Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:10603

2026-07-22 Civiel recht C/15/376796
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/15/376796
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Incident vrijwaring en provisionele vordering opheffen beslag.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.922 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland


Civiel recht



Zittingsplaats Alkmaar



Zaaknummer: C/15/376796 / HA ZA 26-243




Vonnis in incident van 22 juli 2026




in de zaak van





[de Holding] B.V.,
te Zaanstad,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [de Holding] ,
advocaat: mr. A.G. Moeijes,



tegen





[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.A. van Haelst.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 april 2026 met producties 1 tot en met 15 en het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir verhaalsbeslag en derdenbeslag met bijbehorende producties;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord met een provisionele vordering tot opheffing van beslag met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord in zowel het incident houdende oproeping in vrijwaring als de provisionele vordering tot opheffing van beslag.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.











2De beoordeling in het incident



Stand van het geschil




2.1.
In de hoofdzaak is, kort samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand. [de Holding] werd voorheen bestuurd door wijlen heer [erflater] (hierna: de heer [erflater] ). Tussen de heer [erflater] en [gedaagde] is vanaf 2021 contact geweest. Volgens [de Holding] heeft de heer [erflater] op basis van financieel advies van [gedaagde] investeringen gedaan ter waarde van € 700.000,- en $ 1.000.000,-. De investeringen bleken later zeer risicovol te zijn. [de Holding] is van mening dat [gedaagde] de heer [erflater] heeft misleid en dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de Holding] . De schade die [de Holding] heeft geleden zou volgens haar ten minste € 1.597.567,- bedragen. Op 20 en 24 maart 2026 heeft [de Holding] conservatoir beslag laten leggen op de privéwoning van [gedaagde] en onder vijf banken.



2.2.

[gedaagde] betwist dat hij de heer [erflater] (financieel) heeft geadviseerd. Volgens [gedaagde] trad hij jegens de heer [erflater] op als directeur/functionaris van het bedrijf waar hij werkte, welk bedrijf zich inspant om mogelijke investeerders te informeren over het doen van investeringen bij één van de bedrijven uit de groep waartoe het bedrijf behoort. Toen de heer [erflater] via een aanvraagformulier aangaf dat [de Holding] investeringen wilde doen, is de heer [erflater] geïnformeerd over de risico’s. De heer [erflater] heeft namens [de Holding] vervolgens zelf het besluit genomen de investeringen te doen. Van een onrechtmatige daad jegens [de Holding] is geen sprake, aldus [gedaagde] .



Hetgeen voorligt in dit vonnis in incident





2.3.

[gedaagde] heeft twee vorderingen bij de rechtbank neergelegd. Ten eerste vordert [gedaagde] toestemming om HDI Global Specialty SE (hierna: HDI) in vrijwaring te mogen oproepen. Ten tweede vordert [gedaagde] dat de rechtbank een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding als bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), namelijk dat de door [de Holding] gelegde conservatoire beslagen op grond van artikel 705 lid 2 Rv worden opgeheven.



2.4.
Aan de incidentele vordering om HDI in vrijwaring te mogen oproepen legt [gedaagde] – kort samengevat– ten grondslag dat hij destijds werkte als directeur/functionaris, zodat een eventuele aansprakelijkheid gedekt dient te worden door de verzekeraar van het bedrijf, namelijk HDI.



2.5.

Aan de provisionele vordering tot het opheffen van het door [de Holding] gelegde beslag legt [gedaagde] – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Ten eerste stelt [gedaagde] dat de vordering van [de Holding] ondeugdelijk is, omdat [gedaagde] niet als financieel adviseur heeft opgetreden. Dit betekent dat er geen sprake kan zijn van een persoonlijke aansprakelijkheid, zodat de grondslag onder de vordering van [de Holding] vervalt. Daarbij komt nog dat de door [de Holding] gestelde schade op dit moment nog niet is geleden. De daarop gebaseerde gelegde beslagen dienen te worden opgeheven.
Ten tweede stelt [gedaagde] dat het beslag disproportioneel is. [gedaagde] heeft met zijn voormalig echtgenote afgesproken dat zij zijn aandeel in de gezamenlijke woning zal overnemen. Door het beslag op de woning kan [gedaagde] zijn aandeel in de woning niet overeenkomstig die afspraak overdragen. Het beslag onder de banken heeft ten slotte tot gevolg dat [gedaagde] beperkt is in het doen van (privé)betalingen.




