Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2025:16296
2025-12-03
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/15/362839
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiser doet een beroep op (gedeeltelijke) ontbinding van aannemingsovereenkomsten en maakt aanspraak op terugbetaling (van een groot gedeelte) van de betaalde aanneemsom, omdat de aannemer afspraken niet zou zijn nakomen en in verzuim zou zijn. De aannemer voert verweer en stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat zij de overeenkomsten niet met eiser maar met de betrokken hoofdaannemer heeft gesloten. Eiser kan de aannemingsovereenkomsten daarom niet ontbinden. Dit verweer slaagt. Ook het beroep dat eiser (voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank oordeelt dat eiser geen partij is bij de overeenkomsten) doet op onverschuldigde betaling gaat niet op. De rechtbank wijst de vorderingen af.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:6687 Rechtbank Amsterdam 16-11-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1058 Gerechtshof Amsterdam 16-05-2023
- ECLI:NL:HR:2021:1615 Hoge Raad 29-10-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.278 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/362839 / HA ZA 25-124
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1], Israël,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. L.E. Post,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. P. Thole.
De zaak in het kort
Eiser doet een beroep op (gedeeltelijke) ontbinding van aannemingsovereenkomsten en maakt aanspraak op terugbetaling (van een groot gedeelte) van de betaalde aanneemsom, omdat de aannemer afspraken niet zou zijn nakomen en in verzuim zou zijn. De aannemer voert verweer en stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat zij de overeenkomsten niet met eiser maar met de betrokken hoofdaannemer heeft gesloten. Eiser kan de aannemingsovereenkomsten daarom niet ontbinden. Dit verweer slaagt. Ook het beroep dat eiser (voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank oordeelt dat eiser geen partij is bij de overeenkomsten) doet op onverschuldigde betaling gaat niet op. De rechtbank wijst de vorderingen af en licht dit in het vonnis toe.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 mei 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de akte overlegging producties met productie 19 van [eiser];
- de aanvullende producties 5 t/m 7 van [gedaagde];
- de akte wijziging van eis van [eiser];
- de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025, waarbij mr. Post en mr. Thole spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiser], een Russische zakenman, heeft een pand aan de [aanslagnummer] in ([postcode]) [plaats 3] (hierna: het pand) laten verbouwen. De hoofdaannemer was [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]).
2.2.
[gedaagde] is een meubel- en interieurbouwbedrijf.
2.3.
Op 30 juni 2020 heeft [gedaagde] op verzoek van [bedrijf 1] in het kader van de verbouwing van het pand aan [bedrijf 1] een offerte uitgebracht voor een bedrag van € 157.300,00. De begeleidende brief van [gedaagde] is gericht aan “[bedrijf 1] Project Management” met daaronder “[naam medewerker [bedrijf 1]]” en vermeldt:
Geachte mevrouw [naam medewerker [bedrijf 1]],
Hartelijk dank voor uw offerte aanvraag. (…)
Wilt u van deze aanbieding gebruik maken, stuur dan de offerte ondertekent terug per e-mail of per post.
Onderaan de offerte staat voorgedrukt:
Voor akkoord,
[naam medewerker [bedrijf 1]]
Datum:
Plaats:
Handtekening:
2.4.
Eind april 2021 heeft [gedaagde] deze offerte ondertekend retour ontvangen met als datum van ondertekening 20 april 2021 en als plaats van ondertekening “[plaats 1], Israel”.
2.5.
Op 23 oktober 2020 heeft [gedaagde] op verzoek van [bedrijf 1] nog een offerte uitgebracht voor verdere werkzaamheden in het kader van de verbouwing van het pand voor een bedrag van € 454.910,20. De begeleidende brief is weer gericht aan “[bedrijf 1] Project Management” met daaronder “[naam medewerker [bedrijf 1]]” en bevat dezelfde tekst als de eerdere offerte (zie 2.3), ditmaal in het Engels. Onderaan de offerte staat dezelfde voorgedrukte tekst als onder de eerdere offerte (zie 2.3).
2.6.
Eind juni 2021 heeft [gedaagde] deze offerte ondertekend retour ontvangen met onder de voorgedrukte ruimte voor ondertekening, handgeschreven het volgende:
20.06.2021
[eiser]
[handtekening]
De handtekening op de tweede offerte lijkt op de handtekening op de eerste offerte.
2.7.
[gedaagde] heeft daarnaast opdrachten tot meerwerk aangenomen. De geaccordeerde offertes plus de afspraken over het meerwerk worden hierna ook ‘de overeenkomsten’ genoemd.
2.8.
Op verzoek van [bedrijf 1] heeft [gedaagde] haar facturen op naam van [eiser] gesteld.
2.9.
In maart 2022 heeft [eiser], anticiperend op eventuele sancties van de Europese Unie in verband met de Russische invasie van Oekraïne, [gedaagde] de gehele resterende aanneemsom betaald. Inclusief eerdere betalingen heeft [eiser] een bedrag van € 655.842,64 aan [gedaagde] betaald.
2.10.
