Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:10231
2026-08-13
Strafrecht
15/059937-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling wegens het plegen van ontuchtige handelingen met minderjarige (voormalige) pleegdochter. Overweging over betrouwbaarheid verklaring slachtoffer en steunbewijs. Gevangenisstraf van 16 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Toewijzing vordering schadevergoeding € 6.500,- wegens immateriële schade.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.339 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/059937-25 (P)
Uitspraakdatum: 13 augustus 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.P. Peters, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw (mr. M.A. Docter, advocaat te Alkmaar) en de gemachtigde van de benadeelde partij (mr. L. Jense, advocaat te Alkmaar) naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
De verdachte wordt er – kort gezegd – van verdacht dat hij in de periode van 13 maart 2017 tot en met 30 juni 2024 meermalen uiteenlopende ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn minderjarige (voormalige) pleegdochter, die toen nog geen zestien jaar oud was.
De volledige tekst van de tenlastelegging luidt dat:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 maart 2017 tot en met 30 juni 2024 te [plaats], gemeente Koggenland, althans in Nederland, met een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten: [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het een en/of meermalen:
- vastpakken en/of leggen van de handen van die [benadeelde] op zijn, verdachtes, penis en/of die [benadeelde] zijn, verdachtes, penis laten vastpakken en/of vasthouden en/of
- zichzelf aftrekken en/of bevredigen met de handen en/of voeten van die [benadeelde] en/of
- met zijn, verdachtes, penis wrijven en/of schuren tegen de handen en/of de armen en/of de voeten en/of elders tegen het lichaam van die [benadeelde] en/of
- betasten van de buik en/of de borsten en/of de borststreek van die [benadeelde].
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie kunnen alle ten laste gelegde ontuchtige handelingen wettig en overtuigend bewezen worden.
3.2.
Standpunt van de verdediging
In de visie van de verdediging kan de rechtbank, gelet op de verklaring van de verdachte, tot een bewezenverklaring komen van het (in de auto) laten betasten van de blote penis van de verdachte, in de periode maart/april 2024. Van de overige in de tenlastelegging genoemde ontuchtige handelingen, die de verdachte heeft ontkend, moet volgens de raadsvrouw worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging in de eerste plaats aangevoerd dat met betrekking tot deze handelingen steunbewijs voor de verklaring van [benadeelde] (hierna in dit vonnis ook aangeduid als: [benadeelde]) ontbreekt.
De emoties die bij [benadeelde] zijn waargenomen zijn van geruime tijd na de vermeende ontucht. Het verband tussen de emoties en het ten laste gelegde feit staat niet vast, te meer omdat die emoties ook het gevolg kunnen zijn van wat er in de auto is gebeurd.
Ook kan wat de verdediging betreft het enkele feit dat de verdachte het incident in de auto heeft bekend niet dienen als steunbewijs voor de overige ten laste gelegde handelingen.
Daarnaast heeft de raadsvrouw vraagtekens gezet bij de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde].
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaring van [benadeelde]
De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of de verklaring van [benadeelde] betrouwbaar is, en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Indien daarop een bevestigend antwoord wordt gegeven, komt als vervolgvraag aan de orde of de verklaring van [benadeelde] voldoende wordt ondersteund door de inhoud van andere bewijsmiddelen.
Op 16 december 2024 heeft [benadeelde] een ‘Informatief gesprek zeden’ gevoerd met twee zedenrechercheurs. In dit gesprek heeft zij globaal verteld welke ontuchtige handelingen haar (voormalig) pleegvader [verdachte] vanaf haar zevende bij haar heeft gepleegd. Dit ging van tegen haar aan wrijven met zijn heupen en geslachtsdeel tot aanrakingen terwijl zij in bad zat, waarbij hij zijn piemel liet zien, tot momenten waarop [verdachte] haar hand pakte en op zijn piemel legde. Dit was begonnen op een moment toen zij in de auto zaten en [verdachte] aan haar vroeg of zij wel eens ‘een piemeltje’ had gezien. Het was tussen de 17 en 21 keer gebeurd dat [verdachte] haar hand op zijn naakte piemel legde en van deze keren had hij zichzelf 6 tot 7 keer afgetrokken met de hand van [benadeelde].
