Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11008

2026-09-09 Civiel recht; Arbeidsrecht K/4102/12067373
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
K/4102/12067373
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1479; AR-Updates.nl 2026-1479

Inhoudsindicatie

De werkgever stelt dat hij na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst malversaties (fraude) in de door de werknemer verrichte salarisbetalingen en banktransacties heeft ontdekt. Een deel van de vorderingen valt onder de finale kwijting c.q. aanvullende afspraken. Voor de overige vorderingen komt het aan op de stelplicht en de bewijslast.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.458 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer: 12067373 \ CV EXPL 26-497




Vonnis van 9 september 2026




in de zaak van



de besloten vennootschap,


[eiser] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. N.H. Fridsma,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. L. Kunst-van Leeuwen.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 18 producties;
- het vonnis in incident van 14 januari 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord met 18 producties;
- de aanvullende productie 19 van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 13 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitaantekeningen van [eiser]- de pleitaantekeningen van [gedaagde] .



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2Feiten


2.1.

[gedaagde] is van 1 juni 2017 tot 1 januari 2025 bij [eiser] in dienst geweest als Office Manager.


2.2.
Het dienstverband is (na intrekking van een ontslag op staande voet) geëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst d.d. 15 en 18 november 2024.


2.3.
In de vaststellingsovereenkomst is (onder meer) het volgende bepaald:



“IN AANMERKING NEMENDE DAT:




a. werknemer sinds 1 juli 2017 voor onbepaalde tijd in dienst is van werkgever, laatstelijk in de functie van Office Manager. Het huidige salaris van werknemer bedraagt € 5.378,68 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten;

b. (…)




KOMEN ALS VOLGT OVEREEN:





(…)





Vergoeding

5a. Partijen komen overeen dat werkgever aan werknemer een ontslagvergoeding betaalt van € 4.000,-- bruto. Daarnaast worden de kosten van rechtsbijstand vergoed tot een bedrag van € 750,-- exclusief BTW tegen overhandiging van een op naam van de werknemer gestelde factuur. Deze vergoedingen zijn zijdens de werkgever voorwaardelijk overeengekomen, namelijk onder de voorwaarde dat de werknemer zich voor 1 februari 2025 niet ziek meldt of aanspraak maakt op een Ziektewet-uitkering en onder de voorwaarde dat tussen werkgever en de zoon van werknemer een vaststellingsovereenkomst wordt gesloten inhoudende einde dienstverband per direct en finale kwijting over en weer. Voor het overige maakt werknemer geen aanspraak op enige vergoeding, inclusief maar niet beperkt tot een transitievergoeding, beëindigingsvergoeding of enig andere vorm van financiële compensatie van werkgever.





Partijen verlenen elkaar finale kwijting ter zake van alle mogelijke aanspraken voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan. Deze kwijting is zijdens de werkgever voorwaardelijk, namelijk onder de voorwaarde dat de werknemer zich voor 1 februari 2025 niet ziek meldt of aanspraak maakt op een Ziektewet-uitkering.





(…)





Overige bepalingen

(…)




21. Partijen verklaren dat zij alle voor hen relevante onderwerpen met betrekking tot de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan met elkaar hebben besproken en voor zover daar aanleiding toe was, in deze overeenkomst hebben opgenomen. Behoudens de afspraken uit deze overeenkomst hebben partijen niets meer van elkaar te vorderen ter zake van de arbeidsovereenkomst, een eventueel van toepassing zijnde cao, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en alles wat daar direct of indirect uit voort kan vloeien en verlenen partijen elkaar over en weer algehele en finale kwijting. Deze bepaling geldt ook ten aanzien van aan de werkgever gelieerde partijen. De kwijting zijdens werkgever is voorwaardelijk als beschreven in artikel 5.”




2.4.
Op 14 januari 2025 heeft (de voormalige gemachtigde van) [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat er niets meer aan haar zou worden betaald, omdat na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst diverse frauduleuze handelingen c.q. malversaties zouden zijn ontdekt.



