Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:10903
2026-08-13
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/15/380254 / KG ZA 26-429
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Rectificatie uitlatingen. Afgewezen. Geen spoedeisend belang en geen onrechtmatige uitlatingen gedaan aan 'het publiek'.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.689 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/380254 / KG ZA 26-429
Vonnis in kort geding van 13 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.P.M. Engels,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. Y. Weggemans-Bruin.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 juli 2026, met producties 1-12;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1-3;- de mondelinge behandeling van 30 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Engels heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. De zitting heeft achter gesloten deuren plaatsgehad.
2De uitgangspunten
2.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn voormalig zwager en schoonzus. [eiser] en de zus van [gedaagde] , [zus] , kregen op enig moment een affectieve relatie. Op dat moment was het zoontje van [zus] , [zoon] , dat verwekt was tijdens een eerdere relatie, ongeveer twee maanden oud. [eiser] heeft [zoon] in 2020 erkend.
2.2.
In september 2024 is de relatie tussen [eiser] en [zus] geëindigd. Zij hebben vervolgens tot april 2025 samengewoond in de woning van [eiser] .
2.3.
Op 20 juni 2025 hebben [eiser] en [gedaagde] elkaar getroffen in de lokale supermarkt. Zij hebben daarbij met elkaar gesproken. Op enig moment hebben partijen elkaar (bewust of onbewust) aangeraakt. [gedaagde] heeft hiervan melding gemaakt bij de politie.
2.4.
Op diezelfde dag is [zoon] tijdens school opgehaald door [zus] en heeft zij via WhatsApp aan [eiser] medegedeeld:
“[eiser] gezien zeer onprettige (fysieke) ontmoeting die vanmorgen met mijn zus had, laat ik je hierbij weten dat ik [zoon] zojuist zelf heb opgehaald van school. [zoon] zal dit weekeind niet bij jou logeren. Ik stel namelijk onze veiligheid boven alles.”
2.5.
[eiser] heeft sindsdien geen omgang meer gehad met [zoon] .
3Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] beveelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis haar uitlatingen over [eiser] te rectificeren in een door haar rechtstreeks aan [eiser] te zenden e-mail, waarin zij meldt dat [eiser] haar niet heeft mishandeld en/of geduwd en dat eventuele eerdere uitlatingen of uitspraken van haar daardoor als gecorrigeerd dienen te worden beschouwd;
II. [gedaagde] beveelt om bij de politie het vonnis te laten opnemen bij de door [gedaagde] gedane aangifte althans melding, en [eiser] daarvan binnen een week na het vonnis per e-mail een schriftelijk bewijsstuk te zenden;
III. [gedaagde] verbiedt een dergelijke uitlating nogmaals te doen;
IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [gedaagde] het vonnis niet nakomt althans per keer dat [gedaagde] nogmaals een dergelijke uitlating doet;
V. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt samengevat aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] concludeert dat [gedaagde] aan [zus] [gedaagde] zal hebben gemeld dat [eiser] [gedaagde] zou hebben mishandeld en/of geduwd in de Jumbo. Uit de camerabeelden van de Jumbo blijkt duidelijk dat van mishandeling en/of duwen geen sprake is geweest. [eiser] en [gedaagde] hebben elkaar nauwelijks geraakt, [gedaagde] stak haar arm uit op een moment dat zij niet meer binnen het gezichtsveld van [eiser] stond zodat hij per ongeluk tegen haar arm aan liep. [gedaagde] heeft over dit voorval echter wel melding gemaakt bij de politie en daarnaast heeft [eiser] sinds deze ontmoeting in de Jumbo geen contact meer gehad met zijn zoontje [zoon] . [eiser] heeft dan ook belang bij rectificatie van de onjuiste en daarmee onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde] , zodat vast zal komen te staan dat hij dit niet heeft gedaan. Dit zal dan niet langer tegen hem kunnen worden gebruikt in de juridische procedure om de omgang met zijn zoontje [zoon] .
3.3.