Aansluitend aan dit informatief gesprek heeft [benadeelde] een verklaring als getuige afgelegd. Hierin heeft zij uitgebreider en meer in detail verklaard over de ontuchtige handelingen.
De verklaring die [benadeelde] als getuige heeft afgelegd over de aard van de ontuchtige handelingen die de verdachte zou hebben gepleegd en de omstandigheden waaronder die handelingen plaatsvonden, komt de rechtbank authentiek voor en is naar haar oordeel specifiek, gedetailleerd en op hoofdlijnen zowel innerlijk consistent als consistent met de inhoud van het informatief gesprek. Hoewel [benadeelde] niet altijd kan aangeven op welk moment een bepaalde gebeurtenis zich precies heeft afgespeeld (wat de rechtbank overigens ook niet vreemd voorkomt nu de verdenking meerdere jaren omvat), bevatten de afzonderlijke situaties die zij beschrijft zodanige specifieke elementen en details (zoals locaties, wat eraan voorafging en wat de ontuchtige handelingen inhielden) dat de rechtbank niet aan de betrouwbaarheid van haar verklaring twijfelt.
Aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde] draagt verder bij dat de verdachte in zijn verhoor bij de politie over het incident in de auto tot tweemaal toe zijn geslachtsdeel aanduidt als zijn ‘piemeltje’. Dit komt woordelijk overeen met de verklaring van [benadeelde] dat de verdachte haar bij dat incident zou hebben gevraagd of zij wel eens ‘een piemeltje’ had gezien.
De rechtbank acht de verklaring van [benadeelde] kortom betrouwbaar. De rechtbank zal deze verklaring daarom als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.
Juridisch kader steunbewijs
In zedenzaken spelen de feiten zich doorgaans tussen twee personen af, buiten het directe zicht van anderen. Het is de rechter volgens de wet niet toegestaan om het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan uitsluitend te baseren op de verklaring van één getuige (artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv)). De rechter mag daarom niet tot een bewezenverklaring komen als de door de aangever of, in dit geval, getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door ander bewijs. Onderdelen van het ten laste gelegde feit kunnen wel worden bewezen op grond van de enkele verklaring van de aangever of getuige. Het is dus niet vereist dat de ten laste gelegde seksuele of ontuchtige handelingen als zodanig steun vinden in ander bewijs. Het kan voldoende zijn dat de verklaring van de aangever/getuige op specifieke punten wordt bevestigd door de inhoud van ander bewijsmateriaal. Dit bewijsmateriaal moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van, in dit geval, de getuige.
Aanwezigheid van steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [benadeelde] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv wordt voldaan en overweegt daartoe het volgende.
De verklaring van [benadeelde] vindt in belangrijke mate steun in de verklaring van de verdachte zelf. De verdachte heeft verklaard dat hij in het voorjaar van 2023 [benadeelde] met de auto naar huis bracht, dat hij een afgeknipte joggingbroek aanhad en geen onderbroek, dat zijn penis onder zijn broek uitkwam en dat hij toen de hand van [benadeelde] heeft gepakt en heeft gelegd op zijn blote penis, die zij enige seconden heeft vastgehouden. Deze verklaring van de verdachte, die één op één overeenkomt met hetgeen [benadeelde] over dit incident heeft verteld, bevestigt de kern van de beschuldiging, te weten het plegen van ontuchtige handelingen met zijn (toentertijd voormalig) pleegkind.
Daarnaast vindt de verklaring van [benadeelde] steun in de aangifte van haar moeder, die verklaart dat [benadeelde] emotioneel was en moest huilen, toen zij uiteindelijk vertelde dat zij misbruikt was. Het kostte [benadeelde] zoveel moeite om het te vertellen dat zij er in eerste instantie voor heeft gekozen het op een briefje te schrijven.
