Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11224

2026-06-17 Bestuursrecht; Omgevingsrecht HAA 24/6651
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-06-17
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
HAA 24/6651
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Omgevingsvergunning ter legalisatie bijbehorend bouwwerk op achtererf is na bezwaar alsnog geweigerd vanwege strijd met redelijke eisen van welstand. Het college heeft de weigering kunnen baseren op het in bezwaar uitgebrachte negatieve advies van de welstandscommissie. Niet is gebleken dat dit advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. De door eisers ingebrachte contra-expertise maakt het oordeel niet anders.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.445 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Alkmaar


Bestuursrecht


zaaknummer: HAA 24/6651


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen



[eiser] en [eiseres] , uit [plaats] , eisers
gemachtigde: mr. M.M. Breukers, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand,


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar
gemachtigde: mr. M. Blom, ambtenaar ten stadhuize.


Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [plaats] (derde-partij)
gemachtigde: mr. L.T. van Eijck van Heslinga, advocaat te Alkmaar.





Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning, die eisers hebben aangevraagd ter legalisatie van het bouwen van een bouwwerk achter hun woning op hun erf aan het [adres] in [plaats] , dat zij aanduiden als berging. Het college heeft de in primo verleende omgevingsvergunning na bezwaar van onder meer de derde-partij herroepen en alsnog geweigerd. Volgens het college is het gebouw in strijd met redelijke eisen van welstand.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft herroepen en alsnog op toereikende gronden heeft geweigerd. Het college heeft de weigering kunnen baseren op het in bezwaar uitgebrachte negatieve advies van de welstandscommissie. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Inleiding


3.1.
Eisers hebben, na in 2018 een nieuwe woning te hebben gerealiseerd, op het achtererf bij hun woning een bouwwerk gebouwd met een oppervlakte van 71,5 m². Het bouwwerk is goed zichtbaar vanaf achter de woning gelegen openbare ruimte. Eisers waren in de veronderstelling dat zij het bouwwerk vergunningvrij konden bouwen. De bedoeling van eisers was om het bouwwerk als berging dan wel mantelzorgwoning voor hun dochter te gebruiken. Het college heeft de bouw in 2022 stilgelegd, omdat voor het bouwen van het bouwwerk wel een vergunning was vereist. Hierna hebben eisers een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisering van een als ‘berging’ aangeduid bouwwerk.


3.2.
Bij brief van 4 juli 2023 – in de primaire fase – heeft het college eisers geïnformeerd dat het bouwplan in strijd was met redelijke eisen van welstand en is eisers de mogelijkheid gegeven om het bouwplan aan te passen. Hierop hebben eisers het bouwplan aangepast van een afgeknot zadeldak naar een mansardekap. Hierna heeft het college de omgevingsvergunning verleend. De beslissing had het college toen gebaseerd op een intern, ambtelijk advies over welstand.



3.3.
Onder meer derde-partij, zij zijn directe buren, heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning.



3.4.
Het college heeft bij het bestreden besluit van 26 augustus 2024 de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een berging met mansardekap herroepen en de aanvraag alsnog geweigerd. Hieraan heeft het college als weigeringsgrond ten grondslag gelegd dat de aanvraag in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het college verwijst naar adviezen van de in bezwaar ingeschakelde welstandscommissie van 1 februari 2024, 28 maart 2024 en 6 juni 2024.



3.5.
Eisers hebben beroep bij de rechtbank ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



3.6.
Partijen, eisers en het college, hebben nadere stukken met adviezen over welstand ingediend. Eisers hebben overgelegd een “Second opinion bijgebouw” van 3 maart 2025, opgesteld door [naam 1] , verbonden aan “ [adviesbureau] . Het college heeft een reactie daarop van de welstandscommissie van 23 oktober 2025 ingebracht.



3.7.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, vergezeld door [naam 2] en [naam 3] , werkzaam voor [adviesbureau] , de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 4] , ook in dienst van de gemeente, de derde-partijen en de gemachtigde van de derde-partij.




Beoordeling door de rechtbank



Toepasselijk recht


4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag van eisers is ingediend op 4 mei 2023. Daarom is op deze procedure nog de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met bijbehorende regelgeving, zoals het Besluit omgevingsrecht (Bor), de Welstandsnota Alkmaar 2016, zoals gewijzigd op 14 mei 2022, en de Woningwet zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing.