2.5.
Op 13 februari 2025 heeft telefonisch overleg plaatsgevonden tussen de (voormalige) gemachtigden van partijen. De (voormalig) gemachtigde van [gedaagde] heeft naar aanleiding daarvan op 17 februari 2025 aan de (voormalig) gemachtigde van [eiser] geschreven:



“Naar aanleiding van ons telefoongesprek van afgelopen donderdag, waarin u aangaf dat uw cliënt [ [eiser] ] bereid is de helft van de transitievergoeding te betalen (derhalve € 2.000,- bruto), bericht ik u dat cliënte [ [gedaagde] ] hiermee akkoord is. Hierbij merk ik wel op dat cliënte met haar aanvaarding uitdrukkelijk niet erkent dat hetgeen uw cliënt stelt juist is, maar dat zij met het aanbod enkel instemt om een kostbare procedure te voorkomen”




2.6.

[eiser] heeft de (verlaagde) transitievergoeding c.q. beëindigingsvergoeding tot op heden niet uitbetaald.



2.7.
Met toestemming van de voorzieningenrechter te Amsterdam is op verzoek van [eiser] conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagde] in [plaats 2] .





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot (1) betaling van € 72.849,83, vermeerderd met rente en kosten en (2) tot afgifte van de inloggegevens van het Bol.com account dat verbonden is aan het KvK-nummer van [eiser] .



3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering(en) ten grondslag dat hij na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst diverse (financiële) malversaties in de door [gedaagde] gedane salarisbetalingen, banktransacties en andere handelingen heeft ontdekt. [eiser] heeft daardoor schade geleden. [gedaagde] is gehouden om deze schade aan hem te vergoeden.



3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . Zij voert aan dat voor alle door [eiser] als ‘onrechtmatig’ bestempelde handelingen een rechtsgrond bestaat. Bovendien is voor een deel van de vorderingen een minnelijke regeling getroffen en is een deel van de vorderingen verjaard. Ten slotte staat het finale kwijtingsbeding aan toewijzing van elk van de vorderingen van [eiser] in de weg.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



Finale kwijting vaststellingsovereenkomst




4.1.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat de vorderingen van [eiser] onder het bereik van de in de vaststellingsovereenkomst van 15 en 28 november 2024 overeengekomen finale kwijting vallen. [eiser] heeft dat gemotiveerd betwist. De eerste vraag die voorligt, is dan ook hoe de strekking van de vaststellingsovereenkomst en de daarin opgenomen finale kwijting moet worden uitgelegd.


4.2.
Als uitgangspunt geldt dat de uitleg van de finale kwijting moet plaatsvinden aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij geldt dat finale kwijting in beginsel niet alomvattend is, tenzij dat uit de partijafspraken blijkt.



4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat uit de (zeer) ruime formulering van het finale kwijtingsbeding en het feit dat daarin voor één specifieke situatie een voorbehoud is opgenomen, niet zonder meer volgt dat partijen hebben beoogd afstand te doen van alle denkbare vorderingen die niet onder dat voorbehoud vallen. In de vaststellingsovereenkomst is geen bepaling opgenomen waaruit volgt dat de finale kwijting ook geldt voor vorderingen die op het moment van het sluiten van de beëindigingsovereenkomst nog onvoorzien waren. Het kan daarom niet worden aangenomen dat partijen de bedoeling hebben gehad om afstand te doen van rechten en vorderingen waarvan ze ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nog geen kennis hadden.
Niet gebleken is dat [eiser] , voorafgaand aan of ten tijde van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, op de hoogte was van de (gestelde) frauduleuze handelingen of malversaties waarop hij (het grootste gedeelte van) zijn vorderingen in deze procedure heeft gebaseerd. Onder deze omstandigheden kan daarom niet worden aangenomen dat [eiser] afstand heeft gedaan van de vorderingen die in deze procedure aan de orde zijn, met uitzondering van de vordering die ziet op de loonsverhogingen.




4.4.
Ten aanzien van de vordering die ziet op de loonsverhogingen, stelt de kantonrechter vast dat het salaris van [gedaagde] expliciet in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen. Daaruit volgt dat [eiser] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was met de hoogte van het laatstelijk door [gedaagde] verdiende salaris. [eiser] was ook bekend met het startsalaris van [gedaagde] . [eiser] moet er dus mee bekend zijn geweest dat het salaris tussentijds is verhoogd c.q. heeft ervan afgezien te onderzoeken welke concrete salarisverhogingen tot het laatstelijk salaris hebben geleid. De kantonrechter is van oordeel dat in het licht van deze gang van zaken de vaststellingsovereenkomst zo dient te worden uitgelegd, dat partijen de bedoeling hebben gehad om ook alle geschillen met betrekking tot de hoogte van het salaris onder de finale kwijting te laten vallen. Dat betekent dat de vordering tot terugbetaling van de (volgens [eiser] ) ten onrechte door [gedaagde] aan zichzelf toegekende loonsverhogingen wordt afgewezen.



