Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:10112
2026-07-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11728989 CV EXPL 25-3429
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Appartementsrecht. VvE met twee leden. Gebondenheid andere eigenaar aan buiten zijn aanwezigheid genomen besluiten. Omvang verstrekte procesvolmacht.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.135 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11728989 CV EXPL 25-3429
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]
tegen
1
[gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
te [plaats],
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 maart 2026
- de akte eisende partij met producties
- de antwoordakte gedaagde met producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter al overwogen dat zij de vorderingen/verzoeken van partijen uitsluitend kan beoordelen voor zover de wet haar daartoe de bevoegdheid biedt, terwijl verder bepalend is wat hierover in de Splitsingsakte en het daarbij behorende reglement is bepaald. Met het oog daarop is de VvE in de gelegenheid gesteld om bij akte de Splitsingsakte en het/de bijbehorende reglement(en) over te leggen en kort toe te lichten welke bepalingen volgens haar relevant zijn voor haar vorderingen en waarom dat het geval is. Dit heeft zij gedaan in de akte van 8 april 2026. [gedaagden] zijn in de gelegenheid gesteld om hierop in een (eveneens korte) antwoordakte te reageren. In hun akte hebben [gedaagden] echter het partijdebat heropend, aanvullende verzoeken ingediend en nieuwe stukken overgelegd. De geboden gelegenheid was daarvoor niet bedoeld. De kantonrechter laat daarom de in die akte ingenomen stellingen van [gedaagden], voor zover deze geen betrekking hebben op de bepalingen in de Splitsingsakte en het modelreglement, buiten beschouwing. Hetzelfde geldt voor de aanvullende verzoeken en producties.
2.2.
Gelet op de samenhang zullen de vorderingen in conventie en reconventie tegelijkertijd worden behandeld.
2.3.
In de Splitsingsakte is het modelreglement van 8 januari 1992 van toepassing verklaard, welk reglement op de navolgende wijze is gewijzigd of aangevuld: Artikel 2Lid 1Ieder van de eigenaars is in de navolgende breuken gerechtigd:Appartementsrecht indexnummer 1: voor het drie/vijfde (3/5) gedeelte;Appartementsrecht indexnummer 2: voor het twee/vijfde (2/5) gedeelte;(…)Artikel 13Lid 3Het aantal eigenaars, dat het bestuur kan verzoeken een vergadering van eigenaars bijeen te roepen bedraagt één.(…)Artikel 14Lid 2Het maximaal aantal stemmen in de vergadering van eigenaars bedraagt: 2, verdeeld als volgt: de eigenaar(s) van appartementsrecht, indexnummer 1 en indexnummer 2 hebben ieder 1 stem;(…)Artikel 37In aanvulling en afwijking van dit artikel geldt het volgende (…)3. Indien niet alle eigenaars ter vergadering aanwezig zijn, moet binnen een maand per aangetekend schrijven een nieuwe vergadering, te houden niet vroeger dan twee en niet later dan zes weken na de eerste bijeen worden geroepen, alwaar door één eigenaar besluiten kunnen worden genomen, indien de andere eigenaar niet aanwezig is. Deze besluiten zijn ook bindend voor de afwezige eigenaar, indien deze van het besluit binnen een week bij aangetekend schrijven in kennis wordt gesteld en niet binnen drie weken bij aangetekend schrijven aan de andere eigenaar te kennen heeft gegeven niet met het besluit akkoord te gaan.
2.4.
