eisers] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.



5.17.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eisers] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.



5.18.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 87,00.



vorderingen Dexia




5.19.

Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen. Uit voorgaande volgt immers ook dat [eisers] geen restschuld meer verschuldigd zijn.

proceskosten




5.20.

Omdat [eisers] inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eisers] gevallen. .
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 954,47.



5.21.

De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6. Beslissing

De kantonrechter




in het incident van [eisers]





6.1.
wijst de vordering af,



6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



in het incident van Dexia





6.3.
wijst de vordering van Dexia af,



6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eisers], tot op heden begroot op € 87,00,



in conventie





6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door [eisers] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers] niet alleen als klant aanbracht maar [eisers] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,



6.6.
verklaart voor recht dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,



6.7.
verklaart voor recht dat [eisers] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,



6.8.
veroordeelt Dexia om aan [eisers] de schade te betalen vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.13.,



6.9.
veroordeelt Dexia - voor het geval Dexia met betrekking tot [eisers] een H-codering aan het BKR heeft doorgegeven - om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eisers] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomst meer heeft,



6.9.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,



6.10.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,



6.11.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,



6.12.
wijst het meer of anders gevorderde af,





in reconventie





6.13.
wijst de vorderingen af,



6.14.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisers] gevallen, tot op heden begroot op nihil.



Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.







In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).


zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23.


Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.


Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.


Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.


Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.