Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:10378

2026-07-22 Civiel recht; Verbintenissenrecht K/4102/11317170
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
K/4102/11317170
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

schadevergoedingsvordering wegens 'treintje rijden' en het beschadeuingen van de slagboom wordt toegewezen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.738 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer: 11317170 \ CV EXPL 24-6628




Vonnis van 22 juli 2026




in de zaak van




WESTERGRACHT VASTGOED B.V.,
te Haarlem,
eisende partij,
hierna te noemen: de eisende partij,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gedaagde partij,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Op 10 januari 2024 heeft de gedaagde partij gebruik gemaakt van de betaalde parkeeraccommodatie van de eisende partij. De gedaagde partij heeft de parkeeraccommodatie zonder te betalen verlaten door direct achter een andere auto aan te rijden.





3Het geschil


3.1.
De eisende partij vordert - samengevat - veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 3.003,74, vermeerderd met rente en de proceskosten.



3.2.
De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag dat de gedaagde partij zich schuldig heeft gemaakt aan het zogenoemde ‘treintje rijden’, door direct achter een voorganger onder c.q. langs de slagboom te rijden, althans door zonder gebruikmaking van een geldig parkeerbewijs of parkeermiddel de parkeeraccommodatie te verlaten. Daarnaast heeft de gedaagde partij volgens de eisende partij de slagboom beschadigd doordat hij deze met enig geweld handmatig heeft proberen te openen.



3.3.
Primair stelt de eisende partij dat de gedaagde partij hiermee in strijd heeft gehandeld met de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst en de algemene voorwaarden van de eisende partij. De gedaagde partij is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit de overeenkomst (artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW).



3.4.
Subsidiair stelt de eisende partij dat de gedaagde partij hiermee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, waardoor de eisende partij schade lijdt welke aan de gedaagde partij kan worden toegerekend (artikel 6:162 BW).



3.5.
De gedaagde partij voert verweer. Daarvoor voert hij aan dat hij met zijn gezin Monkey Town heeft bezocht. Daar kan hij normaliter drie uur gratis parkeren. Het kenteken van de auto moet daarvoor bij Monkey Town worden opgegeven. De gedaagde partij heeft dat naar eigen zeggen ook dit keer gedaan, maar kennelijk is dat niet goed gegaan. De gedaagde partij kwam na het bezoek aan Monkey Town overprikkeld aan bij de slagboom. Hij belde vervolgens aan en kreeg een brutale meneer aan de lijn die uitlegde dat hij verhaal moest halen bij Monkey Town. Hij wilde de poort (de kantonrechter begrijpt: de slagboom) niet openen. Uit frustratie is de gedaagde partij toen achter een andere auto door de poort naast hem gereden. De slagboom is volgens de gedaagde partij niet beschadigd omdat hij deze alleen meer een beetje omhoog heeft geduwd.



3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



Geen ambtshalve toetsing van de informatieplichten




4.1.
De eisende partij vordert het dagtarief van € 65,00 plus een bedrag aan schadevergoeding van € 346,95, omdat de gedaagde partij direct achter een andere auto aan langs de slagboom is gereden en zo de parkeeraccommodatie zonder te betalen heeft verlaten.



4.2.
Dit deel van de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. De overeenkomst is gesloten door middel van een geautomatiseerde handelsruimte als bedoeld in artikel 6:230h lid 2 sub l BW. Dit leidt ertoe dat de overeenkomst is uitgezonderd van de informatieplichten als bedoeld in Afdeling 2B, Titel 5, BW. De kantonrechter zal daarom niet ambtshalve toetsen of aan (pre)contractuele informatieplichten is voldaan.




Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden




4.3.
Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Parkeren van de eisende partij, van toepassing. Deze voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.



Inhoudelijk





4.4.
De gedaagde partij erkent dat hij de parkeeraccommodatie zonder te betalen heeft verlaten. Op grond van de parkeerovereenkomst is de eisende partij in dat geval gerechtigd om het dagtarief van € 65,00 in rekening te brengen plus een aanvullende schadevergoeding van € 346,95. De vordering zal voor deze bedragen worden toegewezen.



4.5.
Met de door de eisende partij gedeponeerde camerabeelden en de factuur van IPParking van 11 januari 2026 voor het vervangen van een ‘Barrier Arm’ heeft de eisende partij haar vordering voor wat betreft de schade aan de slagboom ook voldoende onderbouwd. Weliswaar voert de gedaagde partij aan dat hij de slagboom slechts een beetje omhoog heeft geduwd en dat deze daardoor niet is beschadigd, maar de kantonrechter stelt op basis van de camerabeelden vast dat de gedaagde partij met enig geweld tegen de slagboom heeft geduwd en dat deze daarna enigszins scheef omhoog is blijven staan. Van ‘een beetje omhoog duwen’ is dus geen sprake geweest. De gedaagde partij heeft de vordering op dit punt dus onvoldoende weersproken.



Conclusie en proceskosten




4.6.
De conclusie is dat de vordering voor wat betreft de hoofdsom tot een bedrag van € 2.608,95 zal worden toegewezen. Uit de overgelegde factuur blijkt dat de vervanging van de slagboom € 2.197,00 heeft gekost en niet, zoals gevorderd € 2.200,00. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 12 februari 2024, omdat de gedaagde partij vanaf die datum in verzuim is.



4.7.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. De schadevergoedingsvordering voor de slagboom is niet gebaseerd op de overeenkomst maar op onrechtmatige daad. Voor dit deel van de vordering moet beoordeeld worden of de eisende partij nadere incassohandelingen heeft verricht. Aangezien de eisende partij niet stelt dat er meer incassowerkzaamheden zijn verricht dan het versturen van een enkele aanmaning, kan dit deel van de toegewezen vordering niet worden betrokken in de berekening van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit betekent dat de door de eisende partij verstuurde aanmaning niet voldoet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen. In de aanmaning is namelijk een te hoog bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten aangezegd. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.



4.8.
De gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de eisende partij worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


113,54







- griffierecht


€


496,00







- salaris gemachtigde


€


506,00


(2 punten × € 253,00)




- nakosten


€


126,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.242,04














5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 2.608,95, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 februari 2024, tot de dag van volledige betaling,



5.2.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten van € 1.242,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
















































Zie ECLI:NL:RBNHO:2025:15964 (tussenvonnis) en ECLI:NL:RBNHO:2026:2725 (eindvonnis)