[gedaagde] is vervolgens gestart met haar werkzaamheden. Na metingen van de ruimtes in het pand heeft [gedaagde] in haar werkplaats onderdelen voor luxe inbouwkasten en trappen op maat gemaakt en - onder meer - een trap in het pand geplaatst. [bedrijf 1] was tijdens de uitvoering haar aanspreekpunt.
2.11.
In juni 2022 is [eiser] op de sanctielijst van de Europese Unie geplaatst.
2.12.
Eind oktober 2022 is het pand gekraakt. Hierdoor konden geen verbouwingswerkzaamheden meer worden uitgevoerd in het pand.
2.13.
Na nog enige tijd de werkzaamheden op de werkplaats te hebben voortgezet heeft [gedaagde] haar werkzaamheden gestaakt en de door haar gefabriceerde onderdelen en de keukenapparatuur voor het pand in haar werkplaats opgeslagen.
2.14.
Bij vonnis van 16 november 2022 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam een vordering van [bedrijf 2] Limited (een vennootschap van [eiser] en eigenaar van het pand) en [bedrijf 1] tot ontruiming van het pand door de krakers afgewezen in verband met de plaatsing van [eiser] op de Europese sanctielijst. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 16 mei 2023 het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
2.15.
Tijdens hun verblijf in het pand hebben de krakers het pand aangepast waarbij onder meer de trap die al door [gedaagde] was geplaatst is beschadigd. In deze periode is [bedrijf 1] een keer in het pand geweest.
2.16.
Eind 2023 heeft [gedaagde] de door haar gemaakte en bij haar opgeslagen onderdelen voor het pand, na overleg met [bedrijf 1], weggedaan. De keukenapparatuur heeft zij bewaard.
2.17.
Op 15 maart 2024 is [eiser] van de sanctielijst gehaald. Rond die tijd zijn de krakers uit het pand vertrokken.
2.18.
Eind april 2024 heeft de binnenhuisarchitect van [eiser] (hierna: de architect) aan [gedaagde] gevraagd een lijst van de stand van haar werk op te stellen, verdeeld naar ‘built’, ‘not built but already drawn / in progress of being drawn’ en ‘not drawn’. Op 22 mei 2024 heeft [gedaagde] de architect een overzicht gestuurd.
2.19.
In een e-mail van 27 mei 2024 heeft de architect [gedaagde] onder meer laten weten dat zij de week daarvoor met “the owner” (de rechtbank begrijpt op grond van hetgeen ter zitting verklaard is dat hier de echtgenote van [eiser] wordt bedoeld) en [bedrijf 1] het vervolg van de verbouwing heeft besproken en dat [eiser] te kennen heeft gegeven zijn plannen te hebben gewijzigd en het pand na een beperkte verbouwing gesplitst te willen verkopen. Het verzoek van de architect aan [gedaagde] was om slechts voor de bovenste twee appartementen van het pand nog werkzaamheden te verrichten en het teveel betaalde aan [eiser] te crediteren.
2.20.
Bij e-mail van 13 juni 2024 aan de architect met in de bijlage een brief gedateerd op 5 juni 2024 gericht aan [eiser] heeft [gedaagde] twee voorstellen gestuurd voor het verkoopklaar maken van de bovenste twee appartementen, welke beide neerkwamen op een bijbetaling.
2.21.
Bij brief van 19 september 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] onder meer gesommeerd uiterlijk 23 september 2025 17:00 uur zich bereid te verklaren het aangenomen werk zonder voorbehoud en zonder extra kosten binnen zes weken uit te voeren.
2.22.
Na het uitblijven van een reactie van [gedaagde] binnen de gestelde termijn heeft [eiser] bij e-mail van 23 september 2024 van zijn advocaat een beroep op ontbinding van de overeenkomsten gedaan.
2.23.
[eiser] heeft met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op 13 februari 2025 conservatoir beslag laten leggen op motorvoertuigen, machines en banktegoeden van [gedaagde].
