Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:10898
Inhoudsindicatie
Ontruiming huurwoning na sluiting van de woning door de gemeente. De gemeente is overgegaan tot sluiting van de woning omdat meerdere explosies bij de woning hebben plaatsgevonden. Vervolgens is de verhuurder overgegaan tot ontbinding van de huurovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter weegt het belang van Woonwaard bij de gevorderde ontruiming zwaarder dan het belang van gedaagden bij het behoud van de woning. Dit betekent dat de gebruikmaking door Woonwaard van haar bevoegdheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is of misbruik van recht oplevert en in stand zal blijven. De vordering tot ontruiming is daarom toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.492 tekens)
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 12295834 \ KG EXPL 26-110
Vonnis in kort geding van 20 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING WOONWAARD NOORD-KENNEMERLAND,
te Alkmaar,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonwaard,
gemachtigde: mr. M.J. Dekker,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. M. Hoefs.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 9 juli 2026,- de aanvullende producties van Woonwaard,- de producties van [gedaagden] ,- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van Woonwaard,- de pleitnota van [gedaagden] .
2De uitgangspunten
2.1.
Sinds 12 februari 2015 huren [gedaagden] de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna ook te noemen: de woning) van Woonwaard.
2.2.
Op de huurovereenkomst zijn de Algemene huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte d.d. januari 2015 van toepassing verklaard (hierna te noemen: de huurvoorwaarden).
Daarin is – voor zover van belang – bepaald:
“Artikel 6. De verplichtingen van huurder
(…)
6.7
Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in het gehuurde of in, rondom of in de directe nabijheid van het gehuurde of in de gemeenschappelijke ruimten bevinden. (…)
6.12
Huurder is verplicht de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van schade aan het gehuurde, in het bijzonder in het geval van brand, storm, water en vorst.(…)”
2.3.
[gedaagden] wonen samen met hun twee minderjarige kinderen van 17 jaar en 15 jaar in de woning.
2.4.
In de nacht van 18 op 19 november 2025 heeft er omstreeks 03.00 uur een explosie plaatsgevonden aan de voorzijde van de woning en is er op de woning geschoten. De volgende ochtend hebben medewerkers van Woonwaard geconstateerd dat er diverse kogelgaten in de ruit zaten en dat de voordeur zwartgeblakerd was.
2.5.
Naar aanleiding van het incident heeft de burgemeester van Alkmaar de woning met spoed gesloten voor de duur van één maand. Volgens de motivering van het besluit maakt de oudste zoon van [gedaagden] onderdeel uit van een criminele jeugdorganisatie en bestaat er ernstige vrees voor herhaling van geweld op de woning. Ook is er cameratoezicht geplaatst.
2.6.
Op 18 december 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen Woonwaard en [gedaagden] . Woonwaard heeft vervolgens een logeerwoning voor [gedaagden] geregeld.
2.7.
Op 16 december 2025 en 16 januari 2026 is de sluiting van de woning door de burgemeester verlengd in verband met voortdurende dreiging.
2.8.
Op 9 maart 2026 heeft de burgemeester besloten om de sluiting van de woning per 13 maart 2026 op te heffen. Begin mei 2026 heeft de burgemeester ook het cameratoezicht stopgezet.
2.9.
Op 29 april 2026 heeft de gemeente Alkmaar aan [gedaagden] een urgentieverklaring verstrekt met het zoekprofiel voor een appartement met 3 slaapkamers. Daartegen hebben [gedaagden] bezwaar gemaakt.
2.10.
Op 10 en 11 mei 2026 zijn er opnieuw explosies bij de woning geweest. De burgemeester heeft vervolgens op 12 mei 2026 wederom besloten tot sluiting van de woning over te gaan voor de duur van drie maanden. Tegen dit besluit hebben [gedaagden] bezwaar gemaakt.
2.11.
Woonwaard heeft vervolgens meerdere klachten van omwonenden ontvangen die zien op de vrees voor hun veiligheid en de angst op herhaling.
2.12.
Na de explosies hebben [gedaagden] wederom contact gezocht met Woonwaard waarbij zij hebben verzocht om de toekenning van een logeerwoning. Nadien hebben partijen eerst gezamenlijk en later via hun gemachtigde gecorrespondeerd over het zoeken naar mogelijke oplossingen, maar dit heeft niet tot een oplossing geleid.
2.13.
Op 15 juni 2026 heeft Woonwaard de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden wegens de sluiting van de woning op basis van artikel 174a van de Gemeentewet. [gedaagden] berusten niet in deze ontbinding.
2.14.