[gedaagde] voert - kort gezegd - het volgende verweer. [gedaagde] stelt voorop dat zij op geen enkel moment het incident in de Jumbo heeft gekwalificeerd als een mishandeling. [gedaagde] is wel van mening dat zij een zet heeft gekregen van [eiser] en dat partijen niet per ongeluk met elkaar in botsing zijn geraakt. [gedaagde] heeft dus ook nooit aan anderen gemeld dat zij zou zijn mishandeld. [gedaagde] heeft bewust zo min mogelijk mensen in dit familiedrama willen betrekken. Ze heeft het voorval enkel gedeeld met haar zus, ouders en partner en heeft een melding gemaakt bij de politie. Die melding heeft ze gemaakt omdat zij van haar zus had vernomen dat er die ochtend ook al iets was voorgevallen tussen [eiser] en haar zus. Voor zover [eiser] denkt dat dit voorval in de Jumbo de enige reden is dat [eiser] [zoon] niet meer ziet, kan [gedaagde] hem niet volgen. Volgens [gedaagde] spelen er nog veel andere zaken mee. Bovendien is er geen sprake van een onrechtmatige uitlating die voor rectificatie vatbaar is en betwist [gedaagde] dat er sprake is van reputatieschade en financiële schade bij [eiser] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
In dit kort geding draait het om de vraag of [gedaagde] uitlatingen heeft gedaan over het incident wat op 20 juni 2025 in de Jumbo tussen partijen heeft plaatsgevonden en wel zodanig dat rectificatie van die uitlatingen op grond van artikel 6:167 Burgerlijk Wetboek (BW) aangewezen is.
Juridisch kader
4.2.
In artikel 6:167 lid 1 BW staat dat als iemand tegenover een ander aansprakelijk is voor een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard, de rechter hem op vordering van die ander kan veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze.
Geen spoedeisend belang
4.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft.
4.4.
De voorzieningenrechter is met [gedaagde] van oordeel dat [eiser] zijn spoedeisend belang bij de vordering tot rectificatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Een procedure in kort geding dient ertoe om, indien daarbij voldoende belang bestaat, op korte termijn ordemaatregelen te kunnen treffen. Het incident in de Jumbo heeft plaatsgevonden op 20 juni 2025. Dat is inmiddels ruim een jaar geleden. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij de camerabeelden van het incident al snel na 20 juni 2025 in zijn bezit heeft gekregen. Volgens hem tonen de camerabeelden zijn onschuld aan. In de dagvaarding heeft toegelicht dat hij - naar eigen zeggen - al sinds juli 2025 veelvuldig geconfronteerd is met de gevolgen van de gestelde uitlatingen van [gedaagde] over het incident en stelt dat hij door de uitlatingen van [gedaagde] zijn zoontje [zoon] niet meer mag zien.
4.5.
Op grond van deze feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat van [eiser] verwacht kon worden dat hij eerder actie had ondernomen als hij van mening is dat het incident in de supermarkt de omgang met zijn zoon blokkeerde. Ook had hij aan de hand van het bewijs waarover hij beschikte (de camerabeelden, die volgens hem zijn onschuld aantonen) de vermeende stellingen van zijn ex-partner over het incident in de supermarkt kunnen weerleggen om zo het pad naar omgang met zijn zoon te effenen. Onvoldoende duidelijk is welk belang [eiser] op dit moment nog heeft bij zijn vordering. Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd toegelicht dat de directe aanleiding voor dit kort geding is dat hij recent een vervelende brief heeft ontvangen over [zoon] . Wat daarvan zij, dat maakt de onderhavige vordering nog niet spoedeisend. De omgang tussen [eiser] en zijn zoon staat niet in deze procedure centraal. Daarvoor zijn andere procedures. Daarbij is er in de tussentijd al veel gebeurd rondom [eiser] , zijn ex-partner [zus] en [zoon] , onder andere bij de rechtbank en bij andere instanties, zodat om die reden ook niet valt in te zien welk spoedeisend belang er nog is bij de vordering tot rectificatie. Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat het incident in de supermarkt de enige reden is dat er geen omgang meer is tussen [eiser] en zijn zoon.