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - na vermindering en wijziging van eis, samengevat - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair: [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen:
I. € 575.883,53 te vermeerderen met wettelijke rente,
II. € 5.631,85 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente,
Subsidiair:
III. de overeenkomsten tussen partijen te ontbinden, als gevolg waarvan [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 575.883,53 moet betalen, te vermeerderen met wettelijke rente,
voorwaardelijk meer subsidiair:
IV. [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen een bedrag van € 655.842,64, te vermeerderen met wettelijke rente,
zowel primair als subsidiair: [gedaagde] te veroordelen:
V. aan [eiser] te betalen € 2.376,50 aan deurwaarderskosten en de nog overige te maken deurwaarderskosten p.m.,
VI. in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] baseert de vorderingen op zijn beroep op ontbinding, althans ontbinding door de rechtbank, van de overeenkomsten. Op grond daarvan rust er volgens [eiser] op [gedaagde] een terugbetalingsverplichting. [eiser] maakt daarbij aanspraak op het deel van de aanneemsom waarvoor [gedaagde] geen werkzaamheden heeft verricht, welk deel hij begroot op € 575.883,53. Voorwaardelijk meer subsidiair, voor het geval dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] met [bedrijf 1] en niet met [eiser] heeft gecontracteerd, vordert [eiser] al zijn betalingen aan [gedaagde], die een bedrag van € 655.842,64 belopen, als onverschuldigd betaald terug.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en stelt voorop dat zij niet met [eiser] maar met [bedrijf 1] heeft gecontracteerd. [eiser] komt volgens [gedaagde] als derde geen beroep op ontbinding van de overeenkomsten toe. Subsidiair, voor het geval dat [eiser] wel als haar contractspartij moet worden aangemerkt, voert [gedaagde] aan dat het recht op ontbinding in de algemene voorwaarden die op de overeenkomsten van toepassing zijn, is uitgesloten. Meer subsidiair betwist [eiser] dat zij in verzuim was en voert zij aan dat de gestelde termijn en voorwaarden voor reactie en uitvoering onredelijk waren, zodat het (herhaalde) beroep op ontbinding van [eiser] zonder rechtsgevolg is. Daarbij merkt [gedaagde] op dat door beschadigingen van het pand door de krakers zoals vastgesteld door [bedrijf 1], de wanden van het pand opnieuw moesten worden gestuct, de vloeren moesten worden hersteld en de ruimtes vervolgens opnieuw zouden moeten worden ingemeten. Voor het maatwerk van [gedaagde] geldt namelijk een foutmarge van maar 2 mm. Het werk dat [gedaagde] al had verricht was daardoor onbruikbaar geworden. [bedrijf 1] was het hiermee eens. Omdat de onderdelen al ruim een jaar waren opgeslagen zonder uitzicht op gebruik ervan, heeft [gedaagde] met akkoord van haar opdrachtgever, [bedrijf 1], het opgeslagen werk weggedaan. De keukenapparatuur heeft zij bewaard en is voor [eiser] beschikbaar.
Het voorwaardelijk meer subsidiaire beroep van [eiser] op onverschuldigde betaling gaat volgens [gedaagde] niet op omdat [eiser] kennelijk – om praktische redenen – namens [bedrijf 1] heeft betaald, waarmee de betaling als bevrijdend namens [bedrijf 1] geldt op grond van artikel 6:30 BW.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
De rechtbank gaat hierna, voor zover nodig, nader op de stellingen van partijen in.
4De beoordeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Het geschil heeft een internationaal karakter, omdat [eiser] zijn woonplaats heeft in Israël. De rechtbank zal daarom ambtshalve toetsen of zij bevoegd is van het geschil kennis te nemen en zo ja, welk recht van toepassing is.
4.2.
Op grond van artikel 4 lid 1 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, opgeroepen voor een gerecht van die lidstaat. [gedaagde] is gevestigd in Nederland. Dat betekent dat de Nederlandse rechter op grond van de genoemde verordening rechtsmacht heeft.
4.3.
De vraag welk recht van toepassing is moet worden beantwoord aan de hand van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I-Vo). [eiser] beroept zich op de overeenkomsten, waarin algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard waarin is opgenomen dat Nederlands recht van toepassing is. [gedaagde] betwist dat zij de overeenkomsten met [eiser] heeft gesloten, waaruit volgt dat de algemene voorwaarden tussen partijen niet van toepassing zouden zijn.
4.4.
De rechtbank laat hier in het midden of de algemene voorwaarden tussen partijen van toepassing zijn, want Nederlands recht is in dit geschil hoe dan ook van toepassing. Dit op grond van hetzij de rechtskeuze in de algemene voorwaarden (artikel 3 Rome I-Vo) hetzij artikel 4 lid 1 lid b Rome-I Vo omdat de aannemingsovereenkomsten worden aangemerkt als overeenkomsten van dienstverlening, [gedaagde] is gevestigd in Nederland en uit het geheel van de omstandigheden niet blijkt dat de overeenkomsten nauwer met een ander land zijn verbonden. Deze regel geldt ook wanneer het bestaan en de geldigheid van een overeenkomst tussen partijen wordt betwist (artikel 10 lid 1 Rome-I Vo). Overigens gaan partijen in hun processtukken ook uit van toepasselijkheid van Nederlands recht.
De contractspartij van [gedaagde]
4.5.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat [eiser] geen partij is bij de overeenkomsten en daarom geen beroep kan doen op de ontbinding ervan. Dit verweer slaagt en de rechtbank legt dit hieronder uit.
4.6.
Wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van hetgeen partijen tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de relevante omstandigheden behoren de kenbare hoedanigheid van partijen en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.
4.7.