[gedaagden] hebben bezwaar aangetekend tegen de urgentieverklaring en verzocht om verruiming van het zoekprofiel; ze wensen in de kern een urgentieverklaring voor een éénsgezinswoning met tenminste drie slaapkamers. Op 25 juni 2026 heeft de gemeente het bezwaar afgewezen. Op 19 juni 2026 hebben [gedaagden] een voorlopige voorziening verzocht;. Het verzoek is op 12 augustus jl. door sector Bestuursrecht van deze rechtbank behandeld.
3Het geschil
3.1.
Woonwaard vordert (samengevat) voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagden] te veroordelen tot:
I. ontruiming van de woning aan de [adres] te [woonplaats] , op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagden] in gebreke blijven om aan de veroordeling te voldoen,
II. betaling van een bedrag van € 795,19 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat de woning niet is ontruimd, met ingang van 1 augustus 2026,
III. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Woonwaard legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Vanwege de sluiting van de woning door de burgemeester heeft Woonwaard in redelijkheid gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Zij is dan ook gerechtigd om haar eigendom op te eisen en daarop vooruitlopend ontruiming te vorderen.
Voor het geval de vordering tot ontruiming wegens de buitengerechtelijke ontbinding geen stand houdt, stelt Woonwaard dat er sprake is van tekortkomingen van [gedaagden] die de ontbinding van de huurovereenkomst en, vooruitlopend daarop, ontruiming van de woning rechtvaardigen. [gedaagden] moeten zich immers als goed huurders gedragen. Dit betekent dat zij zelf goed voor de woning moeten zorgen, dat zij jegens de omgeving een zorgplicht hebben en dat zij verantwoordelijk zijn voor gedragingen van hun inwonende kinderen. Doordat er meermaals sprake is geweest van explosies bij de woning en beschieting van de woning hebben [gedaagden] hier niet aan voldaan. Hierdoor is immers ernstige schade aan de woning ontstaan en is de leefbaarheid en kwaliteit van de leefomgeving aangetast. Bovendien bestaat er een risico op herhaling, omdat de inwonende zoon van [gedaagden] verwikkeld is in een conflict tussen twee jeugdbendes, hetgeen de oorzaak is van de explosies. In de buurt heerst een gevoel van onrust en onveiligheid onder de buurtbewoners. Woonwaard kan deze ernstige en levensgevaarlijke voortdurende overlast daarom niet langer tolereren. Dat er twee minderjarige kinderen in de woning wonen staat de toewijzing van de vorderingen niet in de weg. Gelet op de inmiddels verkregen urgentieverklaring komen [gedaagden] immers op korte termijn in aanmerking voor een andere woning, zodat [gedaagden] en hun kinderen niet dakloos zullen worden.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Woonwaard, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Woonwaard, dan wel een aanzienlijke verlenging van de ontruimingstermijn, met veroordeling van Woonwaard in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagden] voeren daartoe het volgende aan. Allereerst ontbreekt het spoedeisend belang tot ontruiming van de woning, omdat de kans op herhaling niet is onderbouwd en de woning bovendien voor de duur van drie maanden is gesloten. Verder heeft Woonwaard nagelaten onderzoek te doen naar de mogelijkheid van de minderjarige kinderen van [gedaagden] om elders te kunnen wonen. De verstrekte urgentieverklaring voor appartement met drie kamers blijkt in de praktijk namelijk onbruikbaar.
Bovendien loopt tegen de beslissing tot sluiting van de woning nog bezwaar. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dan ook onaanvaardbaar dat Woonwaard, in afwachting van het bezwaar, is overgaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst. Immers, als het bezwaar gegrond wordt verklaard, vervalt daarmee de rechtsgrond voor buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst.
Ook een belangenafweging moet in het voordeel van [gedaagden] uitvallen. De ontbinding van de huurovereenkomst heeft immers ingrijpende gevolgen voor zowel [gedaagden] als hun minderjarige kinderen. Het is van groot belang dat zij in hun vertrouwde omgeving blijven wonen, naar hun school kunnen blijven gaan en hun huidige begeleiding kunnen blijven behouden.
Tot slot is er ook geen sprake van tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst die een ontruiming rechtvaardigen. [gedaagden] hebben al datgene gedaan wat van hen verwacht mocht worden om de incidenten te voorkomen. Dat er door derden overlast en schade aan de woning is veroorzaakt is dan ook op geen enkele manier aan [gedaagden] te wijten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de vordering in een gewone procedure zal worden toegewezen.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat Woonwaard voldoende heeft onderbouwd dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorziening tot ontruiming van de woning. Vanwege de feitelijke sluiting van de woning door de burgemeester heeft Woonwaard de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden op grond van artikel 7: 231 lid 2 BW. Zij heeft er dan ook belang bij om haar eigendom op korte termijn op te eisen, zodat zij de woning weer kan verhuren aan een woningzoekende op de lange wachtlijst. Dat de beslissing van de burgemeester nog niet onherroepelijk is doet hier niet aan af. Voor het geval de buitengerechtelijke ontbinding niet rechtsgeldig is, zijn de gestelde feiten immers zodanig ernstig dat hierover op zo kort mogelijke termijn een beslissing genomen moet worden. Van Woonwaard kan daarom niet worden verwacht dat zij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht.
