Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:10541
2026-07-23
Civiel recht; Arbeidsrecht
K/4101/12293846
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Executiegeschil over verbeurde dwangsommen naar aanleiding van eerdere uitspraak waarin is bepaald dat werkgever werknemer weer toe moet laten tot het werk.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:847 Gerechtshof Den Haag 16-05-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.177 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 12293846 \ KG EXPL 26-107 /MdV
Vonnis in kort geding van 23 juli 2026
in de zaak van
het kerkgenootschap DE PROTESTANTSE GEMEENTE SINT PANCRAS,
te Sint Pancras,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: PGSP,
gemachtigde: mr. M. Botha,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Hoefs.
De zaak in het kort
In een eerdere procedure tussen partijen heeft de kantonrechter bepaald dat PGSP [gedaagde] weer toe moet laten tot haar werk en haar in de gelegenheid moet stellen haar cateringwerkzaamheden weer op te pakken. Daarbij zijn dwangsommen opgelegd aan PGSP. [gedaagde] stelt dat PGSP zich niet aan de uitspraak heeft gehouden en daardoor dwangsommen heeft verbeurd. De kantonrechter oordeelt dat dit, op één dwangsom na, niet het geval is. De vordering van PGSP om de executie van de dwangsommen te staken, wordt dan ook grotendeels toegewezen. De tegenvorderingen van [gedaagde] , bestaande uit het verhogen van de dwangsommen en het ongedaan maken van wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden, worden afgewezen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de e-mail van 7 juli 2026 van PGSP met aanvullende producties- de conclusie van antwoord met tegenvordering en met producties van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van PGSP.
2De feiten
2.1.
PGSP is een kerkelijke gemeente die onderdeel is van de Protestantse Kerk in Nederland.
2.2.
[gedaagde] is sinds 1 september 2016 voor 18 uur per week in dienst bij PGSP als koster/beheerder.
2.3.
Volgens de functieomschrijving die is opgesteld door de Protestantse kerk en waar in de arbeidsovereenkomst naar wordt verwezen, bestaan de werkzaamheden van een koster, voor zover voor deze zaak van belang, uit:
‘1. Het in gereedheid brengen van het kerkgebouw of de kerkzaal voor de kerkelijke activiteiten door:
a. het tijdig openen en sluiten van het gebouw;
b. het zorgen voor het gereed zijn van de kerkelijke ruimten voor samenkomsten van de gemeenten en bij rouw- en trouwdiensten;
c. het - in voorkomende gevallen - behulpzaam zijn van de kerkbezoekers waaronder bij calamiteiten verlenen van eerste hulp;
d. het tijdens de diensten bedienen van de geluidsinstallatie en - zo nodig - de kerktelefoon; e. het bedienen van de koffiezetapparatuur en andere keukenapparatuur (voor zover aanwezig).
2. Het (doen) verrichten van schoonmaakwerkzaamheden door:
a. het schoonmaken en schoonhouden van het kerkgebouw en bijbehorende terreinen;
b. het bedienen van de schoonmaakapparatuur (voor zover aanwezig);
c. het in overleg met de werkgever zorgen voor schoonmaakartikelen;
d. het maken van afspraken met derden ten aanzien van grotere schoonmaakprojecten.
(…)
5. Het verrichten van diverse overige werkzaamheden door:
a. het zorgen voor het verstrekken van thee, koffie en alcoholvrije dranken tijdens kerkelijke bijeenkomsten en vergaderingen;
b. het zorgen voor in voorraad hebben van koffie, thee e.d.;
c. het uitvoeren van de werkzaamheden met betrekking tot de - gegeven de aard van de accommodatie - verhuur van de kerk en nevenruimten;
d. het in voorkomende gevallen leiding geven aan tijdelijke huishoudelijke medewerkers;
e. het voeren van de administratie in verband met de verstrekking van dranken, de verhuur en aangeschafte (schoonmaak)middelen e.d.’
2.4.
[gedaagde] verricht daarnaast cateringwerkzaamheden voor onder andere uitvaartverzorgers en externe verhuurders van de kerkelijke ruimtes. De kosten hiervan brengt [gedaagde] , via haar eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’, rechtstreeks bij deze derden in rekening.
2.5.
Eerder dit jaar heeft PGSP een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens onder andere een verstoorde arbeidsrelatie ingediend bij de rechtbank. Dit verzoek is door de kantonrechter afgewezen. Volgens de kantonrechter was de arbeidsovereenkomst weliswaar verstoord, maar nog niet ernstig en duurzaam. Het tegenverzoek van [gedaagde] tot wedertewerkstelling en het hervatten van de cateringwerkzaamheden op straffe van verbeurte van een dwangsom is wel toegewezen. In de beschikking van 29 april 2026 is hierover het volgende opgenomen.