Aanvullende afspraken februari 2025





4.5.

[eiser] heeft ter zitting toegelicht dat hij bij het opmaken van de eindafrekening van [gedaagde] (en dus na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst) afwijkingen in de loonstroken van [gedaagde] heeft ontdekt (zoals een bonus die hij niet herkende). Deze afwijkingen hebben aanleiding gegeven tot nader onderzoek. Bij dit nadere onderzoek zijn volgens [eiser] diverse malversaties aan het licht gekomen, namelijk:


salarisverhogingen vanaf januari 2020,


aanvulling vakantiegeld 2021-2024,


extra maandsalaris augustus 2021,


extra betaling maart 2022 (waaronder factuur [betrokkene 1]),


onkostenvergoeding mei 2022,


reis- en onkostenvergoeding vanaf januari 2023,


CAK-kosten vanaf oktober 2022 en


factuur [bedrijf 1].





4.6.
De (voormalig) gemachtigde van [eiser] heeft op 14 januari 2025 aan [gedaagde] laten weten dat [eiser] vanwege de hiervoor genoemde malversaties ‘helemaal niets meer’ aan haar zou betalen. Op 20 januari 2025 heeft de (voormalig) gemachtigde van [gedaagde] inhoudelijk op de aantijgingen van [eiser] gereageerd, waarna de gemachtigden verder hebben gecorrespondeerd over de wijze waarop deze kwestie kon worden afgewikkeld. Partijen twisten over de vraag of zij (in aanvulling op de vaststellingsovereenkomst) een minnelijke regeling hebben bereikt waarin bovengenoemde onderwerpen zijn geregeld. De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Uit de correspondentie tussen de (voormalige) gemachtigden volgt dat op 13 februari 2025 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden, naar aanleiding waarvan [gedaagde] zonder aansprakelijkheid te erkennen maar ‘om een kostbare procedure te voorkomen’, heeft ingestemd met het aanbod van [eiser] om de overeengekomen beëindigingsvergoeding te verlagen tot € 2.000,-. De kantonrechter is van oordeel dat uit die formulering in samenhang met de daaraan voorafgaande correspondentie volgt dat de in r.o. 4.5. genoemde onderwerpen onderdeel zijn geweest van de telefonische onderhandelingen en dat partijen met de afspraak om de beëindigingsvergoeding met de helft te verlagen het doel hebben gehad om het boek op deze punten te sluiten. [eiser] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat het feit dat de transitievergoeding destijds is gehalveerd in verband met malversaties nog niet betekent dat zij het recht heeft prijsgegeven om in verband met die malversaties bedragen terug te vorderen, maar dat betoog volgt de kantonrechter niet. Het gaat erom hoe [gedaagde] de afspraken mocht opvatten. Uit niets blijkt dat [eiser] zich het recht heeft voorbehouden op deze punten nog een vordering tegen [gedaagde] in te stellen, en een dergelijk voorbehoud zou ook niet passen bij de afspraak dat de transitievergoeding in verband met deze onderwerpen wordt verlaagd. De kantonrechter concludeert dat partijen ter beëindiging van hun geschil over deze onderwerpen een regeling hebben getroffen en de beweerdelijke vorderingen definitief zijn afgedaan. Dat heeft tot gevolg dat de betreffende vorderingen in deze procedure worden afgewezen.



Onderzoeksplicht overige onregelmatigheden





4.7.

[gedaagde] stelt dat [eiser] in de periode tussen het sluiten van de oorspronkelijke vaststellingsovereenkomst en het maken van de aanvullende afspraken nader onderzoek had moeten (laten) doen naar eventuele andere onregelmatigheden. Dat hij dat niet heeft gedaan, komt volgens [gedaagde] voor zijn eigen rekening en risico en moet ertoe leiden dat hij zich nu niet achteraf op het standpunt kan stellen dat er nóg meer onregelmatigheden zouden zijn gebleken.



