Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:10683

2026-08-18 Bestuursrecht; Omgevingsrecht HAA 26/1665 en HAA 26/3335
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zaaknummer
HAA 26/1665 en HAA 26/3335
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die is verleend voor het oprichten van een woonzorgcentrum aan de Jonkheer van de Pollstraat in Nieuw-Vennep. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verleende vergunning in stand kan blijven. Het beroep is daarom ongegrond en voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.308 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummers: HAA 26/1665 en HAA 26/3335


uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen



[eiser] , uit Nieuw-Vennep, eiser


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
(gemachtigde: M. Moorman).



Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Next Projectontwikkeling B.V. uit Assendelft (vergunninghouder).



Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die aan vergunninghouder is verleend voor het oprichten van een woonzorgcentrum met parkeerplaatsen en het wijzigen van uitwegen aan de Jonkheer van de Pollstraat nummers 72-172. Eiser is het niet eens met de vergunningverlening en heeft daartegen beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in verband met de bouwwerkzaamheden die snel zullen aanvangen.

2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verleende omgevingsvergunning in stand kan blijven. Het beroep is daarom ongegrond en voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop

3. Vergunninghouder heeft de aanvraag om een omgevingsvergunning op 21 december 2023 ingediend. Het college heeft de vergunning verleend met het bestreden besluit van 28 januari 2026. Uit de besluitvorming blijkt dat het project in strijd is met artikel 15.1 en 15.2.1 onder c van het bestemmingsplan ‘Nieuwe-Vennep Centrum 2010’ (hierna: het bestemmingsplan). Dit omdat een woonzorgcentrum niet voldoet aan de bestemmingsomschrijving ‘Maatschappelijk’, en omdat de maximum toegestane bouwhoogte van 11 meter met 0,475 meter wordt overschreden. Het project is ook in strijd met artikel 3.2.1 van het bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeerregels en partiële herziening’ (hierna: het parapluplan), omdat de toename van de parkeervraag met 30 parkeerplaatsen niet volledig op eigen terrein kan worden opgelost. Het project komt daarvoor 14 parkeerplaatsen tekort. Zowel de afwijking van artikel 15.2.1 onder c van het bestemmingsplan (de maximale bouwhoogte) als de afwijking van artikel 3.2.1 van het parapluplan (het parkeren op eigen terrein) is binnenplans mogelijk, middels artikel 28 onder a van het bestemmingsplan en middels artikel 3.2.4 van het parapluplan. De 14 parkeerplaatsen kunnen buiten het eigen terrein worden opgelost, nu binnen een straal van 200 meter voldoende openbare parkeerruimte beschikbaar is. In verband met de bouwhoogte is een bezonningsstudie uitgevoerd waaruit volgt dat de wijziging van het bouwvolume voornamelijk leidt tot positieve effecten, zodat de geringe afwijking kan worden toegestaan. Van artikel 15.1 van het bestemmingsplan (de bestemmingsomschrijving) moet buitenplans worden afgeweken, maar op basis van de ruimtelijke onderbouwing van het project kan geconcludeerd worden dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.
4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter daarna verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en namens vergunninghouder zijn eigenaren [naam 1] en [naam 2] verschenen.

6. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser.



Beoordeling door de voorzieningenrechter
Overgangsrecht Invoeringswet Omgevingswet
7. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
8. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 december 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Standpunten eiser
9. Eiser voert – kort samengevat – aan dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt vanwege de schaduwvorming die het bouwplan meebrengt op zijn perceel, de gebrekkige motivering van de afwijking van de maximale bouwhoogte, het feit dat de vergunning is verleend voordat de integriteitstoets op grond van de Wet Bibob met positief resultaat is doorlopen, en de gebrekkige motivering van de afwijking van het parkeren op eigen terrein.




Is de afwijking van de maximale bouwhoogte onvoldoende gemotiveerd?



10. Eiser betoogt dat uit de door vergunninghouder ingebrachte aanvullende zonnestudie van 18 juni 2026 volgt dat het bouwplan in de vitale periode rondom 21 maart en 21 september zorgt voor een substantiële afname van lichtinval op zijn perceel. Deze zonnestudie betreft de huidige situatie in vergelijking tot de vergunde situatie. Het college heeft gesteld dat ten opzichte van de maximaal theoretische mogelijkheden van het bestemmingsplan geen verslechtering optreedt, maar volgens eiser had gekeken moeten worden naar de huidige situatie die al acht jaar bestendig is. Ook de specifieke impact van de overschrijding van de maximale bouwhoogte op het lichtinval had volgens eiser moeten worden onderzocht. Dit is ten onrechte niet gebeurd en daarom is de vergunde afwijking onvoldoende gemotiveerd.
10. De voorzieningenrechter volgt eiser niet in dit standpunt. In de zonnestudie van 21 februari 2025 is een vergelijking gemaakt tussen de maximaal theoretische mogelijkheid van het bestemmingsplan en de vergunde situatie. Uitgaande van de maximaal theoretische mogelijkheden, is in de vergunde situatie sprake van minder schaduwwerking op eisers perceel. Het gegeven dat de vergunde situatie ten opzichte van de huidige situatie rondom 21 maart en 21 september leidt tot meer schaduwwerking voor eiser, maakt niet dat het college de afwijking van de maximale bouwhoogte beter had moeten motiveren. Volgens vaste rechtspraak mag het college bij een belangenafweging – om een afwijking van het bestemmingsplan al dan niet toe te staan – immers meewegen dat dezelfde negatieve gevolgen ook kunnen worden veroorzaakt door de realisatie van een bouwplan dat niet afwijkt van het bestemmingsplan. De zonnestudie van 21 februari 2025 laat zien dat dezelfde en zelfs nog meer nadelige gevolgen op eisers perceel kunnen optreden door de realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Dat het college in de – nu beperkte – nadelige gevolgen voor het lichtinval op eisers perceel geen aanleiding heeft gezien om de afwijking van de maximale bouwhoogte niet toe te staan, acht de voorzieningenrechter dan ook navolgbaar. Dit te meer nu deze specifieke afwijking binnenplans is, en dus al is voorzien in het bestemmingsplan. Moest de integriteitstoets op grond van de Wet Bibob volledig zijn afgerond?


