Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2025:16299

2025-04-09 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/15/351877
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2025-04-09
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/15/351877
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Krediet en borgstelling. De lener is haar betalingsverplichtingen tegenover de bank niet nagekomen en is in verzuim. Bank spreekt onder meer de borg aan. Borg beroept zich erop dat de borgtochtovereenkomst is vervallen, is verjaard en/of is vernietigd. De verweren falen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.898 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland


Civiel recht



Zittingsplaats Alkmaar



Zaaknummer: C/15/351877 / HA ZA 24-235




Vonnis van 9 april 2025




in de zaak van




COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. S. Kuipers,



tegen





1STICHTING TABLETONDERWIJS KRABBIE KRAB OP SCHOOL,

te Grootebroek,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
advocaat: mr. E.J. Woud,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: de Stichting en [gedaagde 2] .




De zaak in het kort

Rabobank heeft aan de Stichting een krediet verstrekt. Voor het geval de Stichting het krediet niet zou terugbetalen heeft [gedaagde 2] zich tot een bepaald bedrag borg gesteld. De Stichting is haar betalingsverplichtingen tegenover Rabobank niet nagekomen en is in verzuim. Rabobank spreekt de Stichting aan voor betaling van het gehele krediet en [gedaagde 2] voor het bedrag waarvoor zij zich borg heeft gesteld. Alleen [gedaagde 2] voert verweer.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de borgtochtovereenkomst waarop Rabobank zich beroept niet is vervallen, niet is verjaard en niet is vernietigd door de voormalige echtgenoot van [gedaagde 2] , want hij heeft juist ingestemd met de borgstelling waarop Rabobank zich beroept. De rechtbank wijst de vorderingen van Rabobank daarom toe.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tegen de Stichting verleende verstek
- het tussenvonnis van 26 juni 2024 en de daarin genoemde processtukken
- de mondelinge behandeling van 4 maart 2025, waarbij mr. Kuipers spreekaantekeningen heeft overgelegd en de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt.



1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Rabobank heeft op grond van een overeenkomst van 24 oktober 2016 met de Stichting een krediet van € 35.000 aan de Stichting verstrekt (hierna: de kredietovereenkomst). Rabobank en de Stichting zijn overeengekomen dat het verstrekte krediet op 31 augustus 2018 moest zijn terugbetaald (‘inperking krediet’).



2.2.

[gedaagde 2] was vanaf 16 september 2015 tot en met 18 april 2024 voorzitter van de Stichting. [gedaagde 2] heeft zich bij overeenkomst van 22 oktober 2016 borg gesteld tot een maximum van € 35.000 voor de betalingsverplichtingen van de Stichting tegenover Rabobank op grond van onder meer verstrekte en/of te verstrekken geldleningen en verleende en/of te verlenen kredieten (hierna: de overeenkomst van borgtocht). In de overeenkomst van borgtocht is verder onder meer bepaald:



De borg verklaart […] zich te realiseren dat niet-nakoming door de debiteur van zijn verplichtingen jegens de bank tot gevolg kan hebben dat de borg zal worden aangesproken.




2.3.
Op de overeenkomst van borgtocht zijn onder meer de Algemene Voorwaarden voor Borgtocht van de Rabobank voor bedrijfsfinancieringen 2009 (hierna: de algemene borgtochtvoorwaarden) van toepassing. Artikel 2 lid 2 van de algemene borgtochtvoorwaarden bepaalt:



Indien door de bank wijziging wordt gebracht in aflossings- of inperkingschema’s, aflossingen of inperkingen geheel of gedeeltelijk achterwege worden gelaten, de duur van een financiering wordt verlengd, het bedrag van een krediet in rekening-courant (tijdelijk) wordt verhoogd en/of op een bepaalde hoogte of op het oorspronkelijke bedrag wordt teruggebracht, of anderszins wijzigingen en/of aanvullingen worden aangebracht in de voorwaarden waaronder tussen de debiteur en de bank overeenkomsten zijn of worden aangegaan, kan de borg daaraan geen enkel recht ontlenen om zich geheel of gedeeltelijk van zijn borgtocht ontslagen te achten, en blijft hij ten volle aansprakelijk totdat het door de debiteur aan de bank verschuldigde volledig is betaald.





2.4.
De toenmalige echtgenoot van [gedaagde 2] [betrokkene] (hierna: de voormalige echtgenoot) heeft schriftelijk ingestemd met de overeenkomst van borgtocht.



2.5.
Rabobank en de Stichting hebben het moment van inperking van het krediet twee keer uitgesteld naar uiteindelijk 1 september 2020. Hierover heeft Rabobank bij brief van 26 augustus 2019 onder meer het volgende aan [gedaagde 2] bericht:



De bank is bereid de stichting opnieuw uitstel van betaling te verlenen, ditmaal tot 1 september 2020.





