Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11207

2026-08-26 Civiel recht; Personen- en familierecht C/15/374200
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/15/374200
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Vordering nalatenschap op erfgenaam vanwege lening erflaatster aan die erfgenaam. Gedwongen toerekening ex artikel 4:228 lid 1 BW en verrekening op grond van 4:217 lid 1 BW. Toedeling resterende vordering van nalatenschap op de erfgenaam aan de betreffende erfgenaam met bepaling dat de schulden van de nalatenschap in de onderlinge verhouding tussen de erfgenamen voor haar rekening komen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.613 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland


Civiel recht



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer: C/15/374200 / HA ZA 26-70




Vonnis van 26 augustus 2026 (bij vervroeging)




in de zaak van





[eiser]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. L. Schellevis,



tegen




de maatschap [gedaagde] t.h.o.d.n. [bedrijf 1], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [betrokkene 1],
gevestigd op een geheim adres,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. J. Pearson.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 april 2026
- de mondelinge behandeling van 5 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en door de advocaten pleitnotities zijn overgelegd- de akte wijziging c.q. aanvulling eis tevens overleggen nadere producties van [eiser].



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[eiser] en [betrokkene 1] zijn broer en zus. Op 3 maart 2016 is hun vader overleden. De ouders van [eiser] en [betrokkene 1] waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.



2.2.
In zijn testament van 16 november 1981 heeft vader zijn echtgenote en zijn twee kinderen tot erfgenamen benoemd en de ouderlijke boedelverdeling van artikel 4:1167 (oud) BW van toepassing verklaard. [eiser] en [betrokkene 1] hebben op grond van het testament ieder een vordering op die echtgenote, hun moeder, van € 15.166,66, te vermeerderen met 5% rente vanaf 3 maart 2016, verkregen die pas na het overlijden van hun moeder opeisbaar is.



2.3.
Eind 2018 is moeder gevallen. Na een verblijf in een revalidatiecentrum heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) op 6 februari 2019 voor haar een indicatiebesluit gegeven voor beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging. Daarbij is vermeld dat sprake is van beginnende geheugenproblemen en dat een kwetsbare situatie is ontstaan.



2.4.
In mei 2019 is moeder van haar koopappartement verhuisd naar een huur(aanleun)woning. Het appartement is daarna verkocht en op 5 augustus 2019 geleverd. De verkoopopbrengst van € 247.262,33 is overgemaakt naar een bankrekening van moeder.



2.5.
Tot de verhuizing regelde [eiser] de financiën van moeder. Na de verhuizing heeft hij de mantelzorg en de financiën van moeder overgedragen aan [betrokkene 1]. Op dat moment stond [betrokkene 1] op vrijwillige basis onder budgetbeheer bij [betrokkene 2] van [bedrijf 2] (hierna: [betrokkene 2])



2.6.
Op 19 april 2019 heeft moeder [betrokkene 2] schriftelijk gevolmachtigd om haar belangen waar te nemen en haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Moeder heeft haar bankpassen aan [betrokkene 2] overhandigd, die de rekeningen van moeder vervolgens vanaf haar bankrekening betaalde. De bankafschriften van moeder werden op het adres van de budgetbeheerder gesteld.



2.7.
Moeder heeft in haar testament van 20 maart 2020 [eiser] en [betrokkene 1] tot erfgenamen benoemd, voor gelijke delen. Verder heeft zij [betrokkene 1] in het testament tot executeur/ afwikkelingsbewindvoerder benoemd en – indien die benoeming geen effect sorteert – [betrokkene 2] van [bedrijf 2].



2.8.
In de periode 16 augustus 2019 tot en met 2 juni 2022 hebben 28 overboekingen plaatsgevonden vanaf de bankrekening van moeder naar [betrokkene 1]. In totaal is € 231.150,89 overgeboekt. Op 9 september 2022 is moeder (hierna: erflaatster) overleden. Op de datum van overlijden stond er € 28.709,40 op de bankrekeningen van erflaatster.