4.6.
Nu het (spoedeisend) belang bij de vorderingen van [eiser] onvoldoende aannemelijk is, moeten de vorderingen alleen al op die grond afgewezen worden.
Ten overvloede: onrechtmatige uitlatingen?
4.7.
Ten overvloede is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gevorderde rectificatie ook niet kan worden toegewezen.
4.8.
[eiser] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt wat [gedaagde] over het incident in de supermarkt gezegd zou hebben en tegen wie. Het is de voorzieningenrechter daarom niet duidelijk geworden wat [gedaagde] zou moeten rectificeren, als zij hiertoe al veroordeeld zou kunnen worden.
Daar komt bij dat [gedaagde] heeft verklaard zich slechts uitgelaten te hebben over het incident in de Jumbo tegen haar ouders, zus en partner en dat zij een melding heeft gemaakt bij de politie. Deze uitlatingen kwalificeren zich daarom ook niet als publicatie in de zin van artikel 6:167 lid 1 BW. Hoewel het begrip ‘publicatie’ in de zin van artikel 6:167 lid BW ruim moet worden opgevat en het dus op iedere openbaarmaking van toepassing kan zijn, is wel vereist dat het publiek kennis kon nemen van de publicatie en daar is in dit geval geen sprake van. Onder ‘publiek’ wordt namelijk een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden verstaan. [gedaagde] heeft slechts haar kant van het verhaal over het incident gedeeld met de politie. Het staat [gedaagde] vrij om haar ervaring van de gebeurtenis te melden bij de politie en hiermee doet zij geen uitlating aan ‘het publiek’. De eigen familiekring van [gedaagde] kwalificeert bovendien niet als ‘publiek’ in de zin van artikel 6:167 lid 1 BW.
4.9.
Bovendien heeft [gedaagde] in de conclusie van antwoord en tijdens de zitting verklaard dat het incident van 20 juni 2025 geen mishandeling was, zodat [eiser] in die zin ook geen belang heeft bij zijn vorderingen.
Proceskosten
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken, er is immers geen sprake van een familieverhouding tussen partijen.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.707,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.
AFS/JB
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/380254 / KG ZA 26-429
Vonnis in kort geding van 13 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.P.M. Engels,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. Y. Weggemans-Bruin.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 juli 2026, met producties 1-12;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1-3;- de mondelinge behandeling van 30 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Engels heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. De zitting heeft achter gesloten deuren plaatsgehad.
2De uitgangspunten
2.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn voormalig zwager en schoonzus. [eiser] en de zus van [gedaagde] , [zus] , kregen op enig moment een affectieve relatie. Op dat moment was het zoontje van [zus] , [zoon] , dat verwekt was tijdens een eerdere relatie, ongeveer twee maanden oud. [eiser] heeft [zoon] in 2020 erkend.
2.2.
In september 2024 is de relatie tussen [eiser] en [zus] geëindigd. Zij hebben vervolgens tot april 2025 samengewoond in de woning van [eiser] .
2.3.
Op 20 juni 2025 hebben [eiser] en [gedaagde] elkaar getroffen in de lokale supermarkt. Zij hebben daarbij met elkaar gesproken. Op enig moment hebben partijen elkaar (bewust of onbewust) aangeraakt. [gedaagde] heeft hiervan melding gemaakt bij de politie.
2.4.
Op diezelfde dag is [zoon] tijdens school opgehaald door [zus] en heeft zij via WhatsApp aan [eiser] medegedeeld:
“[eiser] gezien zeer onprettige (fysieke) ontmoeting die vanmorgen met mijn zus had, laat ik je hierbij weten dat ik [zoon] zojuist zelf heb opgehaald van school. [zoon] zal dit weekeind niet bij jou logeren. Ik stel namelijk onze veiligheid boven alles.”
2.5.
[eiser] heeft sindsdien geen omgang meer gehad met [zoon] .
3Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] beveelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis haar uitlatingen over [eiser] te rectificeren in een door haar rechtstreeks aan [eiser] te zenden e-mail, waarin zij meldt dat [eiser] haar niet heeft mishandeld en/of geduwd en dat eventuele eerdere uitlatingen of uitspraken van haar daardoor als gecorrigeerd dienen te worden beschouwd;
II. [gedaagde] beveelt om bij de politie het vonnis te laten opnemen bij de door [gedaagde] gedane aangifte althans melding, en [eiser] daarvan binnen een week na het vonnis per e-mail een schriftelijk bewijsstuk te zenden;
III. [gedaagde] verbiedt een dergelijke uitlating nogmaals te doen;
IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [gedaagde] het vonnis niet nakomt althans per keer dat [gedaagde] nogmaals een dergelijke uitlating doet;
V. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt samengevat aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] concludeert dat [gedaagde] aan [zus] [gedaagde] zal hebben gemeld dat [eiser] [gedaagde] zou hebben mishandeld en/of geduwd in de Jumbo. Uit de camerabeelden van de Jumbo blijkt duidelijk dat van mishandeling en/of duwen geen sprake is geweest. [eiser] en [gedaagde] hebben elkaar nauwelijks geraakt, [gedaagde] stak haar arm uit op een moment dat zij niet meer binnen het gezichtsveld van [eiser] stond zodat hij per ongeluk tegen haar arm aan liep. [gedaagde] heeft over dit voorval echter wel melding gemaakt bij de politie en daarnaast heeft [eiser] sinds deze ontmoeting in de Jumbo geen contact meer gehad met zijn zoontje [zoon] . [eiser] heeft dan ook belang bij rectificatie van de onjuiste en daarmee onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde] , zodat vast zal komen te staan dat hij dit niet heeft gedaan. Dit zal dan niet langer tegen hem kunnen worden gebruikt in de juridische procedure om de omgang met zijn zoontje [zoon] .
3.3.
[gedaagde] voert - kort gezegd - het volgende verweer. [gedaagde] stelt voorop dat zij op geen enkel moment het incident in de Jumbo heeft gekwalificeerd als een mishandeling. [gedaagde] is wel van mening dat zij een zet heeft gekregen van [eiser] en dat partijen niet per ongeluk met elkaar in botsing zijn geraakt. [gedaagde] heeft dus ook nooit aan anderen gemeld dat zij zou zijn mishandeld. [gedaagde] heeft bewust zo min mogelijk mensen in dit familiedrama willen betrekken. Ze heeft het voorval enkel gedeeld met haar zus, ouders en partner en heeft een melding gemaakt bij de politie. Die melding heeft ze gemaakt omdat zij van haar zus had vernomen dat er die ochtend ook al iets was voorgevallen tussen [eiser] en haar zus. Voor zover [eiser] denkt dat dit voorval in de Jumbo de enige reden is dat [eiser] [zoon] niet meer ziet, kan [gedaagde] hem niet volgen. Volgens [gedaagde] spelen er nog veel andere zaken mee. Bovendien is er geen sprake van een onrechtmatige uitlating die voor rectificatie vatbaar is en betwist [gedaagde] dat er sprake is van reputatieschade en financiële schade bij [eiser] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
In dit kort geding draait het om de vraag of [gedaagde] uitlatingen heeft gedaan over het incident wat op 20 juni 2025 in de Jumbo tussen partijen heeft plaatsgevonden en wel zodanig dat rectificatie van die uitlatingen op grond van artikel 6:167 Burgerlijk Wetboek (BW) aangewezen is.
Juridisch kader
4.2.
In artikel 6:167 lid 1 BW staat dat als iemand tegenover een ander aansprakelijk is voor een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard, de rechter hem op vordering van die ander kan veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze.
Geen spoedeisend belang
4.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft.
4.4.
