Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11316

2026-08-19 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11904830 CV EXPL 25-6574
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11904830 CV EXPL 25-6574
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Effectenleasezaak. Onaanvaardbaar zware financiële last.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.992 tekens)
Vonnis



RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11904830 CV EXPL 25-6574




vonnis van de kantonrechter van 19 augustus 2026




in de zaak van





[eiser] ,

wonende te [plaats] ([gemeente]),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.



tegen




de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: USG Legal Professionals,
Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd.




1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 24 september 2025, met producties;


de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties;


de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties;


de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;


de conclusie van dupliek in reconventie.





1.2.
Hierna is vonnis bepaald.





2De feiten

2.1.

[eiser] heeft de volgende leaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:















Nr


Contractnr.


Datum


Naam overeenkomst


Looptijd


Leasesom




I.


37102427


03-11-1998


Spaarleasen


240 mnd


€ 32.972,03




II.


37201227


19-02-1999


Spaarleasen


240 mnd


€ 10.916,40




III.


37201228


19-02-1999


Spaarleasen


240 mnd


€ 10.916,40




IV.


12998279


20-09-2000


Cash-Clicken Lease-Service


84 mnd


€ 9.940,67







2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:










Nr.


Datum eindafrekening


Resultaat


Betaald




I.


04-05-2006


+ € 4.960,30


Door Dexia




II.


04-05-2006


-€ 24,56


Ja, via eindafrekening overeenkomst IV.




III.


23-01-2007


+ € 308,96


Door Dexia




IV.


17-02-2006


+ € 738,70


Door Dexia








2.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [eiser] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 26.066,19 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser] € 1.510,73 aan dividenden ontvangen en € 3.675,26 aan fiscaal voordeel genoten.





3De vorderingen en het verweer


3.1.

[eiser] vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,


voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten,


voor recht wordt verklaard dat er ten aanzien van de overeenkomsten sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform het zogenaamde Hofmodel,


voor recht te verklaren dat het boetebeding ten aanzien van overeenkomst IV. waar Dexia zich op beriep onredelijk bezwarend is,


het boetebeding ten aanzien van overeenkomst IV. te vernietigen,


Dexia te veroordelen tot betaling van 2/3e deel van de inleg, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling;


Dexia te veroordelen tot (terug)betaling van de onterecht in rekening gebrachte resterende termijnen ten aanzien van overeenkomst IV. vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening,


Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten.




3.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering vordert waarbij Dexia vordert, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat, dat voor recht wordt verklaard dat Dexia, na betaling van € 16,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, met betrekking tot de tussen haar en [eiser] gesloten overeenkomsten aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [eiser] verschuldigd is, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.



3.2.

[eiser] voert verweer tegen de vorderingen van Dexia en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.



3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.





4De beoordeling



Algemeen
4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de [eiser] van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele [eiser] geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van [eiser] en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden [eiser] hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een optoutverklaring ingediend, onder wie [eiser] .



4.2.
De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.


4.3.
Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:


er is sprake van huurkoop;


er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;


Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;



[eiser] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;


er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.





4.4.
Hierna zal achtereenvolgend worden ingegaan op:


de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld;


het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel;


de eigen schuld (art. 6:101 BW);


een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last;


de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade;


wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is;


wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.




4.5.
Waar hierna sprake is van ‘leasetermijnen’ ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de (betreffende) overeenkomst worden vermeld op het (meest recente) door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu [eiser] de juistheid van de daarop vermelde gegevens niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist wordt daarvan uitgegaan.



resterende termijnen overeenkomst IV




4.6.
Dexia heeft aanvankelijk een eindafrekening opgesteld waarbij de resterende termijnen contant zijn gemaakt tegen 5%. Thans betoogt Dexia dat de overeenkomst bij brief van 7 november 2005 (ingekomen op 8 november 2005) tegen een eerdere datum door [eiser] is beëindigd en heeft zij een gecorrigeerde eindafrekening opgesteld waarbij de resterende termijnen conform artikel 2 van de overeenkomst in rekening zijn gebracht. Anders dan [eiser] meent, ziet de kantonrechter geen aanleiding om aan deze gecorrigeerde afrekening voorbij te gaan. [eiser] heeft immers na haar opzegging van de overeenkomst ook geen termijnen meer betaald. Uitgaande van de gecorrigeerde afrekening is geen sprake van een oneerlijk beding. De kantonrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van de jurisprudentie van de Hoven dat het betreffende beding niet oneerlijk is. Zie voor de motivering daarvan in een soortgelijke situatie als de onderhavige onder meer het arrest van het hof De Haag van 17 maart 2026 ECLI:N::GHDHA:2022:438. Dit betekent dat de vorderingen ter zake deze overeenkomst worden afgewezen. Dexia heeft overigens verklaart geen aanspraak te maken op betaling naar aanleiding van de gecorrigeerde afrekening, zodat de gecorrigeerde afrekening geen invloed heeft op wat hierna nog wordt overwogen ten aanzien van de door Dexia te vergoeden schade.



De vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld




4.7.

De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan, bestaat uit de schade wegens de door [eiser] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige termijnen, en uit een (eventuele) restschuld.

Het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel




4.8.

Op de door [eiser] geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Dit bestaat uit de in verband met de betreffende overeenkomst ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’ en het genoten fiscaal voordeel. [eiser] heeft gesteld dat Dexia van een onjuiste belastingschijf is uitgegaan en het fiscale voordeel € 1.852,16 bedraagt. Dexia heeft de berekening van het fiscaal voordeel van [eiser] niet gemotiveerd weersproken, zodat laatstgenoemd bedrag als fiscaal voordeel in aanmerking dient te worden genomen.
Een eventueel reeds door Dexia betaalde (gedeeltelijke) schadevergoeding behoort niet tot de hier bedoelde voordelen.



4.9.
Indien daarvan sprake is behoort tot het op de schade in mindering te brengen voordeel eveneens het batig saldo uit andere effectenleaseovereenkomsten tenzij deze meer dan een jaar vóór het aangaan van de overeenkomst waarbij de schade zich voordoet zijn beëindigd. Onder batig saldo wordt verstaan hetgeen aan opbrengst resteert nadat alle betalingen door de [eiser] in mindering zijn gebracht.


4.10.

Voor zover sprake is van voordeel als hiervoor bedoeld, dient dit eerst in mindering te worden gebracht op de schade die [eiser] heeft geleden wegens verschuldigde termijnen. Resteert dan nog een niet verrekend deel van het voordeel en is er sprake van meerdere verlieslatende overeenkomsten, dan dient vervolgens verrekening plaats te vinden met de schade wegens termijnen uit de volgende verlieslatende overeenkomst(en), en daarna met de restschuld, tot alle voordeel is verrekend.

De eigen schuld (art. 6:101 BW), wel of niet een onaanvaardbare financiële last




4.11.
Op grond van artikel 6:101 BW dient [eiser] een deel van de na verrekening van eventuele voordelen als hiervoor bedoeld resterende schade, (hierna: de resterende schade) wegens eigen schuld zelf te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de resterende schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de resterende schade bestaande uit een (eventuele) restschuld.


4.12.
Onderzocht moet worden of nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van deze overeenkomst(en) had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [eiser] werd gelegd. Indien het aangaan van de overeenkomst(en) voor [eiser] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht, dient [eiser] een derde deel van de resterende schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen.



4.13.

Indien geen sprake was van een dergelijke last dient de [eiser] de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hof-formule als weergegeven in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009
(ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). [eiser] dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen.



4.14.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, de Hof-formule luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y). De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van [eiser] . De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane lease-overeenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten.Indien sprake is van vermogen van méér dan € 5.000 (bij alleenstaanden) of € 10.000 (bij een meerpersoonshuishouden) waaruit de verplichtingen uit de overeenkomst hadden kunnen worden voldaan, dan dient dit meerdere te worden gedeeld door het aantal maanden waarvoor de overeenkomst is aangegaan, waarbij de uitkomst (‘factor V’) dient te worden opgeteld bij de bestedingsruimte.





Wel of geen onaanvaardbaar zware financiële last in dit geval




4.15.
Tussen partijen is (onder meer) in geschil of het aangaan van de overeenkomsten voor [eiser] een onaanvaardbaar zware financiële met zich bracht. Tussen partijen is in het bijzonder in geschil of [eiser] als alleenstaande ouder moet worden aangemerkt of niet. Daarnaast twisten partijen over de in aanmerking te nemen woonlasten, kosten van een andere effectenleaseovereenkomst en het vermogen van [eiser] (factor V.)



Factor Y




4.16.

[eiser] heeft gesteld dat zij alleenstaande ouder is en in november 1998 formeel is gescheiden van [betrokkene] , maar voordien al niet meer met hem samenwoonde. Zij heeft erop gewezen dat de belastingdienst haar in 1998 en 1999 als alleenstaande ouder heeft aangemerkt. Door Dexia zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aan de juistheid van de stellingen van [eiser] doen twijfelen. De kantonrechter gaat dan ook ervan uit dat [eiser] in 1998 en 1999 een alleenstaande ouder was.