De suggestie van de verdediging dat de emoties die moeder toen heeft waargenomen ook alleen door het enkele incident in de auto kunnen zijn veroorzaakt, verwerpt de rechtbank. [benadeelde] heeft op het betreffende briefje geschreven dat zij van haar zesde tot haar twaalfde zwaar is aangerand (pagina 22 van het dossier). Het is dus evident dat haar emoties verband houden met misbruik over een langere periode en niet zien op één incident. De omstandigheid dat er geruime tijd verstreken is tussen de feiten en de getoonde emoties doet hier niet aan af.
Naar het oordeel van de rechtbank geeft het vorenstaande in voldoende mate ondersteuning aan de verklaring van [benadeelde] om tot een bewezenverklaring te komen, zoals onder 3.4. weergegeven.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2024 te [plaats], gemeente Koggenland, althans in Nederland, met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten: [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het een en/of meermalen:
- vastpakken en leggen van de handen van die [benadeelde] op zijn, verdachtes, penis en/of
- zichzelf aftrekken met de handen en/of voeten van die [benadeelde] en/of
- met zijn, verdachtes, penis wrijven tegen de handen, armen en/of voeten van die [benadeelde] en/of
- betasten van de buik en de borststreek van die [benadeelde].
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6Motivering van de sanctie
6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die naar voren komen uit het adviesrapport van de reclassering. Uitgaande van bewezenverklaring van een eenmalig incident, heeft de raadsvrouw gepleit voor oplegging van een taakstraf, al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft over een periode van ruim vijf jaar meermalen ontuchtige handelingen gepleegd met het slachtoffer. Het slachtoffer is op zevenjarige leeftijd als pleegkind bij de verdachte in huis gekomen en heeft daar zeven maanden verbleven. Ook nadat zij niet meer bij de verdachte woonde, kwam zij nog regelmatig in de woning van de verdachte op bezoek. Het seksueel misbruik is in deze periode ontstaan, waarbij de verdachte steeds verder is gegaan en de handelingen in ernst toenamen. De verdachte heeft meermalen de hand van het slachtoffer op zijn blote penis gelegd en zich ook met de handen en voeten van het slachtoffer afgetrokken.
Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer verkeerde door haar jonge leeftijd en haar instabiele thuissituatie in een kwetsbare en afhankelijke positie. De verdachte heeft het vertrouwen dat het slachtoffer in hem als (voormalig) pleegvader mocht hebben ernstig beschaamd.
Seksueel misbruik verstoort een gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft. Dit kan langdurige en ernstige schade voor de geestelijke gezondheid van het slachtoffer tot gevolg hebben. Het is niet voor niets dat door de wetgever de geestelijke en lichamelijke integriteit van jeugdigen jonger dan zestien jaar uitdrukkelijk wordt beschermd.
Uit het dossier en de toelichting op de vordering tot schadevergoeding blijkt dat de impact van het misbruik voor het slachtoffer groot is. Zij heeft lange tijd innerlijk geworsteld met het misbruik dat zij als geheim met zich meedroeg. Nadat zij er uiteindelijk over heeft durven vertellen, heeft zij psychische klachten ontwikkeld waarvoor behandeling bij de GGZ nodig was. Dit alles valt de verdachte aan te rekenen. Daar komt nog bij dat de verdachte slechts zeer beperkt verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn eigen handelen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in de eerste plaats gekeken naar het strafblad van de verdachte van 18 juni 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van enig strafbaar feit is veroordeeld, zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt.
