Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2025:16376

2025-10-20 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht HAA 24/6918
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2025-10-20
Publicatiedatum
2026-09-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
HAA 24/6918
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand wegens verzwegen werkzaamheden. Boete. Afwijzing nieuwe aanvraag.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.491 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Haarlem


Bestuursrecht


zaaknummers: HAA 24/6918, 24/7279 en 24/7870


uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2025 in de zaken tussen




[eiseres]
, uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes),


en



het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland (WerkSaam)
(gemachtigde: H. Mentink).



Inleiding


1. Deze uitspraak gaat over drie besluiten op bezwaar van WerkSaam die betrekking hebben op het recht op bijstand van eiseres op grond van de Participatiewet (PW).
2. Het beroep, geregistreerd onder nummer 24/6918, betreft het besluit van WerkSaam van 26 september 2024. Daarmee heeft WerkSaam het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 4 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 28 juli 2021 tot 12 maart 2024 en tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijstand van 2 april 2024 ongegrond verklaard.
3. Het beroep, geregistreerd onder nummer 24/7279, heeft betrekking op het besluit van WerkSaam van 28 oktober 2024, waarmee WerkSaam het bezwaar van eiseres tegen de eerder opgelegde boete gegrond verklaard heeft en de boete heeft vastgesteld op € 785,04.
4. Het beroep, geregistreerd onder nummer 24/7870, betreft het besluit van WerkSaam van 25 november 2024. Met dit besluit heeft WerkSaam het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van 22 augustus 2024 ongegrond verklaard.
5. Eiseres heeft beroep tegen deze besluiten ingesteld.
6. De rechtbank heeft de beroepen op 14 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigden van partijen deelgenomen.


246918



Totstandkoming van het besluit



7. Naar aanleiding van een anonieme melding over eiseres dat zij zou samenwonen en dat zij werkzaamheden zou verrichten in café [naam cafe] in [naam cafe] is er een onderzoek gestart. Op 12 maart 2024 hebben medewerkers van WerkSaam getracht een huisbezoek bij eiseres af te leggen. Dat is niet gelukt, omdat eiseres volgens de medewerkers geen/onvoldoende medewerking wilde verlenen aan het huisbezoek.

8. Vanwege deze weigering heeft WerkSaam de uitkering van eiseres met het besluit van 4 april 2024 vanaf 12 maart 2024 beëindigd (de rechtbank leest: ingetrokken).

9. Verder is via internet gezocht naar informatie over het genoemde café en over eiseres. Een aantal getuigen is gehoord (onder anderen artiesten die in het café hebben opgetreden). Eiseres is vervolgens bij brief van 4 april 2024 gevraagd om een boekhouding of reconstructie van haar werkzaamheden in te dienen. Eiseres heeft op 10 april 2024 telefonisch gereageerd met de stelling dat zij niet gewerkt heeft dus ook niets kan overleggen. Op 23 april 2024 is met eiseres een gesprek gevoerd. WerkSaam heeft op basis van de resultaten van het onderzoek geconcludeerd dat eiseres werkzaamheden verricht in het café, terwijl zij dat niet heeft gemeld.

10. Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft WerkSaam met het besluit van 13 juni 2024 het recht op bijstand van eiseres ingetrokken over de periode van 28 juli 2021 tot en met 11 maart 2024 en de kosten van bijstand over deze periode van eiseres teruggevorderd. Dat betreft een bedrag van € 42.426,87.

11. Op 2 april 2024 heeft eiseres een aanvraag om bijstand ingediend. Deze aanvraag heeft WerkSaam bij besluit van 20 juni 2024 afgewezen, omdat er volgens WerkSaam geen sprake is van een wijziging in de omstandigheden, nu zij niet heeft kunnen aantonen dat zij niet langer op loon waardeerbare arbeid verricht in het café.

12. Met het besluit van 26 september 2024 heeft WerkSaam het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 4 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het buiten de bezwaartermijn is ingediend en de bezwaren tegen de besluiten van 13 juni 2024 en 20 juni 2024 ongegrond verklaard.



Beoordeling door de rechtbank





Het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2024



13. Eiseres stelt dat zij gelet op haar (medische) omstandigheden niet in staat was te onderkennen dat zij binnen zes weken bezwaar kon maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Dat de restverschijnselen van de doorgemaakte hersenbloeding zodanig zijn dat ze daardoor niet meer heeft kunnen onderkennen dat ze binnen de termijn bezwaar moest maken, blijkt ook niet uit de door haar in het geding gebrachte verklaring van haar huisarts. Daarin is wel vermeld dat eiseres restverschijnselen heeft als gevolg van de doorgemaakte hersenbloeding, maar niet welke dat zijn.

14. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is daarom geen sprake. WerkSaam heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling van de intrekking van bijstand per 12 maart 2024 toekomt. Dat besluit blijft dus in stand.



Intrekking en terugvordering periode 21 juli 2021 tot 12 maart 2024



15. Tussen partijen is in geschil of eiseres in de te beoordelen periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor het café [naam cafe] waarvan eiseres melding had moeten maken in het kader van de inlichtingenverplichting. Eiseres heeft aangevoerd dat dit niet het geval is. Volgens haar bieden de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat zij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Dat eiseres wel eens is gezien bij het tappen van een bier, komt omdat zij af en toe insprong bij grote drukte, maar dat was maar incidenteel. Ook het contact met artiesten betrof slechts een enkele keer. Deze beroepsgrond slaagt niet.

16. WerkSaam heeft aannemelijk gemaakt dat eiseres gedurende de te beoordelen periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor café [naam cafe] . Het rapport rechtmatigheidsonderzoek handhaving van 15 mei 2024 biedt een toereikende feitelijke grondslag voor deze conclusie. Uit de getuigenverklaringen valt namelijk af te leiden dat eiseres in de te beoordelen periode regelmatig artiesten boekte voor het café en daarbij zorgdroeg voor de betaling.

17. In de getuigenverklaringen wordt eiseres als [naam 1] of [naam 2] aangeduid en [naam 3] als [naam 4] of [naam 5] . Zo heeft [naam 6] op 26 maart 2024 verklaard dat de eigenaren van het café [naam 1] en [naam 4] zijn en dat de dochter bedrijfsleider is. [naam 1] of [naam 4] stuurde hem appjes of hij kon optreden. Hij schreef facturen uit op naam van het café en gaf deze dan aan [naam 4] of [naam 1] en zij betaalden ook netjes op tijd. Verder verklaarde hij dat hij ze op weg heeft geholpen in het begin en ze tips gaf voor hun onderneming. Deze tips gaf hij dan aan [naam 4] en [naam 1] en soms ook aan het barpersoneel. Hij heeft er ongeveer 15 tot 20 keer opgetreden.

18. De getuige [naam 7] heeft verklaard dat als hij moest optreden in het café de eigenaar hem belde: haar naam is [naam 2] . Zij heeft het café samen met [naam 4] . De eerste keer dat [naam 7] in het café was vroeg [naam 2] hem of hij wilde laten zien wat hij kon, dat was ongeveer een week voordat de kermis begon in 2023. Hij heeft verder verklaard dat [naam 2] hem een appje stuurde met de data dat hij kon optreden en dat [naam 2] ervoor zorgde dat het geld er was.

19. De getuige [naam 8] heeft op 26 maart 2024 verklaard dat de eigenaren van het café [naam 1] [naam 3] en [naam 5] [naam 3] waren. Hij werd altijd geboekt door [naam 1] . De factuur stuurde hij naar de mail van [naam 5] , maar de factuur stond op naam van [naam 1] .

20. De rechtbank acht de verklaringen betrouwbaar. Waar de verklaringen in hoge mate overeenkomen is dat eiseres veelal een sturende rol had bij het regelen van optredens in het café en het zorgdragen voor de betaling ervan en de getuigen eiseres aanzagen voor (mede)eigenaar van het café. Dat eiseres niet formeel de eigenaar van het café was, doet daar niet aan af.

21. Het regelen, boeken en zorgdragen voor betaling van artiesten van het café zijn aan te merken als op geld waardeerbare activiteiten. Eiseres had daarvan dan ook melding moeten maken bij WerkSaam.

22. Door van de op geld waardeerbare werkzaamheden geen melding te maken aan WerkSaam heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De rechtbank overweegt hierbij dat ook als het gaat om incidentele werkzaamheden geldt dat die gemeld moeten worden.

23. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

24. Nu eiseres bij haar standpunt is gebleven dat zij geen werkzaamheden heeft verricht en – dus – geen enkel inzicht heeft gegeven in de omvang van de werkzaamheden, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij recht op (aanvullende) bijstand had.

