Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:10672
2026-08-11
Strafrecht
15/118050-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitvoer van 5071,40 gram MDMA. Bekennende verdachte. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1019 Gerechtshof Amsterdam 21-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.742 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/118050-26 (P)
Uitspraakdatum: 11 augustus 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Gambia),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de penitentiaire inrichting Ter Apel.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Pieplenbosch en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.E. Berman, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 20 april 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft op de zitting een bekennende verklaring afgelegd. De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Aangezien de verdachte het feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten:
de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van28 juli 2026;
het proces-verbaal van bevinding van 20 april 2026 (dossierpagina 22-23);
het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 21 april 2021 (dossierpagina 72-78); en
een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen NFiDENT van 23 april 2026 (dossierpagina 95-98) met als bijlagen acht rapporten NFiDENT van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), gedateerd 23 april 2026 en opgesteld door NFI-deskundige forensische drugsanalyse ing. N. van Doorn (dossierpagina 99-106).
De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Voor zover de NFiDENT rapporten geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, Sv betreffen, zijn die telkens slechts gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 20 april 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6Motivering van de sanctie
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat sprake is van scheefgroei tussen de straffen die worden opgelegd in zaken over de in- en/of uitvoer van (hard)drugs. Ter onderbouwing verwijst de raadvrouw naar de ‘koerierszaken’ die door het gerechtshof Amsterdam op een zogeheten themazitting van, laatstelijk, 21 april 2026, in hoger beroep zijn behandeld (zie onder andere ECLI:NL:GHAMS:2026:1019). Gelet op de rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam is er ruimte om in individuele gevallen af te wijken van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De persoonlijke omstandigheden van de verdachte vormen grond om in deze zaak af te wijken van de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting. De raadsvrouw heeft in dat kader erop gewezen dat de verdachte kwetsbaar is en niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook kan verdachte zijn verblijfsvergunning in Italië verliezen als een (lange) gevangenisstraf wordt opgelegd en zal een dergelijke straf ingrijpende gevolgen hebben voor zijn gezin, mentale gezondheid en werk. Bovendien heeft de verdachte openheid van zaken gegeven met zijn verklaring op zitting. De raadsvrouw heeft primair bepleit om een zo kort mogelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel in combinatie met de maximale werkstraf van 240 uur. De omstandigheid dat de verdachte in Italië woonachtig is, vormt geen beletsel om een werkstraf op te leggen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van iets meer dan vijf kilogram MDMA, door deze in koffers te stoppen met de bedoeling die koffers naar Gambia te vervoeren. MDMA is een voor de volksgezondheid schadelijke stof. Gezien de ingevoerde hoeveelheid moet de MDMA bedoeld zijn geweest voor verdere verspreiding en de handel. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel, die gepaard gaat met vele andere vormen van (zware) criminaliteit. De verdachte heeft daar niet of onvoldoende bij stilgestaan en gehandeld uit eigen financieel belang.
De persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van de verdachte van 18 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland is veroordeeld. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op wat de verdachte op de zitting naar voren heeft gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het LOVS. Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij de uitvoer van vijf kilogram harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 38 maanden. Naast de hoeveelheid harddrugs heeft de rechtbank meegewogen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan.
Verder heeft de verdachte op zitting verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen en spijt betuigd. Aan zijn proceshouding ontleent de rechtbank enig vertrouwen dat de verdachte het ontoelaatbare van zijn handelen inziet en niet nogmaals de fout in zal gaan.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om in het voordeel van de verdachte af te wijken van genoemd uitgangspunt, alsook van de strafeis van de officier van justitie.
Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
7Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een mobiele telefoon, moet worden teruggegeven aan de verdachte.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 2 en 10 van de Opiumwet.
9Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
1 STK GSM (Omschrijving: PL2700-26-035163-1, Realme)
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. van Doesburg, voorzitter,
mr. D.J. Straathof en mr. G.D. Kleijne, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2026.
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/118050-26 (P)
Uitspraakdatum: 11 augustus 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Gambia),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de penitentiaire inrichting Ter Apel.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Pieplenbosch en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.E. Berman, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 20 april 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft op de zitting een bekennende verklaring afgelegd. De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Aangezien de verdachte het feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten:
de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van28 juli 2026;
het proces-verbaal van bevinding van 20 april 2026 (dossierpagina 22-23);
het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 21 april 2021 (dossierpagina 72-78); en
een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen NFiDENT van 23 april 2026 (dossierpagina 95-98) met als bijlagen acht rapporten NFiDENT van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), gedateerd 23 april 2026 en opgesteld door NFI-deskundige forensische drugsanalyse ing. N. van Doorn (dossierpagina 99-106).
De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Voor zover de NFiDENT rapporten geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, Sv betreffen, zijn die telkens slechts gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 20 april 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6Motivering van de sanctie
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat sprake is van scheefgroei tussen de straffen die worden opgelegd in zaken over de in- en/of uitvoer van (hard)drugs. Ter onderbouwing verwijst de raadvrouw naar de ‘koerierszaken’ die door het gerechtshof Amsterdam op een zogeheten themazitting van, laatstelijk, 21 april 2026, in hoger beroep zijn behandeld (zie onder andere ECLI:NL:GHAMS:2026:1019). Gelet op de rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam is er ruimte om in individuele gevallen af te wijken van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De persoonlijke omstandigheden van de verdachte vormen grond om in deze zaak af te wijken van de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting. De raadsvrouw heeft in dat kader erop gewezen dat de verdachte kwetsbaar is en niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook kan verdachte zijn verblijfsvergunning in Italië verliezen als een (lange) gevangenisstraf wordt opgelegd en zal een dergelijke straf ingrijpende gevolgen hebben voor zijn gezin, mentale gezondheid en werk. Bovendien heeft de verdachte openheid van zaken gegeven met zijn verklaring op zitting. De raadsvrouw heeft primair bepleit om een zo kort mogelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel in combinatie met de maximale werkstraf van 240 uur. De omstandigheid dat de verdachte in Italië woonachtig is, vormt geen beletsel om een werkstraf op te leggen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van iets meer dan vijf kilogram MDMA, door deze in koffers te stoppen met de bedoeling die koffers naar Gambia te vervoeren. MDMA is een voor de volksgezondheid schadelijke stof. Gezien de ingevoerde hoeveelheid moet de MDMA bedoeld zijn geweest voor verdere verspreiding en de handel. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel, die gepaard gaat met vele andere vormen van (zware) criminaliteit. De verdachte heeft daar niet of onvoldoende bij stilgestaan en gehandeld uit eigen financieel belang.
De persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van de verdachte van 18 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland is veroordeeld. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op wat de verdachte op de zitting naar voren heeft gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het LOVS. Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij de uitvoer van vijf kilogram harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 38 maanden. Naast de hoeveelheid harddrugs heeft de rechtbank meegewogen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan.
Verder heeft de verdachte op zitting verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen en spijt betuigd. Aan zijn proceshouding ontleent de rechtbank enig vertrouwen dat de verdachte het ontoelaatbare van zijn handelen inziet en niet nogmaals de fout in zal gaan.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om in het voordeel van de verdachte af te wijken van genoemd uitgangspunt, alsook van de strafeis van de officier van justitie.
Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
7Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een mobiele telefoon, moet worden teruggegeven aan de verdachte.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 2 en 10 van de Opiumwet.
9Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
1 STK GSM (Omschrijving: PL2700-26-035163-1, Realme)
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. van Doesburg, voorzitter,
mr. D.J. Straathof en mr. G.D. Kleijne, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2026.