De reclassering heeft op 29 juni 2026 een advies over de verdachte uitgebracht. Uit het leefgebiedenonderzoek is gebleken dat er in sociaal-maatschappelijk opzicht voldoende stabiliteit is in het leven van de verdachte. Het recidivegevaar wordt als laag ingeschat. De verdachte is op vrijwillige basis gestart met een behandeling bij de forensisch polikliniek van de GGZ Noord-Holland Noord. Nu de verdachte ontvankelijk is voor een vrijwillig behandeltraject wordt een reclasseringsaanbod binnen een juridisch kader niet noodzakelijk geacht. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Strafoplegging
Gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit kan daar naar het oordeel van de rechtbank alleen op worden gereageerd met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Alles afwegende en rekening houdend met de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van zestien maanden, waarvan zes voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Het voorwaardelijk strafdeel is bedoeld als stok achter de deur, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een nieuw strafbaar feit. De rechtbank acht dit nodig, ter bescherming van de maatschappij, nu het ‘waarom’ van het seksueel grensoverschrijdend gedrag van de verdachte grotendeels onduidelijk is gebleven.
Geen contactverbod
De benadeelde partij heeft de rechtbank verzocht de verdachte een contactverbod met het slachtoffer op te leggen. De rechtbank overweegt dat de verdachte in de periode sinds de aangifte geen pogingen heeft gedaan in contact te komen met het slachtoffer. Op de zitting heeft hij aangegeven hier ook geen behoefte toe te voelen.
De rechtbank ziet geen aanwijzing om te veronderstellen dat de verdachte in de toekomst nog contact zal zoeken met het slachtoffer. De rechtbank is dan ook, net als de officier van justitie, van oordeel dat er geen aanleiding is een contactverbod op te leggen, noch als bijzondere voorwaarde, noch als maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
7Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
7.1.
De vordering
Namens de benadeelde partij [benadeelde], wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder, [betrokkene], heeft mr. L. Jense, advocaat te Alkmaar, als haar gemachtigde een vordering tot schadevergoeding van € 6.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die de benadeelde partij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De benadeelde partij verzoekt daarbij ook de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Op de zitting heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering als verzocht, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en met toekenning van de wettelijke rente.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat geen stukken zijn overgelegd waaruit psychisch letsel blijkt en dat ook de concrete gevolgen voor het slachtoffer nauwelijks zijn beschreven. De verdediging acht de hoogte van de gevorderde schadevergoeding veel te hoog, nu het enkel om één incident gaat. Wat de verdediging betreft zou aansluiting moeten worden gezocht bij hoofdstuk 15.3 van de Rotterdamse Schaal, categorie ‘tamelijk ernstig’, waarbij een bedrag van € 1.000,- de bovengrens is.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
Toewijzing van de vordering
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij op jonge leeftijd is blootgesteld aan vergaande ontuchtige handelingen door haar voormalige pleegvader. Hiermee heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van de benadeelde partij. Uit de toelichting op de vordering blijkt bovendien dat onder meer de ontucht bij de benadeelde partij heeft geleid tot gedragsproblemen, die tot uiting kwamen in problematisch middelengebruik, een verstoord dag/nachtritme en spijbelgedrag. Voor deze psychische klachten heeft de benadeelde partij zich onder behandeling gesteld bij de GGZ.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de beschreven gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat ook zonder nadere concrete onderbouwing zonder meer kan worden aangenomen dat de benadeelde door het strafbare feit in de persoon is aangetast. De rechtbank ziet daarom aanleiding een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen.
Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar de aard en ernst van de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen, alsmede de duur en frequentie daarvan, de afhankelijkheidsrelatie en vertrouwensband tussen de benadeelde partij en de verdachte, de jonge leeftijd van de benadeelde partij en het leeftijdsverschil met de verdachte. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden toegewezen en op de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. In die schaal heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij paragraaf 15.3, categorie a ‘meest ernstig’, met een bijbehorende bandbreedte van € 5.000,- tot € 6.500,-.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 6.500,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom in haar geheel toe.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 31 maart 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt, als extra waarborg voor betaling, aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op. Dit betekent dat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat (het CJIB) dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 6.500,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 57 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 247 (oud) en 248 (oud) Sr zijn van toepassing.
9Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op drie jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 6.500,- (zesduizend vijfhonderd euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.500,- (zesduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 57 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.M. Hendriks, voorzitter,
mrs. M. Rigter en R.V. Loeve, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2026.
[Bijlage: de bewijsmiddelen]
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/059937-25 (P)
Uitspraakdatum: 13 augustus 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.P. Peters, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw (mr. M.A. Docter, advocaat te Alkmaar) en de gemachtigde van de benadeelde partij (mr. L. Jense, advocaat te Alkmaar) naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
De verdachte wordt er – kort gezegd – van verdacht dat hij in de periode van 13 maart 2017 tot en met 30 juni 2024 meermalen uiteenlopende ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn minderjarige (voormalige) pleegdochter, die toen nog geen zestien jaar oud was.
De volledige tekst van de tenlastelegging luidt dat:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 maart 2017 tot en met 30 juni 2024 te [plaats], gemeente Koggenland, althans in Nederland, met een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten: [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het een en/of meermalen:
- vastpakken en/of leggen van de handen van die [benadeelde] op zijn, verdachtes, penis en/of die [benadeelde] zijn, verdachtes, penis laten vastpakken en/of vasthouden en/of
- zichzelf aftrekken en/of bevredigen met de handen en/of voeten van die [benadeelde] en/of
- met zijn, verdachtes, penis wrijven en/of schuren tegen de handen en/of de armen en/of de voeten en/of elders tegen het lichaam van die [benadeelde] en/of
- betasten van de buik en/of de borsten en/of de borststreek van die [benadeelde].
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie kunnen alle ten laste gelegde ontuchtige handelingen wettig en overtuigend bewezen worden.
3.2.
Standpunt van de verdediging
In de visie van de verdediging kan de rechtbank, gelet op de verklaring van de verdachte, tot een bewezenverklaring komen van het (in de auto) laten betasten van de blote penis van de verdachte, in de periode maart/april 2024. Van de overige in de tenlastelegging genoemde ontuchtige handelingen, die de verdachte heeft ontkend, moet volgens de raadsvrouw worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging in de eerste plaats aangevoerd dat met betrekking tot deze handelingen steunbewijs voor de verklaring van [benadeelde] (hierna in dit vonnis ook aangeduid als: [benadeelde]) ontbreekt.
De emoties die bij [benadeelde] zijn waargenomen zijn van geruime tijd na de vermeende ontucht. Het verband tussen de emoties en het ten laste gelegde feit staat niet vast, te meer omdat die emoties ook het gevolg kunnen zijn van wat er in de auto is gebeurd.
Ook kan wat de verdediging betreft het enkele feit dat de verdachte het incident in de auto heeft bekend niet dienen als steunbewijs voor de overige ten laste gelegde handelingen.
Daarnaast heeft de raadsvrouw vraagtekens gezet bij de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde].
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaring van [benadeelde]
De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of de verklaring van [benadeelde] betrouwbaar is, en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Indien daarop een bevestigend antwoord wordt gegeven, komt als vervolgvraag aan de orde of de verklaring van [benadeelde] voldoende wordt ondersteund door de inhoud van andere bewijsmiddelen.
Op 16 december 2024 heeft [benadeelde] een ‘Informatief gesprek zeden’ gevoerd met twee zedenrechercheurs. In dit gesprek heeft zij globaal verteld welke ontuchtige handelingen haar (voormalig) pleegvader [verdachte] vanaf haar zevende bij haar heeft gepleegd. Dit ging van tegen haar aan wrijven met zijn heupen en geslachtsdeel tot aanrakingen terwijl zij in bad zat, waarbij hij zijn piemel liet zien, tot momenten waarop [verdachte] haar hand pakte en op zijn piemel legde. Dit was begonnen op een moment toen zij in de auto zaten en [verdachte] aan haar vroeg of zij wel eens ‘een piemeltje’ had gezien. Het was tussen de 17 en 21 keer gebeurd dat [verdachte] haar hand op zijn naakte piemel legde en van deze keren had hij zichzelf 6 tot 7 keer afgetrokken met de hand van [benadeelde].