‘De kantonrechter;
6.5.
veroordeelt PGSP om [gedaagde] binnen twee weken na betekening van deze beschikking weer toe te laten tot haar werkzaamheden uit de arbeidsovereenkomst op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat PGSP niet binnen twee weken uur na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.6
veroordeelt PGSP om [gedaagde] binnen twee weken na betekening van deze beschikking weer toe te laten tot het verrichten van haar cateringwerkzaamheden in de kerkelijke gebouwen en haar toe te staan dat zij de eigendommen van haar cateringbedrijf weer in de Regenboogkerk plaatst op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat PGSP niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,’
2.6.
De beschikking is op 8 mei 2026 aan PGSP betekend.
2.7.
Op 23 juni 2026 heeft PGSP van de deurwaarder een bevel ontvangen om € 32.000,00 aan verbeurde dwangsommen te betalen, omdat [gedaagde] onvoldoende zou worden toegelaten haar werkzaamheden uit te voeren.
3Het geschil
de vordering
3.1.
PGSP vordert dat de kantonrechter [gedaagde] verbiedt over te gaan tot executie of incasso van de vermeend verbeurde dwangsommen en de executie van de beschikking van 29 april 2026 te schorsen totdat het gerechtshof op het hoger beroep wat PGSP zal instellen, heeft beslist.
3.2.
PGSP legt aan de vordering ten grondslag dat zij [gedaagde] voldoende in staat heeft gesteld haar werkzaamheden uit de arbeidsovereenkomst uit te voeren. Ook heeft zij [gedaagde] in staat gesteld cateringwerkzaamheden te verrichten. PGSP stelt dan ook dat zij heeft voldaan aan de eerdere beschikking en zij betwist daarom dat er dwangsommen zijn verbeurd. Nu [gedaagde] vasthoudt aan de executie van de vermeende dwangsommen, heeft PGSP belang bij het opleggen van een verbod tot het executeren van de dwangsommen. Mocht worden geoordeeld dat er wel een wijziging in de werkzaamheden van [gedaagde] heeft plaatsgevonden, dan stelt PGSP dat zij daar een gerechtvaardigd belang bij heeft, aangezien die aanpassingen noodzakelijk waren de verstoorde arbeidsrelatie te herstellen. Ook om die reden zijn er geen dwangsommen verbeurd. Daar komt bij dat [gedaagde] onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd hoe het gevorderde bedrag aan dwangsommen is opgebouwd. Verder meent PGSP dat haar belang bij uitstel van de executie van de beschikking van 29 april 2026 zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij onmiddellijke executie, zodat de executie van de beschikking moet worden geschorst totdat het hof op het door PGSP in te stellen hoger beroep heeft beslist.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en betwist dat PGSP haar in de gelegenheid stelt de werkzaamheden uit de arbeidsovereenkomst uit te voeren, aangezien de werkzaamheden door PGSP zijn gereduceerd tot vrijwel alleen schoonmaakwerkzaamheden. Ook moet zij haar spullen die zij gebruikt voor cateringwerkzaamheden op een andere plek opslaan als voorheen. [gedaagde] is dan ook van mening dat PGSP niet heeft voldaan aan de eerdere beschikking en dat PGSP om die reden vanaf 22 mei 2026 dwangsommen heeft verbeurd. Nu de dwangsommen verschuldigd zijn, is er volgens [gedaagde] geen aanleiding om de vordering van PGSP om de executie te staken toe te wijzen. Ook de vordering van PGSP tot schorsing van de tenuitvoerlegging totdat er in hoger beroep is beslist, moet worden afgewezen. Een toewijzing zou namelijk tot gevolg hebben dat PGSP mag weigeren om [gedaagde] toe te laten tot haar werk en cateringwerkzaamheden uit te voeren, hetgeen tot grote financiële schade bij [gedaagde] kan leiden.
de voorwaardelijke tegenvordering
3.4.
Voor het geval de vorderingen van PGSP worden afgewezen, vordert [gedaagde] dat de kantonrechter de dwangsommen uit 6.5 en 6.6 van de eerdere beschikking verhoogt tot € 1.000,00 per dag met een maximum van € 100.000,00. Dit omdat de eerder toegewezen dwangsommen niet het gewenste effect hebben gehad en het maximumbedrag aan te verbeuren dwangsommen (bijna) is bereikt.
3.5.
Voor het geval de vorderingen van PGSP worden toegewezen, vordert [gedaagde] dat PGSP wordt verplicht de eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden van [gedaagde] terug te draaien en [gedaagde] de werkzaamheden te laten verrichten zoals voor 1 februari 2026 het geval was.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
de vordering
4.1.