4.8.
De kantonrechter volgt die stelling niet. Daartoe overweegt zij dat onregelmatigheden in salarisbetalingen van een geheel andere orde zijn dan het (herhaaldelijk) verrichten van onbevoegde banktransacties. De (beweerdelijke) onregelmatigheden in het salaris en de bijbehorende emolumenten en de enkele factuur [bedrijf 1], brengen op zichzelf dan ook geen verplichting voor [eiser] mee om een diepgaand onderzoek in te stellen naar alle door [gedaagde] tijdens haar dienstverband verrichte betalingen. [eiser] heeft ter zitting voldoende overtuigend toegelicht dat de overige in deze procedure gestelde malversaties pas aan het licht zijn gekomen op het moment dat hij de administratie van zijn bedrijf aan een accountant wilde overdragen. Op dat moment werd een (digitale) map met administratie ontdekt die niet was terug te voeren op een van de bedrijven van [eiser] . Ook de papieren die nog op het bureau van [gedaagde] lagen, riepen vraagtekens op. Deze (aanvullende) onregelmatigheden waren voor [eiser] de reden om geen uitvoering te geven aan zijn verplichting uit de aanvullende afspraken om nog € 2.000,00 aan [gedaagde] te betalen.



4.9.
De conclusie is dat de overige vorderingen van [eiser] buiten de overeengekomen finale kwijting en aanvullende afspraken vallen, zodat deze vorderingen hierna inhoudelijk zullen worden beoordeeld.



Teveel overgemaakt nettosalaris





4.10.

[gedaagde] erkent dat zij op 1 augustus 2018 per abuis eenmalig een te hoog salaris aan zichzelf heeft overgemaakt. Zij stelt dat zij het te veel ontvangen bedrag contant aan [eiser] heeft terugbetaald en beroept zich op verjaring. [eiser] heeft dat betwist. Volgens [eiser] kan geen sprake zijn van verjaring, omdat de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt een strafbaar feit (valsheid in geschrifte) oplevert.



4.11.
Het is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De conclusie is dan ook dat de vordering tot terugbetaling van het teveel uitgekeerde bedrag per 1 augustus 2023 door verjaring teniet is gegaan en daarom in deze procedure wordt afgewezen.



Stichting BNI IJmond/Parksoos





4.12.

[eiser] stelt dat [gedaagde] tot tweemaal toe ten onrechte een door BNI gerestitueerd bedrag op haar eigen bankrekening heeft laten overmaken dan wel de door [eiser] ontvangen restitutie ten onrechte naar haar eigen bankrekening heeft overgeboekt.



4.13.

[gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat zij het eerste bedrag (€ 475,00) in opdracht van [eiser] door BNI naar haar privérekening heeft laten overschrijven en vervolgens contant aan [eiser] heeft terugbetaald. Ten aanzien van het tweede bedrag (€ 160,00) heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij dit bedrag via haar privérekening aan BNI had voorgeschoten. Dit zijn zogenoemde ‘bevrijdende verweren’. Dat betekent dat [gedaagde] daarvan de stelplicht en de bewijslast draagt. De kantonrechter is van oordeel dat zij daar niet in is geslaagd. [gedaagde] heeft haar stellingen, die door [eiser] zijn betwist, niet onderbouwd met stukken, zoals een schriftelijke opdracht of een bankafschrift waaruit de overschrijving van haar privérekening naar BNI blijkt. Dat had wel op haar weg gelegen. De conclusie is dan ook dat de vordering van [eiser] tot betaling van € 635,00 zal worden toegewezen.




[betrokkene 2]






4.14.

[gedaagde] is nauw betrokken bij de Gambiaanse atleet [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). Tussen partijen is niet in geschil dat [betrokkene 2] diverse keren werkzaamheden voor [eiser] heeft verricht. De daaruit voortvloeiende facturen zijn namens [betrokkene 2] door [gedaagde] opgemaakt en door [eiser] ontvangen.