Aansluitend aan dit informatief gesprek heeft [benadeelde] een verklaring als getuige afgelegd. Hierin heeft zij uitgebreider en meer in detail verklaard over de ontuchtige handelingen.
De verklaring die [benadeelde] als getuige heeft afgelegd over de aard van de ontuchtige handelingen die de verdachte zou hebben gepleegd en de omstandigheden waaronder die handelingen plaatsvonden, komt de rechtbank authentiek voor en is naar haar oordeel specifiek, gedetailleerd en op hoofdlijnen zowel innerlijk consistent als consistent met de inhoud van het informatief gesprek. Hoewel [benadeelde] niet altijd kan aangeven op welk moment een bepaalde gebeurtenis zich precies heeft afgespeeld (wat de rechtbank overigens ook niet vreemd voorkomt nu de verdenking meerdere jaren omvat), bevatten de afzonderlijke situaties die zij beschrijft zodanige specifieke elementen en details (zoals locaties, wat eraan voorafging en wat de ontuchtige handelingen inhielden) dat de rechtbank niet aan de betrouwbaarheid van haar verklaring twijfelt.
Aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde] draagt verder bij dat de verdachte in zijn verhoor bij de politie over het incident in de auto tot tweemaal toe zijn geslachtsdeel aanduidt als zijn ‘piemeltje’. Dit komt woordelijk overeen met de verklaring van [benadeelde] dat de verdachte haar bij dat incident zou hebben gevraagd of zij wel eens ‘een piemeltje’ had gezien.
De rechtbank acht de verklaring van [benadeelde] kortom betrouwbaar. De rechtbank zal deze verklaring daarom als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.
Juridisch kader steunbewijs
In zedenzaken spelen de feiten zich doorgaans tussen twee personen af, buiten het directe zicht van anderen. Het is de rechter volgens de wet niet toegestaan om het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan uitsluitend te baseren op de verklaring van één getuige (artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv)). De rechter mag daarom niet tot een bewezenverklaring komen als de door de aangever of, in dit geval, getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door ander bewijs. Onderdelen van het ten laste gelegde feit kunnen wel worden bewezen op grond van de enkele verklaring van de aangever of getuige. Het is dus niet vereist dat de ten laste gelegde seksuele of ontuchtige handelingen als zodanig steun vinden in ander bewijs. Het kan voldoende zijn dat de verklaring van de aangever/getuige op specifieke punten wordt bevestigd door de inhoud van ander bewijsmateriaal. Dit bewijsmateriaal moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van, in dit geval, de getuige.
Aanwezigheid van steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [benadeelde] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv wordt voldaan en overweegt daartoe het volgende.
De verklaring van [benadeelde] vindt in belangrijke mate steun in de verklaring van de verdachte zelf. De verdachte heeft verklaard dat hij in het voorjaar van 2023 [benadeelde] met de auto naar huis bracht, dat hij een afgeknipte joggingbroek aanhad en geen onderbroek, dat zijn penis onder zijn broek uitkwam en dat hij toen de hand van [benadeelde] heeft gepakt en heeft gelegd op zijn blote penis, die zij enige seconden heeft vastgehouden. Deze verklaring van de verdachte, die één op één overeenkomt met hetgeen [benadeelde] over dit incident heeft verteld, bevestigt de kern van de beschuldiging, te weten het plegen van ontuchtige handelingen met zijn (toentertijd voormalig) pleegkind.
Daarnaast vindt de verklaring van [benadeelde] steun in de aangifte van haar moeder, die verklaart dat [benadeelde] emotioneel was en moest huilen, toen zij uiteindelijk vertelde dat zij misbruikt was. Het kostte [benadeelde] zoveel moeite om het te vertellen dat zij er in eerste instantie voor heeft gekozen het op een briefje te schrijven.
