Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:10156

2026-08-10 Bestuursrecht HAA 26/3413
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-10
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
HAA 26/3413
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar. Woningsluiting op grond van de Opiumwet voor 3 maanden vanwege vondst aanzienlijke hoeveelheid softdrugs (henneptoppen en -gruis) en een stroomstootwapen. In geschil is noodzaak en evenredigheid van sluiting. Belang kinderen is betrokken. Niet gebleken is dat kinderen niet tijdelijk bij moeder zouden kunnen verblijven of dat verzoeker voor hem en zijn kinderen geen alternatief onderdak kan vinden. Voorlopige voorziening is afgewezen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.116 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Alkmaar



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 26/3413


uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker
(gemachtigde: mr. B.H. van der Zwan),


en


de burgemeester van de gemeente Hoorn
(gemachtigden: mr. S. Bogaarts en L.F.A. Eelman).


Samenvatting


1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker aan de [adres 1] te [plaats 1] voor een periode van drie maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.



1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 1 juli 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoeker met ingang van 9 juli 2026 voor een periode van drie maanden gesloten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



2.1.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.





Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoeker is woonachting op het adres [adres 1] te [plaats 1] . Twee van zijn (minderjarige) kinderen staan ook op dit adres ingeschreven. De moeder van deze kinderen woont in bij haar vader aan de [adres 2] te [plaats 2] .

4. Op 21 mei 2026 heeft de politie met een bestuurlijke rapportage de burgemeester in kennis gesteld van het volgende. Naar aanleiding van een melding van een mogelijke vrijheidsbenemening heeft de politie op 28 april 2026 onderzoek ingesteld op het adres [adres 1] te [plaats 1] . Verzoeker is direct aangehouden. Vervolgens heeft een onderzoek in de woning plaatsgevonden. Daarbij is aangetroffen: een doos met gripzakken, weegschalen, drugsbewaarbakjes en kokers, gripzakken met residu van wit poeder en verpakkingsmaterialen van drugs, een zak met henneptoppen en -gruis (in totaal 1.464 gram), een stroomstootwapen en patronen van een vuurwapen. Op de bovenste verdieping achter een afgesloten deur bleek een ontruimde, niet in werking zijnde hennepkwekerij te hebben gezeten. De kamer was volledig geïsoleerd, op de vloer lagen tempexplaten met daarop de afdruk van plantenpakken. Verder zijn daar resten potgrond en korrels aangetroffen die door de politie werden herkend als die gebruikt worden bij hennepkweek. In een wand in de muur was een rond gat gemaakt, dat geschikt is voor de afzuiging van een hennepkwekerij. Buiten deze ruimte stonden twee CO2 flessen die vermoedelijk ook gebruikt zijn ten behoeve van hennepteelt. In een los in de achtertuin staande afgesloten schuur trof de politie een 140 liter waterton, een dompelpomp en diverse vaten met groei- en bloeimiddel aan. Deze goederen kunnen gebruikt worden voor een hennepkwekerij.

5. De burgemeester heeft in het voornemen een sluiting van de woning voor een periode van zes maanden opgenomen. Naar aanleiding van de zienswijze heeft de burgemeester de sluiting gematigd tot drie maanden. De burgemeester heeft dit besluit uitvoerig gemotiveerd.

6. Voor het toetsingskader verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019 en 2 februari 2022.



Was de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?



7. Verzoeker betwist dat de burgemeester bevoegd was over te gaan tot sluiting van de woning. Hij stelt daartoe onder meer dat het de bedoeling was van de henneptoppen en -gruis wietolie voor eigen gebruik te laten maken, vanwege zijn medische klachten.

8. De burgemeester stelt zich hierover op het standpunt dat alles boven de 5 gram softdrugs als een handelshoeveelheid wordt gezien. Het aantreffen van 1.464 gram hennepgruis en -toppen duidt erop dat deze softdrugs aanwezig waren om te worden geteeld, bereid, verkocht, afgeleverde of verstrekt dan wel daartoe aanwezig waren in de zin van artikel 3 van de Opiumwet. Een medische noodzaak voor het gebruik van CBD staat niet vast en zelfs indien er een medische noodzaak zou zijn, gaat de stelling dat de drugs voor eigen gebruik waren niet op met een dergelijke hoeveelheid. Want zelfs als zou uitgegaan worden van een relatief laag rendement en een zwakker eindproduct dan nog kan daar een aanzienlijke hoeveelheid CBD-olie uit worden gemaakt en veel meer dan alleen voor eigen gebruik. Dit nog los van het feit dat het op grond van de Opiumwet niet is toegestaan om dergelijke hoeveelheden hennepgruis in huis te hebben.