In dit kort geding draait het allereerst om de vraag of PGSP € 32.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd omdat zij de beschikking van 29 april 2026 niet of onvoldoende zou hebben nageleefd. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is en dat PGSP slechts € 500,00 aan dwangsommen heeft verbeurd. Dit wordt als volgt toegelicht.
Toetsingskader
4.2.
De beantwoording in een executiegeschil van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient plaats te vinden door een toetsing van de handelingen die ter uitvoering van het veroordelend vonnis zijn verricht aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De rechter mag bij zijn uitleg van de veroordeling maatstaven van redelijkheid en billijkheid hanteren. De stelplicht en bewijslast dat dwangsommen zijn verbeurd, rusten in de executiefase op de executant. In kort geding zijn de wettelijke regels van bewijsrecht niet van toepassing, in die zin dat er in beginsel geen plaats is voor nadere bewijslevering. Voldoende is daarom dat feiten aannemelijk zijn. Wanneer in kort geding moet worden beoordeeld of al dan niet dwangsommen zijn verbeurd en in dat kader of gedragingen hebben plaatsgevonden die onder het verbod of gebod vallen, is het dan ook voldoende dat die feiten aannemelijk zijn gemaakt.
Terugplaatsen cateringspullen
4.3.
[gedaagde] stelt allereerst dat PGSP dwangsommen heeft verbeurd, omdat PGSP haar na de beschikking van 29 april 2026 niet in de gelegenheid heeft gesteld cateringwerkzaamheden te verrichten en haar spullen voor de cateringwerkzaamheden op te slaan in de kerk. Ter onderbouwing van deze stelling voert zij aan dat de spullen op een andere plek zijn geplaatst, terwijl deze eerder in een afgesloten kast in zaal twee en in het kopieerhok stonden. Volgens [gedaagde] is de door PGSP aangewezen plek te klein om al haar spullen op te slaan, kan deze plek niet worden afgesloten en had PGSP geen goede reden om de opslagplek van de spullen te wijzigen. PGSP heeft op haar beurt aangevoerd dat zij de opslagplek van de spullen heeft gewijzigd, omdat de spullen dusdanig veel ruimte om het kopieerapparaat innamen dat er weinig ruimte overbleef om het kopieerapparaat te bedienen en omdat de kast in zaal twee nodig was als voorraadkast voor de kerkelijke voorraden. Tijdens de non-actiefstelling van [gedaagde] bleek namelijk dat nabestaanden van overledenen het vervelend vonden dat mensen van de kerk, terwijl hun dierbare daar lag opgebaard, regelmatig spullen moesten pakken uit de kast in de familiekamer.
4.4.
Op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd stelt de kantonrechter vast dat het [gedaagde] niet is verboden haar cateringspullen in de kerk terug te plaatsen. Voldoende aannemelijk is daardoor dat op dit punt is voldaan aan de eerdere beschikking. Dat er tussen partijen discussie is over de plek waar [gedaagde] de spullen op mag slaan, is onvoldoende voor het verbeuren van dwangsommen. Uit de beschikking volgt immers niet dat de spullen op precies dezelfde plek opgeslagen moesten worden. Daar komt bij dat niet is gebleken dat de spullen zonder reden zijn verplaatst.
Wedertewerkstelling
4.5.
Op basis van de eerdere beschikking is PGSP verplicht [gedaagde] weder tewerk te stellen. Volgens [gedaagde] voldoet PGSP echter niet aan die verplichting, omdat PGSP de taken en verantwoordelijkheden van [gedaagde] dusdanig eenzijdig heeft gewijzigd dat er van wedertewerkstelling feitelijk geen sprake is. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord een uitgebreide opsomming gegeven van de punten die PGSP volgens haar eenzijdig heeft gewijzigd. PGSP erkent op zich wel dat er een aantal dingen zijn gewijzigd, maar stelt dat dit tot haar instructierecht als werkgever behoort en de wijzigingen nodig waren om de verstoorde arbeidsrelatie te herstellen. Van andere punten betwist PGSP dat deze zijn gewijzigd.
4.6.
Aangezien er in dit kort geding geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering zal de kantonrechter, bij de beoordeling of PGSP aan haar verplichting tot wedertewerkstelling heeft voldaan, uitgaan van de werkzaamheden zoals die in de functiebeschrijving (zie r.o. 2.3) zijn opgenomen en wat daarover in de beschikking van de kantonrechter is vermeld.
4.7.
