Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2025:15251
2025-12-29
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
25/5418
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker over het besluit van verweerder om de aan verzoeker verleende alcoholvergunning in te trekken. Verzoeker is het niet eens met de intrekking van de vergunning. Hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om het besluit tot intrekking van de vergunning te schorsen zodat verzoeker zijn horecabedrijf weer kan exploiteren. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, omdat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en verweerders belang bij handhaving van het besluit niet opweegt tegen het belang van verzoeker bij schorsing.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2023:855 Raad van State 01-03-2023
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBNHO:2026:9898 Rechtbank Noord-Holland 05-08-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (27.835 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5418
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker,
gemachtigde: mr. N. Claassen, advocaat te Rotterdam,
en
de burgemeester van Haarlem, verweerder,
gemachtigde: mr. T.F. Baars, ambtenaar ten stadhuize.
Samenvatting
1.1
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker over het besluit van verweerder om de aan verzoeker verleende alcoholvergunning in te trekken.
1.2
Verzoeker is het niet eens met de intrekking van de vergunning. Hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om het besluit tot intrekking van de vergunning te schorsen zodat verzoeker zijn horecabedrijf weer kan exploiteren.
1.3
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, omdat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en verweerders belang bij handhaving van het besluit niet opweegt tegen het belang van verzoeker bij schorsing. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.4
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat een inleiding, onder 4 staat (de motivering van) het intrekkingsbesluit en onder 5 staan de gronden van het verzoek. De kern van het geschil staat onder 6 en het wettelijk kader staat onder 7. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 8. Aan het eind staan de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2.1
Bij besluit van 3 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten om met onmiddellijke ingang de aan verzoeker ex artikel 3 van de Alcoholwet verleende vergunning (hierna: alcoholvergunning) in te trekken.
2.2
Verzoeker heeft hiertegen bij bezwaarschrift van 3 november 2025 bezwaar gemaakt. Bij verzoekschrift van 27 november 2025 heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.3
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Hij heeft daarbij enige bewijsstukken gevoegd waarin hij delen onleesbaar heeft gemaakt.
2.4
Verweerder had in enkele op de zaak betrekking hebbende stukken ook delen onleesbaar gemaakt. Nadat de voorzieningenrechter hem op dat gebrek heeft gewezen, heeft de rechtbank in andere samenstelling voor wat betreft de op de zaak betrekking hebbende stukken op zijn verzoek bij beslissing van 18 december 2025 beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht.
2.5
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 december 2025 op zitting behandeld. Verzoeker is ter zitting verschenen vergezeld door [naam 1] , kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde voornoemd. Hij werd vergezeld door collega’s [naam 2] en [naam 3] .
Inleiding
3.1
Verzoeker exploiteerde eerder in [plaats 1] een horecabedrijf. Na enige ernstige incidenten heeft de plaatselijke burgemeester in 2026 dat horecabedrijf gesloten. Enige betrokkenheid van verzoeker bij die incidenten is niet gebleken.
3.2
Verzoeker exploiteert in het pand aan de [adres] te Haarlem een horecabedrijf genaamd: ‘ [de inrichting] ’ (hierna: de inrichting). De inrichting bestaat uit een binnenruimte, een lokaliteit van 76,5 m² en een terras, deels aan de wegzijde en deels aan de zijkant van 126 m². Verzoeker biedt ook het roken van shisha aan in waterpijpen. Hij huurt het pand van zijn zwager. Bij besluit van 20 mei 2022 heeft verweerder aan hem een alcoholvergunning verleend. Verzoeker staat (mede) als leidinggevende op de vergunning.
3.3
Op 4, 6 en 8 juli 2025 hebben zich incidenten bij de inrichting voorgedaan: op 4 juli 2025 is een (vuurwerk)explosief aan de gevel aan de voorzijde afgegaan, waardoor een ruit is beschadigd, op 6 juli 2025 is vanaf de straat op de inrichting geschoten, waardoor kogelgaten in de ruiten zijn ontstaan en op 7 juli 2025 lag er een onontploft (vuurwerk)explosief voor de inrichting. Daarbij in een fles gevoegde brandstof was kennelijk wel verbrand.
3.4
In de zich in het dossier bevindende ‘Bestuurlijke rapportage [adres] , [postcode] Haarlem’ d.d. 7 juli 2025 opgesteld door een onbekend gebleven inspecteur van de politie Noord Holland is het volgende gerelateerd. De politie werd zondag 6 juli 2025 omstreeks 07:49 uur via een chatgesprek op de hoogte gesteld van een schietincident op de [adres] te Haarlem. Uit het hierop volgende politieonderzoek ter plaatse bleek met een vuurwapen meerdere keren gericht te zijn geschoten op de inrichting. Er zijn meerdere kogelgaten in het pand en hulzen voor het pand aangetroffen. Bij het onderzoek bleek voorts, aldus de politie in het rapport, dat op vrijdag 4 juli 2025 een stuk zwaar vuurwerk is geëxplodeerd op of bij een raam van het horecabedrijf.
3.5
Naar aanleiding van deze feiten heeft verweerder op grond van artikel 174, tweede en derde lid, van de Gemeentewet juncto artikel 2:30 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Haarlem de inrichting op 7 juli 2025 gesloten. Op 10 juli 2025 heeft verweerder dat besluit op schrift gesteld en de duur van de sluiting bepaald op drie maanden. Tegen dit besluit is verzoeker niet in rechte opgekomen.
3.6
In een ‘Algemeen proces-verbaal van bevinding’ van 14 juli 2025 opgesteld door een onbekend gebleven buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) / toezichthouder van de gemeente is het volgende gerelateerd. Op 8 juli rond 15.44 uur waren twee boa’s / toezichthouders alsmede een jurist van de gemeente bij de inrichting aanwezig om posters over de sluiting op te hangen. Vervolgens heeft een man van een nabij gelegen bedrijf de gemeenteambtenaren er op gewezen dat een vuurwerkbom in de voortuin van het horecapand lag. Op de aangewezen plek is een leeg flesje aangetroffen met daaraan vastgemaakt met tape drie op vuurwerk gelijkende objecten. Op de gevel van het horecapand zat een grote roetplek waardoor het er op leek dat de vermoedelijke vloeistof in het flesje had gebrand. De Explosieven Opruimingsdienst heeft de vuurwerkbom onschadelijk gemaakt. Het bleek te gaan om drie cobra’s.