4.15.
De kantonrechter stelt voorop dat niet is gebleken dat [betrokkene 2] méér facturen aan [eiser] heeft verstuurd dan de facturen die bij de dagvaarding zijn gevoegd. Ter zitting is duidelijk geworden dat in ieder geval één van de bij de dagvaarding gevoegde facturen (namelijk de factuur ter zake van het ophalen van het hobbelpaard) terecht is opgemaakt en betaald en dat de vordering van [eiser] dus in zoverre niet klopt. [eiser] heeft desgevraagd ter zitting niet goed kunnen uitleggen welke facturen een rechtsgrond hebben en welke niet. De conclusie is dan ook dat [eiser] op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De vorderingen met betrekking tot [betrokkene 2] zullen worden afgewezen.



Samsung telefoons





4.16.

[eiser] stelt dat [gedaagde] op rekening van [eiser] meerdere telefoons voor eigen gebruik heeft aangeschaft, waarvoor zij geen toestemming had. Het gaat daarbij onder meer om een Samsung Galaxy A51 inclusief hoesje bij Coolblue op 25 maart 2021 (€ 276,99) en een Samsung Galaxy S22 bij Konneqt IQ op 8 juni 2023 (€ 650,38). Daarnaast heeft zij op 4 augustus 2021 een bedrag van € 408,98 naar haar privérekening overgemaakt met de omschrijving ‘vergoeding aanschaf telefoon’.



4.17.

[gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat zij zowel privé als zakelijk gebruik maakt van een Samsung. Het kan dus kan kloppen dat deze telefoons voor haar bestemd waren. Dit neemt volgens [gedaagde] niet weg dat de telefoons met toestemming van [eiser] zijn besteld en conform de gebruikelijke wijze zijn geadministreerd. De overschrijving van 4 augustus 2021 betreft een terugboeking, omdat [gedaagde] deze telefoon zelf had voorgeschoten. [eiser] heeft een en ander betwist. [gedaagde] heeft haar verweer opnieuw op geen enkele wijze onderbouwd. Gelet op het bevrijdende karakter van de verweren, kan [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter niet volstaan met een blote betwisting. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 918,37.



Bol.com





4.18.

[eiser] stelt dat [gedaagde] daarnaast (zonder medeweten en/of toestemming van [eiser] ) spullen voor zichzelf heeft besteld via het zakelijke Bol.com account van [eiser] . Het gaat om:


een parfum ter waarde van € 87,45, betaald op 30 maart 2021;


een massageapparaat ter waarde van € 899,00, besteld op 31 maart 2021 en betaald op 19 april 2021;


een indoor outdoor speedsac ter waarde van € 383,23, besteld op 12 april 2021 en betaald op 19 april 2021;


een massageapparaat en een onbekend artikel ter waarde van in totaal € 662,95, betaald op 27 november 2021;


een Apple iPad Pro ter waarde van € 1.312,99, besteld op 6 maart 2022 en betaald op 18 april 2022;


een Apple Magic Keyboard ter waarde van € 349,00, besteld op 14 maart 2022 en betaald op 18 april 2022;


diverse artikelen ter waarde van in totaal € 541,55 (inclusief herinneringskosten), besteld op 10, 11 en 14 mei 2022 en betaald op 5 juli 2022;


een onbekend artikel ter waarde van € 225,00, betaald op 13 maart 2023.





4.19.

[gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat het parfum een geschenk voor de partner van [eiser] was, dat zij in opdracht van [eiser] had besteld. Het onbekende artikel betreft een beeldscherm voor collega [betrokkene 3], dat nodig was op kantoor. [eiser] heeft dat niet betwist, zodat niet is gebleken dat de kosten van deze bestellingen zonder rechtsgrond ten laste van [eiser] zijn gebracht. De vordering tot vergoeding van de aanschafprijs van deze artikelen wordt dan ook afgewezen.



4.20.
Ten aanzien van Apple-artikelen heeft [gedaagde] aangevoerd dat deze bestelling een zakelijk karakter had. Hoewel deze artikelen op het thuisadres van [gedaagde] zijn bezorgd, heeft zij deze vervolgens aan [eiser] overhandigd. Ten aanzien van de overige bestellingen heeft [gedaagde] gesteld dat deze inderdaad voor privédoeleinden waren bestemd, maar dat ze de daarmee gemoeide kosten contant aan [eiser] heeft terugbetaald. [eiser] heeft een en ander betwist.