2.9.
Voor drie van de overboekingen zijn tussen erflaatster en [betrokkene 1] schriftelijke geldleningsovereenkomsten opgesteld en ondertekend. In de geldleningsovereenkomsten van 15 augustus 2019 (ter hoogte van € 7.000) en 14 oktober 2019 (ter hoogte van € 8.100) is bepaald dat de geldleningen zijn aangegaan voor de duur van zeven jaar en dat maandelijks moet worden afgelost. [betrokkene 1] heeft niet afgelost. In de schriftelijke geldleningsovereenkomst van 19 april 2020 (ter hoogte van € 49.500) is bepaald dat de geldlening is aangegaan voor onbepaalde duur, tot het overlijden van erflaatster, dat [betrokkene 1] geen tussentijdse aflossingen hoeft te doen en dat zij het saldo van de lening kan verrekenen met haar erfdeel.



2.10.
Na het overlijden van erflaatster is het budgetbeheer door [betrokkene 2] direct gestopt. Hij heeft aangegeven niet te willen optreden als executeur/afwikkelingsbewindvoerder.



2.11.
Bij brief van 2 november 2022 heeft de advocaat van [eiser] [betrokkene 1] verzocht om kopieën van bankafschriften en een verklaring voor de bedragen van de bankrekening van erflaatster naar [betrokkene 1] waren overgeboekt. [betrokkene 1] heeft hier niet op gereageerd. Pogingen van [eiser] tot telefonisch contact net [betrokkene 1] zijn mislukt.



2.12.

[betrokkene 2] heeft [eiser] een overzicht verstrekt met alle bedragen die van de bankrekening van erflaatster naar de bankrekening van [betrokkene 1] zijn overgeboekt. Bij alle bedragen op het overzicht staat de omschrijving “Lening moeder voor [betrokkene 1]”. Volgens het overzicht is in totaal € 230.535,00 overgeboekt naar [betrokkene 1].



2.13.

[eiser] heeft de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard. Bij beschikking van 13 maart 2023 heeft deze rechtbank op zijn verzoek een vereffenaar benoemd in de nalatenschap van erflaatster. [betrokkene 1] heeft in die procedure verweer gevoerd tegen benoeming van een vereffenaar. De beschikking vermeldt dat [betrokkene 1] de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard.



2.14.
De kantonrechter in Amsterdam heeft op 26 september 2023 een bewind ingesteld over de goederen van [betrokkene 1] in verband met het hebben van problematische schulden en heeft [bedrijf 1] benoemd tot bewindvoerder.



2.15.
De vereffenaar is gedurende de vereffening een rechtszaak gestart tegen [betrokkene 2] waarin hij heeft gevorderd om voor recht te verklaren dat [betrokkene 2] jegens erflaatster althans haar nalatenschap is tekortgeschoten in de nakoming van zijn opdracht dan wel onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade. Bij vonnis van 9 april 2025 heeft de rechtbank de vorderingen van de vereffenaar afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten van [betrokkene 2], begroot op € 1.726,-.



2.16.
Bij beschikking van 22 oktober 2025 heeft de kantonrechter de opheffing van de vereffening bevolen en de vereffeningskosten vastgesteld op € 59.654,30 exclusief btw (€ 72.181,70 inclusief btw).



2.17.
De ervenrekening is na beëindiging van de vereffening – nadat het resterende saldo op de rekening van de vereffenaar was overgemaakt – opgeheven.