De voorzieningenrechter is met [gedaagde] van oordeel dat [eiser] zijn spoedeisend belang bij de vordering tot rectificatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Een procedure in kort geding dient ertoe om, indien daarbij voldoende belang bestaat, op korte termijn ordemaatregelen te kunnen treffen. Het incident in de Jumbo heeft plaatsgevonden op 20 juni 2025. Dat is inmiddels ruim een jaar geleden. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij de camerabeelden van het incident al snel na 20 juni 2025 in zijn bezit heeft gekregen. Volgens hem tonen de camerabeelden zijn onschuld aan. In de dagvaarding heeft toegelicht dat hij - naar eigen zeggen - al sinds juli 2025 veelvuldig geconfronteerd is met de gevolgen van de gestelde uitlatingen van [gedaagde] over het incident en stelt dat hij door de uitlatingen van [gedaagde] zijn zoontje [zoon] niet meer mag zien.
4.5.
Op grond van deze feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat van [eiser] verwacht kon worden dat hij eerder actie had ondernomen als hij van mening is dat het incident in de supermarkt de omgang met zijn zoon blokkeerde. Ook had hij aan de hand van het bewijs waarover hij beschikte (de camerabeelden, die volgens hem zijn onschuld aantonen) de vermeende stellingen van zijn ex-partner over het incident in de supermarkt kunnen weerleggen om zo het pad naar omgang met zijn zoon te effenen. Onvoldoende duidelijk is welk belang [eiser] op dit moment nog heeft bij zijn vordering. Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd toegelicht dat de directe aanleiding voor dit kort geding is dat hij recent een vervelende brief heeft ontvangen over [zoon] . Wat daarvan zij, dat maakt de onderhavige vordering nog niet spoedeisend. De omgang tussen [eiser] en zijn zoon staat niet in deze procedure centraal. Daarvoor zijn andere procedures. Daarbij is er in de tussentijd al veel gebeurd rondom [eiser] , zijn ex-partner [zus] en [zoon] , onder andere bij de rechtbank en bij andere instanties, zodat om die reden ook niet valt in te zien welk spoedeisend belang er nog is bij de vordering tot rectificatie. Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat het incident in de supermarkt de enige reden is dat er geen omgang meer is tussen [eiser] en zijn zoon.
4.6.
Nu het (spoedeisend) belang bij de vorderingen van [eiser] onvoldoende aannemelijk is, moeten de vorderingen alleen al op die grond afgewezen worden.
Ten overvloede: onrechtmatige uitlatingen?
4.7.
Ten overvloede is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gevorderde rectificatie ook niet kan worden toegewezen.
4.8.
[eiser] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt wat [gedaagde] over het incident in de supermarkt gezegd zou hebben en tegen wie. Het is de voorzieningenrechter daarom niet duidelijk geworden wat [gedaagde] zou moeten rectificeren, als zij hiertoe al veroordeeld zou kunnen worden.
Daar komt bij dat [gedaagde] heeft verklaard zich slechts uitgelaten te hebben over het incident in de Jumbo tegen haar ouders, zus en partner en dat zij een melding heeft gemaakt bij de politie. Deze uitlatingen kwalificeren zich daarom ook niet als publicatie in de zin van artikel 6:167 lid 1 BW. Hoewel het begrip ‘publicatie’ in de zin van artikel 6:167 lid BW ruim moet worden opgevat en het dus op iedere openbaarmaking van toepassing kan zijn, is wel vereist dat het publiek kennis kon nemen van de publicatie en daar is in dit geval geen sprake van. Onder ‘publiek’ wordt namelijk een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden verstaan. [gedaagde] heeft slechts haar kant van het verhaal over het incident gedeeld met de politie. Het staat [gedaagde] vrij om haar ervaring van de gebeurtenis te melden bij de politie en hiermee doet zij geen uitlating aan ‘het publiek’. De eigen familiekring van [gedaagde] kwalificeert bovendien niet als ‘publiek’ in de zin van artikel 6:167 lid 1 BW.
4.9.
Bovendien heeft [gedaagde] in de conclusie van antwoord en tijdens de zitting verklaard dat het incident van 20 juni 2025 geen mishandeling was, zodat [eiser] in die zin ook geen belang heeft bij zijn vorderingen.
Proceskosten
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken, er is immers geen sprake van een familieverhouding tussen partijen.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.707,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.
AFS/JB