Vordering tot ontruiming
4.3.
De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Daarom kan in kort geding een vordering tot ontruiming alleen worden toegewezen als in hoge mate waarschijnlijk is dat de kantonrechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst in stand kan blijven.
4.4.
De kantonrechter zal de gevorderde ontruiming toewijzen en legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
4.5.
Woonwaard heeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Artikel 7:231 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft de verhuurder de bevoegdheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden als het gehuurde op basis van artikel 174a van de Gemeentewet door de burgemeester is gesloten. De ontbinding door Woonwaard heeft dus plaatsgevonden overeenkomstig de wettelijke regeling. Woonwaard hoefde daarmee niet te wachten tot het bestuursrechtelijke besluit tot sluiting van het gehuurde onherroepelijk is geworden. Dit besluit wordt namelijk niet beoordeeld in deze procedure. De civiele rechter mag niet treden in de beoordeling van het besluit tot sluiting, dat is voorbehouden aan de bestuursrechter.
4.6.
De kantonrechter moet vervolgens, mede gelet op het bepaalde in artikel 8 lid 2 EVRM, beoordelen of de buitengerechtelijke ontbinding proportioneel is. Als dat niet het geval is, dan is het beroep van Woonwaard op artikel 7:231 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, dan wel is sprake van misbruik van bevoegdheid. Bij deze toets moet de kantonrechter alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de belangen van beide partijen tegen elkaar afwegen.
4.7.
Bij de woning hebben op 10 en 11 mei 2026 meerdere explosies plaatsgevonden. In combinatie met de eerdere explosies en beschieting van de woning eind 2025 is er sprake van herhaald geweld dat specifiek op de woning, en daarmee op haar bewoners, is gericht. Hoewel niet uit de bestuurlijke rapportage van de burgemeester van 11 mei 2026 kan worden opgemaakt dat het geweld zich alleen richt tegen de inwonende zoon van [gedaagden] , valt niet uit te sluiten dat de kans op nieuwe incidenten en verdere escalatie van het geweld reëel is als [gedaagden] weer met hun zoon in de woning terugkeren. Uit de overgelegde meldingen van omwonenden blijkt voorts dat er een gevoel van onrust en onveiligheid onder de buurtbewoners heerst. Woonwaard heeft als verhuurder de verantwoordelijkheid naar al haar huurders en de omwonenden dat de leefomgeving gevrijwaard blijft van dit geweld; ook het woongenot van deze huurders is een verantwoordelijkheid van Woonwaard. Dat woongenot kan bij terugkeer van [gedaagden] in de woning op dit moment niet worden gegarandeerd. De kantonrechter acht het niet verantwoord om in dit geval risico’s te nemen. Woonwaard heeft daarom een zwaarwegend belang bij ontruiming van de woning.
4.8.
Daartegenover staat het belang van [gedaagden] bij behoud van de woning. Zo heeft [gedaagde sub 1] een taxibedrijf met eigen klantenkring in [woonplaats] en is hij al geruime tijd actief in de lokale politiek. [gedaagde sub 2] is daarnaast al meer dan twintig jaar werkzaam als vrijwilliger in de speeltuin [naam] in [woonplaats] . Verder hebben partijen naar eigen zeggen aanzienlijk geïnvesteerd in hun woning. Het belang van [gedaagden] bij behoud van de woning is daarom ook groot, maar weegt in de gegeven omstandigheden minder zwaar dan het bredere belang van Woonwaard. Allereerst omdat de kantonrechter een vertrek uit de woning gelet op het herhaalde geweld uit veiligheidsoverwegingen in het belang van [gedaagden] acht. [gedaagden] hebben zelf ook ter zitting aangegeven graag naar een andere woning te willen verhuizen maar dan wel in [woonplaats] . Daarbij komt dat [gedaagden] beschikken over een urgentieverklaring. Tussen partijen is er discussie wat daar de praktische waarde van is. De kantonrechter kan daarover in dit geding geen oordeel vellen. Uit het door Woonwaard overgelegde reactie overzicht blijkt wel dat [gedaagden] het afgelopen jaar op meerdere woningen hebben gereageerd, daarvoor in aanmerking zijn gekomen, maar daar om uiteenlopende redenen zelf vanaf hebben gezien. Bovendien hebben [gedaagden] ter zitting verklaard een grote hoeveelheid zoekpunten te hebben zodat zij ook op eengezinswoningen kunnen reageren en daar mogelijk op korte termijn al voor in aanmerking komen. Of een (negatieve) verhuurdersverklaring aan een andere woning in de wegstaat, zoals [gedaagden] betogen, kan de kantonrechter moeilijk op waarde schatten. Woonwaard heeft daar gemotiveerd verweer tegen gevoerd.