Factor W




4.17.
Dexia heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de berekening van de woonlasten door [eiser] niet juist is nu zij is daarbij ten onrechte is uitgegaan van het stipinkomen. De kantonrechter zal dan ook als factor W de bedragen in aanmerking nemen die Dexia in haar berekeningen heeft opgenomen te weten € 532,20, € 611,00 en € 429,00.



Factor B




4.18.

[eiser] heeft gesteld dat zij verplichtingen uit hoofde van een effectenleaseovereenkomst met Fortis had. Nu Dexia na verdere onderbouwing daarvan één en ander niet meer heeft betwist dient een bedrag van € 88,95 per maand in aanmerking te worden genomen.



4.19.
Hetgeen hiervoor over de factoren Y, W en B is overwogen betekent dat sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last bij het aangaan van de overeenkomsten. Bovendien was van een zodanig verschil tussen de bestedingsnorm en het veel lagere besteedbare inkomen van [eiser] sprake, dat wat Dexia heeft aangevoerd over het vermogen (factor V) aan het voorgaande niet kan afdoen en derhalve geen bespreking meer behoeft.



De consequenties voor de verdeling van de (resterende) schade.




4.20.
Uit het voorgaande volgt dat zowel de resterende schade wegens verschuldigde termijnen als de resterende schade wegens restschuld voor 1/3 deel voor rekening van [eiser] blijft.



Wat elke partij nog aan de andere partij verschuldigd is




4.21.
Nu de overeenkomsten niet rechtsgeldig zijn vernietigd of ontbonden zal [eiser] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen. Anderzijds zal Dexia de resterende schade dienen te vergoeden die volgens het bovenstaande voor haar rekening komt.


4.22.

Op grond van het voorgaande en de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomsten en in aanmerking genomen wat hiervoor ten aanzien van overeenkomst IV. is overwogen, zullen partijen in staat zijn te berekenen:
a. wat de schade is aan verschuldigde termijnen en restschuld;
b. wat de in mindering te brengen voordelen zijn (inclusief eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten) en wat na aftrek daarvan aan schade resteert;
c. of en zo ja tot welk bedrag [eiser] een resterende schade wegens termijnen en wegens restschuld dient te dragen;
d. wat [eiser] op grond van nakoming van betalingsverplichtingen uit de overeenkomsten in totaal aan Dexia verschuldigd is.




4.23.


[eiser] heeft in verband met de onderhavige overeenkomsten jegens Dexia aanspraak op schadevergoeding indien en voor zover [eiser] ter zake van een bepaalde overeenkomst méér aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen en verminderd met een (eventueel) reeds door Dexia betaalde schadevergoeding (exclusief wettelijke rente).

De wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten




4.24.
Een aanspraak op wettelijke rente over nadeel, dat bij de voordeelstoerekening wordt verrekend met de voordelen, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) wettelijke rente worden toegewezen (Hoge Raad 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het bedrag aan schadevergoeding voor zover deze nog door Dexia verschuldigd is. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:7910).


4.25.
Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten vormen de stellingen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 dat partijen bekend is. Er hebben geen serieuze schikkingsonderhandelingen plaatsgevonden nu [eiser] Dexia slechts heeft uitgenodigd tot het doen van een voorstel waarop Dexia niet is ingegaan.



4.26.
Uit hetgeen ten aanzien van de vorderingen van [eiser] is geoordeeld volgt dat de vorderingen van Dexia worden afgewezen.



4.27.

Omdat [eiser] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen.
Omdat het partijdebat in conventie is samengevallen met het debat in reconventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00(2 x tarief € 288,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 954,47.



4.28.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.









5De beslissing


De kantonrechter:



in conventie



5.1.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten onrechtmatig heeft gehandeld;



5.2.
veroordeelt Dexia aan [eiser] te betalen ter zake de overeenkomsten het bedrag dat Dexia volgens r.o. 4.23. en 4.24. nog verschuldigd is aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf het moment dat alle voordeel is verrekend en , met toepassing van de uitgangspunten als geformuleerd in r.o. 4.25.) tot de dag van algehele voldoening;



5.3.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,



5.4.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;



5.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;


5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie




5.7.
wijst de vorderingen af;



5.8.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, gevallen aan de zijde van [eiser] , tot op heden begroot op nihil.


Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.