Het besluit tot intrekking van de aan verzoeker verleende Alcoholwetvergunning
4.1
Op grond van de hiervoor weergegeven gebeurtenissen in juli 2025 heeft verweerder op 28 augustus 2025 zijn voornemen aan verzoeker bekendgemaakt om de alcoholvergunning in te trekken. Verzoeker heeft daarop op 11 september 2025 schriftelijk zijn zienswijze gegeven.
4.2
Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit de alcoholvergunning ingetrokken onder verwijzing naar artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Alcoholwet. Hij stelt dat die bepalingen hem tot intrekking verplichten.
4.3
De intrekking op grond van artikel 31, eerste lid aanhef en onder b, van de Alcoholwet in combinatie met artikel 8, tweede lid, van de Alcoholwet en artikel 3.5 van het Alcoholbesluit baseert verweerder op de volgende stellingen en standpunten. Verweerder is van mening dat verzoeker niet langer voldoet aan de eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag die worden gesteld aan leidinggevenden gelet op de hiervoor genoemde tijdelijke sluiting. Hij acht het onwaarschijnlijk dat verzoeker geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de hiervoor beschreven incidenten/aanslagen op zijn inrichting. Daarbij heeft verweerder aangevoerd dat verzoeker onvoldoende maatregelen had genomen om de incidenten te voorkomen. Verzoeker heeft, aldus verweerder, het eerste incident van 4 juli 2025 bewust niet gemeld bij de politie en daarover op 6 juli 2025 een valse verklaring afgelegd bij de politie: hij heeft verklaard dat er een steen naar de inrichting was geworpen. Daarbij komt dat verzoeker eerder een shishalounge exploiteerde in [plaats 1] die de burgemeester aldaar heeft gesloten in 2016 vanwege een schietincident en het op de stoep aantreffen van een afgehakt hoofd. Dit is, aldus verweerder, dus de tweede keer dat verzoeker als leidinggevende en eigenaar een horecabedrijf exploiteert waarbij ernstige geweldsincidenten hebben plaatsgevonden waarna zijn horecabedrijf is gesloten in het belang van de openbare orde en veiligheid.
4.4
De intrekking op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Alcoholwet baseert verweerder op zijn stelling dat het van kracht blijven van de vergunning een gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid. Verweerder wijst op de hiervoor beschreven (pogingen tot) aanslagen met vuurwerkbommen van 4 en 8 juli en de beschieting op 6 juli 2025. Naar de mening van verweerder is sprake geweest van ernstige (gewelds)incidenten die een groot gevaar vormen voor de veiligheid van bezoekers van de inrichting, de werknemers van naburige bedrijven en personen in de directe omgeving van de inrichting. Verweerder ziet een duidelijke relatie tussen de exploitatie van de inrichting en de ernstige geweldsincidenten. Nu vaststaat dat het horecabedrijf meerdere keren direct en gericht doelwit was van aanslagen, acht verweerder de kans op herhaling voldoende aannemelijk. Hij wordt daarin gesterkt door ervaringen van andere gemeenten in het land naar aanleiding van vergelijkbare incidenten. Het belang van een veilige leefomgeving weegt voor verweerder zwaarder dan het belang van verzoeker als exploitant van de inrichting.
Gronden van het verzoek
5. Verzoeker heeft betwist dat hij niet meer voldoet aan de eisen voor zedelijk gedrag. De inrichting is weliswaar meer dan een maand gesloten, maar hem kan, zo voert hij aan, geen enkel verwijt worden gemaakt van de aanslagen op zijn horecapand en dus ook niet van de sluiting. Hij heeft zich meewerkend opgesteld en geduldig gewacht tot het moment dat zijn horecabedrijf weer open zou kunnen. Hij heeft geen idee wie er achter de aanslagen zit en waarom de aanslagen zijn gepleegd. Hij is een horecaondernemer en geen crimineel. Verzoeker heeft geen banden met criminelen. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat uit de politierapportages niet blijkt dat vrees voor herhaling gerechtvaardigd is op grond van objectiveerbare en verifieerbare gegevens. Hij wijst er op dat sinds de sluiting zich geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan. Hij stelt dat het risico op herhaling tot een aanvaardbaar minimum teruggebracht is door de tijdelijke sluiting. Hij wijst er op dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de aanslagen gericht waren op de persoon van verzoeker. Zo is er geen sprake geweest van incidenten rond zijn woning of jegens verwanten van hem. Een achterliggend conflict, die de aanslagen als gericht op zijn persoon en zijn inrichting kunnen verklaren, speelt niet. Er is derhalve geen sprake van een concreet dreigingsgevaar. Voorts heeft hij een deskundig adviesbureau van een voormalig politieambtenaar ingeschakeld voor het opstellen van een plan van aanpak om verdere verstoring van de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid tegen te gaan. Verzoeker is afhankelijk van de inkomsten van de exploitatie van de inrichting. Hij loopt al maanden inkomsten mis terwijl hij, zo stelt hij, wel de huur en andere vaste lasten moet blijven betalen en er nog onbetaalde rekeningen uitstaan. Verzoeker is financieel volledig afhankelijk van de exploitatie van de inrichting. Door de intrekking van de vergunning heeft hij, zo stelt hij, financiële problemen. Bovendien zal hij na een langdurige sluiting weer opnieuw een klantenkring moeten opbouwen, hetgeen bij langer gesloten blijven steeds meer moeite zal kosten.
Het geschil
6. Het geschil gaat over de vraag of verweerder met onmiddellijke ingang de aan verzoeker verleende alcoholvergunning op basis van artikel 31, eerste lid, onder b en c, van de Alcoholwet mocht intrekken en dat besluit hangende bezwaar in werking moet blijven. Doel van het verzoek is dat verzoeker zijn horecabedrijf weer onmiddellijk mag openen.
Wettelijk kader
7. Artikel 3 van de Alcoholwet luidt: Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf (…) uit te oefenen.
Artikel 31, eerste lid aanhef en onderdelen b en c, van de Alcoholwet luiden: Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien b. niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikelen 8 en 10 geldende eisen en c. zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.
