Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2025:16075

2025-07-17 Bestuursrecht HAA 23/4981
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2025-07-17
Publicatiedatum
2026-06-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
HAA 23/4981
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek op grond van de Wet openbaarheid van Bestuur en Wet open overheid. Onvoldoende gemotiveerd dat openbaarmaking op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo achterwege dient te blijven. Beroep gegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.701 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Alkmaar


Bestuursrecht


zaaknummer: HAA 23/4981


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2025 in de zaak tussen



[eiser] e.a., uit Bovenkarspel, (hierna te noemen in enkelvoud:) eiser


en




College van bestuur van de Universiteit Utrecht, verweerder
(gemachtigde: J.M.J. van de Pas).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek op grond van de Wet openbaarheid van Bestuur (hierna: Wob) en Wet open overheid (hierna: Woo).



1.1
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 28 februari 2023 gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 april 2023 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.2
Eiser heeft hiertegen beroep ingediend.



1.3
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.4
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser heeft digitaal aan de zitting deelgenomen.




Totstandkoming van het besluit


2.1
Door de Universiteit Utrecht is in opdracht van WODC een onderzoek gedaan genaamd ‘Een verkennend kwalitatief onderzoek naar klassenjustitie in de Nederlandse strafrechtketen’. Hiervoor hebben zij verschillende respondenten gesproken, zowel burgers als professionals. Eiser heeft ook deelgenomen aan dit onderzoek.



2.2
Bij brief van 1 november 2021 heeft eiser verzoek om informatie op grond van de Wob ingediend. Eiser heeft verweerder daarbij verzocht om de volgende informatie:
- De aantekeningen, gespreksverslagen en correspondentie van de video-meting van de focusgroep klassenjustitie bloembollensector. Dit geldt ook voor de aantekeningen en gespreksverslagen van de video-meting van de focusgroep (de focusgroep) gesprekken met de professionals (1);
- Inzage in de inbrengbevestiging en dat het totale bewijsdossier dat door de deelnemers van de focusgroep in het onderzoek van verweerder is ingebracht, ook is gebruikt bij het voor verkennend WODC onderzoek (2);
- De correspondentie en gespreksverslagen tussen de onderzoekleiding van verweerder en de begeleiding commissie en de directie van WODC en tevens met beleidspersonen van de adviescommissie en het ministerie van Justitie en Veiligheid betreffende de inbreng van de focusgroep. Ook de onderlinge correspondentie die ten grondslag heeft gelegen aan het besluit betreffende het negeren van de ingebrachte digitale boekmanuscripten (3);
- Alle onderlinge correspondentie, nota’s, adviezen van de landsadvocaat, Raad van State, DJWZ en gespreksverslagen van het WODC en de begeleidingscommissie met het Ministerie van Justitie en Veiligheid betreffende de aanbieding van het onderzoeksrapport om het kwalitatieve onderzoek af te ronden.
- Alle onderlinge correspondentie, nota’s, adviezen van de landsadvocaat, Raad van State, DJWZ en gespreksverslagen van het WODC en de begeleidingscommissie met het Ministerie van Justitie en Veiligheid betreffende bij de postkamer ter attentie van de minister van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en WODC ingediende klaagschriften.
- Alle onderlinge correspondentie, nota’s, adviezen van de landsadvocaat, Raad van State, DJWZ en gespreksverslagen van het WODC en de begeleidingscommissie met het Ministerie van Justitie en Veiligheid betreffende de procedure HAA 19/694 en de procedures, de onderlinge correspondentie en met de rechtbank Noord-Holland.
De drie laatstgenoemde verzoeken heeft verweerder doorgestuurd naar de juiste instanties om de verzoeken in behandeling te nemen.



2.3
In het primaire besluit van 28 februari 2022 heeft verweerder op het verzoek van eiser beslist:
- Ten aanzien van het eerste verzoek beslist verweerder met toepassing van artikel 10, eerste lid, onder d en artikel 10, tweede lid en onder g, van de Wob de gespreksverslagen van de overige focusgroepen niet openbaar te maken. Het gespreksverslag waar eiser zelf aan heeft deelgenomen krijgt eiser omdat hij daarbij zelf deelnemer was;
- Ten aanzien van het tweede verzoek deelt verweerder dat zij hierover geen documenten voorhanden hebben;
- Ten aanzien van het derde verzoek beslist verweerder dat de openbaarmaking van die documenten dat dit integraal wordt geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, en artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob.



2.4
Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.



2.5
In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de grondslag van de weigering gewijzigd. Op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo worden de door eiser gevraagde gespreksverslagen (verzoek 1 en 3) niet openbaar gemaakt, omdat openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Ten aanzien van het overige (verzoek 2) stelt verweerder dat zij deze documenten niet heeft en dus ook niet openbaar kan maken.



2.6
Op 20 april 2023 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroepschrift doorgestuurd naar deze rechtbank omdat niet de rechtbank Midden-Nederland, maar deze rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen.



2.7
Bij brief van 29 januari 2024 heeft de rechtbank per brief aan partijen weten dat zij in het vooronderzoek heeft besloten om het beroep te behandelen op een regiezitting. Ter zitting hebben partijen ermee ingestemd om ook direct het beroep te behandelen.




Beoordeling door de rechtbank


3.1
De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht en op juiste gronden het verzoek om openbaarmaking van de door eiser genoemde stukken heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.



3.2
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



3.3
De rechtbank licht in deze uitspraak eerst kort het relevante wettelijke kader toe. Daarna beoordeelt de rechtbank of verweerder terecht heeft gesteld dat de aangetroffen informatie niet openbaar gemaakt kan worden op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo.