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



primair




I. te verklaren voor recht dat [betrokkene 1] op de voet van artikel 4:184 lid 1 sub a BW verplicht is de schulden van de nalatenschap van erflaatster ten laste van haar eigen vermogen te voldoen;
II. de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast te stellen en daarbij te bepalen dat:



de thans resterende gemeenschap een saldo heeft van € 138.772,51 en dat iedere deelgenoot daarin gerechtigd is tot een bedrag van € 69.386,25;


de nalatenschap een vordering heeft op [betrokkene 1] en [betrokkene 1] een schuld heeft aan (de nalatenschap van) erflaatster van € 230.535,-, (hetzij op basis van geldlening c.q. onttrekkingen dan wel op basis van een vordering tot terugbetaling na vernietiging van schenkingen op basis van misbruik van omstandigheden);


de nalatenschap een schuld heeft aan Ename Uitvaartzorg van € 761,90;


de nalatenschap een schuld heeft aan [eiser] i.v.m. vooroverlijden van vader van € 23.043,29;


de nalatenschap een schuld heeft aan [betrokkene 1] i.v.m. vooroverlijden van vader van € 23.043,29;


de nalatenschap een schuld heeft uit hoofde van kosten van vereffening (proceskosten [betrokkene 2]) van € 1.726,00;


de nalatenschap een (rest)schuld heeft uit hoofde van kosten van vereffening (restant loon vereffenaar) van € 43.188,01;


de vordering op [betrokkene 1] op haar aandeel in de nalatenschap wordt toegerekend waarna van haar nog een te betalen bedrag van € 161.148,75 resteert en na verrekening met de vordering van gedaagde uit hoofde van de nalatenschap van erflater (€ 23.043,29) een nog te betalen bedrag van € 138.105,45 resteert;




althans de wijze van verdeling in goede justitie vast te stellen;



III. [betrokkene 1] te veroordelen om, ter uitvoering van de verdeling van de nalatenschap van erflaatster, de navolgende schulden van de nalatenschap rechtstreeks aan de betreffende schuldeisers te voldoen:

a. a) aan Ename Uitvaartzorg € 761,90
b) aan [eiser] i.v.m. vooroverlijden vader € 23.043,29
c) aan [betrokkene 2] (kosten vereffening) € 1.726,00
d) aan de vereffenaar (restantloon) € 43.188,01

te voldoen binnen een maand na dagtekening van dit vonnis en om binnen een maand na dagtekening van dit vonnis na iedere betaling aan eiser een schriftelijk althans deugdelijk betalingsbewijs te verstrekken waaruit blijkt dat de betreffende schuld van de nalatenschap is voldaan, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,-;
IV. [betrokkene 1] te veroordelen om, ter uitvoering van de verdeling van de nalatenschap van erflaatster, het aandeel van eiser in de nalatenschap van erflaatster van € 69.386,25 aan [eiser] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2022, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;




subsidiair




V. [betrokkene 1] te veroordelen om ten laste van haar vermogen aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.521,65, zijnde het deel van de schuld aan [eiser] in verband met het vooroverlijden van vader voor zover deze schuld haar aangaat;




primair en subsidiair

VI. [betrokkene 1] te veroordelen in de kosten van dit geding, vermeerderd met wettelijke rente.




3.2.
De bewindvoerder voert namens [betrokkene 1] verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.







4De beoordeling


4.1.
Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de naar [betrokkene 1] overgeboekte bedragen tot een totaalbedrag van € 230.535,- door erflaatster als geldlening zijn verstrekt. Dat bedrag is [betrokkene 1] dus verschuldigd aan de nalatenschap. Namens [betrokkene 1] is betoogd dat alleen de eerste twee leningen van in totaal € 15.100,- opeisbaar zijn en de overige leningen nog niet, omdat zij met erflaatster is overeengekomen dat die leningen na het overlijden van erflaatster in termijnen zouden worden terugbetaald voor zover de geleende bedragen niet zouden kunnen worden verrekend met hetgeen [betrokkene 1] uit de nalatenschap toekomt. [eiser] betwist dat dat is afgesproken. [betrokkene 1] heeft ook ter zitting niet nader toegelicht welke concrete betalingstermijnen dan zouden zijn afgesproken en heeft de door haar gestelde afspraken ook niet met stukken onderbouwd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er geen betalingstermijnen zijn afgesproken. Dat betekent dat [betrokkene 1] het totale bedrag van € 230.535,- op grond van artikel 7:129e van het Burgerlijk Wetboek (BW) direct aan de nalatenschap moet terugbetalen, omdat inmiddels zes weken zijn verstreken nadat [eiser] namens de nalatenschap de geldleningen heeft opgeëist.