Vast staat dat [gedaagde] na de eerdere beschikking is toegelaten tot het werk en daarbij in grote lijnen in de gelegenheid is gesteld de werkzaamheden, zoals die zijn beschreven in de functieomschrijving, uit te voeren. Over de precieze invulling van de werkzaamheden bestaat tussen partijen echter discussie. De kantonrechter oordeelt dat die discussie maakt dat in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden dat PGSP dwangsommen heeft verbeurd. Anders is dit ten aanzien van de uitvaart die op 19 juni 2026 in de kerk heeft plaatsgevonden. Op basis van de functieomschrijving behoort het gereedmaken van de kerk voor rouwdiensten tot de werkzaamheden van [gedaagde] . PGSP heeft erkend dat zij de kerk op 18 juni 2026 zelf gereed heeft gemaakt voor de rouwdienst op 19 juni 2025. Volgens PGSP heeft zij dat zelf gedaan, omdat de nabestaanden [gedaagde] niet tegen wilde komen. De kantonrechter oordeelt dat voor het gereedmaken van de kerk geen contact met de nabestaanden nodig was. [gedaagde] had deze voorbereidende werkzaamheden dan ook uit kunnen voeren. Doordat PGSP [gedaagde] die mogelijkheid niet heeft geboden, heeft zij voor die dag een dwangsom verbeurd.
Conclusie verbeurde dwangsommen
4.8.
Nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat PGSP dwangsommen heeft verbeurd, zal het door PGSP gevorderde verbod om de verbeurde dwangsommen te executeren worden toegewezen, met uitzondering van de op 18 juni 2025 verbeurde dwangsom van € 500,00.
Schorsing tenuitvoerlegging
4.9.
PGSP heeft verder gevorderd dat de executie van de eerdere beschikking wordt geschorst, totdat er in hoger beroep is beslist.
4.10.
Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] in beginsel gerechtigd is de beschikking jegens PGSP ten uitvoer te leggen. De beschikking is namelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beschikking direct ten uitvoer kan worden gelegd en dat de uitkomst van een eventueel hoger beroep niet hoeft te worden afgewacht. De beslissing om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, is niet gemotiveerd. Bij de beoordeling van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking moet om die reden een belangenafweging plaatsvinden. Onderzocht moet worden of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van PGSP bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om de beschikking nu al ten uitvoer te kunnen leggen. Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep moet buiten beschouwing worden gelaten. Wel kan de rechter in haar oordeelsvorming betrekken of de beschikking berust op een kennelijke feitelijke of juridische misslag.
4.11.
Gesteld nog gebleken is dat de eerdere beschikking berust op een feitelijke of juridische misslag. Ook heeft PGSP onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat haar belang bij schorsing van de executie zwaarder moet wegen dan het belang van [gedaagde] bij tenuitvoerlegging van het vonnis. De vordering om de executie te schorsen wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
4.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van PGSP worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
126,46
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.274,46
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
het voorwaardelijke tegenverzoek
4.14.
Omdat de vordering van PGSP om [gedaagde] te verbieden de vermeende verbeurde dwangsommen te executeren grotendeels wordt toegewezen, ziet de kantonrechter geen aanleiding om de dwangsommen te verhogen. Dit deel van de tegenvordering van [gedaagde] wordt dan ook afgewezen.
4.15.
Ook de tegenvordering van [gedaagde] om de eenzijdige wijziging in de arbeidsvoorwaarden die PGSP zou hebben doorgevoerd terug te draaien, wordt afgewezen. Deze vordering ziet namelijk op de inhoud van de verplichting tot wedertewerkstelling en ten aanzien van die vordering ontbreekt, anders dan door [gedaagde] is betoogd, naar het oordeel van de kantonrechter het spoedeisend belang. De door [gedaagde] aangehaalde jurisprudentie doet daaraan niet af, aangezien die zaken wezenlijk verschillen van deze zaak. Nu onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de functie van [gedaagde] tot een lege huls is gemaakt, is de kantonrechter van oordeel dat de discussie over welke taken en verantwoordelijkheden tot de functie van [gedaagde] behoren in een bodemprocedure dan wel in hoger beroep moet worden gevoerd.
4.16.
Omdat de tegenverzoeken worden afgewezen, komen de proceskosten inzake de tegenvordering voor rekening van [gedaagde] . Gezien de samenhang met de vordering zullen de proceskosten aan de kant van PGSP worden begroot op nihil.
5De beslissing
De kantonrechter
de vordering
5.1.
verbiedt [gedaagde] tot het executeren of incasseren van dwangsommen die PGSP op basis van de beschikking van 29 april 2026 zou zijn verbeurd, met uitzondering van de op 18 juni 2026 verbeurde dwangsom van € 500,00,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.274,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
de tegenvordering
5.6.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten die aan de kant van PGSP worden begroot op nihil,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.