Tussen partijen staat vast dat [bedrijf 1] optrad als hoofdaannemer en aan [gedaagde] offertes heeft gevraagd en dat [gedaagde] op basis daarvan haar offertes op naam van [bedrijf 1] heeft opgesteld en aan [bedrijf 1] heeft gericht. Beide offertes zijn voor akkoord ondertekend zonder dat daarbij is opgemerkt dat in plaats van [bedrijf 1] [eiser] moet worden aangemerkt als contractspartij. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] onweersproken toegelicht dat zij bij het sluiten van de eerste overeenkomst ook niets wist van [eiser]; zij was benieuwd wie er achter de overeenkomst met [bedrijf 1] zat. Pas bij het sluiten van de tweede overeenkomst werd het [gedaagde] bekend dat [eiser] de (indirecte) eigenaar was voor wie [bedrijf 1] werkte. [gedaagde] heeft verder toegelicht dat zij [eiser] niet heeft ontmoet en geen rechtstreeks contact met hem heeft gehad. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden was steeds [bedrijf 1] het aanspreekpunt voor [gedaagde] en bij de bespreking in mei 2024 met de architect en de echtgenote van [eiser] was [bedrijf 1] uitgenodigd en niet ook [gedaagde]. Uit de verklaringen en gedragingen van [bedrijf 1], voor, bij en na de contractsluiting, heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank mogen afleiden dat [bedrijf 1] haar contractspartij is.
4.8.
Daaraan doet niet af dat op de eerste ondertekende offerte als plaats van ondertekening ‘[plaats 1], Israel’ is genoteerd. [gedaagde] heeft hier naar eigen zeggen geen acht op geslagen en dat hoefde ze in de gegeven omstandigheden ook niet te doen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [gedaagde] ten tijde van de tweede offerte wel wist van [eiser] als (indirecte) eigenaar van het pand en dat [eiser] bij ondertekening van de tweede offerte - zonder (de naam van de medewerker van) [bedrijf 1] door te halen - ook zijn naam heeft geschreven. [gedaagde] heeft namelijk haar offertes specifiek gericht tot [bedrijf 1] en daarmee haar aspirant-contractspartij bepaald. Anders dan [eiser] stelt, leidt een akkoord op dit persoonlijke aanbod door een andere partij - [eiser] – in de gegeven omstandigheden, waarin [bedrijf 1] steeds het aanspreekpunt was, niet tot een overeenkomst tussen [gedaagde] en [eiser].
4.9.
Aan hetgeen onder 4.7 is overwogen doet ook niet af dat [gedaagde] op verzoek van [bedrijf 1] de facturen op naam van [eiser] heeft gezet en [eiser] die facturen heeft betaald, want [eiser] heeft niet gesteld en onderbouwd dat daarbij expliciet kenbaar is gemaakt dat hij (alsnog) moet worden aangemerkt als contractspartij. Het staat een contractspartij vrij om derden voor haar te laten betalen. Iemand die een contractuele verplichting van een ander nakomt wordt niet daardoor zelf contractspartij. De rechtbank volgt [gedaagde] in haar verweer dat [eiser] namens [bedrijf 1] heeft betaald. Dit was ook logisch omdat [bedrijf 1] de hoofdaannemer was, die op haar beurt onderaannemers contracteerde. De betalingen zijn dus niet zonder rechtsgrond verricht en [eiser] heeft dus ook niet onverschuldigd betaald. Ook de voorwaardelijk meer subsidiaire vordering is daarom niet toewijsbaar.
4.10.
De achteraf opgestelde en door [eiser] overgelegde verklaring van [betrokkene], managing director van [bedrijf 1], waarin [betrokkene] verklaart dat [eiser] en niet [bedrijf 1] de overeenkomsten met [gedaagde] heeft gesloten, maakt het bovenstaande ook niet anders. [betrokkene] stelt dit namelijk wel, maar licht geheel niet toe waarom niet [bedrijf 1] maar [eiser] de contractspartij van [gedaagde] zou zijn. Bovendien heeft [bedrijf 1] in de onder 2.14 aangehaalde kortgedingprocedure bij het gerechtshof juist gesteld dat zijzelf de overeenkomsten met onderaannemers aanging. In een van haar grieven heeft zij namelijk het volgende opgenomen (randnr. 3.7 onder vii. van het arrest):
Zij [[bedrijf 1]] is ook verplichtingen met onderaannemers aangegaan. Zij moet betalingen aan hen verrichten terwijl het werk niet wordt gedaan. Later moeten die uitgaven dan weer opnieuw worden gedaan, terwijl de kosten stijgen.
4.11.
Weliswaar heeft [eiser] ter zitting gesuggereerd dat er wat [gedaagde] betreft sprake zou kunnen zijn van een uitzondering t.o.v. andere onderaannemers, in die zin dat [eiser] juist met [gedaagde] wel rechtstreeks zou hebben gecontracteerd, maar daarvan blijkt niet. Als het de bedoeling was geweest dat [eiser] rechtstreeks met [gedaagde] contracteerde, dan had dat duidelijk tot uiting moeten komen in de fase van contractsluiting. Zoals uit het voorgaande blijkt is dat niet gebeurd.
Conclusie
4.12.
Dit betekent dat [eiser], mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], zijn stelling dat hij contractspartij is bij de overeenkomsten onvoldoende heeft onderbouwd. Daarmee ontbreekt de basis voor zijn vorderingen. Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van de overige stellingen en verweren van partijen.
4.13.
Hieruit volgt dat de rechtbank ook de primaire en subsidiaire vorderingen zal afwijzen. De nevenvorderingen volgen hetzelfde lot.
Proceskosten
4.14.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
14.043,00
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 14.043,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.