In het toepasselijke modelreglement staat:(…)Artikel 2 (…)3. De eigenaars zijn voor de in het eerste lid bedoelde breukdelen verplicht bij te dragen in de schulden en kosten, die voor rekening van de gezamenlijke eigenaars zijn. (…)Artikel 3Tot de schulden en kosten als bedoeld in artikel 5:112 eerste lid onder a van het Burgerlijk Wetboek worden gerekend:a. die welke gemaakt zijn in verband met het onderhoud of het gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten of van de gemeenschappelijke zaken of tot het behoud daarvan;(…) Artikel 4Na afloop van elk boekjaar, dat gelijk is aan het kalenderjaar, wordt door het bestuur een exploitatie rekening over dat boekjaar opgesteld en ter vaststelling aan de jaarlijkse vergadering voorgelegd. Deze exploitatierekening omvat enerzijds de baten en anderzijds de lasten over dat boekjaar, waaronder begrepen een naar tijdsduur evenredig gedeelte van de te begroten onderhoudskosten die op meer jaren betrekking hebben, inbegrepen noodzakelijke vernieuwingen. (…)Artikel 91. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en gemeenschappelijke zaken worden ondermeer gerekend, voor zover aanwezig:a. (…) de buitengevels, waaronder begrepen de raamkozijnen met glas, de deuren welke zich in de buitengevel bevinden (…)Artikel 381. De vergadering beslist over het beheer van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken en rechten, voor zover de beslissing hierover niet aan het bestuur toekomt. 2. De beslissing over het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken berust bij het bestuur. Het bestuur kan echter geen onderhoudswerkzaamheden opdragen die een bedrag dat door de vergadering zal worden vastgesteld te boven gaan, tenzij het daartoe vooraf door de vergadering is gemachtigd. (…)4. Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de besluiten der vergadering, voor zover dit redelijkerwijze van hem verlangd kan worden. (…) Artikel 411. Het bestuur berust bij één of meer bestuurders, die al dan niet uit de eigenaars door de vergadering worden benoemd. (…)2. De bestuurders worden benoemd voor onbepaalde tijd en kunnen te allen tijde worden ontslagen. 3. Het bestuur beheert de middelen van de vereniging, waaronder begrepen de gelden gereserveerd voor het periodiek onderhoud en de noodzakelijke vernieuwingen als bedoeld in artikel 4 eerste lid, onverminderd het bepaalde in artikel 32. (…)7. Het bestuur dient te bestaan uit een oneven aantal personen.
2.5.
Uit het voorgaande en de in het tussenvonnis weergegeven feiten volgt dat:- [gemachtigde 1] bevoegd was om als eigenaar een vergadering van de VvE uit te roepen;- zij [gedaagden] voor die vergadering (van 20 januari 2025) bij aangetekende brief heeft uitgenodigd en dat zij niet zijn verschenen;- zij vervolgens, zoals vereist, [gedaagden] bij aangetekende brief heeft uitgenodigd voor een nieuwe vergadering op 10 februari 2025, die plaatsvond niet vroeger dan twee en niet later dan zes weken na de eerste vergadering;- [gedaagden] ook bij die vergadering niet verschenen zijn;- [gemachtigde 1] op die tweede vergadering bij afwezigheid van [gedaagden] rechtsgeldige besluiten mocht nemen en heeft genomen;
- die besluiten ook voor [gedaagden] bindend zijn omdat [gemachtigde 1] de besluitenlijst van de tweede vergadering aangetekend aan [gedaagden] heeft verstuurd en zij daar niet binnen drie weken bij aangetekende brief bezwaar tegen hebben gemaakt.
2.6.
Aan het verweer van [gedaagden] dat zij één of meer van de hiervoor genoemde stukken en met name de notulen van de vergadering van 10 februari 2025, niet hebben ontvangen, gaat de kantonrechter voorbij. [gemachtigde 1] heeft door het in het geding brengen van producties aangetoond dat zij die stukken op de volgende manieren aan [gedaagden] heeft verstuurd:- haar partner [gemachtigde 2] heeft de stukken zelf aan de twee bekende e-mailadressen van [gedaagden] verstuurd;- de advocaat van [gemachtigde 1] heeft dat ook gedaan;- de stukken zijn ook per aangetekend post verzonden. Dat volgens [gedaagden] e-mails in zijn spam terecht komen, dat zij de aangetekende post niet hebben aangenomen of opgehaald en/of geen kennis van de inhoud daarvan hebben genomen, komt voor hun eigen risico en doet aan de ontvangst daarvan niet af. Uit hetgeen [gedaagden] hebben aangevoerd, blijkt bovendien dat zij wisten dat op 10 februari 2025 een tweede vergadering zou plaatsvinden. Zij konden dus ook weten dat zij na die vergadering maar kort de tijd zouden hebben om bezwaar te maken tegen de op die vergadering genomen besluiten. Het had daarom op hun weg gelegen om actief om de besluitenlijst te vragen. Dat zij dat hebben gedaan, stellen zij wel, maar wordt door [gemachtigde 1] betwist. Enige onderbouwing van de stelling van [gedaagden] terzake ontbreekt.