ECLI:NL:GHDHA:2023:847 r.o. 6.2
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 12293846 \ KG EXPL 26-107 /MdV
Vonnis in kort geding van 23 juli 2026
in de zaak van
het kerkgenootschap DE PROTESTANTSE GEMEENTE SINT PANCRAS,
te Sint Pancras,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: PGSP,
gemachtigde: mr. M. Botha,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Hoefs.
De zaak in het kort
In een eerdere procedure tussen partijen heeft de kantonrechter bepaald dat PGSP [gedaagde] weer toe moet laten tot haar werk en haar in de gelegenheid moet stellen haar cateringwerkzaamheden weer op te pakken. Daarbij zijn dwangsommen opgelegd aan PGSP. [gedaagde] stelt dat PGSP zich niet aan de uitspraak heeft gehouden en daardoor dwangsommen heeft verbeurd. De kantonrechter oordeelt dat dit, op één dwangsom na, niet het geval is. De vordering van PGSP om de executie van de dwangsommen te staken, wordt dan ook grotendeels toegewezen. De tegenvorderingen van [gedaagde] , bestaande uit het verhogen van de dwangsommen en het ongedaan maken van wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden, worden afgewezen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de e-mail van 7 juli 2026 van PGSP met aanvullende producties- de conclusie van antwoord met tegenvordering en met producties van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van PGSP.
2De feiten
2.1.
PGSP is een kerkelijke gemeente die onderdeel is van de Protestantse Kerk in Nederland.
2.2.
[gedaagde] is sinds 1 september 2016 voor 18 uur per week in dienst bij PGSP als koster/beheerder.
2.3.
Volgens de functieomschrijving die is opgesteld door de Protestantse kerk en waar in de arbeidsovereenkomst naar wordt verwezen, bestaan de werkzaamheden van een koster, voor zover voor deze zaak van belang, uit:
‘1. Het in gereedheid brengen van het kerkgebouw of de kerkzaal voor de kerkelijke activiteiten door:
a. het tijdig openen en sluiten van het gebouw;
b. het zorgen voor het gereed zijn van de kerkelijke ruimten voor samenkomsten van de gemeenten en bij rouw- en trouwdiensten;
c. het - in voorkomende gevallen - behulpzaam zijn van de kerkbezoekers waaronder bij calamiteiten verlenen van eerste hulp;
d. het tijdens de diensten bedienen van de geluidsinstallatie en - zo nodig - de kerktelefoon; e. het bedienen van de koffiezetapparatuur en andere keukenapparatuur (voor zover aanwezig).
2. Het (doen) verrichten van schoonmaakwerkzaamheden door:
a. het schoonmaken en schoonhouden van het kerkgebouw en bijbehorende terreinen;
b. het bedienen van de schoonmaakapparatuur (voor zover aanwezig);
c. het in overleg met de werkgever zorgen voor schoonmaakartikelen;
d. het maken van afspraken met derden ten aanzien van grotere schoonmaakprojecten.
(…)
5. Het verrichten van diverse overige werkzaamheden door:
a. het zorgen voor het verstrekken van thee, koffie en alcoholvrije dranken tijdens kerkelijke bijeenkomsten en vergaderingen;
b. het zorgen voor in voorraad hebben van koffie, thee e.d.;
c. het uitvoeren van de werkzaamheden met betrekking tot de - gegeven de aard van de accommodatie - verhuur van de kerk en nevenruimten;
d. het in voorkomende gevallen leiding geven aan tijdelijke huishoudelijke medewerkers;
e. het voeren van de administratie in verband met de verstrekking van dranken, de verhuur en aangeschafte (schoonmaak)middelen e.d.’
2.4.
[gedaagde] verricht daarnaast cateringwerkzaamheden voor onder andere uitvaartverzorgers en externe verhuurders van de kerkelijke ruimtes. De kosten hiervan brengt [gedaagde] , via haar eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’, rechtstreeks bij deze derden in rekening.
2.5.
Eerder dit jaar heeft PGSP een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens onder andere een verstoorde arbeidsrelatie ingediend bij de rechtbank. Dit verzoek is door de kantonrechter afgewezen. Volgens de kantonrechter was de arbeidsovereenkomst weliswaar verstoord, maar nog niet ernstig en duurzaam. Het tegenverzoek van [gedaagde] tot wedertewerkstelling en het hervatten van de cateringwerkzaamheden op straffe van verbeurte van een dwangsom is wel toegewezen. In de beschikking van 29 april 2026 is hierover het volgende opgenomen.