De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


9. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 5 gram softdrugs de aangetroffen hoeveelheid softdrugs in beginsel (ook) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van verzoeker om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor de woning een last onder bestuursdwang op te leggen.

10. Vooralsnog is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de drugs niet voor de handel bedoeld waren. De stelling van verzoeker dat sprake zou zijn van eigen gebruik in verband met een medische aandoening is in het geheel niet onderbouwd. Uit de verklaring van de huisarts is niet af te leiden dat verzoeker aangeraden zou zijn wietolie te gebruiken, nu de huisarts alleen verklaart dat eiser zich begin juni 2026 heeft gemeld met rugklachten. De voorzieningenrechter acht de verklaring van verzoeker dat de aangetroffen (grote hoeveelheid) henneptoppen en -gruis bedoeld was om wietolie van te (laten) maken voor eigen gebruik daarom niet aannemelijk.

11. De burgemeester was dan ook bevoegd tot sluiting van de woning.



Was de sluiting evenredig?



- Noodzakelijkheid van de sluiting

12. Verzoeker stelt dat de sluiting de noodzakelijkheidstoets niet doorstaat. Nergens uit blijkt dat er feitelijk in of vanuit de woning werd gekweekt, verhandeld, dan wel dat er voorbereidingshandelingen hebben plaatsgevonden. Bovendien is er geen “loop” naar de woning geconstateerd. Verzoeker stelt verder dat zowel hij als de woning geen onderdeel hebben uitgemaakt van de keten van drugshandel. Verzoeker heeft nimmer drugs gekweekt of verhandeld en het pand staat derhalve niet bekend als drugspand. Er was uitsluitend sprake van de aanwezigheid van henneptoppen en hennepgruis. Deze waren afkomstig van vijf hennepplanten die verzoeker eerder voor eigen gebruik onder zich had. De aangetroffen resten hielden verband met de persoonlijke situatie van verzoeker, waaronder zijn medische situatie. Verder stelt verzoeker dat een laboratoriumrapport ontbreekt waaruit blijkt dat daadwerkelijk sprake zou zijn van verdovende middelen in de vorm van softdrugs en wat de hoeveelheid hiervan zou zijn geweest, nu er wordt gesproken over henneptoppen en -gruis.

13. De burgemeester stelt zich hierover op het standpunt dat de doelen (doorbreken bekendheid van het pand als drugspand, herstellen van de rust, verhinderen dat het pand opnieuw gebruikt wordt ten behoeve van het drugscircuit en de drugshandel, signaal afgeven dat de geconstateerde feiten onacceptabel zijn en voorkomen van de uit drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de volksgezondheid) niet kunnen worden bereikt met een waarschuwing of een last onder dwangsom. Aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Hierdoor is sluiting een noodzakelijk middel.


De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


14. Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de “loop” naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal.

15. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting noodzakelijk is, omdat aannemelijk is dat de woning een rol vervult in de drugshandel. Daarbij heeft de voorzieningenrechter betrokken dat niet alleen een aanzienlijke hoeveelheid softdrugs is aangetroffen, maar dat er ook zaken zijn aangetroffen die wijzen op het in bedrijf (geweest) zijn van een hennepkwekerij, en op handel (gripzakjes, weegschalen). Bovendien is een stroomstootwapen aangetroffen. Dit leidt ertoe dat de burgemeester kon oordelen dat de bekendheid van het pand als drugspand moet worden weggenomen. Dit alles maakt dat de doelen niet op een andere, minder ingrijpende manier konden worden bereikt. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat zij, evenals de burgemeester, de verklaring van verzoeker dat hij op de zolder van zijn woning een extra slaapkamer voor zijn zoon aan het maken was, als ongeloofwaardig aanmerkt. De foto’s die van die verdieping zijn gemaakt tonen immers niets dat wijst op een (ophanden zijnde) verbouwing tot slaapkamer. De verklaring van verzoeker ter zitting dat de aannemer fouten heeft gemaakt door een muur op de verkeerde plaats te zetten komt de voorzieningenrechter zeer onaannemelijk voor, nu de muur nota bene is gezet voor een raam, waardoor er geen daglicht meer in de ‘slaapkamer’ kan toetreden.

