Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2025:5575
2025-01-09
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/15/359088 / JU RK 24-1704
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing voor de duur van een jaar.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.289 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/359088 / JU RK 24-1704
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Velserbroek,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
[de pleegouders]
,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI, met bijlagen, ontvangen op 19 november 2024;
- het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), ontvangen op 19 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025. Daarbij was aanwezig:
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 15 januari 2021 van de kinderrechter in deze rechtbank is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 15 januari 2025.
2.3.
Bij beschikking van 15 januari 201 heeft de kinderrechter ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de grootouders vaderszijde (vz) verleend tot 15 mei 2021. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 15 januari 2025.
2.4.
[de minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging bij de grootouders (vz). De vader woont ook bij de grootouders.
2.5.
[de minderjarige] verblijft één keer in de twee weken op vrijdag na schooltijd tot na het avondeten bij de moeder en één keer in de twee weken op vrijdag na schooltijd tot zondagmiddag voor het avondeten.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI aangegeven dat de moeder sinds augustus 2022 aangeeft dat zij zelf weer voor [de minderjarige] wil zorgen, omdat haar persoonlijke situatie is verbeterd. Zij heeft een vaste woning, werkt en voelt zich sterker. De moeder weet ook dat zij ondersteuning nodig heeft bij onder meer het aangeven van grenzen, het weerbaar zijn naar haar kinderen toe en het consequent zijn. De moeder accepteert de hulpverlening met betrekking tot de opvoeding van haar kinderen. De GI heeft (opnieuw) een Terug Naar Huis Onderzoek (hierna: TNHO) aangevraagd bij Parlan, welke op 11 juni 2024 is toegekend. Op 18 juni 2024 is de Individuele Ambulante Gezinsbegeleiding (hierna: IAG) gestart en hieruit blijkt dat de moeder leerbaar is. Een andere positieve ontwikkeling is dat de moeder meer in contact is met de GI. Dit betekent dat er stappen gezet kunnen worden in de samenwerking, maar dit geeft ook vertrouwen over de fysieke en emotionele beschikbaarheid van de moeder. Ook handhaaft de moeder de afspraken die er zijn over de omgang beter dan voorheen, wat ertoe heeft geleid dat de omgang in de vakanties is uitgebreid. Verder heeft de GI aangegeven dat het gezin nog niet is begonnen met systeemtherapie, onder meer omdat de vader hier niet aan wil meewerken. Het is wel belangrijk dat systeemtherapie wordt opgestart, eventueel zonder toestemming van de vader, omdat de GI merkt dat het systeem (de moeder, de vader en de pleegouders) verwachtingen en oordelen heeft naar en over elkaar en het hen niet lukt om dit zelfstandig te veranderen. Dit maakt dat zij niet met elkaar kunnen overleggen over de dagelijkse gang van zaken met betrekking tot [de minderjarige] . Verder heeft de GI aangegeven dat zij onvoldoende zicht heeft op het middelengebruik van de moeder. Ook hebben er het afgelopen jaar drie incidenten plaatsgevonden op het gebied van de veiligheid van [de minderjarige] .
3.3.
Ter zitting heeft de GI aangegeven dat de moeder recent enige tijd uit contact is geweest met de hulpverlening en de GI, waarna is besloten om de omgang met [de minderjarige] tijdelijk stop te zetten. De omgang tussen [de minderjarige] en de moeder is sinds 6 januari 2025 weer hervat. Ook is het THNO tijdelijk stopgezet. Op 14 januari 2025 zal de GI een beslissing nemen over de voortgang hiervan.
3.4.
De Raad heeft in zijn advies aangegeven dat hij er gerust op is dat de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing de maatregel is die het meest bijdraagt om te zorgen dat het goed blijft gaan met [de minderjarige] . De plaatsing van [de minderjarige] bij de grootouders wordt hiermee gecontinueerd, er is contact met moeder en het stelt de GI in staat om zicht te krijgen op de mogelijkheden van moeder in haar rol als opvoeder en indien noodzakelijk passende hulp in te zetten.
4De standpunten
4.1.