Artikel 8, tweede lid van de Alcoholwet luidt: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden naast de in het eerste lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan de in dat lid, onder b, gestelde eis nader worden omschreven.
Artikel 3.5 van het Alcoholbesluit luidt: Een leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende geweest van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, van de wet of die voor ten minste een maand is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet of van artikel 174 Gemeentewet of van een op grond van artikel 149 van de Gemeentewet vastgestelde verordening, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
Vooraf
8. De toegestane beperking van de kennisneming ziet alleen op stukken die verweerder verplicht was over te leggen. Dat zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken waarop het bestreden besluit was gebaseerd. Voor de later, niet op verzoek ingebrachte nadere bewijsstukken geldt die toestemming niet. Nu verweerder ook daarin delen heeft weggelaten, komt aan die stukken minder bewijskracht toe. Overigens is het in strijd met een behoorlijke procesvoering in kernbewijsstukken die op de zaak betrekking hebben delen weg te laten, zonder dat daar meteen een goede reden voor wordt aangevoerd. Overigens valt ook niet in te zien waarom kernbewijsstukken die op ambtseed zijn opgemaakt, niet kunnen worden opgemaakt in een vorm waarin die volledig kunnen worden overgelegd, zodat ook de wederpartij daar volledig kennis van kan nemen, zodat een eerlijk proces beter is gewaarborgd.
Voldoet verzoeker niet langer aan de eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag?
9. De sluiting van het horecapand van verzoeker in [plaats 1] kan geen grond voor de intrekking op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, Alcoholwet in combinatie met artikel 3.5 van het Alcoholbesluit vormen, omdat de sluiting daar meer dan vijf geleden is geweest. Nu de inrichting met ingang van 7 juli 2025 gesloten is geweest voor de duur van drie maanden op grond van artikel 174 van de Gemeentewet, is in zoverre wel voldaan aan de in artikel 3.5 van het Alcoholbesluit genoemde eis dat verzoeker geen leidinggevende is geweest van een inrichting die binnen de laatste vijf jaar is gesloten op grond van artikel 174 voornoemd. Het is evenwel de vraag of verzoeker een verwijt kan worden gemaakt van die sluiting omdat de vraag is of de drie aanslagen hem kunnen worden verweten, zoals hiervoor beschreven. Daarbij komt de vraag op op wie de bewijslast op dat punt rust. Verweerder heeft voor de bewijslast(verdeling) verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:855) waarin is overwogen dat de sluiting van een inrichting op grond van artikel 13b van de Opiumwet het vermoeden rechtvaardigt dat de leidinggevende verwijt treft van de sluiting. Voorshands overtuigt dit argument de voorzieningenrechter niet. In zaken waarin sluiting van een horecapand op grond van artikel 13b voornoemd aan de orde is, gaat het om etablissementen waarin drugs worden verhandeld. In dergelijke gevallen kan de leidinggevende al gauw een verwijt worden gemaakt. De leidinggevende zal immers op de hoogte zijn van wat er in zijn inrichting plaatsvindt, zeker als het gaat om handel in drugs, en kan derhalve al snel voor drugshandel in zijn zaak verantwoordelijk worden gehouden. Stellen dat de leidinggevende van drugshandel in zijn etablissement geen verwijt kan worden gemaakt, is niet erg overtuigend. In deze zaak gaat het echter om aanslagen op de inrichting die van buitenaf buiten openingstijden werden gepleegd toen de inrichting niet in bedrijf was. Of verzoeker hiervan een verwijt kan worden gemaakt, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op zijn minst kwestieus. De bewijslast dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, rust primair op verweerder, zodat hij moet ontzenuwen dat verzoeker geen verwijt treft. In dit geval is niet (ook niet tot op zekere hoogte) aannemelijk (laat staan vast komen te staan) dat verzoeker betrokken is bij (criminele) conflicten, die een verklaring zouden kunnen vormen voor de aanslagen. Verweerder heeft dat ook niet aangevoerd, laat staan onderbouwd. Verzoeker ontkent zelf ook stellig dat de aanslagen op hem waren gericht. Verweerder heeft wel verwezen naar een liquidatie bij en een afgehakt hoofd voor de deur van het horecapand dat verzoeker in het verleden exploiteerde te [plaats 1] , maar heeft niet onderbouwd dat die verwijzing de conclusie rechtvaardigt dat verzoeker van de laatste intrekking in juli 2025 een verwijt kan worden gemaakt. Daarbij weegt nog mee dat niet in geschil is dat de incidenten in [plaats 1] (ook) niet te maken hadden met enige rol van verzoeker in enig conflict dat (of omstandigheid die) tot die incidenten heeft geleid. De voorzieningenrechter acht de stellingen van verweerder op dit punt vooralsnog onvoldoende overtuigend om tot het oordeel te komen dat verzoeker niet langer voldoet aan de eisen van zedelijk gedrag in de zin van artikel 8, tweede lid, van de Alcoholwet in verband met artikel 3.5 van het Alcoholbesluit. Niet is immers aannemelijk geworden dat verzoeker op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de criminele gebeurtenissen bij zijn (voormalig) horecapand te [plaats 1] . Daaruit kan a fortiori ook niet worden afgeleid dat verzoeker een verwijt kan worden gemaakt van de gepleegde aanslagen begin juli 2025. De stelling van verweerder dat verzoeker zou hebben gelogen over het vuurwerkbomincident op 4 juli 2025, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het feit dat een in de inrichting toen aanwezig persoon verzoeker had gemeld dat hij een klap had gehoord en dat had geïnterpreteerd als een tegen een ruit gegooide steen, is het niet onbegrijpelijk dat verzoeker die persoon daar toen in is gevolgd. Dat een politierechercheur bij nader onderzoek tot een andere conclusie kwam, is onvoldoende voor de conclusie dat verzoeker (opzettelijk) had gelogen over dat incident. Dat verzoeker dat incident niet direct zelf bij de politie had gemeld, betekent ook niet dat hem wel een verwijt van de incidenten en dus de sluiting kan worden gemaakt. Gelet op het vorenstaande kan de vraag of verzoeker nog voldoet aan de eisen ten aanzien van zedelijk gedrag als leidinggevende niet zonder meer ontkennend worden beantwoord.