4.2.
De nalatenschap heeft dus een opeisbare vordering van € 230.535,- op [betrokkene 1]. Deze vordering vormt het enige actief van de nalatenschap. Aan de passiva kant staan diverse schulden van de nalatenschap. Niet in geschil is dat [eiser] en [betrokkene 1] uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling in het testament van vader beide een vordering op de nalatenschap hebben van € 15.166,66, te vermeerderen met 5% rente vanaf 3 maart 2016. Per 22 juli 2026 bedroeg die vordering € 23.043,29 per persoon. Daarnaast is er een schuld van € 761,90 van Ename Uitvaartzorg en een schuld van € 1.726,- aan [betrokkene 2] vanwege de proceskostenveroordeling na de verloren rechtszaak. Ook is er nog een schuld aan de vereffenaar bestaande uit het door de kantonrechter vastgestelde loon. Deze schuld bedroeg oorspronkelijk € 72.181,70 inclusief btw. Na aftrek van het resterende banksaldo van € 28.993,69 resteert een restantschuld van € 43.188,01.



4.3.

[betrokkene 1] stelt zich op het standpunt dat de schuld aan [betrokkene 2] en de schuld aan de vereffenaar plus de reeds aan de vereffenaar betaalde vergoeding van € 28.993,69, voor rekening van [eiser] moeten komen. Volgens haar zijn deze vereffeningskosten uitsluitend het gevolg van de keuzes van [eiser] om een advocaat als vereffenaar te laten benoemen door de rechtbank en in te stemmen met het voeren van een rechtszaak door de vereffenaar tegen [betrokkene 2] die door de vereffenaar is verloren. Het resultaat is dat een nalatenschap met één actiefpost en met circa € 45.000,- aan schulden nu ruim € 74.000,- aan afwikkelingskosten heeft opgeleverd. Dat was voorzienbaar, aldus [betrokkene 1] en [eiser] heeft dan ook onrechtmatig jegens haar als mede-erfgenaam gehandeld door zich op deze manier op te stellen en de nalatenschap niet te laten afwikkelen door [betrokkene 1] als executeur of zichzelf of een derde aan wie slechts een beperkte vergoeding zou toekomen te laten benoemen.



4.4.
De rechtbank volgt (de bewindvoerder van) [betrokkene 1] niet in haar standpunt dat [eiser] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. De vereffenaar is door de rechtbank benoemd nadat [eiser] en [betrokkene 1] over het verzoek tot benoeming zijn gehoord. Het verweer van [betrokkene 1] dat zij de nalatenschap als executeur wilde afwikkelen, is in de beschikking door de rechtbank verworpen, omdat de taak van de executeur door de beneficiaire aanvaarding van [eiser] was geëindigd en [betrokkene 1] geen ruimschootsverklaring kon geven. [eiser] voert terecht aan dat niet van hem verwacht kon worden zichzelf tot vereffenaar te laten benoemen, omdat dat bij geschillen tussen erfgenamen niet voor de hand ligt en in de regel dan een onafhankelijke derde door de rechtbank wordt benoemd. Uit de onderhavige procedure blijkt duidelijk dat [eiser] en [betrokkene 1] niet in staat zijn tot zakelijk contact met elkaar. Uit de overgelegde beschikking blijkt vervolgens niet dat [betrokkene 1] verweer heeft gevoerd tegen de door [eiser] voorgestelde vereffenaar mr. Dunselman. Dat had wel op haar weg gelegen als zij op dat moment al voorzag dat benoeming van die vereffenaar zou uitmonden in een wanverhouding. Het enkele feit dat [eiser] heeft verzocht om mr. Dunselman tot vereffenaar te benoemen en dat verzoek door de rechtbank is toegewezen, is dan ook geen onrechtmatige daad van [eiser] jegens [betrokkene 1] en het is ook niet in strijd met hetgeen de redelijkheid en billijkheid tussen deelgenoten betaamt. Het loon van de vereffenaar komt daarom niet voor rekening van [eiser], maar voor rekening van de nalatenschap. Datzelfde geldt voor de proceskosten van [betrokkene 2] tot betaling waarvan de vereffenaar is veroordeeld. Dat de vereffenaar in het belang van de nalatenschap een procedure tegen [betrokkene 2] is gestart, is naar het oordeel van de rechtbank ook niet onbegrijpelijk en kan [eiser] niet worden verweten.