1680
rechtbank Amsterdam, 16 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6687
gerechtshof Amsterdam, 16 mei 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1058
deze verordening wordt ook ‘EEX-Vo (herschikt)’ of ‘Brussel I-bis’ genoemd
vgl. Hoge Raad, 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615
ter zitting is gebleken dat niet [eiser] in privé eigenaar is van het pand, maar de vennootschap [bedrijf 2] Ltd, van welke vennootschap [eiser] de UBO is.
artikel 6:30 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/362839 / HA ZA 25-124
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1], Israël,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. L.E. Post,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. P. Thole.
De zaak in het kort
Eiser doet een beroep op (gedeeltelijke) ontbinding van aannemingsovereenkomsten en maakt aanspraak op terugbetaling (van een groot gedeelte) van de betaalde aanneemsom, omdat de aannemer afspraken niet zou zijn nakomen en in verzuim zou zijn. De aannemer voert verweer en stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat zij de overeenkomsten niet met eiser maar met de betrokken hoofdaannemer heeft gesloten. Eiser kan de aannemingsovereenkomsten daarom niet ontbinden. Dit verweer slaagt. Ook het beroep dat eiser (voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank oordeelt dat eiser geen partij is bij de overeenkomsten) doet op onverschuldigde betaling gaat niet op. De rechtbank wijst de vorderingen af en licht dit in het vonnis toe.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 mei 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de akte overlegging producties met productie 19 van [eiser];
- de aanvullende producties 5 t/m 7 van [gedaagde];
- de akte wijziging van eis van [eiser];
- de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025, waarbij mr. Post en mr. Thole spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiser], een Russische zakenman, heeft een pand aan de [aanslagnummer] in ([postcode]) [plaats 3] (hierna: het pand) laten verbouwen. De hoofdaannemer was [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]).
2.2.
[gedaagde] is een meubel- en interieurbouwbedrijf.
2.3.
Op 30 juni 2020 heeft [gedaagde] op verzoek van [bedrijf 1] in het kader van de verbouwing van het pand aan [bedrijf 1] een offerte uitgebracht voor een bedrag van € 157.300,00. De begeleidende brief van [gedaagde] is gericht aan “[bedrijf 1] Project Management” met daaronder “[naam medewerker [bedrijf 1]]” en vermeldt:
Geachte mevrouw [naam medewerker [bedrijf 1]],
Hartelijk dank voor uw offerte aanvraag. (…)
Wilt u van deze aanbieding gebruik maken, stuur dan de offerte ondertekent terug per e-mail of per post.
Onderaan de offerte staat voorgedrukt:
Voor akkoord,
[naam medewerker [bedrijf 1]]
Datum:
Plaats:
Handtekening:
2.4.
Eind april 2021 heeft [gedaagde] deze offerte ondertekend retour ontvangen met als datum van ondertekening 20 april 2021 en als plaats van ondertekening “[plaats 1], Israel”.
2.5.
Op 23 oktober 2020 heeft [gedaagde] op verzoek van [bedrijf 1] nog een offerte uitgebracht voor verdere werkzaamheden in het kader van de verbouwing van het pand voor een bedrag van € 454.910,20. De begeleidende brief is weer gericht aan “[bedrijf 1] Project Management” met daaronder “[naam medewerker [bedrijf 1]]” en bevat dezelfde tekst als de eerdere offerte (zie 2.3), ditmaal in het Engels. Onderaan de offerte staat dezelfde voorgedrukte tekst als onder de eerdere offerte (zie 2.3).
2.6.
Eind juni 2021 heeft [gedaagde] deze offerte ondertekend retour ontvangen met onder de voorgedrukte ruimte voor ondertekening, handgeschreven het volgende:
20.06.2021
[eiser]
[handtekening]
De handtekening op de tweede offerte lijkt op de handtekening op de eerste offerte.
2.7.
[gedaagde] heeft daarnaast opdrachten tot meerwerk aangenomen. De geaccordeerde offertes plus de afspraken over het meerwerk worden hierna ook ‘de overeenkomsten’ genoemd.
2.8.
Op verzoek van [bedrijf 1] heeft [gedaagde] haar facturen op naam van [eiser] gesteld.
2.9.
In maart 2022 heeft [eiser], anticiperend op eventuele sancties van de Europese Unie in verband met de Russische invasie van Oekraïne, [gedaagde] de gehele resterende aanneemsom betaald. Inclusief eerdere betalingen heeft [eiser] een bedrag van € 655.842,64 aan [gedaagde] betaald.
2.10.
[gedaagde] is vervolgens gestart met haar werkzaamheden. Na metingen van de ruimtes in het pand heeft [gedaagde] in haar werkplaats onderdelen voor luxe inbouwkasten en trappen op maat gemaakt en - onder meer - een trap in het pand geplaatst. [bedrijf 1] was tijdens de uitvoering haar aanspreekpunt.
2.11.
In juni 2022 is [eiser] op de sanctielijst van de Europese Unie geplaatst.
2.12.
Eind oktober 2022 is het pand gekraakt. Hierdoor konden geen verbouwingswerkzaamheden meer worden uitgevoerd in het pand.