De suggestie van de verdediging dat de emoties die moeder toen heeft waargenomen ook alleen door het enkele incident in de auto kunnen zijn veroorzaakt, verwerpt de rechtbank. [benadeelde] heeft op het betreffende briefje geschreven dat zij van haar zesde tot haar twaalfde zwaar is aangerand (pagina 22 van het dossier). Het is dus evident dat haar emoties verband houden met misbruik over een langere periode en niet zien op één incident. De omstandigheid dat er geruime tijd verstreken is tussen de feiten en de getoonde emoties doet hier niet aan af.
Naar het oordeel van de rechtbank geeft het vorenstaande in voldoende mate ondersteuning aan de verklaring van [benadeelde] om tot een bewezenverklaring te komen, zoals onder 3.4. weergegeven.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2024 te [plaats], gemeente Koggenland, althans in Nederland, met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten: [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het een en/of meermalen:
- vastpakken en leggen van de handen van die [benadeelde] op zijn, verdachtes, penis en/of
- zichzelf aftrekken met de handen en/of voeten van die [benadeelde] en/of
- met zijn, verdachtes, penis wrijven tegen de handen, armen en/of voeten van die [benadeelde] en/of
- betasten van de buik en de borststreek van die [benadeelde].
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6Motivering van de sanctie
6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die naar voren komen uit het adviesrapport van de reclassering. Uitgaande van bewezenverklaring van een eenmalig incident, heeft de raadsvrouw gepleit voor oplegging van een taakstraf, al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft over een periode van ruim vijf jaar meermalen ontuchtige handelingen gepleegd met het slachtoffer. Het slachtoffer is op zevenjarige leeftijd als pleegkind bij de verdachte in huis gekomen en heeft daar zeven maanden verbleven. Ook nadat zij niet meer bij de verdachte woonde, kwam zij nog regelmatig in de woning van de verdachte op bezoek. Het seksueel misbruik is in deze periode ontstaan, waarbij de verdachte steeds verder is gegaan en de handelingen in ernst toenamen. De verdachte heeft meermalen de hand van het slachtoffer op zijn blote penis gelegd en zich ook met de handen en voeten van het slachtoffer afgetrokken.
Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer verkeerde door haar jonge leeftijd en haar instabiele thuissituatie in een kwetsbare en afhankelijke positie. De verdachte heeft het vertrouwen dat het slachtoffer in hem als (voormalig) pleegvader mocht hebben ernstig beschaamd.
Seksueel misbruik verstoort een gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft. Dit kan langdurige en ernstige schade voor de geestelijke gezondheid van het slachtoffer tot gevolg hebben. Het is niet voor niets dat door de wetgever de geestelijke en lichamelijke integriteit van jeugdigen jonger dan zestien jaar uitdrukkelijk wordt beschermd.
Uit het dossier en de toelichting op de vordering tot schadevergoeding blijkt dat de impact van het misbruik voor het slachtoffer groot is. Zij heeft lange tijd innerlijk geworsteld met het misbruik dat zij als geheim met zich meedroeg. Nadat zij er uiteindelijk over heeft durven vertellen, heeft zij psychische klachten ontwikkeld waarvoor behandeling bij de GGZ nodig was. Dit alles valt de verdachte aan te rekenen. Daar komt nog bij dat de verdachte slechts zeer beperkt verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn eigen handelen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in de eerste plaats gekeken naar het strafblad van de verdachte van 18 juni 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van enig strafbaar feit is veroordeeld, zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt.