5. De rechtbank betrekt bij de beoordeling – met name – de wettelijke regels en beleidsregels die in de bijlage bij deze uitspraak staan.




Omvang van het geschil


6. Het geschil bij de rechtbank is beperkt tot de vraag of het college de aanvraag kon, c.q. moest, weigeren vanwege strijd met redelijke eisen van welstand, zoals bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, Wabo. Dit is immers de enige weigeringsgrond die het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Beroepsgronden van eisers over andere onderwerpen behoeven geen bespreking.

7. Voor zover eisers zich in hun beroepsgronden mede hadden gebaseerd op het ambtelijk welstandsadvies, dat verweerder aan het primaire besluit ten grondslag had gelegd, hebben zij dat standpunt ter zitting – terecht – laten vallen. In beroep is uitsluitend in geschil of verweerder het advies van de welstandscommissie mocht volgen, dat inhield dat het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand.



Het advies van de welstandscommissie


8. De rechtbank stelt voorop dat de welstandscommissie de wettelijk adviseur is van het college wanneer het advies noodzakelijk acht om te kunnen beoordelen of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk al dan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Dit volgt uit artikel 6.2, eerste lid, Bor. Het college mag afgaan op het advies van de welstandscommissie. Het college moet wel nagaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De welstandscommissie moet bij haar advies de Welstandsnota in acht nemen. Het overnemen van een welstandsadvies hoeft het college niet nader te onderbouwen, tenzij een belanghebbende concrete twijfels naar voren heeft gebracht, bijvoorbeeld met een advies van een andere deskundige (een contra-expertise).


8.1.
Op de zitting heeft de rechtbank met partijen vastgesteld dat Hoofdstuk 4, Gebied 11, van de Welstandsnota aan de orde is. Dit Gebied ‘Dorpse uitbreidingen’ ziet (onder meer) op De Rijp en betreft een regulier welstandsniveau (Hoofdstuk 3).



8.2.
Anders dan de door eisers ingeschakeld adviseur naar voren heeft gebracht, is de excessenregeling uit de Welstandsnota in dit geval niet aan de orde.



8.3.
De welstandscommissie heeft aan haar negatieve welstandsadvies de gebiedsgerichte criteria voor dorpse uitbreidingen ten grondslag gelegd. Daarin is neergelegd dat toevoegingen in stijl en afwerking afgestemd dienen te zijn op het hoofdvolume, de rij of het cluster. Door de breedte van het bijgebouw en de kapvorm wordt, aldus de welstandscommissie, niet aan die criteria tegemoet gekomen (advies 1 februari 2024). Nadien is het plan aangepast met een afgeknot zadeldak. De welstandscommissie bleef bij haar negatieve advies onder de nadere overweging, dat het hoofdvolume op het perceel een zadelkap heeft, net als het grootste deel in de omgeving. Een afgeknot zadeldak, zoals eisers voorstellen, is voor de commissie daarom niet akkoord. Een zadeldak zou wel akkoord kunnen zijn. De commissie blijft benadrukken dat zij ervan uitgaat dat de schuur zich moet tonen als een bijgebouw, ondergeschikt aan het hoofdvolume (advies 28 maart 2024).




De beroepsgronden van eisers tegen het welstandsadvies

9. Eisers voeren aan dat het college het bestreden besluit niet kon baseren op het advies van de welstandscommissie. Volgens eisers deugt het advies niet. Zo ontbreekt een volledige onderbouwing met verwijzing naar de artikelen en criteria in de Welstandsnota Alkmaar 2016 (hierna: de Welstandsnota). Ter ondersteuning van dit standpunt hebben eisers lopende de beroepsprocedure een contra-expertise van 3 maart 2025 ingediend, van het adviesbureau [adviesbureau] . Hieruit volgt, aldus eisers, in ondubbelzinnige bewoordingen de conclusie dat de aanvraag wel voldoet aan redelijke eisen van welstand. Zo staat op pagina 2 van dat stuk:





“Situatiebeschrijving
[…] De woning is gelegen aan het [locatie] , een van de uitbreidingslinten van De Rijp . Dit lint kenmerkt zich door een gevarieerde bebouwingsstructuur, met een woonwijk met seriematige woningbouw aan de westzijde en vrijstaande woningen aan de oostzijde. De oostzijde, waar de woning is gelegen, vertoont een divers beeld, overwegend éénlaagse woningen met zadeldaken, incidenteel ook met mansardekappen en een stolpkap. […] Aan de achterzijde van deze percelen is sprake van een grotere diversiteit van gebouwen, grenzend aan semi-openbaar gebied dat fungeert als groene buffer tussen de recentere ontwikkeling De Pauw en het oudere lint.”