25. Dit geldt ook met betrekking tot de periode vanaf juli 2023, waarvan eiseres heeft gesteld dat zij – zo begrijpt de rechtbank – in het geheel niet meer tot werkzaamheden in staat zou zijn. Dat standpunt heeft zij echter onvoldoende onderbouwd. Uit de verklaring van de huisarts is op te maken dat eiseres nog restverschijnselen ervaart, maar in welke mate en tot welke beperkingen dat leidt, blijkt niet uit de verklaring.

26. Anders ligt het waar het gaat om de periode waarin het café als gevolg van de coronamaatregelen gesloten was. In die periode waren er immers ook geen werkzaamheden te verrichten voor het boeken van artiesten. Ter zitting heeft WerkSaam het standpunt ingenomen dat deze periode buiten beschouwing had moeten blijven.



Conclusie



27. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat WerkSaam terecht tot intrekking en terugvordering heeft besloten, met uitzondering van de periode waarin het café als gevolg van de coronamaatregelen gesloten was. Dat betekent dat het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Daaruit volgt ook dat de terugvordering niet in stand kan blijven.



Afwijzing aanvraag van 2 april 2024



28. De te beoordelen periode loopt van 2 april 2024 (datum aanvraag) tot 20 juni 2024 (datum besluit).

29. Eiseres voert aan dat de vraagstelling onvoldoende zorgvuldig is geweest. Eiseres heeft verklaard dat zij niet in het café werkt, dus in de tegenwoordige tijd. Daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat zij stelt dat er niets veranderd is.

30. Met de enkele mededeling van eiseres dat zij geen werkzaamheden verricht in het café heeft zij niet aangetoond dat zij in de te beoordelen periode wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Gelet op het eerdere onderzoek dat had plaatsgevonden, en dan met name het gesprek dat met eiseres in dat kader heeft plaatsgehad, moet het haar duidelijk zijn geweest dat zij diende te onderbouwen dat de situatie veranderd was. Daaraan heeft zij niet voldaan.




247279



Beoordeling door de rechtbank



31. Met het besluit van 28 oktober 2024 heeft WerkSaam het bezwaar van eiseres tegen de opgelegde boete van € 1.570,20 gegrond verklaard en de boete vastgesteld op € 785,04.

32. Eiseres heeft aangevoerd dat in het geval het beroep tegen de terugvordering volledig gegrond wordt verklaard dat betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.

33. Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de PW legt het college een bestuurlijke boete op indien de belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ingevolge artikel 5:41 van de Awb legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

34. Uit de vorengaande overwegingen volgt dat WerkSaam aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de door WerkSaam vastgestelde werkzaamheden in het café. Eiseres kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt.

35. De omstandigheid dat WerkSaam in beroep de herziening over de periode waarin het café vanwege de coronamaatregelen gesloten was niet langer handhaaft, waardoor de hoogte van het benadelingsbedrag niet vaststaat, is niet van invloed op de hoogte van de boete. Daartoe is van belang dat, gelet op de periode waarover wel is vastgesteld dat de inlichtingenverplichting is geschonden, een boete die zou worden bepaald op basis van 50% van het benadelingsbedrag, hoger is dan de op basis van de draagkracht opgelegde boete.

36. De opgelegde boete van € 785,04 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over eiseres gebleken omstandigheden.

37. Het beroep is dus ongegrond.




247870



Totstandkoming van het besluit



38. Op 22 augustus 2024 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend.

Naar aanleiding van deze aanvraag is op 26 september 2024 geprobeerd een huisbezoek bij eiseres af te leggen.
Eiseres heeft geweigerd mee te werken aan het huisbezoek en de het huisbezoek geweigerd weigering.


39. WerkSaam heeft vervolgens de aanvraag om bijstand afgewezen, omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld vanwege het niet meewerken aan het huisbezoek.

40. Met het besluit van 25 november 224 heeft WerkSaam het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 21 oktober 2024 ongegrond verklaard.



Standpunt eiseres



41. Eiseres heeft aangevoerd dat zij volledige medewerking heeft gegeven aan het afleggen van een huisbezoek. Zij heeft er daarbij op gewezen dat het een misvatting is dat zonder een getekende toestemming geen huisbezoek kan worden afgelegd.