2.7.
Op de betreffende vergadering zijn de volgende besluiten genomen:- vaststelling van het MJOP van Keurhuis Nederland van december 2023;- machtiging van [gemachtigde 1] om namens de VvE bevrijdende betalingen te verrichten aan derden en deze betalingen naar aandeel te verhalen op de eigenaars;- akkoord verklaring van de offerte van [bedrijf] voor de uitvoering van het schilder- en gevelwerk;- keuze voor het uitvoeren van de schilder- en gevelwerkzaamheden conform de uitgangspunten 2025 in het MJOP binnen het mandaat van € 38.949, waarvoor de eigenaren naar rato van hun breukdeel een extra bijdrage in de onderhoudskosten zullen betalen van in totaal maximaal voormeld bedrag;- akkoord verklaring van de offerte van RCS voor de uitvoering het onderdeel “voorkant pannenkap vastzetten en folie er onder maken”;- goedkeuring van de begrotingen voor 2024 en 2025.
2.8.
Gelet op het voorgaande zijn de besluiten op de vergadering van 10 februari 2025 rechtsgeldig genomen en zijn [gedaagden] daaraan gebonden. Er is, anders dan [gedaagden] betogen, daarom geen reden om die besluiten te vernietigen of een verklaring voor recht af te geven dat de besluiten niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen of vernietigbaar zijn. [gedaagden] hadden blijkens de Splitsingsakte binnen drie weken na de verzending van de notulen bezwaar daartegen moeten maken, hetgeen zij niet tijdig hebben gedaan. Weliswaar heeft de kantonrechter op grond van artikel 5:130 BW de bevoegdheid om een besluit van de vergadering te vernietigen, maar een daarop gericht verzoek moet binnen één maand worden ingesteld na de dag waarop [gedaagden] van het besluit kennis hadden genomen of kennis hadden kunnen nemen. Ook dat is niet gebeurd. De vordering van [gedaagden] zal daarom worden afgewezen.
2.9.
Dat geldt ook voor hun vorderingen die zien op de betalingsbevoegdheid van [gemachtigde 1] ten aanzien van de VvE rekeningen en het voor [gedaagden] bindend zijn van reeds door de VvE verrichte betalingen. De vordering van [gedaagden] tot bepaling dat de selectie en opdrachtverlening aan onderhoudsbedrijven uitsluitend in gezamenlijkheid geschiedt, zal eveneens worden afgewezen. Voor zover het gaat om selectie en opdrachtverlening van de in de besluitenlijst van de vergadering van 10 februari 2025 genoemde bedrijven, zijn [gedaagden] daaraan gebonden. Voor de selectie en opdrachtverlening van nieuwe onderhoudsbedrijven, geldt de in de Splitsingsakte en het modelreglement beschreven procedure en heeft de kantonrechter daar geen rol in. Voor de vordering dat beide eigenaren zich onthouden van ondermijnende of intimiderende uitlatingen richting opdrachtgevers en dat de communicatie zoveel mogelijk schriftelijk en transparant plaatsvindt, is geen of onvoldoende grondslag aangevoerd. Ten slotte is de vordering om te bepalen dat de kosten van de aangestelde beheerder niet ten laste van [gedaagden] komt, niet toewijsbaar. In de beschikking van 5 oktober 2023 had de kantonrechter immers machtiging verleend tot aanstelling daarvan, hetgeen betekent dat de kosten daarvan ten laste van de VvE (en dus ook [gedaagden] als eigenaren) komen. Daarbij komt dat de kosten voor de beheerder zijn opgenomen in de op 10 februari 2025 goedgekeurde begrotingen en [gedaagden] daaraan gebonden zijn.