2.13.
Na nog enige tijd de werkzaamheden op de werkplaats te hebben voortgezet heeft [gedaagde] haar werkzaamheden gestaakt en de door haar gefabriceerde onderdelen en de keukenapparatuur voor het pand in haar werkplaats opgeslagen.
2.14.
Bij vonnis van 16 november 2022 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam een vordering van [bedrijf 2] Limited (een vennootschap van [eiser] en eigenaar van het pand) en [bedrijf 1] tot ontruiming van het pand door de krakers afgewezen in verband met de plaatsing van [eiser] op de Europese sanctielijst. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 16 mei 2023 het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
2.15.
Tijdens hun verblijf in het pand hebben de krakers het pand aangepast waarbij onder meer de trap die al door [gedaagde] was geplaatst is beschadigd. In deze periode is [bedrijf 1] een keer in het pand geweest.
2.16.
Eind 2023 heeft [gedaagde] de door haar gemaakte en bij haar opgeslagen onderdelen voor het pand, na overleg met [bedrijf 1], weggedaan. De keukenapparatuur heeft zij bewaard.
2.17.
Op 15 maart 2024 is [eiser] van de sanctielijst gehaald. Rond die tijd zijn de krakers uit het pand vertrokken.
2.18.
Eind april 2024 heeft de binnenhuisarchitect van [eiser] (hierna: de architect) aan [gedaagde] gevraagd een lijst van de stand van haar werk op te stellen, verdeeld naar ‘built’, ‘not built but already drawn / in progress of being drawn’ en ‘not drawn’. Op 22 mei 2024 heeft [gedaagde] de architect een overzicht gestuurd.
2.19.
In een e-mail van 27 mei 2024 heeft de architect [gedaagde] onder meer laten weten dat zij de week daarvoor met “the owner” (de rechtbank begrijpt op grond van hetgeen ter zitting verklaard is dat hier de echtgenote van [eiser] wordt bedoeld) en [bedrijf 1] het vervolg van de verbouwing heeft besproken en dat [eiser] te kennen heeft gegeven zijn plannen te hebben gewijzigd en het pand na een beperkte verbouwing gesplitst te willen verkopen. Het verzoek van de architect aan [gedaagde] was om slechts voor de bovenste twee appartementen van het pand nog werkzaamheden te verrichten en het teveel betaalde aan [eiser] te crediteren.
2.20.
Bij e-mail van 13 juni 2024 aan de architect met in de bijlage een brief gedateerd op 5 juni 2024 gericht aan [eiser] heeft [gedaagde] twee voorstellen gestuurd voor het verkoopklaar maken van de bovenste twee appartementen, welke beide neerkwamen op een bijbetaling.
2.21.
Bij brief van 19 september 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] onder meer gesommeerd uiterlijk 23 september 2025 17:00 uur zich bereid te verklaren het aangenomen werk zonder voorbehoud en zonder extra kosten binnen zes weken uit te voeren.
2.22.
Na het uitblijven van een reactie van [gedaagde] binnen de gestelde termijn heeft [eiser] bij e-mail van 23 september 2024 van zijn advocaat een beroep op ontbinding van de overeenkomsten gedaan.
2.23.
[eiser] heeft met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op 13 februari 2025 conservatoir beslag laten leggen op motorvoertuigen, machines en banktegoeden van [gedaagde].
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - na vermindering en wijziging van eis, samengevat - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair: [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen:
I. € 575.883,53 te vermeerderen met wettelijke rente,
II. € 5.631,85 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente,
Subsidiair:
III. de overeenkomsten tussen partijen te ontbinden, als gevolg waarvan [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 575.883,53 moet betalen, te vermeerderen met wettelijke rente,
voorwaardelijk meer subsidiair:
IV. [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen een bedrag van € 655.842,64, te vermeerderen met wettelijke rente,
zowel primair als subsidiair: [gedaagde] te veroordelen:
V. aan [eiser] te betalen € 2.376,50 aan deurwaarderskosten en de nog overige te maken deurwaarderskosten p.m.,
VI. in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] baseert de vorderingen op zijn beroep op ontbinding, althans ontbinding door de rechtbank, van de overeenkomsten. Op grond daarvan rust er volgens [eiser] op [gedaagde] een terugbetalingsverplichting. [eiser] maakt daarbij aanspraak op het deel van de aanneemsom waarvoor [gedaagde] geen werkzaamheden heeft verricht, welk deel hij begroot op € 575.883,53. Voorwaardelijk meer subsidiair, voor het geval dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] met [bedrijf 1] en niet met [eiser] heeft gecontracteerd, vordert [eiser] al zijn betalingen aan [gedaagde], die een bedrag van € 655.842,64 belopen, als onverschuldigd betaald terug.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en stelt voorop dat zij niet met [eiser] maar met [bedrijf 1] heeft gecontracteerd. [eiser] komt volgens [gedaagde] als derde geen beroep op ontbinding van de overeenkomsten toe. Subsidiair, voor het geval dat [eiser] wel als haar contractspartij moet worden aangemerkt, voert [gedaagde] aan dat het recht op ontbinding in de algemene voorwaarden die op de overeenkomsten van toepassing zijn, is uitgesloten. Meer subsidiair betwist [eiser] dat zij in verzuim was en voert zij aan dat de gestelde termijn en voorwaarden voor reactie en uitvoering onredelijk waren, zodat het (herhaalde) beroep op ontbinding van [eiser] zonder rechtsgevolg is. Daarbij merkt [gedaagde] op dat door beschadigingen van het pand door de krakers zoals vastgesteld door [bedrijf 1], de wanden van het pand opnieuw moesten worden gestuct, de vloeren moesten worden hersteld en de ruimtes vervolgens opnieuw zouden moeten worden ingemeten. Voor het maatwerk van [gedaagde] geldt namelijk een foutmarge van maar 2 mm. Het werk dat [gedaagde] al had verricht was daardoor onbruikbaar geworden. [bedrijf 1] was het hiermee eens. Omdat de onderdelen al ruim een jaar waren opgeslagen zonder uitzicht op gebruik ervan, heeft [gedaagde] met akkoord van haar opdrachtgever, [bedrijf 1], het opgeslagen werk weggedaan. De keukenapparatuur heeft zij bewaard en is voor [eiser] beschikbaar.