Is er sprake van een gewettigde vrees gevaar voor de openbare orde?
10.1
Ter zitting is met partijen gesproken over de vraag of is voldaan aan de in artikel 31, eerste lid aanhef en onder c, van de Alcoholwet genoemde voorwaarde of de feiten zich in de betrokken inrichting hebben voorgedaan. De vraag komt daarbij op of het moet gaan om feiten die zich in de binnenruimte hebben afgespeeld. In reactie daarop heeft verweerder aangegeven dat de vuurwerkbommen zijn geplaatst op het terras en dat het terras onderdeel uitmaakt van de inrichting. Daar sluit de voorzieningenrechter zich vooralsnog bij aan. Betwijfeld kan wel worden of de beschieting van het pand als een feit kan worden aangemerkt dat zich in de inrichting heeft voorgedaan, omdat die beschieting kennelijk vanaf de straat plaatsvond. Gelet op de op het terras geplaatste vuurwerkbommen is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter wel voldaan aan het criterium dat zich (relevante) feiten in de inrichting hebben voorgedaan.
10.2
Vervolgens ligt dan de vraag voor of verweerder zich ten tijde van de intrekking van de alcoholwetvergunning in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de twee vuurwerkbomaanslagen van begin juli 2025 de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de alcoholvergunning een gevaar oplevert voor de openbare orde. Gelet op de gebeurtenissen begin juli zoals hiervoor beschreven die onmiskenbaar zijn gericht op het horecapand van verzoeker, is het op zichzelf genomen niet onbegrijpelijk dat verweerder zich begin oktober 2025 heeft gebogen over de vraag of de alcoholvergunning moest worden ingetrokken omdat de vraag voorlag of moest worden gevreesd voor openbare-ordeproblemen als het horecapand weer in gebruik zou worden genomen. Maar of er nu nog sprake is van een gerechtvaardigde vrees in de zin van artikel 31, eerste lid aanhef en onder c, van de Alcoholwet dat het van kracht blijven van de vergunning een gevaar zal opleveren voor de openbare orde, is niet een makkelijk te beantwoorden vraag al was het maar omdat er thans al bijna zes maanden zijn verstreken zonder dat er nog openbare ordeverstoringen in verband met de inrichting hebben plaatsgevonden. De enkele verwijzing naar de drie aanslagen van juli is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende voor een reële inschatting van het thans nog bestaande openbare-orderisico. Daarbij weegt mee dat verweerder geen betrokkenheid van verzoeker bij de (oorzaak van die) incidenten heeft gesteld, laat staan onderbouwd. Vooralsnog acht de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd dat het gevaar voor de openbare orde bij van kracht blijven van de alcoholvergunning aanwezig is.
Tussenconclusie
11. Gelet op het vorenstaande heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. De intrekking ontbeert in ieder geval een toereikende motivering.
Weging van de betrokken belangen
12. Derhalve ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of in het kader van een weging van de betrokken belangen tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden overgegaan. Er zou aanleiding kunnen zijn om het intrekkingsbesluit niet te schorsen als er sprake is van gerechtvaardigde vrees voor openbare ordeproblemen in of vanuit de inrichting als de inrichting weer in gebruik wordt genomen. Verweerder heeft een ‘aanvullende bestuurlijke rapportage [de inrichting] ’ d.d. 11 december 2025 ingebracht. Aan dat niet volledig overgelegde bewijsstuk komt minder bewijswaarde toe, waarbij komt dat daaruit niet blijkt van actuele relevante (andere) feiten en omstandigheden die een nieuw licht werpen op de vraag of bij het weer in bedrijf nemen van de inrichting gegronde vrees bestaat dat nieuwe aanslagen in de lijn der verwachting liggen. Het politieonderzoek heeft volgens die (onvolledige stukken) kennelijk niet geleid tot meer inzicht in het waarom van de aanslagen en wie daarvoor verantwoordelijk is/zijn. Daarover is ook overigens niks bekend. Ter zitting heeft verweerder ook erkend dat er nog niets bekend is en dat hij niet heeft vernomen van de politie of bijvoorbeeld verdachten zijn opgepakt, die licht in de achtergronden van de aanslagen hebben kunnen brengen, dan wel dat er schot zit in enig politieonderzoek naar de achtergrond van de aanslagen. Daarbij komt dat er na 8 juli 2025 niets voor onderhavige beoordeling relevants meer in of rond de inrichting is voorgevallen. Hoewel het belang van de veiligheid van de omgeving van inrichting voor de voorzieningenrechter zeer zwaar weegt, heeft verweerder vooralsnog onvoldoende onderbouwd dat vrees voor gevaar voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft daartegenover voldoende belang bij het weer oppakken van de bedrijfsvoering. Daarbij weegt mee dat hij een deskundige heeft ingeschakeld die hem heeft geadviseerd hoe eventuele gevaren voor de openbare orde te beperken. Anders dan verweerder aanvoert, acht de voorzieningenrechter de door die deskundige aanbevolen maatregelen niet zinloos. De enkele ontkenning van het nut daarvan, ook door de politie, is daarvoor niet toereikend. Dat dergelijke maatregelen geen 100% garantie kunnen zijn op het voorkomen van welk incident dan ook, zoals verweerder aanvoert, is onvoldoende om er geen betekenis aan te hechten, reeds omdat 100% garanties voor onzekere toekomstige gebeurtenissen in wezen nooit kunnen worden gegeven. De politie heeft immers ook tot taak burgers te beschermen, maar kan daarvoor ook geen 100% garantie geven. Voorts weegt mee dat er inmiddels bijna een half jaar is verstreken sinds de incidenten en verweerder geen nieuwe aanwijzingen voor verdere problemen heeft aangevoerd.
Conclusie en gevolgen
13. Alles overziend ziet de voorzieningenrechter thans voldoende aanleiding om over te gaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom als volgt toegewezen. Nu het bestreden besluit wordt geschorst, kan verzoeker van de alcoholvergunning weer gebruik maken. De schorsing loopt, zoals te doen gebruikelijk, tot zes weken nadat op het bezwaar zal zijn beslist.
14. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet verweerder het griffierecht vergoeden en is ook een vergoeding van de proceskosten op zijn plaats. Deze proceskostenvergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.814,- omdat de gemachtigde van verzoeker als beroepsmatige rechtsbijstandverlener een verzoekschrift heeft ingediend en zijn kantoorgenoot aan de zitting heeft deelgenomen. Verweerder moet de vergoeding betalen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat op het bezwaar zal zijn beslist;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5418
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker,
gemachtigde: mr. N. Claassen, advocaat te Rotterdam,
en
de burgemeester van Haarlem, verweerder,
gemachtigde: mr. T.F. Baars, ambtenaar ten stadhuize.
Samenvatting
1.1
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker over het besluit van verweerder om de aan verzoeker verleende alcoholvergunning in te trekken.
1.2
Verzoeker is het niet eens met de intrekking van de vergunning. Hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om het besluit tot intrekking van de vergunning te schorsen zodat verzoeker zijn horecabedrijf weer kan exploiteren.
1.3
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, omdat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en verweerders belang bij handhaving van het besluit niet opweegt tegen het belang van verzoeker bij schorsing. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.4
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat een inleiding, onder 4 staat (de motivering van) het intrekkingsbesluit en onder 5 staan de gronden van het verzoek. De kern van het geschil staat onder 6 en het wettelijk kader staat onder 7. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 8. Aan het eind staan de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2.1
Bij besluit van 3 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten om met onmiddellijke ingang de aan verzoeker ex artikel 3 van de Alcoholwet verleende vergunning (hierna: alcoholvergunning) in te trekken.
2.2
Verzoeker heeft hiertegen bij bezwaarschrift van 3 november 2025 bezwaar gemaakt. Bij verzoekschrift van 27 november 2025 heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.3
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Hij heeft daarbij enige bewijsstukken gevoegd waarin hij delen onleesbaar heeft gemaakt.
2.4
Verweerder had in enkele op de zaak betrekking hebbende stukken ook delen onleesbaar gemaakt. Nadat de voorzieningenrechter hem op dat gebrek heeft gewezen, heeft de rechtbank in andere samenstelling voor wat betreft de op de zaak betrekking hebbende stukken op zijn verzoek bij beslissing van 18 december 2025 beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht.
2.5
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 december 2025 op zitting behandeld. Verzoeker is ter zitting verschenen vergezeld door [naam 1] , kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde voornoemd. Hij werd vergezeld door collega’s [naam 2] en [naam 3] .
Inleiding
3.1
Verzoeker exploiteerde eerder in [plaats 1] een horecabedrijf. Na enige ernstige incidenten heeft de plaatselijke burgemeester in 2026 dat horecabedrijf gesloten. Enige betrokkenheid van verzoeker bij die incidenten is niet gebleken.
3.2
Verzoeker exploiteert in het pand aan de [adres] te Haarlem een horecabedrijf genaamd: ‘ [de inrichting] ’ (hierna: de inrichting). De inrichting bestaat uit een binnenruimte, een lokaliteit van 76,5 m² en een terras, deels aan de wegzijde en deels aan de zijkant van 126 m². Verzoeker biedt ook het roken van shisha aan in waterpijpen. Hij huurt het pand van zijn zwager. Bij besluit van 20 mei 2022 heeft verweerder aan hem een alcoholvergunning verleend. Verzoeker staat (mede) als leidinggevende op de vergunning.
3.3
Op 4, 6 en 8 juli 2025 hebben zich incidenten bij de inrichting voorgedaan: op 4 juli 2025 is een (vuurwerk)explosief aan de gevel aan de voorzijde afgegaan, waardoor een ruit is beschadigd, op 6 juli 2025 is vanaf de straat op de inrichting geschoten, waardoor kogelgaten in de ruiten zijn ontstaan en op 7 juli 2025 lag er een onontploft (vuurwerk)explosief voor de inrichting. Daarbij in een fles gevoegde brandstof was kennelijk wel verbrand.
3.4
In de zich in het dossier bevindende ‘Bestuurlijke rapportage [adres] , [postcode] Haarlem’ d.d. 7 juli 2025 opgesteld door een onbekend gebleven inspecteur van de politie Noord Holland is het volgende gerelateerd. De politie werd zondag 6 juli 2025 omstreeks 07:49 uur via een chatgesprek op de hoogte gesteld van een schietincident op de [adres] te Haarlem. Uit het hierop volgende politieonderzoek ter plaatse bleek met een vuurwapen meerdere keren gericht te zijn geschoten op de inrichting. Er zijn meerdere kogelgaten in het pand en hulzen voor het pand aangetroffen. Bij het onderzoek bleek voorts, aldus de politie in het rapport, dat op vrijdag 4 juli 2025 een stuk zwaar vuurwerk is geëxplodeerd op of bij een raam van het horecabedrijf.
3.5
Naar aanleiding van deze feiten heeft verweerder op grond van artikel 174, tweede en derde lid, van de Gemeentewet juncto artikel 2:30 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Haarlem de inrichting op 7 juli 2025 gesloten. Op 10 juli 2025 heeft verweerder dat besluit op schrift gesteld en de duur van de sluiting bepaald op drie maanden. Tegen dit besluit is verzoeker niet in rechte opgekomen.
3.6
In een ‘Algemeen proces-verbaal van bevinding’ van 14 juli 2025 opgesteld door een onbekend gebleven buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) / toezichthouder van de gemeente is het volgende gerelateerd. Op 8 juli rond 15.44 uur waren twee boa’s / toezichthouders alsmede een jurist van de gemeente bij de inrichting aanwezig om posters over de sluiting op te hangen. Vervolgens heeft een man van een nabij gelegen bedrijf de gemeenteambtenaren er op gewezen dat een vuurwerkbom in de voortuin van het horecapand lag. Op de aangewezen plek is een leeg flesje aangetroffen met daaraan vastgemaakt met tape drie op vuurwerk gelijkende objecten. Op de gevel van het horecapand zat een grote roetplek waardoor het er op leek dat de vermoedelijke vloeistof in het flesje had gebrand. De Explosieven Opruimingsdienst heeft de vuurwerkbom onschadelijk gemaakt. Het bleek te gaan om drie cobra’s.