2.10.
Blijkens de notulen van de vergadering van 10 februari 2025 en de daarbij gevoegde en op die vergadering goedgekeurde begrotingen 2024 en 2025, hebben [gedaagden] een betalingsachterstand betreffende de maandelijkse VvE bijdragen en de onderhoudsbijdragen MJOP. Verder staat vast dat bij beschikking van 5 oktober 2023 aan [gemachtigde 1] en procesvolmacht is verleend om een incassotraject te starten namens de VvE als sprake is van een betalingsachterstand. Het voorgaande betekent dat de vordering om [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan de VvE een bedrag van € 18.073,29 te betalen, toewijsbaar is. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 sub c BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan alle daarin gestelde vereisten is voldaan. Naast de in de gewijzigde eis berekende rente, zal de verdere rente worden toegewezen, zoals hierna zal worden vermeld.
2.11.
De kantonrechter zal de VvE in haar overige vorderingen niet ontvankelijk verklaren. Zoals [gedaagden] terecht heeft aangevoerd ziet de procesvolmacht die de kantonrechter bij beschikking van 5 oktober 2023 aan [gemachtigde 1] heeft verstrekt (uitsluitend) op de bevoegdheid om namens de VvE een incassotraject te starten. De overige vorderingen die ([gemachtigde 1] namens) de VvE heeft ingesteld vallen daar buiten, zodat daarvoor een procesvolmacht van de algemene ledenvergadering nodig is. Van een dergelijke bevoegdheid om namens de VvE deze vorderingen in te stellen is echter niet gebleken. Een (duidelijke) toelichting van de VvE op dit punt ontbreekt. Overigens geldt dat ook als [gemachtigde 1] wel een toereikende procesvolmacht zou hebben gehad, er geen grondslag in de wet of de Splitsingsakte voor de kantonrechter is om een penningmeester aan te wijzen of om besluiten van de VvE te bekrachtigen.
2.12.
Het voorgaande doet overigens niet af aan de bevoegdheid van [gemachtigde 1] om namens de VvE opdracht te geven voor de uitvoering van het schilderwerk en de dakwerkzaamheden omdat hieraan een bindend besluit van de VvE ten grondslag ligt, zie de notulen van de vergadering van 10 februari 2025. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid van [gemachtigde 1] tot het doen van betalingen vanaf de rekening(en) van de VvE en tot verhaal daarvan naar aandeel op de overige eigenaars. Ook zal [gedaagden] medewerking aan de werkzaamheden moeten verlenen, nu de verplichting daartoe volgt uit het modelreglement.
2.13.
De conclusie is dat de incassovordering (met nevenvorderingen) wordt toegewezen en de VvE voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij. De vorderingen van [gedaagden] worden in zijn geheel afgewezen.
Proceskosten
2.14.
De VvE heeft [gedaagden] terecht betrokken in de incassoprocedure. [gedaagden] zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat de VvE alleen voor het opstellen van de dagvaarding werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde, zullen de proceskosten van de VvE worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
119,40
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
432,00
(1 punt × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.156,40
2.15.
Ook de proceskosten in reconventie komen voor rekening van [gedaagden] omdat zij ongelijk krijgen. Aangezien de VvE in reconventie niet werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde en niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, worden de proceskosten aan de zijde van de VvE in reconventie vastgesteld op nihil.
3De beslissing
De kantonrechter
In conventie
3.1.
verklaart de VvE niet-ontvankelijk in de onder 3 tot en met 6 in de conclusie van repliek tevens akte aanvulling van eis vermelde vorderingen,
3.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, om aan de VvE te betalen een bedrag van € 19.381,68, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 19.215,78, met ingang van 17 september 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 2.156,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2 en 3.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
3.6.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
3.7.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten die de kantonrechter tot op heden aan de kant van de VvE vaststelt op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
In het bijzonder producties 11a tot en met 11d.