Het voorwaardelijk meer subsidiaire beroep van [eiser] op onverschuldigde betaling gaat volgens [gedaagde] niet op omdat [eiser] kennelijk – om praktische redenen – namens [bedrijf 1] heeft betaald, waarmee de betaling als bevrijdend namens [bedrijf 1] geldt op grond van artikel 6:30 BW.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
De rechtbank gaat hierna, voor zover nodig, nader op de stellingen van partijen in.
4De beoordeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Het geschil heeft een internationaal karakter, omdat [eiser] zijn woonplaats heeft in Israël. De rechtbank zal daarom ambtshalve toetsen of zij bevoegd is van het geschil kennis te nemen en zo ja, welk recht van toepassing is.
4.2.
Op grond van artikel 4 lid 1 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, opgeroepen voor een gerecht van die lidstaat. [gedaagde] is gevestigd in Nederland. Dat betekent dat de Nederlandse rechter op grond van de genoemde verordening rechtsmacht heeft.
4.3.
De vraag welk recht van toepassing is moet worden beantwoord aan de hand van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I-Vo). [eiser] beroept zich op de overeenkomsten, waarin algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard waarin is opgenomen dat Nederlands recht van toepassing is. [gedaagde] betwist dat zij de overeenkomsten met [eiser] heeft gesloten, waaruit volgt dat de algemene voorwaarden tussen partijen niet van toepassing zouden zijn.
4.4.
De rechtbank laat hier in het midden of de algemene voorwaarden tussen partijen van toepassing zijn, want Nederlands recht is in dit geschil hoe dan ook van toepassing. Dit op grond van hetzij de rechtskeuze in de algemene voorwaarden (artikel 3 Rome I-Vo) hetzij artikel 4 lid 1 lid b Rome-I Vo omdat de aannemingsovereenkomsten worden aangemerkt als overeenkomsten van dienstverlening, [gedaagde] is gevestigd in Nederland en uit het geheel van de omstandigheden niet blijkt dat de overeenkomsten nauwer met een ander land zijn verbonden. Deze regel geldt ook wanneer het bestaan en de geldigheid van een overeenkomst tussen partijen wordt betwist (artikel 10 lid 1 Rome-I Vo). Overigens gaan partijen in hun processtukken ook uit van toepasselijkheid van Nederlands recht.
De contractspartij van [gedaagde]
4.5.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat [eiser] geen partij is bij de overeenkomsten en daarom geen beroep kan doen op de ontbinding ervan. Dit verweer slaagt en de rechtbank legt dit hieronder uit.
4.6.
Wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van hetgeen partijen tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de relevante omstandigheden behoren de kenbare hoedanigheid van partijen en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.
4.7.
Tussen partijen staat vast dat [bedrijf 1] optrad als hoofdaannemer en aan [gedaagde] offertes heeft gevraagd en dat [gedaagde] op basis daarvan haar offertes op naam van [bedrijf 1] heeft opgesteld en aan [bedrijf 1] heeft gericht. Beide offertes zijn voor akkoord ondertekend zonder dat daarbij is opgemerkt dat in plaats van [bedrijf 1] [eiser] moet worden aangemerkt als contractspartij. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] onweersproken toegelicht dat zij bij het sluiten van de eerste overeenkomst ook niets wist van [eiser]; zij was benieuwd wie er achter de overeenkomst met [bedrijf 1] zat. Pas bij het sluiten van de tweede overeenkomst werd het [gedaagde] bekend dat [eiser] de (indirecte) eigenaar was voor wie [bedrijf 1] werkte. [gedaagde] heeft verder toegelicht dat zij [eiser] niet heeft ontmoet en geen rechtstreeks contact met hem heeft gehad. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden was steeds [bedrijf 1] het aanspreekpunt voor [gedaagde] en bij de bespreking in mei 2024 met de architect en de echtgenote van [eiser] was [bedrijf 1] uitgenodigd en niet ook [gedaagde]. Uit de verklaringen en gedragingen van [bedrijf 1], voor, bij en na de contractsluiting, heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank mogen afleiden dat [bedrijf 1] haar contractspartij is.