En op pagina 3:




“Toetsing aan de reguliere welstandscriteria
Het bijgebouw voldoet aan het belangrijkste uitgangspunt, namelijk het aansluiten bij het stedenbouwkundige patroon in formaat, vorm, ligging en nokrichting. De bouwmassa is afgestemd op de schaal van het dorp en de architectonische uitwerking en detaillering zijn in overeenstemming met de belendingen en het voorliggende woonhuis. De commissie is van mening dat de mansardekap bijdraagt aan een evenwichtig beeld en voorkomt dat het samengestelde volume van een hoofdgebouw in combinatie met het bijgebouw als een te druk geheel wordt ervaren. Een incidentele mansardekap, verwijzend naar (historische) precedenten, is in het dorpsbeeld niet ongewenst.”



De reactie van het college

10. In reactie op de contra-expertise heeft de welstandscommissie als volgt aan het college geadviseerd:



“[…] Het bijgebouw bevindt zich aan de rand van het dorp De Rijp , net buiten het rijksbeschermde stadgezicht. Het bijgebouw is vanuit de openbare ruimte goed zichtbaar, met name aan de achterzijde. […] Het tegenadvies is gebaseerd op de algemene criteria en de excessenregeling. […] Voor bijgebouwen in gebieden met een regulier niveau is in de criteria opgenomen (p. 25) dat bijgebouwen vormgegeven dienen te worden in één bouwlaag. Omdat het bijgebouw is voorzien van een mansardekap is hier geen sprake van. Daarnaast gelden de gebiedsgerichte criteria. Hierin is opgenomen dat de bouwmassa evenwichtig dient te zijn. Ook dient de bouwmassa afgestemd te zijn op de schaal van het dorp, bezien vanuit het openbaar toegankelijk gebied. De commissie constateert dat er geen sprake is van een evenwichtige bouwmassa, omdat deze in zichzelf uit verhouding is (de mansardekap heeft een ongebruikelijke verhouding en een dakkapel over de volledige lengte van het dakvlak). Daarnaast is de massa naar haar mening niet afgestemd op de schaal van het dorp en op de schaal van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw wordt in volume overstemd door het bijgebouw. Ook staat er in de gebiedsgerichte criteria dat toevoegingen in stijl en afwerkingen afgestemd dienen te zijn op het hoofdvolume, de rij of het cluster. Wat in aanvulling op het bovenstaande, naar mening van de commissie niet het geval is. zij constateert dat er een op zichzelf staand volume is gerealiseerd dat zich in architectonische uitwerking niet voegt naar het hoofdvolume op het perceel.”




Beoordeling



11.1.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college niet kon uitgaan van het negatieve advies van de welstandscommissie. Niet is gesteld of gebleken dat de welstandsadviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Over de in die beoordeling betrokken feiten bestaat geen geschil: het bouwvolume van het bouwwerk is omvangrijk ten opzichte van het hoofdgebouw, de kap wijkt daar van af en het geheel is vanuit openbare ruimte – zoals ter zitting aan de hand van kaarten en foto’s nog is bevestigd – goed zichtbaar. Voorts is de motivering begrijpelijk en sluit die aan op de Welstandsnota. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het advies een motiveringsgebrek of een evident onjuist waardeoordeel bevat.



11.2.
De welstandscommissie heeft getoetst aan de uitgangspunten en belangrijkste kenmerken van Gebied 11 uit de Welstandsnota. Daarin zijn (onder meer) als de belangrijkste, voor deze zaak relevante kenmerken opgenomen:



De bouwmassa is evenwichtig en afgestemd op de schaal van het dorp, bezien vanuit het openbaar toegankelijk gebied.


De architectonische uitwerking en detaillering zijn eenvoudig maar degelijk en afgestemd op de belendingen.


Wijzigingen en toevoegingen zijn in stijl en afwerking afgestemd op het hoofdvolume, de rij of het cluster.