4.21.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] haar verweer (opnieuw) niet heeft onderbouwd. Dat had wel op haar weg gelegen. Het verweer van [gedaagde] wordt daarom als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. Dit geldt te meer nu [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter ook geen goede verklaring heeft gegeven voor de omstandigheid dat bij de betaling van twee van de bestellingen het rekeningnummer van de begunstigde (Bol.com) niet overeenkomt met de gebruikte tenaamstelling (de betaling van 27 november 2021 was gedaan ten name van ‘Zwitserleven’ en de betaling van 18 april 2022 was gedaan ten name van ‘Hotim’). [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 4.148,72.



4.22.
Ten aanzien van de vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van de inloggegevens van het Bol.com account dat verbonden is aan het KvK-nummer van [eiser] , overweegt de kantonrechter als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] het account voornamelijk privé heeft gebruikt. Dat maakt dat het aannemelijk is dat er ook privégegevens van [gedaagde] (zoals bijvoorbeeld bestelde privéartikelen, privéadressen en gekoppelde betaalpassen) in het account staan. De kantonrechter kan de vordering tot afgifte van de inloggegevens daarom niet zomaar toewijzen. [eiser] kan Bol.com zelf verzoeken om de koppeling met haar KvK-nummer uit het account te verwijderen. Van [gedaagde] wordt verwacht dat zij daaraan haar medewerking verleent.



E-werkboeken





4.23.

[eiser] stelt verder dat [gedaagde] op 16 april 2021 zonder rechtsgrond een bedrag van € 130,87 naar haar eigen bankrekening heeft overgemaakt, met als omschrijving ‘e-werkboeken’. [gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat deze overschrijving een rechtmatige terugbetaling betreft. Zij had de factuur van e-werkboeken aan [eiser] per abuis met haar privérekening voldaan.



4.24.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] ook op dit punt heeft nagelaten om haar verweer met stukken (zoals bijvoorbeeld een betalingsbewijs van haar privébetaling aan e-werkboeken) te onderbouwen. Daar komt bij dat de door [gedaagde] gestelde privébetaling moeilijk valt te rijmen met het feit dat e-werkboeken vervolgens vanwege het onbetaald blijven van de factuur een incassotraject jegens [eiser] is gestart en [gedaagde] op 21 juli 2021 de factuur van het incassobureau (vanaf de zakelijke rekening van [eiser] ) heeft voldaan die betrekking had op dezelfde vordering. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 130,87.



Onjuiste combinatie van naam en IBAN





4.25.

[eiser] stelt dat zij in de administratie diverse betalingen heeft aangetroffen waarbij de naam en het rekeningnummer van de begunstigde niet overeenkomen, en die niet zien op kosten ten behoeve van [eiser] . Het gaat daarbij om:


een betaling van € 863,94 d.d. 1 mei 2021 aan Rodi Media, ten name van [bedrijf 2], die betrekking heeft op een advertentie voor sponsoring van [betrokkene 2];


een betaling van € 425,93 d.d. 8 maart 2022 aan Konneqt IQ, ten name van [bedrijf 3];


een betaling van € 480,00 d.d. 7 mei 2022 aan [gedaagde] , ten name van PSK (Pensioen Service Kantoor);


een betaling van € 2.934,86 d.d. 24 april 2024 aan Konneqt IQ, ten name van Sociaal Fonds Meubelindustrie.





4.26.
De door [gedaagde] gestelde rechtsgrond voor deze betalingen is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk geworden. Daarbij is van belang dat [gedaagde] geen afdoende verklaring heeft gegeven voor de discrepantie tussen de tenaamstellingen en de rekeningnummers. De stelling dat het om administratieve ‘knip- en plakfouten’ zou gaan, vindt de kantonrechter onvoldoende overtuigend. Bovendien heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat [eiser] met de betreffende betalingen heeft ingestemd. Weliswaar heeft [gedaagde] ten aanzien van de betaling aan Konneqt IQ van 24 april 2024 (terecht) aangevoerd dat het niet voor de hand ligt om heimelijk aangeschafte telefoons (twee iPhones met accessoires) op het adres van de werkgever te laten afleveren en door de werkgever in ontvangst te laten nemen, maar dat alleen is, zeker in combinatie met de onjuiste tenaamstelling van de betaling waarvoor geen deugdelijke verklaring is gegeven, onvoldoende om instemming van [eiser] met de rechtshandeling aan te nemen.