‘De kantonrechter;
6.5.
veroordeelt PGSP om [gedaagde] binnen twee weken na betekening van deze beschikking weer toe te laten tot haar werkzaamheden uit de arbeidsovereenkomst op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat PGSP niet binnen twee weken uur na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.6
veroordeelt PGSP om [gedaagde] binnen twee weken na betekening van deze beschikking weer toe te laten tot het verrichten van haar cateringwerkzaamheden in de kerkelijke gebouwen en haar toe te staan dat zij de eigendommen van haar cateringbedrijf weer in de Regenboogkerk plaatst op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat PGSP niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,’
2.6.
De beschikking is op 8 mei 2026 aan PGSP betekend.
2.7.
Op 23 juni 2026 heeft PGSP van de deurwaarder een bevel ontvangen om € 32.000,00 aan verbeurde dwangsommen te betalen, omdat [gedaagde] onvoldoende zou worden toegelaten haar werkzaamheden uit te voeren.
3Het geschil
de vordering
3.1.
PGSP vordert dat de kantonrechter [gedaagde] verbiedt over te gaan tot executie of incasso van de vermeend verbeurde dwangsommen en de executie van de beschikking van 29 april 2026 te schorsen totdat het gerechtshof op het hoger beroep wat PGSP zal instellen, heeft beslist.
3.2.
PGSP legt aan de vordering ten grondslag dat zij [gedaagde] voldoende in staat heeft gesteld haar werkzaamheden uit de arbeidsovereenkomst uit te voeren. Ook heeft zij [gedaagde] in staat gesteld cateringwerkzaamheden te verrichten. PGSP stelt dan ook dat zij heeft voldaan aan de eerdere beschikking en zij betwist daarom dat er dwangsommen zijn verbeurd. Nu [gedaagde] vasthoudt aan de executie van de vermeende dwangsommen, heeft PGSP belang bij het opleggen van een verbod tot het executeren van de dwangsommen. Mocht worden geoordeeld dat er wel een wijziging in de werkzaamheden van [gedaagde] heeft plaatsgevonden, dan stelt PGSP dat zij daar een gerechtvaardigd belang bij heeft, aangezien die aanpassingen noodzakelijk waren de verstoorde arbeidsrelatie te herstellen. Ook om die reden zijn er geen dwangsommen verbeurd. Daar komt bij dat [gedaagde] onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd hoe het gevorderde bedrag aan dwangsommen is opgebouwd. Verder meent PGSP dat haar belang bij uitstel van de executie van de beschikking van 29 april 2026 zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij onmiddellijke executie, zodat de executie van de beschikking moet worden geschorst totdat het hof op het door PGSP in te stellen hoger beroep heeft beslist.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en betwist dat PGSP haar in de gelegenheid stelt de werkzaamheden uit de arbeidsovereenkomst uit te voeren, aangezien de werkzaamheden door PGSP zijn gereduceerd tot vrijwel alleen schoonmaakwerkzaamheden. Ook moet zij haar spullen die zij gebruikt voor cateringwerkzaamheden op een andere plek opslaan als voorheen. [gedaagde] is dan ook van mening dat PGSP niet heeft voldaan aan de eerdere beschikking en dat PGSP om die reden vanaf 22 mei 2026 dwangsommen heeft verbeurd. Nu de dwangsommen verschuldigd zijn, is er volgens [gedaagde] geen aanleiding om de vordering van PGSP om de executie te staken toe te wijzen. Ook de vordering van PGSP tot schorsing van de tenuitvoerlegging totdat er in hoger beroep is beslist, moet worden afgewezen. Een toewijzing zou namelijk tot gevolg hebben dat PGSP mag weigeren om [gedaagde] toe te laten tot haar werk en cateringwerkzaamheden uit te voeren, hetgeen tot grote financiële schade bij [gedaagde] kan leiden.
de voorwaardelijke tegenvordering
3.4.
Voor het geval de vorderingen van PGSP worden afgewezen, vordert [gedaagde] dat de kantonrechter de dwangsommen uit 6.5 en 6.6 van de eerdere beschikking verhoogt tot € 1.000,00 per dag met een maximum van € 100.000,00. Dit omdat de eerder toegewezen dwangsommen niet het gewenste effect hebben gehad en het maximumbedrag aan te verbeuren dwangsommen (bijna) is bereikt.
3.5.
Voor het geval de vorderingen van PGSP worden toegewezen, vordert [gedaagde] dat PGSP wordt verplicht de eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden van [gedaagde] terug te draaien en [gedaagde] de werkzaamheden te laten verrichten zoals voor 1 februari 2026 het geval was.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
de vordering
4.1.