Artikel 38 lid 4.
Op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11728989 CV EXPL 25-3429
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]
tegen
1
[gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
te [plaats],
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 maart 2026
- de akte eisende partij met producties
- de antwoordakte gedaagde met producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter al overwogen dat zij de vorderingen/verzoeken van partijen uitsluitend kan beoordelen voor zover de wet haar daartoe de bevoegdheid biedt, terwijl verder bepalend is wat hierover in de Splitsingsakte en het daarbij behorende reglement is bepaald. Met het oog daarop is de VvE in de gelegenheid gesteld om bij akte de Splitsingsakte en het/de bijbehorende reglement(en) over te leggen en kort toe te lichten welke bepalingen volgens haar relevant zijn voor haar vorderingen en waarom dat het geval is. Dit heeft zij gedaan in de akte van 8 april 2026. [gedaagden] zijn in de gelegenheid gesteld om hierop in een (eveneens korte) antwoordakte te reageren. In hun akte hebben [gedaagden] echter het partijdebat heropend, aanvullende verzoeken ingediend en nieuwe stukken overgelegd. De geboden gelegenheid was daarvoor niet bedoeld. De kantonrechter laat daarom de in die akte ingenomen stellingen van [gedaagden], voor zover deze geen betrekking hebben op de bepalingen in de Splitsingsakte en het modelreglement, buiten beschouwing. Hetzelfde geldt voor de aanvullende verzoeken en producties.
2.2.
Gelet op de samenhang zullen de vorderingen in conventie en reconventie tegelijkertijd worden behandeld.
2.3.
In de Splitsingsakte is het modelreglement van 8 januari 1992 van toepassing verklaard, welk reglement op de navolgende wijze is gewijzigd of aangevuld: Artikel 2Lid 1Ieder van de eigenaars is in de navolgende breuken gerechtigd:Appartementsrecht indexnummer 1: voor het drie/vijfde (3/5) gedeelte;Appartementsrecht indexnummer 2: voor het twee/vijfde (2/5) gedeelte;(…)Artikel 13Lid 3Het aantal eigenaars, dat het bestuur kan verzoeken een vergadering van eigenaars bijeen te roepen bedraagt één.(…)Artikel 14Lid 2Het maximaal aantal stemmen in de vergadering van eigenaars bedraagt: 2, verdeeld als volgt: de eigenaar(s) van appartementsrecht, indexnummer 1 en indexnummer 2 hebben ieder 1 stem;(…)Artikel 37In aanvulling en afwijking van dit artikel geldt het volgende (…)3. Indien niet alle eigenaars ter vergadering aanwezig zijn, moet binnen een maand per aangetekend schrijven een nieuwe vergadering, te houden niet vroeger dan twee en niet later dan zes weken na de eerste bijeen worden geroepen, alwaar door één eigenaar besluiten kunnen worden genomen, indien de andere eigenaar niet aanwezig is. Deze besluiten zijn ook bindend voor de afwezige eigenaar, indien deze van het besluit binnen een week bij aangetekend schrijven in kennis wordt gesteld en niet binnen drie weken bij aangetekend schrijven aan de andere eigenaar te kennen heeft gegeven niet met het besluit akkoord te gaan.
2.4.