2.6.

[de Holding] heeft geen verweer gevoerd tegen de incidentele vordering om HDI in vrijwaring te mogen oproepen en laat de beslissing aan het oordeel van de rechtbank over.



2.7.


[de Holding] voert wel verweer tegen de provisionele vordering tot opheffing van het beslag. Kort samengevat voert [de Holding] aan dat [gedaagde] zich wel degelijk heeft voorgedaan als financieel adviseur en dat hij ook adviezen en risico-inschattingen heeft gegeven. Daarbij wist [gedaagde] dat de heer [erflater] geen ervaren belegger was, zodat [gedaagde] hem expliciet had moeten wijzen op de risico’s van de beleggingen. Dit heeft [gedaagde] niet (voldoende) gedaan. Ten slotte heeft [gedaagde] de heer [erflater] misleid door het te doen voorkomen alsof de heer [erflater] zou investeren via kortlopende leningen, met een vaste looptijd, een vaste rente en zonder kosten.
Dan de stelling van [gedaagde] dat door [de Holding] nog geen schade zou zijn geleden. Deze stelling is onjuist. Zelfs al zou nog tot uitbetaling van de investeringen worden overgegaan – wat zeer onwaarschijnlijk is gelet op de huidige stand van zaken – dan staat dat niet in de weg aan het feit dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de Holding] . [gedaagde] heeft aan de heer [erflater] en [de Holding] voorgespiegeld dat de inleg vermeerderd met een vastgestelde rente zou worden betaald na een vaste looptijd, dit bleek echter geen realiteit. Het risico van de te late betaling dient onder de geschetste omstandigheden voor risico van [gedaagde] te komen. Het voorgaande betekent dat de gelegde beslagen niet gebaseerd zijn op een ondeugdelijke vordering, zodat dit geen grond oplevert voor het opheffen van de gelegde beslagen.
De gelegde beslagen zijn ook niet disproportioneel. De stelling dat [gedaagde] zijn aandeel in de woning nu niet kan overdragen aan zijn voormalig echtgenoot onderstreept juist het belang bij het beslag. Op welke wijze [gedaagde] concreet beperkt is in het doen van (privé)betalingen en waarom dit in de belangenafweging in het voordeel van [gedaagde] zou moeten uitvallen, wordt door [gedaagde] niet toegelicht. Ook hieruit volgt geen reden om de gelegde beslagen op te heffen.




De inhoudelijke beoordeling





in het vrijwaringsincident





2.8.
De incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring zal worden toegewezen, omdat de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.



2.9.
Omdat geen van partijen als in het ongelijk gesteld kan worden beschouwd, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



in de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening





2.10.
De vordering van [gedaagde] is gebaseerd op artikel 223 Rv. Artikel 223 Rv biedt partijen de mogelijkheid om in een aanhangige procedure (de hoofdprocedure) te vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van de hoofdprocedure (ook wel aangeduid als een provisionele vordering). Aan het vereiste dat de provisionele vordering moet samenhangen met de hoofdprocedure is in dit geval voldaan.



2.11.
Vervolgens is het de vraag of de conservatoire beslagen moeten worden opgeheven. In artikel 705 lid 2 Rv staat dat opheffing onder meer wordt uitgesproken als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.