4.8.
Daaraan doet niet af dat op de eerste ondertekende offerte als plaats van ondertekening ‘[plaats 1], Israel’ is genoteerd. [gedaagde] heeft hier naar eigen zeggen geen acht op geslagen en dat hoefde ze in de gegeven omstandigheden ook niet te doen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [gedaagde] ten tijde van de tweede offerte wel wist van [eiser] als (indirecte) eigenaar van het pand en dat [eiser] bij ondertekening van de tweede offerte - zonder (de naam van de medewerker van) [bedrijf 1] door te halen - ook zijn naam heeft geschreven. [gedaagde] heeft namelijk haar offertes specifiek gericht tot [bedrijf 1] en daarmee haar aspirant-contractspartij bepaald. Anders dan [eiser] stelt, leidt een akkoord op dit persoonlijke aanbod door een andere partij - [eiser] – in de gegeven omstandigheden, waarin [bedrijf 1] steeds het aanspreekpunt was, niet tot een overeenkomst tussen [gedaagde] en [eiser].
4.9.
Aan hetgeen onder 4.7 is overwogen doet ook niet af dat [gedaagde] op verzoek van [bedrijf 1] de facturen op naam van [eiser] heeft gezet en [eiser] die facturen heeft betaald, want [eiser] heeft niet gesteld en onderbouwd dat daarbij expliciet kenbaar is gemaakt dat hij (alsnog) moet worden aangemerkt als contractspartij. Het staat een contractspartij vrij om derden voor haar te laten betalen. Iemand die een contractuele verplichting van een ander nakomt wordt niet daardoor zelf contractspartij. De rechtbank volgt [gedaagde] in haar verweer dat [eiser] namens [bedrijf 1] heeft betaald. Dit was ook logisch omdat [bedrijf 1] de hoofdaannemer was, die op haar beurt onderaannemers contracteerde. De betalingen zijn dus niet zonder rechtsgrond verricht en [eiser] heeft dus ook niet onverschuldigd betaald. Ook de voorwaardelijk meer subsidiaire vordering is daarom niet toewijsbaar.
4.10.
De achteraf opgestelde en door [eiser] overgelegde verklaring van [betrokkene], managing director van [bedrijf 1], waarin [betrokkene] verklaart dat [eiser] en niet [bedrijf 1] de overeenkomsten met [gedaagde] heeft gesloten, maakt het bovenstaande ook niet anders. [betrokkene] stelt dit namelijk wel, maar licht geheel niet toe waarom niet [bedrijf 1] maar [eiser] de contractspartij van [gedaagde] zou zijn. Bovendien heeft [bedrijf 1] in de onder 2.14 aangehaalde kortgedingprocedure bij het gerechtshof juist gesteld dat zijzelf de overeenkomsten met onderaannemers aanging. In een van haar grieven heeft zij namelijk het volgende opgenomen (randnr. 3.7 onder vii. van het arrest):
Zij [[bedrijf 1]] is ook verplichtingen met onderaannemers aangegaan. Zij moet betalingen aan hen verrichten terwijl het werk niet wordt gedaan. Later moeten die uitgaven dan weer opnieuw worden gedaan, terwijl de kosten stijgen.
4.11.
Weliswaar heeft [eiser] ter zitting gesuggereerd dat er wat [gedaagde] betreft sprake zou kunnen zijn van een uitzondering t.o.v. andere onderaannemers, in die zin dat [eiser] juist met [gedaagde] wel rechtstreeks zou hebben gecontracteerd, maar daarvan blijkt niet. Als het de bedoeling was geweest dat [eiser] rechtstreeks met [gedaagde] contracteerde, dan had dat duidelijk tot uiting moeten komen in de fase van contractsluiting. Zoals uit het voorgaande blijkt is dat niet gebeurd.
Conclusie
4.12.
Dit betekent dat [eiser], mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], zijn stelling dat hij contractspartij is bij de overeenkomsten onvoldoende heeft onderbouwd. Daarmee ontbreekt de basis voor zijn vorderingen. Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van de overige stellingen en verweren van partijen.
4.13.
Hieruit volgt dat de rechtbank ook de primaire en subsidiaire vorderingen zal afwijzen. De nevenvorderingen volgen hetzelfde lot.
Proceskosten
4.14.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
14.043,00
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 14.043,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.
1680
rechtbank Amsterdam, 16 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6687
gerechtshof Amsterdam, 16 mei 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1058
deze verordening wordt ook ‘EEX-Vo (herschikt)’ of ‘Brussel I-bis’ genoemd
vgl. Hoge Raad, 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615
ter zitting is gebleken dat niet [eiser] in privé eigenaar is van het pand, maar de vennootschap [bedrijf 2] Ltd, van welke vennootschap [eiser] de UBO is.
artikel 6:30 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)