Uit het verzoekschrift blijkt dat de moeder, de vader en de grootouders het eens zijn met het verzoek. Zij menen dat het in het belang van [de minderjarige] is dat komend jaar duidelijk wordt of [de minderjarige] kan terugkeren naar zijn moeder of dat hij bij zijn grootouders blijft wonen.
5De beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Voor de kinderrechter is komen vast te staan dat [de minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [de minderjarige] woont sinds 18 september 2020 bij de grootouders (vz), omdat de moeder, onder meer vanwege haar verslavingsproblematiek, niet in staat was de opvoeding en verzorging voor [de minderjarige] te dragen. Bij de grootouders heeft [de minderjarige] een stabiele en veilige plek waar hij zich goed ontwikkelt. De afgelopen periode is het moeilijk gebleken om met de moeder in contact te komen, waarop de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder tijdelijk is stopgezet omdat er geen zicht was op hoe het met de moeder ging. Door deze terugtrekkende beweging van de moeder zijn er ook twijfels gerezen over de mogelijkheden om [de minderjarige] te laten terugkeren naar huis en is het TNHO tijdelijk stopgezet. De kinderrechter acht het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de GI betrokken blijft om regie te voeren, passende hulpverlening in te zetten en zicht te houden op hoe het met [de minderjarige] gaat. De kinderrechter vindt het in ieder geval belangrijk dat het komende jaar wordt bepaald waar [de minderjarige] zal opgroeien en wat de rol van de moeder en de grootouders zal zijn. Voorts is het belangrijk dat wordt gewerkt aan het verbeteren van de communicatie tussen de moeder, de vader en de pleegouders, bijvoorbeeld in de vorm van systeemtherapie. Ook is het belangrijk dat de moeder de hulp en begeleiding krijgt die zij nodig heeft, omdat de problemen haar zo nu en dan boven het hoofd lijken te groeien.
5.3.
Gelet op het voorgaande verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Nu [de minderjarige] een stabiele en veilige plek heeft bij zijn grootouders en hij zich bij hun goed ontwikkelt, acht de kinderrechter het in het belang van [de minderjarige] dat deze plaatsing wordt gecontinueerd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , tot 15 januari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 15 januari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025 door mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel als griffier, en op schrift gesteld op 16 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/359088 / JU RK 24-1704
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Velserbroek,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
[de pleegouders]
,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI, met bijlagen, ontvangen op 19 november 2024;
- het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), ontvangen op 19 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025. Daarbij was aanwezig:
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 15 januari 2021 van de kinderrechter in deze rechtbank is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 15 januari 2025.
2.3.
Bij beschikking van 15 januari 201 heeft de kinderrechter ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de grootouders vaderszijde (vz) verleend tot 15 mei 2021. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 15 januari 2025.
2.4.
[de minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging bij de grootouders (vz). De vader woont ook bij de grootouders.
2.5.
[de minderjarige] verblijft één keer in de twee weken op vrijdag na schooltijd tot na het avondeten bij de moeder en één keer in de twee weken op vrijdag na schooltijd tot zondagmiddag voor het avondeten.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI aangegeven dat de moeder sinds augustus 2022 aangeeft dat zij zelf weer voor [de minderjarige] wil zorgen, omdat haar persoonlijke situatie is verbeterd. Zij heeft een vaste woning, werkt en voelt zich sterker. De moeder weet ook dat zij ondersteuning nodig heeft bij onder meer het aangeven van grenzen, het weerbaar zijn naar haar kinderen toe en het consequent zijn. De moeder accepteert de hulpverlening met betrekking tot de opvoeding van haar kinderen. De GI heeft (opnieuw) een Terug Naar Huis Onderzoek (hierna: TNHO) aangevraagd bij Parlan, welke op 11 juni 2024 is toegekend. Op 18 juni 2024 is de Individuele Ambulante Gezinsbegeleiding (hierna: IAG) gestart en hieruit blijkt dat de moeder leerbaar is. Een andere positieve ontwikkeling is dat de moeder meer in contact is met de GI. Dit betekent dat er stappen gezet kunnen worden in de samenwerking, maar dit geeft ook vertrouwen over de fysieke en emotionele beschikbaarheid van de moeder. Ook handhaaft de moeder de afspraken die er zijn over de omgang beter dan voorheen, wat ertoe heeft geleid dat de omgang in de vakanties is uitgebreid. Verder heeft de GI aangegeven dat het gezin nog niet is begonnen met systeemtherapie, onder meer omdat de vader hier niet aan wil meewerken. Het is wel belangrijk dat systeemtherapie wordt opgestart, eventueel zonder toestemming van de vader, omdat de GI merkt dat het systeem (de moeder, de vader en de pleegouders) verwachtingen en oordelen heeft naar en over elkaar en het hen niet lukt om dit zelfstandig te veranderen. Dit maakt dat zij niet met elkaar kunnen overleggen over de dagelijkse gang van zaken met betrekking tot [de minderjarige] . Verder heeft de GI aangegeven dat zij onvoldoende zicht heeft op het middelengebruik van de moeder. Ook hebben er het afgelopen jaar drie incidenten plaatsgevonden op het gebied van de veiligheid van [de minderjarige] .