Dit houdt ook in dat u als borg, langer dan oorspronkelijk verwacht, het risico loopt dat u zal worden aangesproken om (een deel van) de schulden van de stichting terug te betalen aan de bank. Voordat de bank en de stichting hiertoe overgaan, vragen wij u daarom om goedkeuring voor het voorgenomen uitstel.





Indien u van mening bent dat u voldoende op de hoogte bent van de risico’s omtrent uw borgstelling en u bent bereid een jaar langer dan tot op heden overeengekomen borg te staan voor de schulden van de stichting, dan vraag ik u deze brief voor akkoord te ondertekenen en aan mij te retourneren.





[gedaagde 2] heeft deze brief van 26 augustus 2019 voor akkoord getekend.




2.6.
Begin 2020 heeft de Stichting aan Rabobank gevraagd het krediet te verhogen. Op 15 maart 2020 zijn Rabobank en de Stichting overeengekomen de kredietlimiet tijdelijk te verhogen tot € 75.000 en dit krediet vanaf 1 januari 2021 met € 5.000 per maand te beperken totdat het krediet volledig zou zijn terugbetaald. [gedaagde 2] heeft op 15 maart 2020 schriftelijk ermee ingestemd dat de borgstelling ook geldt voor deze verhoogde financiering.



2.7.
De Stichting heeft niet of nauwelijks omzet gerealiseerd. Met een e-mail van 10 oktober 2022 heeft Rabobank aan de Stichting en [gedaagde 2] bevestigd dat zij de Stichting niet verder zal (her)financieren, dat de financiering reeds is vervallen en dat het krediet per 1 maart 2023 opeisbaar zal zijn.



2.8.
De Stichting heeft het opgenomen krediet niet terugbetaald.



2.9.
Met een e-mail van 27 juli 2023 heeft Rabobank [gedaagde 2] als borg aangesproken op betaling van € 35.000.



2.10.
Rabobank heeft haar vordering op de Stichting beperkt tot de overstand per 1 september 2021 van € 85.517,57. Bij brief van 19 maart 2024 heeft Rabobank bij de Stichting aanspraak gemaakt op betaling van dit bedrag.



2.11.
Bij e-mail van 5 juni 2024 heeft de voormalige echtgenoot van [gedaagde 2] tegenover (de advocaat van) Rabobank de vernietiging van “de borgstellingen” ingeroepen, vanwege het ontbreken van zijn instemming op de brieven van 26 augustus 2019 en 15 maart 2020.





3Het geschil


3.1.
Rabobank vordert – samengevat en na vermindering van eis op zitting – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:


I. de Stichting en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 35.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,



II. de Stichting te veroordelen tot betaling van € 50.517,57 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,



III. de Stichting te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,



IV. [gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.




3.2.
Aan deze vorderingen legt Rabobank ten grondslag dat de Stichting in verzuim is met het terugbetalen van het krediet van in totaal € 85.517,57 en dat [gedaagde 2] op grond van de borgtocht is gehouden de vordering van Rabobank tot € 35.000 te voldoen.



3.3.

[gedaagde 2] heeft zich daartegen verweerd. Zij voert primair aan dat de borgtocht in het najaar van 2020 een stille dood is gestorven, omdat de borgtocht in augustus 2019 voor één jaar is verlengd en van een verdere verlenging nadien niet is gebleken. Subsidiair beroept [gedaagde 2] zich op verjaring, omdat de periode tussen 1 september 2018 en de brief van 19 maart 2024 van (de advocaat van) Rabobank meer dan vijf jaar beloopt. Meer subsidiair beroept [gedaagde 2] zich op vernietiging van de borgstellingen door haar voormalige echtgenoot, omdat hij geen toestemming heeft gegeven voor de verlenging en uitbreiding van de borgstelling terwijl dit wel had gemoeten, aldus [gedaagde 2] .



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



ten aanzien van de Stichting




4.1.
De Stichting is in deze procedure niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. Tegen de Stichting is verstek verleend, want de dagvaarding is op de bij de wet voorgeschreven wijze betekend. Omdat [gedaagde 2] wel is verschenen heeft dit vonnis ook wat betreft de Stichting te gelden als een vonnis op tegenspraak. De vorderingen jegens de Stichting komen de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat de rechtbank deze zal toewijzen.