12. Eiser betoogt dat de vergunning pas verleend kon worden nadat de integriteitstoets op de grond van de Wet Bibob met positief resultaat was doorlopen. De vergunning is nu verleend onder voorbehoud van een positieve Bibob-toets, maar dat is volgens eiser onzorgvuldig.
12. De voorzieningenrechter volgt eiser ook niet in dit standpunt. Nog daargelaten dat het relativiteitsvereiste aan beoordeling van deze beroepsgrond in de weg staat, overweegt de voorzieningenrechter ten overvloede het volgende. Uit artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo volgt dat een vergunning voor bouwen geweigerd kan worden indien sprake is van een geval zoals omschreven in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit is een kan-bepaling en dus geen absolute weigeringsgrond. Dat het college de vergunning heeft verleend onder voorbehoud van een positieve Bibob-toets is in zoverre dus geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Daar komt bij dat eiser geen omstandigheden heeft benoemd waaruit kan worden afgeleid dat er mogelijk malafide praktijken zouden gaan plaatsvinden, zodat het college ook daarin geen aanleiding heeft hoeven zien om de Bibob-toets reeds voorafgaand aan de vergunningverlening volledig af te ronden. Het ter zake opgenomen voorschrift in de vergunning biedt naar het oordeel van de voorzieningenrechter overigens voldoende waarborg voor het afronden van de Bibob-toets voordat met de werkzaamheden wordt gestart.Is de afwijking van het parkeren op eigen terrein onvoldoende gemotiveerd?
12. Eiser betoogt dat geen sprake is van een deugdelijk gemotiveerde (afwijkende) parkeeroplossing. Het vergunde bouwplan brengt mee dat een beroep moet worden gedaan op 14 parkeerplaatsen buiten het eigen terrein, gelegen binnen een straal van 200 meter. Echter bedragen de richtlijnen bij parkeren voor gezondheidszorg slechts 100 meter. Het college stelt hierover dat een woonzorgcentrum voor dementerende ouderen met een zware zorgvraag is beoogd, waardoor de parkeerplaatsen voornamelijk worden gebruikt door werknemers en bezoekers die langere loopafstanden (tot 800 meter) kunnen accepteren. Eiser betwist dit omdat bezoekers van dementerende ouderen zelf vaak ook op leeftijd zijn. Bovendien is bij een woonzorgcentrum juist sprake van behoefte aan direct aangrenzende parkeerruimte voor acute zorgverleners, ambulances en logistieke diensten. Daar komt bij dat de eerder beoogde huurder en exploitant, zorgorganisatie Westerkim, zich inmiddels definitief heeft teruggetrokken uit het project. Het is nu dus niet duidelijk welke partij in het woonzorgcentrum terecht komt en daarom gaat de argumentatie van het college sowieso niet meer op. Ook maakt eiser zich zorgen over bouwwerken en aanstaande bouwplannen in de nabije omgeving, die mogelijk allen een beroep doen op de openbare parkeerplaatsen.
12. De voorzieningenrechter volgt eiser ook niet in dit standpunt. Dat de beoogde huurder zich heeft teruggetrokken uit het project, verandert – zoals ter zitting besproken – niets aan de vergunde situatie. Er wordt nog steeds een woonzorgcentrum voor dezelfde doelgroep beoogd waarbij personeel en bezoekers deels gebruik kunnen maken van de parkeerplaatsen op het eigen terrein, en voor het overige deel in staat kunnen worden geacht om te parkeren binnen een straal van 200 meter. Eisers stelling dat de argumentatie van het college over de parkeeroplossing niet meer deugt omdat Westerkim zich inmiddels heeft teruggetrokken, treft dus geen doel. Bovendien kan het college zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat in dit geval de 100 meter richtlijn voor algemene gezondheidszorg niet hoeft te worden aangehouden, nu aannemelijk is dat deze richtlijn voornamelijk is bedoeld voor ziekenhuizen of andere instellingen waarbij een zorgbehoevende vanuit de eigen woning naar die instelling moet komen om zorg te kunnen krijgen. In onderhavig geval zal de parkeervraag echter hoofdzakelijk voortkomen uit de personen die het beoogde woonzorgcentrum – al dan niet voor werk – bezoeken, waardoor het college terecht geen belemmering ziet in het feit dat die personen mogelijk tot 200 meter moeten lopen vanaf hun parkeerplek. Niet valt in te zien dat mensen op leeftijd daartoe niet in staat zouden kunnen worden geacht. Ten slotte kan het college bij de beoordeling geen rekening houden met een mogelijk toekomstig scenario waarin de druk op de openbare parkeerplaatsen toeneemt. Uit het parkeeronderzoek dat voor de onderhavige vergunning is uitgevoerd is niet gebleken van een reeds bestaande hoge parkeerdruk in de openbare ruimte, zodat gevolgd kan worden dat het parkeren (deels) buiten het eigen terrein kan worden opgelost.




Conclusie en gevolgen

16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verleende vergunning in stand kan blijven. Het beroep van eiser zal daarom ongegrond worden verklaard. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

17. Bij deze uitkomst bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of van proceskosten.




Beslissing


De voorzieningenrechter:



verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.







Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Tegen de uitspraak over de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.



Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2713.