De reclassering heeft op 29 juni 2026 een advies over de verdachte uitgebracht. Uit het leefgebiedenonderzoek is gebleken dat er in sociaal-maatschappelijk opzicht voldoende stabiliteit is in het leven van de verdachte. Het recidivegevaar wordt als laag ingeschat. De verdachte is op vrijwillige basis gestart met een behandeling bij de forensisch polikliniek van de GGZ Noord-Holland Noord. Nu de verdachte ontvankelijk is voor een vrijwillig behandeltraject wordt een reclasseringsaanbod binnen een juridisch kader niet noodzakelijk geacht. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Strafoplegging
Gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit kan daar naar het oordeel van de rechtbank alleen op worden gereageerd met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Alles afwegende en rekening houdend met de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van zestien maanden, waarvan zes voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Het voorwaardelijk strafdeel is bedoeld als stok achter de deur, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een nieuw strafbaar feit. De rechtbank acht dit nodig, ter bescherming van de maatschappij, nu het ‘waarom’ van het seksueel grensoverschrijdend gedrag van de verdachte grotendeels onduidelijk is gebleven.
Geen contactverbod
De benadeelde partij heeft de rechtbank verzocht de verdachte een contactverbod met het slachtoffer op te leggen. De rechtbank overweegt dat de verdachte in de periode sinds de aangifte geen pogingen heeft gedaan in contact te komen met het slachtoffer. Op de zitting heeft hij aangegeven hier ook geen behoefte toe te voelen.
De rechtbank ziet geen aanwijzing om te veronderstellen dat de verdachte in de toekomst nog contact zal zoeken met het slachtoffer. De rechtbank is dan ook, net als de officier van justitie, van oordeel dat er geen aanleiding is een contactverbod op te leggen, noch als bijzondere voorwaarde, noch als maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
7Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
7.1.
De vordering
Namens de benadeelde partij [benadeelde], wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder, [betrokkene], heeft mr. L. Jense, advocaat te Alkmaar, als haar gemachtigde een vordering tot schadevergoeding van € 6.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die de benadeelde partij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De benadeelde partij verzoekt daarbij ook de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Op de zitting heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering als verzocht, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en met toekenning van de wettelijke rente.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat geen stukken zijn overgelegd waaruit psychisch letsel blijkt en dat ook de concrete gevolgen voor het slachtoffer nauwelijks zijn beschreven. De verdediging acht de hoogte van de gevorderde schadevergoeding veel te hoog, nu het enkel om één incident gaat. Wat de verdediging betreft zou aansluiting moeten worden gezocht bij hoofdstuk 15.3 van de Rotterdamse Schaal, categorie ‘tamelijk ernstig’, waarbij een bedrag van € 1.000,- de bovengrens is.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
Toewijzing van de vordering
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij op jonge leeftijd is blootgesteld aan vergaande ontuchtige handelingen door haar voormalige pleegvader. Hiermee heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van de benadeelde partij. Uit de toelichting op de vordering blijkt bovendien dat onder meer de ontucht bij de benadeelde partij heeft geleid tot gedragsproblemen, die tot uiting kwamen in problematisch middelengebruik, een verstoord dag/nachtritme en spijbelgedrag. Voor deze psychische klachten heeft de benadeelde partij zich onder behandeling gesteld bij de GGZ.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de beschreven gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat ook zonder nadere concrete onderbouwing zonder meer kan worden aangenomen dat de benadeelde door het strafbare feit in de persoon is aangetast. De rechtbank ziet daarom aanleiding een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen.
Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar de aard en ernst van de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen, alsmede de duur en frequentie daarvan, de afhankelijkheidsrelatie en vertrouwensband tussen de benadeelde partij en de verdachte, de jonge leeftijd van de benadeelde partij en het leeftijdsverschil met de verdachte. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden toegewezen en op de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. In die schaal heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij paragraaf 15.3, categorie a ‘meest ernstig’, met een bijbehorende bandbreedte van € 5.000,- tot € 6.500,-.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 6.500,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom in haar geheel toe.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 31 maart 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt, als extra waarborg voor betaling, aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op. Dit betekent dat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat (het CJIB) dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 6.500,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 57 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 247 (oud) en 248 (oud) Sr zijn van toepassing.
9Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op drie jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 6.500,- (zesduizend vijfhonderd euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.500,- (zesduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 57 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.M. Hendriks, voorzitter,
mrs. M. Rigter en R.V. Loeve, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2026.
[Bijlage: de bewijsmiddelen]