Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:10155
2026-08-10
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
HAA 26/2761
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De voorzieningenrechter verklaart de stichting niet-ontvankelijk, omdat zij geen belanghebbende is als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Het verzoek van verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard, wegens het ontbreken van connexiteit, omdat er geen bezwaar gemaakt is tegen het besluit dat onderwerp is van het verzoek.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2016:1813 Raad van State 29-06-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.895 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2761
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2026 in de zaak tussen
stichting de Wilde Tijger, uit Heemstede, verzoekster
(vertegenwoordigd door [naam 1] )
en
[naam 1] , uit Heemstede, verzoeker sub 2
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede
(gemachtigden: A.F. Meijer, mr. M. Jansen en N.E. van den Bosch).
Procesverloop
1. Stichting de Wilde Tijger (hierna te noemen: de stichting) heeft op 5 januari 2026 op eigen naam 35 verzoeken om handhaving ingediend op grond van de Wet betaalbare huur: 15 namens bewoners van de [straat 1] en [straat 2] en 20 namens bewoners uit overige delen van de gemeente Heemstede. Bij dat verzoek is een aantal bijlagen gevoegd, waaronder enige machtigingen van bewoners.
2. Op 17 februari 2026 heeft het college de stichting bericht dat haar handhavingsverzoeken niet in behandeling genomen worden, omdat de stichting geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verder bericht het college dat een aantal verzoeken wel in behandeling is genomen en dat de onderzoeken naar aanleiding daarvan nog lopen.
3. Op 9 april 2026 is namens de stichting en 5 betrokken bewoners het college in gebreke gesteld.
4. Bij besluit van 22 april 2026 heeft het college het verzoek van de stichting buiten behandeling gesteld en de verzoeken van de machtiginggevers buiten behandeling gesteld omdat een uitspraak van de huurcommissie ontbreekt. De drie andere verzoeken (van [naam 2] , verzoeker sub 2 en mw. [naam 3] ) blijven in behandeling.
5. Op 24 april 2026 hebben verzoekers het college meegedeeld dat het in verzuim is vanwege het niet adequaat reageren op de ingebrekestelling van 9 april 2026.
6. Bij besluit van 11 mei 2026 heeft het college meegedeeld dat het geen dwangsom verschuldigd is, omdat er op 22 april 2026 een besluit is genomen naar aanleiding van de handhavingsverzoeken.
7. Op 20 mei 2026 hebben verzoekers een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Gevraagd wordt een voorlopige voorziening te treffen “tegen het besluit van het college van 11 mei 2026 waarbij het college heeft geweigerd handhavend op te treden op grond van de Wet betaalbare huur.”
8. Het college heeft de rechtbank desgevraagd op 26 mei 2026 meegedeeld dat geen bezwaar gemaakt is tegen het besluit van 11 mei 2026.
9. Bij brief van 29 mei 2026 hebben verzoekers daarop gereageerd.
10. Deze reactie is op 25 juni 2026 door de rechtbank aan het college gezonden ter behandeling als een bezwaar.
11. Het college heeft het schrijven van verzoekers van 29 mei 2026 in behandeling genomen als bezwaar tegen het besluit van 22 april 2026.
12. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
13. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker sub 2, vergezeld door [naam 2] en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
14. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker sub 2 in deze procedure optreedt als zelfstandige procespartij en tevens als vertegenwoordiger van de stichting.
Ten aanzien van de stichting.
15. De eerste vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of de stichting als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.
16. Op grond van artikel 1:2, derde lid van de Awb kunnen ook rechtspersonen als belanghebbende opkomen tegen besluiten, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel hebben gesteld te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, rechtstreeks bij het besluit betrokken is.
17. Een belangenorganisatie kan niet zomaar als belanghebbende (bij een besluit) worden aangemerkt. Uit de rechtspraak van de Afdeling over de feitelijke werkzaamheden blijkt dat niet enkel de statutaire doelstelling van een belangenorganisatie bepalend is voor haar belanghebbendheid, maar vooral ook de wijze waarop zij die doelstelling in de praktijk vormgeeft. De organisatie moet door concrete, op haar doel gerichte activiteiten laten zien dat zij daadwerkelijk en duurzaam opkomt voor het gestelde belang. Voor algemene belangenorganisaties geldt dat zij moeten aantonen dat zij door feitelijke werkzaamheden op structurele wijze bijdragen aan het behartigen van het algemene belang dat zij beogen te beschermen. Het enkele voeren van juridische procedures, of het voorbereiden daarvan, is daarvoor onvoldoende. De feitelijke werkzaamheden fungeren daarmee als toetssteen voor de daadwerkelijke betrokkenheid en continuïteit van de organisatie bij het betreffende belang, zodat alleen die belangenorganisaties die zich ook in de praktijk voor hun doelstelling inzetten, als belanghebbende in de zin van de Awb kunnen worden aangemerkt.
18. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat voor een bevestigend antwoord van die vraag van belang is dat de organisatie haar statutaire doelstelling voldoende onderscheidend heeft geformuleerd en dat de organisatie in dat kader feitelijke werkzaamheden verricht. De statutaire doelstelling vormt daarbij het vertrekpunt, maar pas wanneer deze doelstelling ook daadwerkelijk wordt uitgedragen door concrete en structurele activiteiten, kan worden gesproken van feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Dergelijke werkzaamheden moeten verder reiken dan enkel procederen.
19. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter gevraagd naar de activiteiten van de stichting. Namens de stichting is daarop verklaard dat er een website wordt gebouwd waarmee de juiste huur berekend kan worden en dat er verder procedures worden gevoerd. Bevestigd is dat dit de enige werkzaamheden van de stichting zijn. Desgevraagd is verklaard dat er geen sprake is van leden of donateurs. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de stichting – gelet op de rechtspraak van de Afdeling – niet als belanghebbende worden aangemerkt. De stichting zal daarom niet ontvankelijk verklaard worden.
Ten aanzien van verzoeker sub 2.
20. Het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend op 20 mei 2026. Daarin wordt verzocht een voorlopig voorziening te treffen tegen het besluit van 11 mei 2026. De voorzieningenrechter stelt vast dat in dit besluit het college heeft meegedeeld dat de verzochte dwangsommen niet zijn verbeurd, omdat op 22 april 2026 al een besluit is genomen op de handhavingsverzoeken. Verzoeker sub 2 verzoekt onder meer het besluit van 11 mei 2026 te schorsen en het college op te dragen een nieuw besluit te nemen met toepassing van de Wet betaalbare huur. Verder wordt verzocht te bevestigen dat een dwangsom verschuldigd is per verzoeker en een beslissing te nemen over bewijslevering en het betrekken van integriteitsrisico’s.
21. Aangezien voorafgaand aan de zitting is geconstateerd dat er geen bezwaar was ingediend tegen beide besluiten, heeft de rechtbank aanleiding gezien het schrijven van 29 mei 2026 van verzoeker sub 2 aan te merken als bezwaarschrift, zodat daarmee sprake is van connexiteit. Verzoeker sub 2 is het hiermee niet eens. Hij heeft niet bedoeld een bezwaarschrift in te dienen. Ter gelegenheid van de zitting heeft de voorzieningenrechter verzoeker sub 2 voorgehouden dat in dat geval de voor een voorlopige voorziening wettelijke vereiste connexiteit met een lopend bezwaar of beroep ontbreekt. Verzoeker sub 2 heeft ter zitting aangegeven dat dat klopt.
22. De voorzieningenrechter heeft verzoeker sub 2 ter zitting meermaals voorgehouden dat aan zijn verzoek om een voorlopige voorziening, als dat uitsluitend is gericht tegen het besluit van 11 mei 2026 betreffende het niet toekennen van een dwangsom, bovendien een spoedeisend belang ontbreekt. Ook dit is een voorwaarde voor het kunnen treffen van een voorlopige voorziening. Hierop heeft verzoeker sub 2 aangegeven dat dit klopt. Verzoeker sub 2 heeft daarop zijn stelling gehandhaafd dat er geen besluit op zijn verzoek is genomen op 22 april 2026 en dat zijn verzoek is gebaseerd op het besluit van 11 mei 2026.
23. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek van verzoeker sub 2 wegens het ontbreken van de vereiste connexiteit niet-ontvankelijk is. Bovendien ontbreekt een spoedeisend belang bij het verzoek.
Ten overvloede
24. De voorzieningenrechter heeft ter zitting verzoekers erop gewezen dat kort voorafgaand aan de zitting een aanzienlijke hoeveelheid stukken is ingediend met de omvang van een telefoonboek, terwijl iedere vorm van toelichting daarop ontbreekt. De voorzieningenrechter heeft aangegeven dat er stukken tussen zitten die geen betrekking hebben op het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft erop gewezen dat het vaste rechtspraak is dat het niet aan de rechter is om zelf op zoek te gaan naar de mogelijke standpunten van een partij. Minimaal is een inventarislijst bij een dergelijke hoeveelheid stukken alsmede een toelichting waarom een stuk relevant is voor het ingediende verzoek.