4.2.
De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Rabobank, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat geen verweer is gevoerd zodat bij de bepaling van het salaris van de advocaat alleen de dagvaarding in aanmerking zal worden genomen voor een half punt van het toepasselijke liquidatietarief:










- helft van de kosten van de gezamenlijke dagvaarding


€


70,09







- helft van het griffierecht


€


3.308,50







- salaris advocaat


€


607,00


(0,5 punt × € 1.214)




- nakosten


€


178,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


4.163,59











4.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



ten aanzien van [gedaagde 2]





4.4.
Vast staat dat Rabobank en [gedaagde 2] een overeenkomst van borgtocht hebben gesloten tot zekerheid voor de door de Stichting tegenover Rabobank aangegane betalingsverplichtingen en dat de voormalige echtgenoot van [gedaagde 2] hiermee heeft ingestemd. Ook staat vast dat de Stichting niet voldoet aan haar betalingsverplichting tegenover Rabobank en Rabobank daarom [gedaagde 2] uit hoofde van de overeenkomst van borgtocht, en tot het maximum van die borgtocht, aanspreekt. Tussen partijen is in geschil of de Rabobank [gedaagde 2] (nog) als borg kan aanspreken op grond van die overeenkomst.



4.5.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de verweren van [gedaagde 2] niet opgaan en dat de Rabobank [gedaagde 2] kan aanspreken op grond van de overeenkomst van borgtocht van 2016. De rechtbank licht dat hieronder toe.



Overeenkomst van borgtocht is niet vervallen





4.6.

[gedaagde 2] heeft primair aangevoerd dat de overeenkomst van borgtocht van 2016 voor bepaalde tijd was afgesloten en in 2020 is geëindigd, zodat Rabobank haar vordering niet meer daarop kan baseren. [gedaagde 2] beroept zich op de brief van 26 augustus 2019 van Rabobank waarin haar is medegedeeld dat bij uitstel van de terugbetalingsverplichting van het krediet zij ‘als borg, langer dan oorspronkelijk verwacht het risico loopt te worden aangesproken’ en dat als zij bereid is ‘een jaar langer dan tot op heden overeengekomen borg te staan voor de schulden van de stichting’, zij de brief voor akkoord kan ondertekenen. Weliswaar heeft [gedaagde 2] de brief van 26 augustus 2019 voor akkoord ondertekend, maar haar voormalige echtgenoot niet terwijl ook voor dergelijke verlengingsovereenkomsten de toestemming van de andere echtgenoot is vereist. De voormalige echtgenoot heeft de borgstellingen van 26 augustus 2019 en 15 maart 2020 daarom rechtsgeldig vernietigd, zo stelt [gedaagde 2] .



4.7.

Rabobank stelt voorop dat aan de overeenkomst van borgtocht geen einddatum is verbonden. Rabobank heeft met de brief van 26 augustus 2019 onverplicht vanuit haar zorgplicht [gedaagde 2] willen informeren over het voorgenomen uitstel van de terugbetalingsverplichting van de Stichting en [gedaagde 2] alleen gevraagd “om goedkeuring voor het voorgenomen uitstel”. In het geval [gedaagde 2] niet zou hebben ingestemd, dan zou Rabobank geen uitstel en/of verruiming van het krediet hebben verleend.
Haar brief zag niet op verlenging van de duur van de borgtocht. Dat hoefde ook niet, want de borgtocht is voor onbepaalde tijd afgegeven. De geciteerde zinnen zijn alleen ongelukkig geformuleerd, aldus Rabobank.




4.8.

De rechtbank is van oordeel dat de geciteerde zinnen [gedaagde 2] de indruk kunnen hebben gegeven dat haar verzocht werd in te stemmen met verlenging van de overeenkomst van borgtocht en niet alleen met verlenging van de termijn waarbinnen het verstrekte krediet dient te worden terugbetaald. Deze citaten zijn echter op zichzelf, mede in het licht van de beargumenteerde betwisting van Rabobank, onvoldoende voor de conclusie dat de overeenkomst van borgtocht van 2016 voor bepaalde tijd was en in 2020 is geëindigd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een overeenkomst van borgtocht een zelfstandige overeenkomst is. Uit artikel 2 lid 2 van de toepasselijke algemene borgtochtvoorwaarden, die deel uitmaken van de overeenkomst van borgtocht, volgt dat [gedaagde 2] als borg tot € 35.000 verbonden blijft voor de vorderingen van Rabobank op de Stichting, ongeacht het verhogen van het krediet en het uitstellen van de terugbetalingsverplichting (‘wijziging in inperkingschema’). Niet betwist is dat hieruit blijkt, zoals Rabobank stelt, dat de overeenkomst van borgtocht voor onbepaalde tijd is aangegaan.
Bovendien geldt dat [gedaagde 2] in deze overeenkomst heeft verklaard dat zij zich realiseert dat niet-nakoming door de Stichting tot gevolg kan hebben dat zij zal worden aangesproken (zie alinea 2.2). Rabobank kon [gedaagde 2] dus pas als borg aanspreken nadat de Stichting als hoofdschuldenaar het krediet niet tijdig had terugbetaald en in verzuim was gekomen, zoals gebruikelijk bij borgtocht. Dit verhoudt zich slecht met het standpunt van [gedaagde 2] dat de overeenkomst van borgtocht gelijktijdig met de datum in 2020 dat het krediet opeisbaar zou zijn geworden, is komen te vervallen. De borg zou in dat geval niet kunnen worden aangesproken. Daarin kan [gedaagde 2] niet worden gevolgd. De conclusie is dan ook dat de borgstelling van [gedaagde 2] van 2016 niet is komen te vervallen. De latere toestemmingen van [gedaagde 2] tot verlenging van de termijn waarbinnen moet worden terugbetaald en de verhoging van het krediet hebben dus geen gevolgen voor de overeengekomen duur van de overeenkomst van borgtocht.