4.27.
Ten aanzien van de betaling aan [gedaagde] ten name van PSK, heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat dit om een gebruikelijke onkostenvergoeding gaat. [gedaagde] heeft toegelicht dat zij zich tot PSK heeft gewend voor individueel pensioenadvies. Zij had met [eiser] afgesproken dat de kosten hiervoor door hem zouden worden vergoed. Ook dit is een bevrijdend verweer. Het had (gelet op de betwisting door [eiser] ) dan ook op de weg van [gedaagde] gelegen om haar stelling te onderbouwen. Dit had zij kunnen doen door, bijvoorbeeld, een afschrift van haar voorschotbetaling aan PSK, de factuur van PSK aan haar in privé en/of een kopie van het ontvangen pensioenadvies in het geding te brengen. Nu [gedaagde] dit heeft nagelaten, kan de conclusie niet anders luiden dan dat zij haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 4.704,73.




[bedrijf 4]





4.28.

[eiser] stelt verder dat [gedaagde] op 20 juni 2022 en 25 oktober 2022 bestellingen bij [bedrijf 4] heeft geplaatst en de kosten daarvan zonder medeweten of toestemming ten laste van [eiser] heeft gebracht. De eerste bestelling zag op 50 gekleurde t-shirts (€ 417,50) en de tweede bestelling op 20 setjes voetbalkleding (€ 1.096,26).


4.29.
Ten aanzien van de eerste bestelling heeft [gedaagde] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een rechtsgrond bestond om de kosten daarvan voor rekening van [eiser] te laten komen. De enkele (niet onderbouwde) stelling dat [eiser] van deze bestelling op de hoogte was en daarvoor toestemming had gegeven, is daartoe onvoldoende. Dit geldt te meer nu uit de begeleidende e-mail aan [bedrijf 4] blijkt dat [gedaagde] [bedrijf 4] heeft verzocht om in de omschrijving van de bestelling op te nemen dat het om werkkleding ging, zodat de btw kon worden afgetrokken en de bestelling als gebruikelijk kon worden gefactureerd. Dit vormt naar het oordeel van de kantonrechter een aanwijzing dat de bestelling feitelijk een andere aard had dan uit de omschrijving op de factuur volgt. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 417,50.



4.30.
Ten aanzien van de tweede bestelling heeft [gedaagde] ter zitting toegelicht dat zij met [eiser] had besproken dat ze voetbalshirtjes zou gaan bestellen voor een voetbalteam in Gambia. Daarvan heeft zij ook filmpjes laten zien aan zowel [eiser] als zijn vader. [eiser] heeft dat niet betwist, maar voert aan dat hij niet wist dat hij voor de kosten zou opdraaien. De kantonrechter acht deze betwisting onvoldoende om de concrete stellingen van [gedaagde] te ontkrachten. Het is dan ook niet gebleken dat deze betaling zonder rechtsgrond ten laste van [eiser] is gebracht.



Conclusie





4.31.
De conclusie is dat de vordering van [eiser] tot een bedrag van € 10.955,19 wordt toegewezen, en voor het overige wordt afgewezen.



4.32.
De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.



4.33.
Partijen zijn op basis van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verplicht de voor de beslissing van een rechter van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De kantonrechter stelt vast dat in de dagvaarding - en in het beslagrekest - geen melding is gemaakt van de correspondentie die in januari en februari 2025 tussen de (voormalige) gemachtigden van partijen heeft plaatsgevonden. Deze correspondentie is echter wel van groot belang gebleken voor de uitkomst van de zaak (zie 4.6). [gedaagde] heeft dan ook terecht gesteld dat [eiser] de waarheidsplicht heeft geschonden. De kantonrechter kan daaraan de consequentie(s) verbinden die zij geraden acht. In deze situatie ziet de kantonrechter daarom aanleiding om (mede gelet op het feit dat de vordering van [eiser] voor het overgrote deel wordt afgewezen) de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en de vordering tot vergoeding van de beslagkosten af te wijzen.



4.34.
In dit vonnis hoeft niet meer te worden beslist over de proceskosten in het incident, nu hierover reeds bij vonnis in incident van 14 januari 2026 is geoordeeld.






5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.955,19, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,



5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.



De griffier De kantonrechter




HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 (Haviltex) en HR 2 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1948, JAR 2004/55 (Eemsmond Beheer).


HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7588, JAR 2012/92 (ABN Amro/Dayala).