In het toepasselijke modelreglement staat:(…)Artikel 2 (…)3. De eigenaars zijn voor de in het eerste lid bedoelde breukdelen verplicht bij te dragen in de schulden en kosten, die voor rekening van de gezamenlijke eigenaars zijn. (…)Artikel 3Tot de schulden en kosten als bedoeld in artikel 5:112 eerste lid onder a van het Burgerlijk Wetboek worden gerekend:a. die welke gemaakt zijn in verband met het onderhoud of het gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten of van de gemeenschappelijke zaken of tot het behoud daarvan;(…) Artikel 4Na afloop van elk boekjaar, dat gelijk is aan het kalenderjaar, wordt door het bestuur een exploitatie rekening over dat boekjaar opgesteld en ter vaststelling aan de jaarlijkse vergadering voorgelegd. Deze exploitatierekening omvat enerzijds de baten en anderzijds de lasten over dat boekjaar, waaronder begrepen een naar tijdsduur evenredig gedeelte van de te begroten onderhoudskosten die op meer jaren betrekking hebben, inbegrepen noodzakelijke vernieuwingen. (…)Artikel 91. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en gemeenschappelijke zaken worden ondermeer gerekend, voor zover aanwezig:a. (…) de buitengevels, waaronder begrepen de raamkozijnen met glas, de deuren welke zich in de buitengevel bevinden (…)Artikel 381. De vergadering beslist over het beheer van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken en rechten, voor zover de beslissing hierover niet aan het bestuur toekomt. 2. De beslissing over het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken berust bij het bestuur. Het bestuur kan echter geen onderhoudswerkzaamheden opdragen die een bedrag dat door de vergadering zal worden vastgesteld te boven gaan, tenzij het daartoe vooraf door de vergadering is gemachtigd. (…)4. Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de besluiten der vergadering, voor zover dit redelijkerwijze van hem verlangd kan worden. (…) Artikel 411. Het bestuur berust bij één of meer bestuurders, die al dan niet uit de eigenaars door de vergadering worden benoemd. (…)2. De bestuurders worden benoemd voor onbepaalde tijd en kunnen te allen tijde worden ontslagen. 3. Het bestuur beheert de middelen van de vereniging, waaronder begrepen de gelden gereserveerd voor het periodiek onderhoud en de noodzakelijke vernieuwingen als bedoeld in artikel 4 eerste lid, onverminderd het bepaalde in artikel 32. (…)7. Het bestuur dient te bestaan uit een oneven aantal personen.
2.5.
Uit het voorgaande en de in het tussenvonnis weergegeven feiten volgt dat:- [gemachtigde 1] bevoegd was om als eigenaar een vergadering van de VvE uit te roepen;- zij [gedaagden] voor die vergadering (van 20 januari 2025) bij aangetekende brief heeft uitgenodigd en dat zij niet zijn verschenen;- zij vervolgens, zoals vereist, [gedaagden] bij aangetekende brief heeft uitgenodigd voor een nieuwe vergadering op 10 februari 2025, die plaatsvond niet vroeger dan twee en niet later dan zes weken na de eerste vergadering;- [gedaagden] ook bij die vergadering niet verschenen zijn;- [gemachtigde 1] op die tweede vergadering bij afwezigheid van [gedaagden] rechtsgeldige besluiten mocht nemen en heeft genomen;
- die besluiten ook voor [gedaagden] bindend zijn omdat [gemachtigde 1] de besluitenlijst van de tweede vergadering aangetekend aan [gedaagden] heeft verstuurd en zij daar niet binnen drie weken bij aangetekende brief bezwaar tegen hebben gemaakt.
2.6.
Aan het verweer van [gedaagden] dat zij één of meer van de hiervoor genoemde stukken en met name de notulen van de vergadering van 10 februari 2025, niet hebben ontvangen, gaat de kantonrechter voorbij. [gemachtigde 1] heeft door het in het geding brengen van producties aangetoond dat zij die stukken op de volgende manieren aan [gedaagden] heeft verstuurd:- haar partner [gemachtigde 2] heeft de stukken zelf aan de twee bekende e-mailadressen van [gedaagden] verstuurd;- de advocaat van [gemachtigde 1] heeft dat ook gedaan;- de stukken zijn ook per aangetekend post verzonden. Dat volgens [gedaagden] e-mails in zijn spam terecht komen, dat zij de aangetekende post niet hebben aangenomen of opgehaald en/of geen kennis van de inhoud daarvan hebben genomen, komt voor hun eigen risico en doet aan de ontvangst daarvan niet af. Uit hetgeen [gedaagden] hebben aangevoerd, blijkt bovendien dat zij wisten dat op 10 februari 2025 een tweede vergadering zou plaatsvinden. Zij konden dus ook weten dat zij na die vergadering maar kort de tijd zouden hebben om bezwaar te maken tegen de op die vergadering genomen besluiten. Het had daarom op hun weg gelegen om actief om de besluitenlijst te vragen. Dat zij dat hebben gedaan, stellen zij wel, maar wordt door [gemachtigde 1] betwist. Enige onderbouwing van de stelling van [gedaagden] terzake ontbreekt.