In dit kort geding draait het allereerst om de vraag of PGSP € 32.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd omdat zij de beschikking van 29 april 2026 niet of onvoldoende zou hebben nageleefd. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is en dat PGSP slechts € 500,00 aan dwangsommen heeft verbeurd. Dit wordt als volgt toegelicht.
Toetsingskader
4.2.
De beantwoording in een executiegeschil van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient plaats te vinden door een toetsing van de handelingen die ter uitvoering van het veroordelend vonnis zijn verricht aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De rechter mag bij zijn uitleg van de veroordeling maatstaven van redelijkheid en billijkheid hanteren. De stelplicht en bewijslast dat dwangsommen zijn verbeurd, rusten in de executiefase op de executant. In kort geding zijn de wettelijke regels van bewijsrecht niet van toepassing, in die zin dat er in beginsel geen plaats is voor nadere bewijslevering. Voldoende is daarom dat feiten aannemelijk zijn. Wanneer in kort geding moet worden beoordeeld of al dan niet dwangsommen zijn verbeurd en in dat kader of gedragingen hebben plaatsgevonden die onder het verbod of gebod vallen, is het dan ook voldoende dat die feiten aannemelijk zijn gemaakt.
Terugplaatsen cateringspullen
4.3.
[gedaagde] stelt allereerst dat PGSP dwangsommen heeft verbeurd, omdat PGSP haar na de beschikking van 29 april 2026 niet in de gelegenheid heeft gesteld cateringwerkzaamheden te verrichten en haar spullen voor de cateringwerkzaamheden op te slaan in de kerk. Ter onderbouwing van deze stelling voert zij aan dat de spullen op een andere plek zijn geplaatst, terwijl deze eerder in een afgesloten kast in zaal twee en in het kopieerhok stonden. Volgens [gedaagde] is de door PGSP aangewezen plek te klein om al haar spullen op te slaan, kan deze plek niet worden afgesloten en had PGSP geen goede reden om de opslagplek van de spullen te wijzigen. PGSP heeft op haar beurt aangevoerd dat zij de opslagplek van de spullen heeft gewijzigd, omdat de spullen dusdanig veel ruimte om het kopieerapparaat innamen dat er weinig ruimte overbleef om het kopieerapparaat te bedienen en omdat de kast in zaal twee nodig was als voorraadkast voor de kerkelijke voorraden. Tijdens de non-actiefstelling van [gedaagde] bleek namelijk dat nabestaanden van overledenen het vervelend vonden dat mensen van de kerk, terwijl hun dierbare daar lag opgebaard, regelmatig spullen moesten pakken uit de kast in de familiekamer.
4.4.
Op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd stelt de kantonrechter vast dat het [gedaagde] niet is verboden haar cateringspullen in de kerk terug te plaatsen. Voldoende aannemelijk is daardoor dat op dit punt is voldaan aan de eerdere beschikking. Dat er tussen partijen discussie is over de plek waar [gedaagde] de spullen op mag slaan, is onvoldoende voor het verbeuren van dwangsommen. Uit de beschikking volgt immers niet dat de spullen op precies dezelfde plek opgeslagen moesten worden. Daar komt bij dat niet is gebleken dat de spullen zonder reden zijn verplaatst.
Wedertewerkstelling
4.5.
Op basis van de eerdere beschikking is PGSP verplicht [gedaagde] weder tewerk te stellen. Volgens [gedaagde] voldoet PGSP echter niet aan die verplichting, omdat PGSP de taken en verantwoordelijkheden van [gedaagde] dusdanig eenzijdig heeft gewijzigd dat er van wedertewerkstelling feitelijk geen sprake is. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord een uitgebreide opsomming gegeven van de punten die PGSP volgens haar eenzijdig heeft gewijzigd. PGSP erkent op zich wel dat er een aantal dingen zijn gewijzigd, maar stelt dat dit tot haar instructierecht als werkgever behoort en de wijzigingen nodig waren om de verstoorde arbeidsrelatie te herstellen. Van andere punten betwist PGSP dat deze zijn gewijzigd.
4.6.
Aangezien er in dit kort geding geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering zal de kantonrechter, bij de beoordeling of PGSP aan haar verplichting tot wedertewerkstelling heeft voldaan, uitgaan van de werkzaamheden zoals die in de functiebeschrijving (zie r.o. 2.3) zijn opgenomen en wat daarover in de beschikking van de kantonrechter is vermeld.
4.7.