Het besluit tot intrekking van de aan verzoeker verleende Alcoholwetvergunning
4.1
Op grond van de hiervoor weergegeven gebeurtenissen in juli 2025 heeft verweerder op 28 augustus 2025 zijn voornemen aan verzoeker bekendgemaakt om de alcoholvergunning in te trekken. Verzoeker heeft daarop op 11 september 2025 schriftelijk zijn zienswijze gegeven.
4.2
Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit de alcoholvergunning ingetrokken onder verwijzing naar artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Alcoholwet. Hij stelt dat die bepalingen hem tot intrekking verplichten.
4.3
De intrekking op grond van artikel 31, eerste lid aanhef en onder b, van de Alcoholwet in combinatie met artikel 8, tweede lid, van de Alcoholwet en artikel 3.5 van het Alcoholbesluit baseert verweerder op de volgende stellingen en standpunten. Verweerder is van mening dat verzoeker niet langer voldoet aan de eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag die worden gesteld aan leidinggevenden gelet op de hiervoor genoemde tijdelijke sluiting. Hij acht het onwaarschijnlijk dat verzoeker geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de hiervoor beschreven incidenten/aanslagen op zijn inrichting. Daarbij heeft verweerder aangevoerd dat verzoeker onvoldoende maatregelen had genomen om de incidenten te voorkomen. Verzoeker heeft, aldus verweerder, het eerste incident van 4 juli 2025 bewust niet gemeld bij de politie en daarover op 6 juli 2025 een valse verklaring afgelegd bij de politie: hij heeft verklaard dat er een steen naar de inrichting was geworpen. Daarbij komt dat verzoeker eerder een shishalounge exploiteerde in [plaats 1] die de burgemeester aldaar heeft gesloten in 2016 vanwege een schietincident en het op de stoep aantreffen van een afgehakt hoofd. Dit is, aldus verweerder, dus de tweede keer dat verzoeker als leidinggevende en eigenaar een horecabedrijf exploiteert waarbij ernstige geweldsincidenten hebben plaatsgevonden waarna zijn horecabedrijf is gesloten in het belang van de openbare orde en veiligheid.
4.4
De intrekking op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Alcoholwet baseert verweerder op zijn stelling dat het van kracht blijven van de vergunning een gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid. Verweerder wijst op de hiervoor beschreven (pogingen tot) aanslagen met vuurwerkbommen van 4 en 8 juli en de beschieting op 6 juli 2025. Naar de mening van verweerder is sprake geweest van ernstige (gewelds)incidenten die een groot gevaar vormen voor de veiligheid van bezoekers van de inrichting, de werknemers van naburige bedrijven en personen in de directe omgeving van de inrichting. Verweerder ziet een duidelijke relatie tussen de exploitatie van de inrichting en de ernstige geweldsincidenten. Nu vaststaat dat het horecabedrijf meerdere keren direct en gericht doelwit was van aanslagen, acht verweerder de kans op herhaling voldoende aannemelijk. Hij wordt daarin gesterkt door ervaringen van andere gemeenten in het land naar aanleiding van vergelijkbare incidenten. Het belang van een veilige leefomgeving weegt voor verweerder zwaarder dan het belang van verzoeker als exploitant van de inrichting.
Gronden van het verzoek
5. Verzoeker heeft betwist dat hij niet meer voldoet aan de eisen voor zedelijk gedrag. De inrichting is weliswaar meer dan een maand gesloten, maar hem kan, zo voert hij aan, geen enkel verwijt worden gemaakt van de aanslagen op zijn horecapand en dus ook niet van de sluiting. Hij heeft zich meewerkend opgesteld en geduldig gewacht tot het moment dat zijn horecabedrijf weer open zou kunnen. Hij heeft geen idee wie er achter de aanslagen zit en waarom de aanslagen zijn gepleegd. Hij is een horecaondernemer en geen crimineel. Verzoeker heeft geen banden met criminelen. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat uit de politierapportages niet blijkt dat vrees voor herhaling gerechtvaardigd is op grond van objectiveerbare en verifieerbare gegevens. Hij wijst er op dat sinds de sluiting zich geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan. Hij stelt dat het risico op herhaling tot een aanvaardbaar minimum teruggebracht is door de tijdelijke sluiting. Hij wijst er op dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de aanslagen gericht waren op de persoon van verzoeker. Zo is er geen sprake geweest van incidenten rond zijn woning of jegens verwanten van hem. Een achterliggend conflict, die de aanslagen als gericht op zijn persoon en zijn inrichting kunnen verklaren, speelt niet. Er is derhalve geen sprake van een concreet dreigingsgevaar. Voorts heeft hij een deskundig adviesbureau van een voormalig politieambtenaar ingeschakeld voor het opstellen van een plan van aanpak om verdere verstoring van de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid tegen te gaan. Verzoeker is afhankelijk van de inkomsten van de exploitatie van de inrichting. Hij loopt al maanden inkomsten mis terwijl hij, zo stelt hij, wel de huur en andere vaste lasten moet blijven betalen en er nog onbetaalde rekeningen uitstaan. Verzoeker is financieel volledig afhankelijk van de exploitatie van de inrichting. Door de intrekking van de vergunning heeft hij, zo stelt hij, financiële problemen. Bovendien zal hij na een langdurige sluiting weer opnieuw een klantenkring moeten opbouwen, hetgeen bij langer gesloten blijven steeds meer moeite zal kosten.
Het geschil
6. Het geschil gaat over de vraag of verweerder met onmiddellijke ingang de aan verzoeker verleende alcoholvergunning op basis van artikel 31, eerste lid, onder b en c, van de Alcoholwet mocht intrekken en dat besluit hangende bezwaar in werking moet blijven. Doel van het verzoek is dat verzoeker zijn horecabedrijf weer onmiddellijk mag openen.
Wettelijk kader
7. Artikel 3 van de Alcoholwet luidt: Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf (…) uit te oefenen.
Artikel 31, eerste lid aanhef en onderdelen b en c, van de Alcoholwet luiden: Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien b. niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikelen 8 en 10 geldende eisen en c. zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.
Artikel 8, tweede lid van de Alcoholwet luidt: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden naast de in het eerste lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan de in dat lid, onder b, gestelde eis nader worden omschreven.