2.7.
Op de betreffende vergadering zijn de volgende besluiten genomen:- vaststelling van het MJOP van Keurhuis Nederland van december 2023;- machtiging van [gemachtigde 1] om namens de VvE bevrijdende betalingen te verrichten aan derden en deze betalingen naar aandeel te verhalen op de eigenaars;- akkoord verklaring van de offerte van [bedrijf] voor de uitvoering van het schilder- en gevelwerk;- keuze voor het uitvoeren van de schilder- en gevelwerkzaamheden conform de uitgangspunten 2025 in het MJOP binnen het mandaat van € 38.949, waarvoor de eigenaren naar rato van hun breukdeel een extra bijdrage in de onderhoudskosten zullen betalen van in totaal maximaal voormeld bedrag;- akkoord verklaring van de offerte van RCS voor de uitvoering het onderdeel “voorkant pannenkap vastzetten en folie er onder maken”;- goedkeuring van de begrotingen voor 2024 en 2025.
2.8.
Gelet op het voorgaande zijn de besluiten op de vergadering van 10 februari 2025 rechtsgeldig genomen en zijn [gedaagden] daaraan gebonden. Er is, anders dan [gedaagden] betogen, daarom geen reden om die besluiten te vernietigen of een verklaring voor recht af te geven dat de besluiten niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen of vernietigbaar zijn. [gedaagden] hadden blijkens de Splitsingsakte binnen drie weken na de verzending van de notulen bezwaar daartegen moeten maken, hetgeen zij niet tijdig hebben gedaan. Weliswaar heeft de kantonrechter op grond van artikel 5:130 BW de bevoegdheid om een besluit van de vergadering te vernietigen, maar een daarop gericht verzoek moet binnen één maand worden ingesteld na de dag waarop [gedaagden] van het besluit kennis hadden genomen of kennis hadden kunnen nemen. Ook dat is niet gebeurd. De vordering van [gedaagden] zal daarom worden afgewezen.
2.9.
Dat geldt ook voor hun vorderingen die zien op de betalingsbevoegdheid van [gemachtigde 1] ten aanzien van de VvE rekeningen en het voor [gedaagden] bindend zijn van reeds door de VvE verrichte betalingen. De vordering van [gedaagden] tot bepaling dat de selectie en opdrachtverlening aan onderhoudsbedrijven uitsluitend in gezamenlijkheid geschiedt, zal eveneens worden afgewezen. Voor zover het gaat om selectie en opdrachtverlening van de in de besluitenlijst van de vergadering van 10 februari 2025 genoemde bedrijven, zijn [gedaagden] daaraan gebonden. Voor de selectie en opdrachtverlening van nieuwe onderhoudsbedrijven, geldt de in de Splitsingsakte en het modelreglement beschreven procedure en heeft de kantonrechter daar geen rol in. Voor de vordering dat beide eigenaren zich onthouden van ondermijnende of intimiderende uitlatingen richting opdrachtgevers en dat de communicatie zoveel mogelijk schriftelijk en transparant plaatsvindt, is geen of onvoldoende grondslag aangevoerd. Ten slotte is de vordering om te bepalen dat de kosten van de aangestelde beheerder niet ten laste van [gedaagden] komt, niet toewijsbaar. In de beschikking van 5 oktober 2023 had de kantonrechter immers machtiging verleend tot aanstelling daarvan, hetgeen betekent dat de kosten daarvan ten laste van de VvE (en dus ook [gedaagden] als eigenaren) komen. Daarbij komt dat de kosten voor de beheerder zijn opgenomen in de op 10 februari 2025 goedgekeurde begrotingen en [gedaagden] daaraan gebonden zijn.