11.3.
De constatering van de welstandscommissie in haar advies dat de mansardekap niet is afgestemd op het zadeldak van het hoofdvolume en dat het bouwvolume van het bouwwerk niet is afgestemd op het hoofdvolume – in de zin dat het ten opzichte van het woonhuis van relatief grote omvang is – zodat het bouwwerk niet voldoet aan die belangrijke kenmerken, is voor de rechtbank een begrijpelijke en overtuigende conclusie. De redenering en conclusies uit de contra-expertise hebben deze conclusie niet meer overtuigend weerlegd. Het tegenadvies, waarin alleen wordt aangehaald dat elders in de omgeving anders gevormde daken voorkomen, kan aan de conclusie van de welstandscommissie niet afdoen.



11.4.
In haar reactie op de contra-expertise heeft de welstandscommissie begrijpelijk en helder toegelicht dat juist geen sprake is van een evenwichtig beeld, omdat de mansardekap en de bouwmassa – in het bijzonder bezien vanuit de openbare ruimte aan de achterzijde – niet zijn afgestemd op de omgeving en met name niet op het hoofdvolume, de woning van eisers. Een mansardekap is immers naar afmeting en uitstraling niet hetzelfde als een zadeldak.



11.5.
Op de zitting heeft de adviseur van eisers nog betoogd dat het bouwwerk de veelvoorkomende afwisseling in de omgeving versterkt en dat dit juist wél in lijn zou zijn met de Welstandsnota. Hij voert daarbij aan dat hij zelf die nota heeft geschreven, zodat hij de bedoeling van de bewoordingen in de Welstandsnota goed kent. Hij begrijpt de Welstandsnota zo dat men breder moet kijken – binnen de bandbreedte van de kenmerken van de omgeving, qua karakteristiek en leefbaarheid – dan ‘letterlijk’ het bijgebouw aanpassen aan het hoofdgebouw.



11.6.
De rechtbank volgt hem daar niet in. De tekst van de Welstandsnota is duidelijk. Er staat immers primair: “Wijzigingen en toevoegingen zijn in stijl en afwerking afgestemd op het hoofdvolume”. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de welstandscommissie de Welstandsnota op dit punt onjuist heeft geïnterpreteerd. Bovendien heeft de Welstandscommissie in het laatste advies nog aangevuld dat het bouwwerk met de tweede laag ook niet voldoet aan de algemene criteria voor bijgebouwen in Hoofdstuk 3.



11.7.
De conclusie is dat het college mocht afgaan op het advies van de welstandcommissie en dus terecht heeft geconcludeerd dat het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand.



Afwijken van het negatieve welstandsadvies?

11.



12.1.
Voor zover eisers hebben bedoeld aan te voeren dat het college van het welstandsadvies dient af te wijken om financiële redenen, hun persoonlijke situatie en maatschappelijk belangen en omstandigheden, overweegt de rechtbank als volgt.



12.2.
Eisers voeren aan dat zij op basis van het aanvankelijke, ambtelijke welstandsadvies de kapvorm hadden aangepast naar een mansardekap en dat de belangrijkste reden voor de bouw van het bouwwerk is om voor hun (gehandicapte) dochter een eigen woon- of verblijfplek te creëren.



12.3.
Het college hoeft in deze omstandigheden geen aanleiding te zien af te wijken van het welstandsadvies. Dat eisers aanvankelijk dachten dat zij vergunningvrij konden bouwen, kunnen zij niet aan het college tegenwerpen. Dat zij in de poging tot legalisatie nog weer nieuwe investeringen hebben gedaan in een andere kapvorm evenmin. De welstandscommissie is de wettelijk aangewezen adviseur wanneer het college het inwinnen van advies noodzakelijk acht om te kunnen beoordelen of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand. In bezwaar zijn gronden aangevoerd over de redelijke eisen van welstand, zodat het niet onbegrijpelijk is dat het college advies heeft gevraagd aan de welstandscommissie. Dat in de primaire fase ambtelijk wel aanleiding werd gezien aan de aanvraag mee te werken, betekent niet dat het college gehouden is op grond van de aangevoerde omstandigheden het advies van de welstandscommissie naast zich neer te leggen.





Conclusie en gevolgen


13. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de weigering in stand blijft. Het bouwwerk dat zij hebben gerealiseerd wordt dus niet gelegaliseerd. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.




Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr.I.A. Bakker, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Bijlage: in deze uitspraak aangehaalde wet- en regelgeving



Invoeringswet Omgevingswet





Artikel 4.3, aanhef en onder a:

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing:

a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt (…).