Artikel 3.5 van het Alcoholbesluit luidt: Een leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende geweest van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, van de wet of die voor ten minste een maand is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet of van artikel 174 Gemeentewet of van een op grond van artikel 149 van de Gemeentewet vastgestelde verordening, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
Vooraf
8. De toegestane beperking van de kennisneming ziet alleen op stukken die verweerder verplicht was over te leggen. Dat zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken waarop het bestreden besluit was gebaseerd. Voor de later, niet op verzoek ingebrachte nadere bewijsstukken geldt die toestemming niet. Nu verweerder ook daarin delen heeft weggelaten, komt aan die stukken minder bewijskracht toe. Overigens is het in strijd met een behoorlijke procesvoering in kernbewijsstukken die op de zaak betrekking hebben delen weg te laten, zonder dat daar meteen een goede reden voor wordt aangevoerd. Overigens valt ook niet in te zien waarom kernbewijsstukken die op ambtseed zijn opgemaakt, niet kunnen worden opgemaakt in een vorm waarin die volledig kunnen worden overgelegd, zodat ook de wederpartij daar volledig kennis van kan nemen, zodat een eerlijk proces beter is gewaarborgd.
Voldoet verzoeker niet langer aan de eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag?
9. De sluiting van het horecapand van verzoeker in [plaats 1] kan geen grond voor de intrekking op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, Alcoholwet in combinatie met artikel 3.5 van het Alcoholbesluit vormen, omdat de sluiting daar meer dan vijf geleden is geweest. Nu de inrichting met ingang van 7 juli 2025 gesloten is geweest voor de duur van drie maanden op grond van artikel 174 van de Gemeentewet, is in zoverre wel voldaan aan de in artikel 3.5 van het Alcoholbesluit genoemde eis dat verzoeker geen leidinggevende is geweest van een inrichting die binnen de laatste vijf jaar is gesloten op grond van artikel 174 voornoemd. Het is evenwel de vraag of verzoeker een verwijt kan worden gemaakt van die sluiting omdat de vraag is of de drie aanslagen hem kunnen worden verweten, zoals hiervoor beschreven. Daarbij komt de vraag op op wie de bewijslast op dat punt rust. Verweerder heeft voor de bewijslast(verdeling) verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:855) waarin is overwogen dat de sluiting van een inrichting op grond van artikel 13b van de Opiumwet het vermoeden rechtvaardigt dat de leidinggevende verwijt treft van de sluiting. Voorshands overtuigt dit argument de voorzieningenrechter niet. In zaken waarin sluiting van een horecapand op grond van artikel 13b voornoemd aan de orde is, gaat het om etablissementen waarin drugs worden verhandeld. In dergelijke gevallen kan de leidinggevende al gauw een verwijt worden gemaakt. De leidinggevende zal immers op de hoogte zijn van wat er in zijn inrichting plaatsvindt, zeker als het gaat om handel in drugs, en kan derhalve al snel voor drugshandel in zijn zaak verantwoordelijk worden gehouden. Stellen dat de leidinggevende van drugshandel in zijn etablissement geen verwijt kan worden gemaakt, is niet erg overtuigend. In deze zaak gaat het echter om aanslagen op de inrichting die van buitenaf buiten openingstijden werden gepleegd toen de inrichting niet in bedrijf was. Of verzoeker hiervan een verwijt kan worden gemaakt, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op zijn minst kwestieus. De bewijslast dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, rust primair op verweerder, zodat hij moet ontzenuwen dat verzoeker geen verwijt treft. In dit geval is niet (ook niet tot op zekere hoogte) aannemelijk (laat staan vast komen te staan) dat verzoeker betrokken is bij (criminele) conflicten, die een verklaring zouden kunnen vormen voor de aanslagen. Verweerder heeft dat ook niet aangevoerd, laat staan onderbouwd. Verzoeker ontkent zelf ook stellig dat de aanslagen op hem waren gericht. Verweerder heeft wel verwezen naar een liquidatie bij en een afgehakt hoofd voor de deur van het horecapand dat verzoeker in het verleden exploiteerde te [plaats 1] , maar heeft niet onderbouwd dat die verwijzing de conclusie rechtvaardigt dat verzoeker van de laatste intrekking in juli 2025 een verwijt kan worden gemaakt. Daarbij weegt nog mee dat niet in geschil is dat de incidenten in [plaats 1] (ook) niet te maken hadden met enige rol van verzoeker in enig conflict dat (of omstandigheid die) tot die incidenten heeft geleid. De voorzieningenrechter acht de stellingen van verweerder op dit punt vooralsnog onvoldoende overtuigend om tot het oordeel te komen dat verzoeker niet langer voldoet aan de eisen van zedelijk gedrag in de zin van artikel 8, tweede lid, van de Alcoholwet in verband met artikel 3.5 van het Alcoholbesluit. Niet is immers aannemelijk geworden dat verzoeker op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de criminele gebeurtenissen bij zijn (voormalig) horecapand te [plaats 1] . Daaruit kan a fortiori ook niet worden afgeleid dat verzoeker een verwijt kan worden gemaakt van de gepleegde aanslagen begin juli 2025. De stelling van verweerder dat verzoeker zou hebben gelogen over het vuurwerkbomincident op 4 juli 2025, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het feit dat een in de inrichting toen aanwezig persoon verzoeker had gemeld dat hij een klap had gehoord en dat had geïnterpreteerd als een tegen een ruit gegooide steen, is het niet onbegrijpelijk dat verzoeker die persoon daar toen in is gevolgd. Dat een politierechercheur bij nader onderzoek tot een andere conclusie kwam, is onvoldoende voor de conclusie dat verzoeker (opzettelijk) had gelogen over dat incident. Dat verzoeker dat incident niet direct zelf bij de politie had gemeld, betekent ook niet dat hem wel een verwijt van de incidenten en dus de sluiting kan worden gemaakt. Gelet op het vorenstaande kan de vraag of verzoeker nog voldoet aan de eisen ten aanzien van zedelijk gedrag als leidinggevende niet zonder meer ontkennend worden beantwoord.
Is er sprake van een gewettigde vrees gevaar voor de openbare orde?