Wettelijk kader




4.1
Indien een besluit wordt genomen na 1 mei 2022 geldt het volgende. Op 1 mei 2022 treedt de Wet open overheid (hierna: Woo; Staatsblad 2021, 499), zoals gewijzigd bij de Wijzigingswet Woo (Staatsblad 2021, 500) in werking. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wet openbaarheid van bestuur wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen



4.2
Het vijfde lid van artikel 5.1 van de Woo bepaalt dat in uitzonderlijke gevallen openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege kan blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Het bestuursorgaan baseert een beslissing tot achterwege laten van de openbaarmaking van enige informatie op deze grond ten aanzien van dezelfde informatie niet tevens op een van de in het eerste of tweede lid genoemde gronden.



Ontvangstbevestigingen (verzoek 2)


5. Eiser voert aan dat het ongeloofwaardig is dat verweerder de onderzoeksdata niet aan het WODC heeft verstrekt. Er moet volgens eisers daarom correspondentie zijn geweest over de overdracht van de onderzoek data met het WODC, in de vorm van een ontvangstbevestiging.

6. De rechtbank overweegt hierover het volgende.



6.1
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.



6.2
Verweerder stelt dat zij geen ontvangstbevestigingen hebben en ook nooit hebben gehad.



6.3
De rechtbank is van oordeel dat het haar niet ongeloofwaardig voorkomt dat verweerder niet over dergelijke documenten beschikt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat verweerder hier wel over zou beschikken. Eiser moet met concrete aanwijzingen komen dat deze stukken er moeten zijn. Hierin is eiser niet geslaagd. In zoverre treft het beroep geen doel.



Gespreksverslagen (verzoek 1 en 3)


7. Kort samengevat wil eiser dat de gespreksverslagen openbaar worden gemaakt. Het gaat bijvoorbeeld om de aantekeningen en gespreksverslagen van de focusgroep gesprekken met de professionals. Ook gaat het om gespreksverslagen tussen de onderzoeksleiding van verweerder en de begeleidingscommissie. Volgens eiser worden niet de betrokken partijen, maar eiser en de gedupeerden van de focusgroep klassenjustitie bloembollensector, als gevolg van onrechtmatige en corrupte overheidsrechtspraak, benadeeld.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat openbaarmaking van de door eiser gevraagde informatie geweigerd dient te worden op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo, omdat de betrokken partijen door openbaarmaking onevenredig benadeeld zouden worden. Voorafgaand aan de dataverzameling is met de deelnemers besproken dat de gesprekken in vertrouwelijkheid worden behandeld en dat slechts de bij dit onderzoek betrokken onderzoekers van verweerder die de data-analyses hebben verricht toegang hebben tot de verzamelde data. Ook is overeengekomen dat gevoelige data niet met derden gedeeld zal worden. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de gespreksverslagen worden gepubliceerd. Dit geldt ook voor de gespreksverslagen met de begeleidingscommissies. Het uitgangspunt bij de samenstelling van de begeleidingscommissies vormt de inhoudelijke bijdrage die de voorzitter en de leden kunnen leveren aan de uitvoering en de kwaliteit van het onderzoek. De taak van de begeleidingscommissie is onder meer toezicht houden op de uitvoering van het onderzoek volgens het onderzoeksplan, optreden als informatiebron en het toetsen van de rapportage aan het onderzoeksplan. Ze leveren volgens verweerder een bijdrage aan het maatschappelijk belang van wetenschappelijk verantwoord en onafhankelijk onderzoek op het beleidsterrein van justitie en veiligheid. Openbaarmaking zou leiden tot onevenredige benadeling omdat dit de open en ongedwongen gedachtewisseling en daarmee de begeleiding belemmert en schade toebrengt. In de toekomst zouden mensen minder of niet bereid kunnen zijn om deel te nemen aan een begeleidingscommissie indien de individuele standpunten bekend zouden worden.



9.1
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de Woo is dat informatie betreffende bestuurlijke aangelegenheden openbaar is. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Omdat voor de toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo sprake moet zijn van een uitzonderlijk geval, geldt voor het bestuursorgaan een verzwaarde motiveringsplicht.



9.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de gegeven toelichting niet voldaan aan deze verzwaarde motiveringsplicht. Daartoe acht zij van belang dat verweerder steeds in zijn algemeenheid aanvoert dat openbaarmaking leidt tot onevenredige benadeling, zonder per document een specifieke afweging te maken. Verweerder heeft nagelaten om een op het document betrekking hebbende afweging te maken over de mogelijke gevolgen van openbaarmaking. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de Woo het deels openbaar maken van informatie toestaat, ook in een - voor zover vereist - geanonimiseerde versie. Verweerder zal steeds aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het geval een afweging moeten maken of het algemeen belang dat is gediend bij het openbaren van informatie wel of niet prevaleert boven het belang van de betrokken professionals en begeleidingscommissie. Met de algemeen gegeven motivering geeft verweerder er geen blijk van een dergelijke afweging te hebben gemaakt. Op voorhand valt niet in te zien dat de gespreksverslagen alsnog niet te herleiden zijn tot de persoon als de naam en eventuele andere identificeerbare gegevens zouden zijn weggelakt.



9.3
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat openbaarmaking van de gespreksverslagen op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo achterwege dient te blijven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Gelet op de (vermoedelijk lange) tijdsduur die gemoeid zal zijn met het door verweerder nader te verrichten onderzoek, draagt de rechtbank verweerder ook niet op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).



9.4
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.


10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- aan hem vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.


















Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 20 april 2023;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184 aan eiser moet vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2025.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4525.