Overeenkomst van borgtocht is niet verjaard





4.9.

[gedaagde 2] beroept zich subsidiair op verjaring, omdat de periode tussen 1 september 2018 en de brief van 19 maart 2024 van (de advocaat van) Rabobank meer dan vijf jaar beloopt. Rabobank heeft het beroep op verjaring weersproken. Zij stelt zich op het standpunt dat de verjaringstermijn niet is verstreken, al omdat deze pas in maart 2023 is aangevangen.



4.10.
Als [gedaagde 2] er al in gevolgd zou kunnen worden dat de verjaringstermijn is gaan lopen op 1 september 2018, geldt het volgende. Niet in geschil is dat Rabobank [gedaagde 2] bij e-mail van 27 juli 2023, binnen de verjaringstermijn van vijf jaar wanneer men rekent vanaf 1 september 2018, heeft aangesproken op betaling. Tijdens de mondelinge behandeling heeft (de advocaat van) [gedaagde 2] ook erkend dat die e-mail kwalificeert als een stuitingshandeling. Het beroep op verjaring faalt reeds daarom.



Beroep op vernietiging treft geen doel





4.11.
In het midden kan ook blijven of [gedaagde 2] moet worden aangemerkt als een zakelijke borg of particuliere borg zoals [gedaagde 2] heeft betoogd, want met de borgstelling van 2016 heeft de voormalige echtgenoot van [gedaagde 2] wel degelijk ingestemd en op die borgstelling heeft Rabobank haar vordering gebaseerd en kon zij haar vordering baseren, zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld. Het beroep op vernietiging van de instemming van [gedaagde 2] op het verhogen van het krediet en het uitstel van de terugbetalingsverplichting van de Stichting treft ook geen doel omdat dat geen borgstellingen waren.



Conclusie





4.12.
De rechtbank zal de vorderingen jegens [gedaagde 2] toewijzen. De veroordeling tot betaling van € 35.000,- zal hoofdelijk worden uitgesproken. Dat betekent dat zowel [gedaagde 2] als de Stichting kan worden gedwongen dat bedrag geheel te betalen. Als de één (een deel van) € 35.000,- betaalt, hoeft de ander (dat deel van) € 35.000,- niet meer te betalen.



Proceskosten





4.13.

[gedaagde 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank ten aanzien van [gedaagde 2] worden begroot op:










- helft van de kosten gezamenlijke dagvaarding


€


70,09







- helft van het griffierecht


€


3.308,50







- salaris advocaat


€


1.179,00


(1,5 punt × € 786)




- nakosten


€


178,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


4.735,59











4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



Tot slot





4.15.

Rabobank heeft aan het einde van de mondelinge behandeling toegezegd dat zij bereid is, ook na een toewijzend vonnis, een regeling met [gedaagde 2] te treffen. [gedaagde 2] moet daarvoor wel met stukken haar inkomsten en uitgaven onderbouwen. Rabobank heeft ook te kennen gegeven dat zij dit vonnis in ieder geval tot 1 juli 2025 niet ten uitvoer zal leggen om [gedaagde 2] in de gelegenheid te stellen de hiervoor genoemde informatie met Rabobank te delen en met haar in overleg te treden over een mogelijke regeling. De rechtbank vertrouwt erop dat Rabobank zich aan die toezeggingen zal houden.


5. De beslissing




De rechtbank




5.1.
veroordeelt de Stichting en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Rabobank te betalen een bedrag van € 35.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 april 2024 tot de dag van volledige betaling,



5.2.
veroordeelt de Stichting om aan Rabobank te betalen een bedrag van € 50.517,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 april 2024 tot de dag van volledige betaling,



5.3.
veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 4.163,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Stichting niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.4.
veroordeelt de Stichting tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van de beslissing onder 5.3 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.5.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 4.735,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.6.
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van de beslissing onder 5.5 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.

1680




conform artikel 1:88 lid 1 onder c Burgerlijk Wetboek (BW)



[gedaagde 2] verwijst hierbij naar het arrest van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:316


Zie artikel 1:88 lid 5 BW, uitzondering op het toestemmingsvereiste