10.1
Ter zitting is met partijen gesproken over de vraag of is voldaan aan de in artikel 31, eerste lid aanhef en onder c, van de Alcoholwet genoemde voorwaarde of de feiten zich in de betrokken inrichting hebben voorgedaan. De vraag komt daarbij op of het moet gaan om feiten die zich in de binnenruimte hebben afgespeeld. In reactie daarop heeft verweerder aangegeven dat de vuurwerkbommen zijn geplaatst op het terras en dat het terras onderdeel uitmaakt van de inrichting. Daar sluit de voorzieningenrechter zich vooralsnog bij aan. Betwijfeld kan wel worden of de beschieting van het pand als een feit kan worden aangemerkt dat zich in de inrichting heeft voorgedaan, omdat die beschieting kennelijk vanaf de straat plaatsvond. Gelet op de op het terras geplaatste vuurwerkbommen is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter wel voldaan aan het criterium dat zich (relevante) feiten in de inrichting hebben voorgedaan.
10.2
Vervolgens ligt dan de vraag voor of verweerder zich ten tijde van de intrekking van de alcoholwetvergunning in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de twee vuurwerkbomaanslagen van begin juli 2025 de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de alcoholvergunning een gevaar oplevert voor de openbare orde. Gelet op de gebeurtenissen begin juli zoals hiervoor beschreven die onmiskenbaar zijn gericht op het horecapand van verzoeker, is het op zichzelf genomen niet onbegrijpelijk dat verweerder zich begin oktober 2025 heeft gebogen over de vraag of de alcoholvergunning moest worden ingetrokken omdat de vraag voorlag of moest worden gevreesd voor openbare-ordeproblemen als het horecapand weer in gebruik zou worden genomen. Maar of er nu nog sprake is van een gerechtvaardigde vrees in de zin van artikel 31, eerste lid aanhef en onder c, van de Alcoholwet dat het van kracht blijven van de vergunning een gevaar zal opleveren voor de openbare orde, is niet een makkelijk te beantwoorden vraag al was het maar omdat er thans al bijna zes maanden zijn verstreken zonder dat er nog openbare ordeverstoringen in verband met de inrichting hebben plaatsgevonden. De enkele verwijzing naar de drie aanslagen van juli is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende voor een reële inschatting van het thans nog bestaande openbare-orderisico. Daarbij weegt mee dat verweerder geen betrokkenheid van verzoeker bij de (oorzaak van die) incidenten heeft gesteld, laat staan onderbouwd. Vooralsnog acht de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd dat het gevaar voor de openbare orde bij van kracht blijven van de alcoholvergunning aanwezig is.
Tussenconclusie
11. Gelet op het vorenstaande heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. De intrekking ontbeert in ieder geval een toereikende motivering.
Weging van de betrokken belangen
12. Derhalve ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of in het kader van een weging van de betrokken belangen tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden overgegaan. Er zou aanleiding kunnen zijn om het intrekkingsbesluit niet te schorsen als er sprake is van gerechtvaardigde vrees voor openbare ordeproblemen in of vanuit de inrichting als de inrichting weer in gebruik wordt genomen. Verweerder heeft een ‘aanvullende bestuurlijke rapportage [de inrichting] ’ d.d. 11 december 2025 ingebracht. Aan dat niet volledig overgelegde bewijsstuk komt minder bewijswaarde toe, waarbij komt dat daaruit niet blijkt van actuele relevante (andere) feiten en omstandigheden die een nieuw licht werpen op de vraag of bij het weer in bedrijf nemen van de inrichting gegronde vrees bestaat dat nieuwe aanslagen in de lijn der verwachting liggen. Het politieonderzoek heeft volgens die (onvolledige stukken) kennelijk niet geleid tot meer inzicht in het waarom van de aanslagen en wie daarvoor verantwoordelijk is/zijn. Daarover is ook overigens niks bekend. Ter zitting heeft verweerder ook erkend dat er nog niets bekend is en dat hij niet heeft vernomen van de politie of bijvoorbeeld verdachten zijn opgepakt, die licht in de achtergronden van de aanslagen hebben kunnen brengen, dan wel dat er schot zit in enig politieonderzoek naar de achtergrond van de aanslagen. Daarbij komt dat er na 8 juli 2025 niets voor onderhavige beoordeling relevants meer in of rond de inrichting is voorgevallen. Hoewel het belang van de veiligheid van de omgeving van inrichting voor de voorzieningenrechter zeer zwaar weegt, heeft verweerder vooralsnog onvoldoende onderbouwd dat vrees voor gevaar voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft daartegenover voldoende belang bij het weer oppakken van de bedrijfsvoering. Daarbij weegt mee dat hij een deskundige heeft ingeschakeld die hem heeft geadviseerd hoe eventuele gevaren voor de openbare orde te beperken. Anders dan verweerder aanvoert, acht de voorzieningenrechter de door die deskundige aanbevolen maatregelen niet zinloos. De enkele ontkenning van het nut daarvan, ook door de politie, is daarvoor niet toereikend. Dat dergelijke maatregelen geen 100% garantie kunnen zijn op het voorkomen van welk incident dan ook, zoals verweerder aanvoert, is onvoldoende om er geen betekenis aan te hechten, reeds omdat 100% garanties voor onzekere toekomstige gebeurtenissen in wezen nooit kunnen worden gegeven. De politie heeft immers ook tot taak burgers te beschermen, maar kan daarvoor ook geen 100% garantie geven. Voorts weegt mee dat er inmiddels bijna een half jaar is verstreken sinds de incidenten en verweerder geen nieuwe aanwijzingen voor verdere problemen heeft aangevoerd.
Conclusie en gevolgen
13. Alles overziend ziet de voorzieningenrechter thans voldoende aanleiding om over te gaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom als volgt toegewezen. Nu het bestreden besluit wordt geschorst, kan verzoeker van de alcoholvergunning weer gebruik maken. De schorsing loopt, zoals te doen gebruikelijk, tot zes weken nadat op het bezwaar zal zijn beslist.
14. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet verweerder het griffierecht vergoeden en is ook een vergoeding van de proceskosten op zijn plaats. Deze proceskostenvergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.814,- omdat de gemachtigde van verzoeker als beroepsmatige rechtsbijstandverlener een verzoekschrift heeft ingediend en zijn kantoorgenoot aan de zitting heeft deelgenomen. Verweerder moet de vergoeding betalen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat op het bezwaar zal zijn beslist;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.