2.12.
Het conservatoir beslag is een wettelijke voorziening die ertoe dient de beslaglegger in de gelegenheid te stellen verhaal voor een – vooralsnog niet vaststaande – vordering veilig te stellen, terwijl bij een afwijzing van de vordering in de hoofdzaak de beslaglegger aangesproken kan worden voor de door het beslag ontstane schade. Beoordeeld moet worden of het in het licht van alle feiten en omstandigheden van dit geval en in het kader van artikel 705 Rv gerechtvaardigd is dat de beslagen gedurende de hoofdzaak in stand blijven. De beoordeling moet gebeuren aan de hand van wat door partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd en kan niet zonder een afweging van de wederzijdse belangen, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.



2.13.
De rechtbank stelt vast dat de door [gedaagde] verzochte opheffing van de beslagen sterk verweven is met de beoordeling van de gegrondheid van de vordering van [de Holding] in de hoofdzaak. Zowel de kern van de vordering als de kern van het verweer daartegen zijn hiervoor onder randnummers 2.1. en 2.2. kort beschreven. De rechtbank kan de juistheid van de stellingen van partijen in dit incident slechts met terughoudendheid beoordelen. Het ligt daarbij op de weg van [gedaagde] om het bestaan van de door hem aangedragen opheffingsgronden aannemelijk te maken.



2.14.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] voorshands niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering van [de Holding] summier ondeugdelijk is. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat hij niet heeft gehandeld als financieel adviseur en dat hem daarom geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, maar dit betreft een verweer dat in de beoordeling van de hoofdzaak op waarde zal moeten worden getoetst. Hetzelfde geldt voor de stelling van [gedaagde] dat [de Holding] (nog) geen schade heeft geleden. [de Holding] heeft namelijk juist aangevoerd dat [gedaagde] wel als financieel adviseur handelde en dat er wel sprake is van schade. De rechtbank beoordeelt de juistheid van (tegenstrijdige) stellingen van partijen in incident terughoudend, zodat op dit moment niet kan worden vastgesteld of aangenomen dat de vordering van [de Holding] summier ondeugdelijk is.



2.15.

[gedaagde] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de gelegde beslagen disproportioneel zijn. Zijn stelling dat hij door het gelegde beslag niet in staat is zijn deel in de voormalige echtelijke woning over te dragen aan zijn ex-echtgenote helpt hem daarbij niet. Het onderstreept naar het oordeel van de rechtbank juist het belang van [de Holding] om het gelegde beslag in stand te laten tot er uitspraak is gedaan in de hoofdzaak. [gedaagde] heeft daarbij slechts gesteld dat de gevolgen van het blokkeren van de overdracht verstrekkend zijn, zonder daarbij een nadere toelichting te geven. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de belangenafweging in zijn voordeel te kunnen doen uitvallen. [gedaagde] heeft verder gesteld dat het onder de bank gelegde beslag disproportioneel is, omdat dit leidt tot directe beperkingen om (privé)betalingen te doen. [gedaagde] heeft echter niet concreet toegelicht of met (financiële) documenten onderbouwd op welke wijze hij onevenredig wordt beperkt. Ook voor het overige heeft [gedaagde] geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat hij het oordeel in de hoofdzaak niet kan afwachten.



2.16.
Onder die omstandigheden dient het belang van [de Holding] om hangende de bodemprocedure een waarborg te behouden voor de door haar gestelde vordering zwaarder te wegen dan het belang van [gedaagde] bij opheffing van de beslagen. Dit betekent dat de provisionele vordering van [gedaagde] wordt afgewezen.



2.17.

[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de Holding] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.





3De beslissing


De rechtbank




in het vrijwaringsincident




3.1.
staat toe dat HDI Global Specialty SE door [gedaagde] wordt gedagvaard tegen de rolzitting van woensdag 19 augustus 2026,



3.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



in de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening





3.3.
wijst de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening af,



3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,



in de hoofdzaak





3.6.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 2 september 2026 voor beraad rolrechter over het bepalen van een mondelinge behandeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vrugt, rechter, bijgestaan door de griffier M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.