3.3.
Ter zitting heeft de GI aangegeven dat de moeder recent enige tijd uit contact is geweest met de hulpverlening en de GI, waarna is besloten om de omgang met [de minderjarige] tijdelijk stop te zetten. De omgang tussen [de minderjarige] en de moeder is sinds 6 januari 2025 weer hervat. Ook is het THNO tijdelijk stopgezet. Op 14 januari 2025 zal de GI een beslissing nemen over de voortgang hiervan.
3.4.
De Raad heeft in zijn advies aangegeven dat hij er gerust op is dat de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing de maatregel is die het meest bijdraagt om te zorgen dat het goed blijft gaan met [de minderjarige] . De plaatsing van [de minderjarige] bij de grootouders wordt hiermee gecontinueerd, er is contact met moeder en het stelt de GI in staat om zicht te krijgen op de mogelijkheden van moeder in haar rol als opvoeder en indien noodzakelijk passende hulp in te zetten.
4De standpunten
4.1.
Uit het verzoekschrift blijkt dat de moeder, de vader en de grootouders het eens zijn met het verzoek. Zij menen dat het in het belang van [de minderjarige] is dat komend jaar duidelijk wordt of [de minderjarige] kan terugkeren naar zijn moeder of dat hij bij zijn grootouders blijft wonen.
5De beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Voor de kinderrechter is komen vast te staan dat [de minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [de minderjarige] woont sinds 18 september 2020 bij de grootouders (vz), omdat de moeder, onder meer vanwege haar verslavingsproblematiek, niet in staat was de opvoeding en verzorging voor [de minderjarige] te dragen. Bij de grootouders heeft [de minderjarige] een stabiele en veilige plek waar hij zich goed ontwikkelt. De afgelopen periode is het moeilijk gebleken om met de moeder in contact te komen, waarop de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder tijdelijk is stopgezet omdat er geen zicht was op hoe het met de moeder ging. Door deze terugtrekkende beweging van de moeder zijn er ook twijfels gerezen over de mogelijkheden om [de minderjarige] te laten terugkeren naar huis en is het TNHO tijdelijk stopgezet. De kinderrechter acht het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de GI betrokken blijft om regie te voeren, passende hulpverlening in te zetten en zicht te houden op hoe het met [de minderjarige] gaat. De kinderrechter vindt het in ieder geval belangrijk dat het komende jaar wordt bepaald waar [de minderjarige] zal opgroeien en wat de rol van de moeder en de grootouders zal zijn. Voorts is het belangrijk dat wordt gewerkt aan het verbeteren van de communicatie tussen de moeder, de vader en de pleegouders, bijvoorbeeld in de vorm van systeemtherapie. Ook is het belangrijk dat de moeder de hulp en begeleiding krijgt die zij nodig heeft, omdat de problemen haar zo nu en dan boven het hoofd lijken te groeien.
5.3.
Gelet op het voorgaande verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Nu [de minderjarige] een stabiele en veilige plek heeft bij zijn grootouders en hij zich bij hun goed ontwikkelt, acht de kinderrechter het in het belang van [de minderjarige] dat deze plaatsing wordt gecontinueerd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , tot 15 januari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 15 januari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025 door mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel als griffier, en op schrift gesteld op 16 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.