25. Uit hetgeen door het college in het verweerschrift is vermeld en door partijen ter zitting nog is toegelicht, volgt dat er sprake is van een impasse. De voorzieningenrechter heeft ter zitting een tevergeefse poging gedaan om deze impasse te doorbreken. Dat betekent echter niet dat over hetgeen is besproken in deze procedure een beslissing moet worden genomen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart de stichting niet-ontvankelijk, omdat zij geen belanghebbende is in deze procedure;
- verklaart het verzoek van verzoeker sub 2 niet-ontvankelijk, omdat de connexiteit ontbreekt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2016:1813
Artikel 8:81 van de Awb
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2761
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2026 in de zaak tussen
stichting de Wilde Tijger, uit Heemstede, verzoekster
(vertegenwoordigd door [naam 1] )
en
[naam 1] , uit Heemstede, verzoeker sub 2
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede
(gemachtigden: A.F. Meijer, mr. M. Jansen en N.E. van den Bosch).
Procesverloop
1. Stichting de Wilde Tijger (hierna te noemen: de stichting) heeft op 5 januari 2026 op eigen naam 35 verzoeken om handhaving ingediend op grond van de Wet betaalbare huur: 15 namens bewoners van de [straat 1] en [straat 2] en 20 namens bewoners uit overige delen van de gemeente Heemstede. Bij dat verzoek is een aantal bijlagen gevoegd, waaronder enige machtigingen van bewoners.
2. Op 17 februari 2026 heeft het college de stichting bericht dat haar handhavingsverzoeken niet in behandeling genomen worden, omdat de stichting geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verder bericht het college dat een aantal verzoeken wel in behandeling is genomen en dat de onderzoeken naar aanleiding daarvan nog lopen.
3. Op 9 april 2026 is namens de stichting en 5 betrokken bewoners het college in gebreke gesteld.
4. Bij besluit van 22 april 2026 heeft het college het verzoek van de stichting buiten behandeling gesteld en de verzoeken van de machtiginggevers buiten behandeling gesteld omdat een uitspraak van de huurcommissie ontbreekt. De drie andere verzoeken (van [naam 2] , verzoeker sub 2 en mw. [naam 3] ) blijven in behandeling.
5. Op 24 april 2026 hebben verzoekers het college meegedeeld dat het in verzuim is vanwege het niet adequaat reageren op de ingebrekestelling van 9 april 2026.
6. Bij besluit van 11 mei 2026 heeft het college meegedeeld dat het geen dwangsom verschuldigd is, omdat er op 22 april 2026 een besluit is genomen naar aanleiding van de handhavingsverzoeken.
7. Op 20 mei 2026 hebben verzoekers een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Gevraagd wordt een voorlopige voorziening te treffen “tegen het besluit van het college van 11 mei 2026 waarbij het college heeft geweigerd handhavend op te treden op grond van de Wet betaalbare huur.”
8. Het college heeft de rechtbank desgevraagd op 26 mei 2026 meegedeeld dat geen bezwaar gemaakt is tegen het besluit van 11 mei 2026.
9. Bij brief van 29 mei 2026 hebben verzoekers daarop gereageerd.
10. Deze reactie is op 25 juni 2026 door de rechtbank aan het college gezonden ter behandeling als een bezwaar.
11. Het college heeft het schrijven van verzoekers van 29 mei 2026 in behandeling genomen als bezwaar tegen het besluit van 22 april 2026.
12. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
13. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker sub 2, vergezeld door [naam 2] en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
14. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker sub 2 in deze procedure optreedt als zelfstandige procespartij en tevens als vertegenwoordiger van de stichting.
Ten aanzien van de stichting.
15. De eerste vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of de stichting als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.
16. Op grond van artikel 1:2, derde lid van de Awb kunnen ook rechtspersonen als belanghebbende opkomen tegen besluiten, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel hebben gesteld te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, rechtstreeks bij het besluit betrokken is.
17. Een belangenorganisatie kan niet zomaar als belanghebbende (bij een besluit) worden aangemerkt. Uit de rechtspraak van de Afdeling over de feitelijke werkzaamheden blijkt dat niet enkel de statutaire doelstelling van een belangenorganisatie bepalend is voor haar belanghebbendheid, maar vooral ook de wijze waarop zij die doelstelling in de praktijk vormgeeft. De organisatie moet door concrete, op haar doel gerichte activiteiten laten zien dat zij daadwerkelijk en duurzaam opkomt voor het gestelde belang. Voor algemene belangenorganisaties geldt dat zij moeten aantonen dat zij door feitelijke werkzaamheden op structurele wijze bijdragen aan het behartigen van het algemene belang dat zij beogen te beschermen. Het enkele voeren van juridische procedures, of het voorbereiden daarvan, is daarvoor onvoldoende. De feitelijke werkzaamheden fungeren daarmee als toetssteen voor de daadwerkelijke betrokkenheid en continuïteit van de organisatie bij het betreffende belang, zodat alleen die belangenorganisaties die zich ook in de praktijk voor hun doelstelling inzetten, als belanghebbende in de zin van de Awb kunnen worden aangemerkt.
18. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat voor een bevestigend antwoord van die vraag van belang is dat de organisatie haar statutaire doelstelling voldoende onderscheidend heeft geformuleerd en dat de organisatie in dat kader feitelijke werkzaamheden verricht. De statutaire doelstelling vormt daarbij het vertrekpunt, maar pas wanneer deze doelstelling ook daadwerkelijk wordt uitgedragen door concrete en structurele activiteiten, kan worden gesproken van feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Dergelijke werkzaamheden moeten verder reiken dan enkel procederen.
19. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter gevraagd naar de activiteiten van de stichting. Namens de stichting is daarop verklaard dat er een website wordt gebouwd waarmee de juiste huur berekend kan worden en dat er verder procedures worden gevoerd. Bevestigd is dat dit de enige werkzaamheden van de stichting zijn. Desgevraagd is verklaard dat er geen sprake is van leden of donateurs. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de stichting – gelet op de rechtspraak van de Afdeling – niet als belanghebbende worden aangemerkt. De stichting zal daarom niet ontvankelijk verklaard worden.
Ten aanzien van verzoeker sub 2.
20. Het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend op 20 mei 2026. Daarin wordt verzocht een voorlopig voorziening te treffen tegen het besluit van 11 mei 2026. De voorzieningenrechter stelt vast dat in dit besluit het college heeft meegedeeld dat de verzochte dwangsommen niet zijn verbeurd, omdat op 22 april 2026 al een besluit is genomen op de handhavingsverzoeken. Verzoeker sub 2 verzoekt onder meer het besluit van 11 mei 2026 te schorsen en het college op te dragen een nieuw besluit te nemen met toepassing van de Wet betaalbare huur. Verder wordt verzocht te bevestigen dat een dwangsom verschuldigd is per verzoeker en een beslissing te nemen over bewijslevering en het betrekken van integriteitsrisico’s.
21. Aangezien voorafgaand aan de zitting is geconstateerd dat er geen bezwaar was ingediend tegen beide besluiten, heeft de rechtbank aanleiding gezien het schrijven van 29 mei 2026 van verzoeker sub 2 aan te merken als bezwaarschrift, zodat daarmee sprake is van connexiteit. Verzoeker sub 2 is het hiermee niet eens. Hij heeft niet bedoeld een bezwaarschrift in te dienen. Ter gelegenheid van de zitting heeft de voorzieningenrechter verzoeker sub 2 voorgehouden dat in dat geval de voor een voorlopige voorziening wettelijke vereiste connexiteit met een lopend bezwaar of beroep ontbreekt. Verzoeker sub 2 heeft ter zitting aangegeven dat dat klopt.
22. De voorzieningenrechter heeft verzoeker sub 2 ter zitting meermaals voorgehouden dat aan zijn verzoek om een voorlopige voorziening, als dat uitsluitend is gericht tegen het besluit van 11 mei 2026 betreffende het niet toekennen van een dwangsom, bovendien een spoedeisend belang ontbreekt. Ook dit is een voorwaarde voor het kunnen treffen van een voorlopige voorziening. Hierop heeft verzoeker sub 2 aangegeven dat dit klopt. Verzoeker sub 2 heeft daarop zijn stelling gehandhaafd dat er geen besluit op zijn verzoek is genomen op 22 april 2026 en dat zijn verzoek is gebaseerd op het besluit van 11 mei 2026.
23. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek van verzoeker sub 2 wegens het ontbreken van de vereiste connexiteit niet-ontvankelijk is. Bovendien ontbreekt een spoedeisend belang bij het verzoek.
Ten overvloede
24. De voorzieningenrechter heeft ter zitting verzoekers erop gewezen dat kort voorafgaand aan de zitting een aanzienlijke hoeveelheid stukken is ingediend met de omvang van een telefoonboek, terwijl iedere vorm van toelichting daarop ontbreekt. De voorzieningenrechter heeft aangegeven dat er stukken tussen zitten die geen betrekking hebben op het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft erop gewezen dat het vaste rechtspraak is dat het niet aan de rechter is om zelf op zoek te gaan naar de mogelijke standpunten van een partij. Minimaal is een inventarislijst bij een dergelijke hoeveelheid stukken alsmede een toelichting waarom een stuk relevant is voor het ingediende verzoek.
25. Uit hetgeen door het college in het verweerschrift is vermeld en door partijen ter zitting nog is toegelicht, volgt dat er sprake is van een impasse. De voorzieningenrechter heeft ter zitting een tevergeefse poging gedaan om deze impasse te doorbreken. Dat betekent echter niet dat over hetgeen is besproken in deze procedure een beslissing moet worden genomen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart de stichting niet-ontvankelijk, omdat zij geen belanghebbende is in deze procedure;
- verklaart het verzoek van verzoeker sub 2 niet-ontvankelijk, omdat de connexiteit ontbreekt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2016:1813
Artikel 8:81 van de Awb