Standpunt WerkSaam



42. WerkSaam stelt dat er door eiseres geen nadere eisen mogen worden gesteld aan het af te leggen huisbezoek. De handhavers mochten binnen komen maar eiseres weigerde het formulier voor de toestemming aan het huisbezoek te ondertekenen. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om toch haar volledige medewerking aan het huisbezoek te geven. Zij is echter weggegaan. Daardoor was een huisbezoek in zijn geheel niet mogelijk. Van een gegronde reden om weg te gaan is niet gebleken. Zij heeft dan ook onvoldoende medewerking verleend aan een huisbezoek. Van een uitdrukkelijke toestemming is, ook na een geboden hersteltermijn, niet gebleken. Eiseres heeft door weg te gaan geweigerd om mee te werken aan het huisbezoek. Daardoor is het niet mogelijk geworden om het recht op bijstand vast te stellen.



Beoordeling door de rechtbank



43. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 22 augustus 2024 tot en met 21 oktober 2024.

44. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.

45. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of eiseres voldoende medewerking heeft gegeven aan het huisbezoek van 26 september 2024.

46. Alleen in het geval van een vrijwillig, op basis van een informed consent gegeven toestemming, maakt een huisbezoek geen inbreuk op het in artikel 8, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden opgenomen recht op respect voor het privéleven en het familie-en gezinsleven. De bewijslast, dat is voldaan aan het informed consent, rust op het bestuursorgaan. Indien een huisbezoek is verricht zonder informed consent is er in beginsel sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op de hiervoor genoemde verdragsbepaling. De uit het huisbezoek verkregen gegevens dienen in dat geval als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing te blijven. Het bewijs dat is voldaan aan het informed consent is in die zin van belang voor de bewijsrechtelijke positie van het bestuursorgaan (ECLI:NL:CRVB:2019:2999).

47. Hoewel de enkele weigering een formulier te ondertekenen waarmee ingestemd wordt met een huisbezoek niet betekent dat geen medewerking wordt verleend aan het huisbezoek kan een dergelijke weigering wel bijdragen aan de conclusie dat onvoldoende bereidheid bestaat mee te werken. Dat is hier het geval. Uit de beschrijving van de poging tot het afleggen van het huisbezoek komt naar voren dat van een onbetwiste, uitdrukkelijk gegeven toestemming voor het huisbezoek geen sprake is. Eiseres heeft immers eerst gesteld dat de kamers van de kinderen niet mochten worden bekeken, en daarna dat de medewerkers van WerkSaam maar 10 minuten de tijd zouden krijgen. Dat zij alsnog zonder voorbehoud heeft ingestemd met het huisbezoek, zoals door eiseres is betoogd, kan niet worden gevolgd. Door te blijven weigeren het formulier te ondertekenen en vervolgens te vertrekken, heeft eiseres onvoldoende meegewerkt aan het afleggen van een huisbezoek.

48. Als gevolg van het niet voldoende meewerken aan het huisbezoek kan het recht op bijstand door WerkSaam niet worden vastgesteld. De aanvraag om bijstand is dan ook terecht afgewezen.

49. Het beroep is ongegrond.



Conclusie en gevolgen






246918


50. Het beroep is gegrond, omdat – zoals ook door WerkSaam is onderkend – bij de herziening van het recht op bijstand ten onrechte de periode waarin het café gesloten was vanwege de coronamaatregelen niet buiten beschouwing is gelaten. Dit betekent dat het besluit op dit punt geen stand kan houden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit in zoverre. Omdat het nog slechts gaat om een financiële uitwerking ziet de rechtbank geen aanleiding voor een zogeheten bestuurlijke lus en zal zij WerkSaam op dit punt opdracht geven om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.



50.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat WerkSaam een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft WerkSaam hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Algemene wet bestuursrecht pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.



50.2.

Omdat het beroep gegrond is moet WerkSaam het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,00 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.






247279 en 24/7870

51. Deze beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.



Beslissing




De rechtbank:

- verklaart de beroepen geregistreerd onder nummers 24/7279 en 24/7870 ongegrond;
- verklaart het beroep geregistreerd onder nummer 24/6918 gegrond;
- vernietigt het besluit van 26 september 2024 voor zover daarin is beslist dat de uitkering over de gehele periode van 28 juli 2021 tot 12 maart 2024 wordt ingetrokken en de kosten van bijstand over die gehele periode worden teruggevorderd;
- draagt WerkSaam op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat WerkSaam het griffierecht van € 51,00 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt WerkSaam tot betaling van € 1.814,00 aan proceskosten aan eiseres.







Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en mr. M. Jurgens en mr. H.H. Riemeijer, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.














griffier


voorzitter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.



Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.