4.9.
In een procedure tot ontruiming van een woning behoort voorts tot de relevante omstandigheden van het geval of er kinderen in de woning wonen. De belangen van inwonende kinderen moeten als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen. Dat betekent echter niet dat een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.
4.10.
De kantonrechter is van oordeel dat de aangevoerde belangen van de kinderen de ontruiming in dit geval niet in de weg staan. Hoewel de kantonrechter enerzijds het door Gripszorg aangestipte belang van de kinderen om in de buurt van hun huidige school te blijven wonen begrijpt, is anderzijds ook de veiligheid van de kinderen in het geding. Dit laatste belang weegt naar het oordeel van de kantonrechter zwaarder. De woning is immers vanwege ernstige geweldsincidenten al tweemaal gesloten geweest. De kantonrechter acht het daardoor juist in het belang van de kinderen dat zij de woning verlaten en ergens anders gaan wonen. Terugkeer in de woning die doelwit is (geweest) van meerdere explosies acht de kantonrechter niet in het belang van de kinderen. Bovendien is gebleken dat de kinderen op dit moment samen met [gedaagden] in een woning in Heerhugowaard verblijven. Uit niets is gebleken dat zij hier op korte termijn moeten vertrekken. Door de ontruiming komen de kinderen dan ook niet op straat te staan. Bovendien verwacht de kantonrechter, zoals hiervoor onder 4.8 overwogen, dat het gezin middels de urgentieverklaring en de hoge zoekpunten op korte termijn in aanmerking zal komen voor een alternatieve woonruimte. [gedaagden] dienen dan wel hun actieradius te vergroten wat gezien de huidige omstandigheden in redelijkheid ook wel van ze kan worden verlangd.
4.11.
Gelet op al deze omstandigheden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat het belang van Woonwaard bij de gevorderde ontruiming zwaarder dan weegt dan het belang van [gedaagden] bij het behoud van de woning. Dit betekent dat de gebruikmaking door Woonwaard van haar bevoegdheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is of misbruik van recht oplevert en in stand zal blijven. De vordering tot ontruiming zal dan ook worden toegewezen.
Ontruimingstermijn
4.12.
De kantonrechter acht de gevorderde ontruimingstermijn van drie dagen na betekening van dit vonnis te kort. Gelet op de ingrijpende gevolgen van de ontruiming voor [gedaagden] zal de kantonrechter de ontruimingstermijn vaststellen op veertien dagen na betekening van het vonnis.
Geen dwangsom
4.13.
De kantonrechter wijst de gevorderde dwangsom af. Met de veroordeling tot ontruiming heeft Woonwaard al een titel om met de deurwaarder tot een gedwongen ontruiming over te gaan als [gedaagden] dat niet vrijwillig doen. Woonwaard heeft onvoldoende aangevoerd om desondanks een extra prikkel in de vorm van een dwangsom op te leggen.
Gebruiksvergoeding
4.14.
Woonwaard heeft de betaling van een gebruiksvergoeding verzocht totdat de woning is ontruimd. De kantonrechter wijst deze vordering, waartegen geen verweer is gevoerd, toe.
Proceskosten
4.15.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonwaard worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
154,09
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.014,09
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.17.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] , inclusief alle aanhorigheden, volledig te ontruimen en ontruimd te houden met alle zich daarin van hen, de hunnen en derden aanwezige personen en zaken en de woning leeg en bezemschoon en zonder schade op te leveren aan Woonwaard, en wel binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, dan wel binnen veertien dagen na opheffing van de sluiting van de woning, onder afgifte van alle sleutels aan Woonwaard,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan Woonwaard van een bedrag van € 795,19 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] , inclusief alle aanhorigheden, niet is ontruimd, met ingang van 1 augustus 2026 en zulks totdat het gehuurde is ontruimd en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop deze termijnen opeisbaar worden tot aan de dag der algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 1.014,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr.drs. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.
MKI/JB
Productie 17 van Woonwaard