2.10.
Blijkens de notulen van de vergadering van 10 februari 2025 en de daarbij gevoegde en op die vergadering goedgekeurde begrotingen 2024 en 2025, hebben [gedaagden] een betalingsachterstand betreffende de maandelijkse VvE bijdragen en de onderhoudsbijdragen MJOP. Verder staat vast dat bij beschikking van 5 oktober 2023 aan [gemachtigde 1] en procesvolmacht is verleend om een incassotraject te starten namens de VvE als sprake is van een betalingsachterstand. Het voorgaande betekent dat de vordering om [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan de VvE een bedrag van € 18.073,29 te betalen, toewijsbaar is. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 sub c BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan alle daarin gestelde vereisten is voldaan. Naast de in de gewijzigde eis berekende rente, zal de verdere rente worden toegewezen, zoals hierna zal worden vermeld.
2.11.
De kantonrechter zal de VvE in haar overige vorderingen niet ontvankelijk verklaren. Zoals [gedaagden] terecht heeft aangevoerd ziet de procesvolmacht die de kantonrechter bij beschikking van 5 oktober 2023 aan [gemachtigde 1] heeft verstrekt (uitsluitend) op de bevoegdheid om namens de VvE een incassotraject te starten. De overige vorderingen die ([gemachtigde 1] namens) de VvE heeft ingesteld vallen daar buiten, zodat daarvoor een procesvolmacht van de algemene ledenvergadering nodig is. Van een dergelijke bevoegdheid om namens de VvE deze vorderingen in te stellen is echter niet gebleken. Een (duidelijke) toelichting van de VvE op dit punt ontbreekt. Overigens geldt dat ook als [gemachtigde 1] wel een toereikende procesvolmacht zou hebben gehad, er geen grondslag in de wet of de Splitsingsakte voor de kantonrechter is om een penningmeester aan te wijzen of om besluiten van de VvE te bekrachtigen.
2.12.
Het voorgaande doet overigens niet af aan de bevoegdheid van [gemachtigde 1] om namens de VvE opdracht te geven voor de uitvoering van het schilderwerk en de dakwerkzaamheden omdat hieraan een bindend besluit van de VvE ten grondslag ligt, zie de notulen van de vergadering van 10 februari 2025. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid van [gemachtigde 1] tot het doen van betalingen vanaf de rekening(en) van de VvE en tot verhaal daarvan naar aandeel op de overige eigenaars. Ook zal [gedaagden] medewerking aan de werkzaamheden moeten verlenen, nu de verplichting daartoe volgt uit het modelreglement.
2.13.
De conclusie is dat de incassovordering (met nevenvorderingen) wordt toegewezen en de VvE voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij. De vorderingen van [gedaagden] worden in zijn geheel afgewezen.
Proceskosten
2.14.
De VvE heeft [gedaagden] terecht betrokken in de incassoprocedure. [gedaagden] zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat de VvE alleen voor het opstellen van de dagvaarding werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde, zullen de proceskosten van de VvE worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
119,40
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
432,00
(1 punt × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.156,40
2.15.
Ook de proceskosten in reconventie komen voor rekening van [gedaagden] omdat zij ongelijk krijgen. Aangezien de VvE in reconventie niet werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde en niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, worden de proceskosten aan de zijde van de VvE in reconventie vastgesteld op nihil.
3De beslissing
De kantonrechter
In conventie
3.1.
verklaart de VvE niet-ontvankelijk in de onder 3 tot en met 6 in de conclusie van repliek tevens akte aanvulling van eis vermelde vorderingen,
3.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, om aan de VvE te betalen een bedrag van € 19.381,68, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 19.215,78, met ingang van 17 september 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 2.156,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2 en 3.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
3.6.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
3.7.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten die de kantonrechter tot op heden aan de kant van de VvE vaststelt op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
In het bijzonder producties 11a tot en met 11d.
Artikel 38 lid 4.
Op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).