4.5.

Het vorenstaande betekent dat de nalatenschap de volgende schulden heeft:
Ename Uitvaartzorg € 761,90

[eiser] (nalatenschap vader) € 23.043,29

[betrokkene 1] (nalatenschap vader) € 23.043,29
vereffenaar € 43.188,01

[betrokkene 2] € 1.726,00
€ 91.762,49




4.6.
Omdat de nalatenschap aan activa € 230.535,- (te weten de vordering op [betrokkene 1]) heeft, bedraagt het saldo van de nalatenschap € 138.772,50. [eiser] en [betrokkene 1] hebben ieder recht op de helft daarvan, dus op € 69.386,25 per persoon. Zolang [betrokkene 1] haar schuld aan de nalatenschap niet heeft voldaan, is er echter geen geld om de schulden te voldoen en om het erfdeel van [eiser] uit te betalen. [eiser] vordert daarom voor recht te verklaren dat [betrokkene 1] verplicht is de schulden van de nalatenschap ten laste van haar eigen vermogen te voldoen. Die vordering baseert hij op artikel 4:184 lid 1 sub a BW. De rechtbank begrijpt dat [eiser] hier doelt op lid 2 sub a BW. Dat artikel bepaalt echter - kort gezegd - dat als het saldo van een nalatenschap negatief is een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard verplicht is een op hem rustende schuld van de nalatenschap ten laste van zijn eigen vermogen te voldoen. Dit artikel ziet op de positie van de schuldeisers van de nalatenschap en hun mogelijkheid om verhaal te nemen op het eigen vermogen van erfgenamen die zuiver hebben aanvaard. Het zegt niets over de onderlinge draagplicht tussen erfgenamen en de vraag voor wiens rekening schulden van de nalatenschap komen. Dat is een kwestie die thuishoort in de verdeling. De vordering van [eiser] onder I. zal daarom worden afgewezen. Op de vraag wie van de erfgenamen welke schulden van de nalatenschap voor zijn rekening moet nemen zal de rechtbank hierna ingaan in het kader van het vaststellen van de verdeling.



4.7.
De vordering van [eiser] om de vordering van de nalatenschap op [betrokkene 1] van € 230.535 gedwongen toe te rekenen op haar aandeel in de nalatenschap zal op grond van artikel 4:228 lid 1 BW worden toegewezen. Namens [betrokkene 1] is daar ook geen verweer tegen gevoerd. Na de gedwongen toerekening van € 69.386,25 resteert nog een vordering van de nalatenschap op [betrokkene 1] van € 161.148,75. [eiser] vordert dat de vordering die [betrokkene 1] op de nalatenschap heeft uit hoofde van de nalatenschap van erflater van € 23.043,29 ook wordt verrekend met de schuld van [betrokkene 1]. De rechtbank stelt vast dat [betrokkene 1] niet alleen schuldenaar van de nalatenschap is, maar ook schuldeiser, omdat zij een vordering op de nalatenschap heeft uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling. Dat betekent dat de verrekeningsbevoegdheden bestaan op grond van 4:217 lid 1 BW. Die verrekeningsbevoegdheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank alleen namens de nalatenschap worden ingeroepen door de gezamenlijke erfgenamen. Nu namens [betrokkene 1] geen verweer is gevoerd tegen het beroep van [eiser] op verrekening neemt de rechtbank aan dat [betrokkene 1] met die verrekening instemt. De vordering van [betrokkene 1] van € 23.043,29 zal dus worden verrekend met de resterende vordering van de nalatenschap op [betrokkene 1] van € 161.148,75 waarna nog een vordering op [betrokkene 1] resteert van € 138.105,45.