Wet algemene bepalingen omgevingsrecht





Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a:

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk, (…)



Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d:

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
(…)

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;



Woningwet





Artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder a:

De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling:

a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand;(…)



Artikel 12b, eerste lid:

De welstandscommissie (…) baseert haar (…) advies slechts op de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a (…).




Algemene wet bestuursrecht





Artikel 3:9:

Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.




Besluit omgevingsrecht





Artikel 6.2, eerste lid:

Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet vragen burgemeester en wethouders, ingeval zij het inwinnen van advies noodzakelijk achten om te kunnen beoordelen of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de wet, advies aan de welstandscommissie (…).




Welstandsnota Alkmaar 2016 (zoals gewijzigd op 14 mei 2022)





Welstand objecten Hoofdstuk 3


(…)


Bijgebouwen (2)

Een bijgebouw is een grondgebonden bouwwerk los van het hoofdgebouw en van in beginsel één bouwlaag, zoals een garage, schuur of overkapping. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen.




Beoordeling

Een bijgebouw voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een herhalingsplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan zoals bij monumenten, stolpen en ander cultureel erfgoed, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria.




Basiscriteria

Bijgebouwen in reguliere welstandsgebieden worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria:



• vormgeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond
• overkapping is minimaal aan drie zijden open
• materialen en kleuren gelijk aan hoofdgebouw danwel uitvoeren in traditionele materialen zoals hout en baksteen




Aanvullende criteria

Voor de bijzondere gebieden gelden de volgende aanvullende criteria:



Plaatsing en aantal
• minstens 1,00 m achter de voorgevellijn
• afstand tot hoofdgebouw minstens 2,00 m
• per erf hoogstens twee bijgebouwen (eventueel te vergroten in identieke vormgeving)



Vorm en maat
• vormgeving aan voorkanten is bescheiden
• plat afdekken of aan achterkanten voorzien van een eenvoudige kap
• leuren zijn in beginsel donker en onopvallend
• bij integratie in erfafscheiding materialen en kleuren gelijk aan erfafscheiding
(…)

Welstand gebieden Hoofdstuk 4


Gebied 11 Dorpse uitbreidingen





Beschrijving

In de dorpse uitbreidingen worden korte rijen afgewisseld met tweekappers en vrijstaande woningen in een hoofdzakelijk sobere baksteenarchitectuur langs overwegend groene straten. Dorpse uitbreidingen zijn te vinden in Oterleek, Stompetoren, Schermerhorn, Zuidschermer, Grootschermer, Graft, De Rijp , West-Graftdijk en Markenbinnen.
(…)




Uitgangspunten

De dorpse uitbreidingen zijn reguliere welstandsgebieden. De waarde is vooral gelegen in het rustige beeld van de straten met het groen van de bomen en voortuinen. De architectuur is in het algemeen eenvoudig en bij de meest recente inbreidingen zorgvuldig. Enkele panden en objecten zijn cultuurhistorisch waardevol.



Uitgangspunt voor welstand is het beheer van de rust in het groene straatbeeld en het aanzien vanuit de doorgaande wegen en omringende gebieden. Het bebouwingsbeeld is afwisselend op kleine schaal: de bebouwing varieert veelal binnen een straatlengte. Binnen deze afwisseling wordt het beeld gevormd door herhaling in rooilijnen en gevelindeling en samenhang in zowel de architectonische uitwerking als het materiaalgebruik.




Belangrijkste kenmerken

• gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon, waarin vooral de voorgevelrooilijnen en hoeken van belang zijn
• de bouwmassa is evenwichtig en afgestemd op de schaal van het dorp, bezien vanuit het openbaar toegankelijk gebied
• de architectonische uitwerking en detaillering zijn eenvoudig maar degelijk en afgestemd op de belendingen
• materialen en kleuren zijn degelijk en terughoudend en aan voorkanten in samenhang met de rij of het cluster
• wijzigingen en toevoegingen zijn in stijl en afwerking afgestemd op het hoofdvolume, de rij of het cluster
• appartementencomplexen en gebouwen met bijzondere functies harmoniëren met het karakter van het gebied en kunnen afhankelijk van hun ligging afwijken van de gebruikelijke massa en uitwerking






Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo.


Artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.


Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 4.1 van ECLI:NL:RVS:2026:2054.


Uit het advies blijkt niet welke commissie wordt bedoeld.


In de internet versie van de Welstandsnota zijn geen paginanummers te vinden. Bedoeld zal zijn de passage in Hoofdstuk 3 onder “Bijgebouwen (2)”.