- Evenwichtigheid van de sluiting

16. Verzoeker stelt verder dat het besluit onevenredig is. Volgens verzoeker zijn er bijzondere omstandigheden die maken dat de sluiting onevenredig is. Hij wijst daarbij op de omstandigheid dat er slechts sprake is van eigen gebruik in verband met rugklachten. En daarbij is de aanwezige hoeveelheid afkomstig van 5 hennepplanten, wat maakt dat er geen sprake is van een handelshoeveelheid aangezien het gedoogd wordt. Verder vormt de sluiting volgens verzoeker een serieuze inmenging in de fundamentele rechten van verzoeker. Het is juist dat er twee minderjarige kinderen ingeschreven staan op het adres van de woning. Anders dan wordt gesteld verblijven de minderjarigen ook daadwerkelijk in de woning van verzoeker, hetgeen blijkt uit het feit dat verzoeker recent de zolder heeft verbouwd om een extra slaapkamer te creëren. Het sluiten van de woning heeft voor zijn minderjarige kinderen verstrekkende gevolgen. Zij worden uit hun vertrouwen de omgeving gehaald en verzoeker zal met zijn kinderen op straat belanden. Hij heeft niet de mogelijkheid om met de minderjarige kinderen elders te verblijven. De moeder van de kinderen is woonachtig bij haar vader waarvoor zij zorg draagt en beschikt over onvoldoende ruimte om zowel de minderjarige kinderen als verzoeker op te vangen.

17. De burgemeester stelt zich hierover op het standpunt dat in het bestreden besluit zichtbaar is afgewogen dat de duur van de sluiting evenwichtig is. Waar verzoeker stelt dat het niet verwijtbaar is volgt de burgemeester dat niet. Verzoeker betwist niet wat is aangetroffen, hij geef er een andere verklaring voor, die de burgemeester niet geloofwaardig en niet sluitend acht. Naar aanleiding van de door verzoeker in het geding gebrachte facturen van vakantieverblijven heeft de burgemeester ter zitting opgemerkt dat daaruit blijkt dat verzoeker in staat is om onderdak te vinden voor hemzelf en zijn kinderen. Daarnaast is hulp aangeboden indien geen alternatieve opvang beschikbaar is. Daarvan is tot op heden geen gebruik gemaakt.


De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


18. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij zich ervan te vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning, de mogelijkheid om weer in de woning terug te keren, en of er minderjarige kinderen in de woning wonen. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.

19. Opgemerkt zij dat een langere sluiting op grond van de beleidsregels mogelijk was geweest, gelet op het aangetroffen stroomstootwapen. De burgemeester heeft na ontvangst van de zienswijze volstaan met een sluiting van drie maanden. De voorzieningenrechter acht dat vooralsnog niet onevenredig. Daarbij heeft de voorzieningenrechter het volgende in aanmerking genomen. Dat geen sprake is van verwijtbaarheid, zoals verzoeker heeft gesteld, kan niet worden gevolgd. Verzoeker wist dat er henneptoppen en -gruis in de woning aanwezig waren, alsmede een stroomstootwapen. Dat deze grote hoeveelheid softdrugs voor eigen gebruik zou zijn acht de voorzieningenrechter onaannemelijk. Voorts is niet gebleken van een bijzondere binding met de woning. De omstandigheid dat de sluiting kan leiden tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst betreft een eigenstandige bevoegdheid van de woningeigenaar en staat in zoverre los van het besluit van de burgemeester. Verzoeker heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de minderjarige kinderen die op zijn adres staan ingeschreven niet tijdelijk bij moeder kunnen verblijven. De verklaring van moeder is onvoldoende om aan te nemen dat de kinderen niet tijdelijk bij haar zouden kunnen verblijven. Ter zitting is gebleken dat de woning waarin moeder verblijft een eengezinswoning van drie etages betreft. De burgemeester heeft bovendien aangegeven dat hij bereid is mee te denken als het verzoeker niet meer mocht lukken voor onderdak te zorgen.



Conclusie en gevolgen


20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de woning gesloten blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:RVS:2019:2912


ECLI:NL:RVS:2022:285