Vast staat dat [gedaagde] na de eerdere beschikking is toegelaten tot het werk en daarbij in grote lijnen in de gelegenheid is gesteld de werkzaamheden, zoals die zijn beschreven in de functieomschrijving, uit te voeren. Over de precieze invulling van de werkzaamheden bestaat tussen partijen echter discussie. De kantonrechter oordeelt dat die discussie maakt dat in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden dat PGSP dwangsommen heeft verbeurd. Anders is dit ten aanzien van de uitvaart die op 19 juni 2026 in de kerk heeft plaatsgevonden. Op basis van de functieomschrijving behoort het gereedmaken van de kerk voor rouwdiensten tot de werkzaamheden van [gedaagde] . PGSP heeft erkend dat zij de kerk op 18 juni 2026 zelf gereed heeft gemaakt voor de rouwdienst op 19 juni 2025. Volgens PGSP heeft zij dat zelf gedaan, omdat de nabestaanden [gedaagde] niet tegen wilde komen. De kantonrechter oordeelt dat voor het gereedmaken van de kerk geen contact met de nabestaanden nodig was. [gedaagde] had deze voorbereidende werkzaamheden dan ook uit kunnen voeren. Doordat PGSP [gedaagde] die mogelijkheid niet heeft geboden, heeft zij voor die dag een dwangsom verbeurd.
Conclusie verbeurde dwangsommen
4.8.
Nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat PGSP dwangsommen heeft verbeurd, zal het door PGSP gevorderde verbod om de verbeurde dwangsommen te executeren worden toegewezen, met uitzondering van de op 18 juni 2025 verbeurde dwangsom van € 500,00.
Schorsing tenuitvoerlegging
4.9.
PGSP heeft verder gevorderd dat de executie van de eerdere beschikking wordt geschorst, totdat er in hoger beroep is beslist.
4.10.
Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] in beginsel gerechtigd is de beschikking jegens PGSP ten uitvoer te leggen. De beschikking is namelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beschikking direct ten uitvoer kan worden gelegd en dat de uitkomst van een eventueel hoger beroep niet hoeft te worden afgewacht. De beslissing om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, is niet gemotiveerd. Bij de beoordeling van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking moet om die reden een belangenafweging plaatsvinden. Onderzocht moet worden of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van PGSP bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om de beschikking nu al ten uitvoer te kunnen leggen. Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep moet buiten beschouwing worden gelaten. Wel kan de rechter in haar oordeelsvorming betrekken of de beschikking berust op een kennelijke feitelijke of juridische misslag.
4.11.
Gesteld nog gebleken is dat de eerdere beschikking berust op een feitelijke of juridische misslag. Ook heeft PGSP onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat haar belang bij schorsing van de executie zwaarder moet wegen dan het belang van [gedaagde] bij tenuitvoerlegging van het vonnis. De vordering om de executie te schorsen wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
4.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van PGSP worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
126,46
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.274,46
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
het voorwaardelijke tegenverzoek
4.14.
Omdat de vordering van PGSP om [gedaagde] te verbieden de vermeende verbeurde dwangsommen te executeren grotendeels wordt toegewezen, ziet de kantonrechter geen aanleiding om de dwangsommen te verhogen. Dit deel van de tegenvordering van [gedaagde] wordt dan ook afgewezen.
4.15.
Ook de tegenvordering van [gedaagde] om de eenzijdige wijziging in de arbeidsvoorwaarden die PGSP zou hebben doorgevoerd terug te draaien, wordt afgewezen. Deze vordering ziet namelijk op de inhoud van de verplichting tot wedertewerkstelling en ten aanzien van die vordering ontbreekt, anders dan door [gedaagde] is betoogd, naar het oordeel van de kantonrechter het spoedeisend belang. De door [gedaagde] aangehaalde jurisprudentie doet daaraan niet af, aangezien die zaken wezenlijk verschillen van deze zaak. Nu onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de functie van [gedaagde] tot een lege huls is gemaakt, is de kantonrechter van oordeel dat de discussie over welke taken en verantwoordelijkheden tot de functie van [gedaagde] behoren in een bodemprocedure dan wel in hoger beroep moet worden gevoerd.
4.16.
Omdat de tegenverzoeken worden afgewezen, komen de proceskosten inzake de tegenvordering voor rekening van [gedaagde] . Gezien de samenhang met de vordering zullen de proceskosten aan de kant van PGSP worden begroot op nihil.
5De beslissing
De kantonrechter
de vordering
5.1.
verbiedt [gedaagde] tot het executeren of incasseren van dwangsommen die PGSP op basis van de beschikking van 29 april 2026 zou zijn verbeurd, met uitzondering van de op 18 juni 2026 verbeurde dwangsom van € 500,00,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.274,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
de tegenvordering
5.6.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten die aan de kant van PGSP worden begroot op nihil,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.
ECLI:NL:GHDHA:2023:847 r.o. 6.2