4.8.
Het vorenstaande brengt mee dat de verdeling van de nalatenschap zoals onder II door [eiser] gevorderd zal worden toegewezen.



4.9.
In het kader van de verdeling zal de rechtbank de resterende vordering van de nalatenschap op [betrokkene 1] van € 138.105,45 aan [betrokkene 1] zelf toedelen. Ter compensatie zal de rechtbank bepalen dat de resterende schulden van de nalatenschap, te weten de schulden aan Ename Uitvaartzorg ad € 761,90, aan [eiser] ad € 23.043,29, aan [betrokkene 2] ad € 1.726,00 en aan de vereffenaar ad € 43.188,01 in de onderlinge verhouding tussen [eiser] en [betrokkene 1] voor rekening van [betrokkene 1] komen. De bepaling dat [betrokkene 1] de schulden voor haar rekening moet nemen, zegt iets over de onderlinge draagplicht en niet over de aansprakelijkheid voor de schulden en vormt ook geen grondslag voor een veroordeling tot betaling aan de schuldeisers zoals [eiser] vordert. Die vordering zal dus worden afgewezen, evenals de daaraan gekoppelde betalingstermijn en dwangsom.



4.10.

[betrokkene 1] wordt na het vorenstaande nog steeds overbedeeld voor een bedrag van € 69.386,25, hetgeen overeenkomt met het erfdeel van [eiser]. [betrokkene 1] zal, zoals gevorderd onder IV, worden veroordeeld om dit bedrag aan [eiser] te betalen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis, zijnde de datum van de verdeling.



4.11.
Gelet op de relatie tussen [eiser] en [betrokkene 1] zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





5De beslissing


De rechtbank



5.1.
stelt de verdeling van de nalatenschap van erflaatster als volgt vast en bepaalt dat:


de thans resterende gemeenschap een saldo heeft van € 138.772,51 en dat [eiser] en [betrokkene 1] ieder gerechtigd zijn tot een bedrag van € 69.386,25;


de nalatenschap een vordering heeft op [betrokkene 1] en [betrokkene 1] op basis van geldlening een schuld heeft aan (de nalatenschap van) erflaatster van € 230.535,-;


de nalatenschap een schuld heeft aan Ename Uitvaartzorg van € 761,90;


de nalatenschap een schuld heeft aan [eiser] i.v.m. vooroverlijden van vader van € 23.043,29;


de nalatenschap een schuld heeft aan [betrokkene 1] i.v.m. vooroverlijden van vader van € 23.043,29;


de nalatenschap een schuld heeft uit hoofde van kosten van vereffening (proceskosten [betrokkene 2]) van € 1.726,00;


de nalatenschap een (rest)schuld heeft uit hoofde van kosten van vereffening (restant loon vereffenaar) van € 43.188,01;


de vordering op [betrokkene 1] wordt toegerekend op haar aandeel in de nalatenschap waarna van haar nog een te betalen bedrag van € 161.148,75 resteert en na verrekening met de vordering van [betrokkene 1] uit hoofde van de nalatenschap van erflater (€ 23.043,29) een nog door [betrokkene 1] te betalen bedrag van € 138.105,45 resteert;


de hiervoor vermelde vordering van de nalatenschap op [betrokkene 1] van € 138.105,45 aan [betrokkene 1] wordt toegedeeld;


de hiervoor vermelde schulden van de nalatenschap in de onderlinge verhouding tussen [eiser] en [betrokkene 1] voor rekening van [betrokkene 1] komen en [betrokkene 1] deze schulden moet voldoen;





5.2.
veroordeelt [betrokkene 1] om wegens overbedeling aan [eiser] te betalen een bedrag van € 69.386,25, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 september 2026 tot de dag van algehele betaling;



5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op26 augustus 2026.















































977